Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 1999, 172Wet

Wet van 3 april 1999 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met vervanging van de tijdelijke regeling van de vergoeding voor de exploitatiekosten door een in die wet zelf neergelegde regeling (regeling nieuw bekostigingsstelsel exploitatiekosten voortgezet onderwijs)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gelet op de evaluatie van het tijdelijke vergoedingsstelsel voor de exploitatiekosten in het voortgezet onderwijs wenselijk is thans een structurele regeling op te nemen in de Wet op het voortgezet onderwijs zelf;

dat daartoe wijzigingen dienen te worden aangebracht in onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

In de Wet op het voortgezet onderwijs1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

Artikel 75c vervalt.

B

In paragraaf 3 van titel III, afdeling II, hoofdstuk II, wordt een artikel 86 ingevoegd, luidend:

Artikel 86. Vergoeding exploitatiekosten

  • 1. De vergoeding voor de exploitatiekosten van de scholen heeft betrekking op de volgende componenten:

    a. onderhoud,

    b. energie- en waterverbruik,

    c. middelen,

    d. administratie, beheer en bestuur,

    e. loopbaanoriëntatie en -begeleiding,

    f. schoonmaken,

    g. bouwkundige aanpassingen, voor zover niet op grond van titel III, afdeling IA, hoofdstuk I, behorend tot de zorg van de gemeenteraad, en

    h. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van belastingen ter zake van onroerende zaken.

  • 2. De vergoeding wordt zodanig vastgesteld dat zij voldoet aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school.

  • 3. De vergoeding omvat:

    a. een vast bedrag per school,

    b. een bedrag dat afhankelijk is van de normatieve ruimtebehoefte per leerling, en

    c. een bedrag dat afhankelijk is van het aantal leerlingen van de school.

  • 4. De in het derde lid onder a tot en met c bedoelde bedragen kunnen per schoolsoort en per groep van leerlingen verschillen. De in het derde lid onder b en c bedoelde bedragen kunnen bovendien verschillen voor:

    a. de eerste twee leerjaren van de school, en

    b. de overige leerjaren.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 februari de in het derde lid onder a tot en met c bedoelde bedragen vastgesteld. Bij deze regeling worden tevens nadere voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop de vergoeding wordt berekend, alsmede voorschriften omtrent de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld. De vastgestelde bedragen gelden voor het schooljaar dat aanvangt na het tijdstip van vaststelling.

  • 6. Bij de vaststelling van de in het derde lid onder a tot en met c bedoelde bedragen, dan wel als tussentijdse aanpassing van die bedragen, worden volgens bij ministeriële regeling te geven regels loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks schatkist zich daartegen verzet.

  • 7. De ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, wordt bekendgemaakt in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De ministeriële regeling treedt niet eerder in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de regeling te kennen wordt gegeven, dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd. De eerste tot en met derde volzin zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van tussentijdse aanpassingen als bedoeld in het zesde lid.

C

In artikel 96i, derde lid, wordt «bedoeld in artikel 87, eerste lid, onderdeel d» vervangen door: artikel 86, eerste lid, onderdeel d.

D

In artikel 96j, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. «85a, 86 en 88» wordt vervangen door: 85a en 86.

2. De woorden «de ontvangsten op grond van de programma's van eisen voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 87, eerste lid, onderdeel d» worden vervangen door: de ontvangsten voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 86, eerste lid, onderdeel d.

E

In artikel 106, eerste lid, onder c, wordt «rekening en verantwoording» vervangen door: jaarrekening.

F

Artikel 108, eerste lid, wordt vervangen door:

  • 1. Grondslag der berekening is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van elk van de jaren bij de school was ingeschreven.

ARTIKEL II. WIJZIGING WET VAN 27 FEBRUARI 1992 (STB. 112)

In de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A

De artikelen XV en XIX vervallen.

B

Artikel XXI, tweede lid, onderdeel b, vervalt.

ARTIKEL III. AFHANDELING AANSPRAKEN OP VERGOEDING EN BEROEPEN

  • 1. Ten aanzien van de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger algemeen voortgezet onderwijs, voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs blijven wat de vergoeding voor de exploitatiekosten betreft de op 31 juli 1999 geldende voorschriften van of krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs en van of krachtens artikel XV van de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) van kracht met betrekking tot de op 1 augustus 1999 door het Rijk nog niet vastgestelde bedragen, bedragen die nog onderworpen kunnen zijn aan correctie of nog niet uitgekeerde bedragen.

  • 2. Op bezwaren en beroepen met betrekking tot de toepassing van de voorschriften bedoeld in het eerste lid die zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld voor 1 augustus 1999 of na 31 juli 1999 binnen de bezwaar- onderscheidenlijk beroepstermijn, op grond van de in dat lid bedoelde wettelijke voorschriften, blijven de op 31 juli 1999 geldende voorschriften van toepassing.

  • 3. Artikel XV, tiende lid, van de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) zoals luidend op 31 juli 1999 is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL IV. OVERGANGSRECHT OVERSCHRIJDINGSREGELING

  • 1. In afwijking van de artikelen 96i en 96j van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend met ingang van 1 augustus 1999, worden bij de vaststelling van uitgaven en inkomsten over het jaar 1999 tevens betrokken de uitgaven en inkomsten, bedoeld in deze artikelen zoals luidend op 31 juli 1999, en met inachtneming van artikel XV van de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) zoals luidend op 31 juli 1999.

  • 2. Artikel XV, tiende lid, van de Wet van 27 februari 1992 (Stb. 112) zoals luidend op 31 juli 1999 is van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL V. EVALUATIE

Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens telkens na vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het de wijzigingen door deze wet betreft.

ARTIKEL VI. INWERKINGTREDING

  • 1. Artikel I, onderdelen B, E en F, en de artikelen III, IV en V, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

  • 2. Artikel I, onderdelen C en D, en artikel II, treden in werking met ingang van 1 augustus 1999.

  • 3. Artikel I, onderdeel A, treedt in werking met ingang van 1 augustus 2000.

  • 4. Artikel 86 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, is voor de eerste maal van toepassing met betrekking tot het schooljaar 1999–2000, met uitzondering van het eerste lid, onder e, dat voor de eerste maal van toepassing is met betrekking tot het schooljaar 2000–2001.

  • 5. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 januari 1999, gelden in afwijking van het tweede en vierde lid de volgende voorschriften:

    a. artikel I, onderdelen C en D, en artikel II, treden in werking met ingang van 1 augustus 2000;

    b. artikel 86 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, is voor de eerste maal van toepassing met betrekking tot het schooljaar 2000–2001;

    c. in artikel III, eerste, tweede en derde lid, en artikel IV, eerste en tweede lid, geldt in plaats van «31 juli 1999»: 31 juli 2000;

    d. in artikel III, eerste en tweede lid, en artikel IV, eerste lid, geldt in plaats van «1 augustus 1999»: 1 augustus 2000;

    e. in artikel IV, eerste lid, geldt in plaats van «het jaar 1999»: het jaar 2000.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te Tavarnelle, 3 april 1999

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K. Y. I. J. Adelmund

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

H. H. Apotheker

Uitgegeven de tweeëntwintigste april 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1998, 512, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 februari 1999, Stb. 111.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1997/98, 1998/99, 25 878.

Handelingen II 1998/99, blz. 3182–3198; 3300.

Kamerstukken I 1998/99, 25 878 (190, 190a).

Handelingen I 1998/99, zie vergadering d.d. 30 maart 1999.