Besluit van 8 maart 1999, houdende regels omtrent
de bezoldiging en verdere rechtspositie van de directeur van de Dienst omroepbijdragen
(Besluit rechtspositie directeur Dienst omroepbijdragen)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
dr. F. van der Ploeg, van 13 januari 1999, nr. MLB/JZ/1999/927;
Gelet op artikel 122c, vierde lid, van de Mediawet;
De Raad van State gehoord (advies van 5 februari 1999, no. W05.99.0024);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschappen, dr. F. van der Ploeg, van 2 maart 1999, nr. MLB/JZ/1999/7229;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. directeur: de directeur van de Dienst omroepbijdragen, bedoeld in artikel
122a van de Mediawet;
b. raad van toezicht: de raad van toezicht van de Dienst omroepbijdragen,
bedoeld in artikel 122a van de Mediawet.
Artikel 2
Op de directeur is het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren
1984 van toepassing. De directeur wordt bezoldigd volgens schaal 17 van bijlage
B van genoemd besluit.
Artikel 3
Het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Rijkswachtgeldbesluit 1959
zijn van overeenkomstige toepassing op de directeur. In geval van arbeidsongeschiktheid
wegens ziekte eindigt doorbetaling van de bezoldiging in elk geval op de dag
waarop de benoemingstermijn van de directeur eindigt en aansluitend aan die
termijn geen herbenoeming heeft plaatsgevonden.
Artikel 4
De raad van toezicht stelt de verdere rechtspositie van de directeur vast.
Artikel 5
Ten aanzien van de met ingang van 1 juli 1997 eerst benoemde directeur
treft Onze Minister de voorzieningen met betrekking tot de toepassing van
de artikelen 2 en 3, voorzover die noodzakelijk zijn om te waarborgen dat
de rechtspositie en aanspraken van bedoelde directeur tenminste gelijkwaardig
zijn aan die welke voor hem golden voor genoemd tijdstip.
Artikel 6
De uit dit besluit voortvloeiende kosten van bezoldigingen, uitkeringen
en vergoedingen komen ten laste van de Dienst omroepbijdragen.
Artikel 7
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1
juli 1997.
Artikel 8
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie directeur Dienst
omroepbijdragen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnoot's-Gravenhage, 8 maart 1999
Beatrix
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
F. van der Ploeg
Uitgegeven de drieëntwintigste maart 1999
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
NOTA VAN TOELICHTING
Op grond van de wet van 19 december 1996 tot wijziging van bepalingen
van de Mediawet in verband met het omvormen van de met de inning van de omroepbijdragen
belaste dienst van Koninklijke PTT Nederland N.V. tot een publiekrechtelijk
vormgegeven zelfstandig bestuursorgaan (Stb. 648) is met ingang van 1 juli
1997 de Dienst omroepbijdragen, die tot die datum onderdeel was van Koninklijke
PTT Nederland N.V., omgevormd tot een publiekrechtelijk vormgegeven zelfstandig
bestuursorgaan. Ten aanzien van de directeur van de Dienst omroepbijdragen
is in artikel 122c, vierde lid, van de Mediawet bepaald dat bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de bezoldiging
en verdere rechtspositie. Dit besluit strekt daartoe.
De directeur is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn. Bij
de vaststelling van de bezoldiging van de directeur zijn de ambtelijke salarisregelingen
volgens het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren als uitgangspunt
genomen. De inschaling van de directeur is op basis van functiewaardering
afgestemd op de aard en zwaarte van de functie. De directeur valt onder de
reikwijdte van de definitie van overheidswerknemer van artikel 2, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet privatisering Abp, zodat uit dien hoofde zijn rechtspositie
inzake pensioenen is geregeld. Aanvullend zijn in artikel 3 een aantal regelingen
zoals die voor ambtenaren, werkzaam bij de sector rijk, gelden van overeenkomstige
toepassing verklaard, hetgeen betekent dat de aanspraken van de directeur
overeenkomstig genoemde regelingen zijn. Omdat de omvorming van de Dienst
omroepbijdragen tot een publiekrechtelijk vormgegeven zelfstandig bestuursorgaan
leidt tot een wijziging in de rechtspositieregeling van de directeur is in
artikel 5 een overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van de eerst benoemde
directeur, die er toe strekt te waarborgen dat zijn rechtspositie ten minste
gelijkwaardig is aan die welke voor hem gold voor de omvorming tot zelfstandig
bestuursorgaan. Het gaat hier om bijvoorbeeld pensioenbreuk en de inkoop van
dienstjaren ten behoeve van VUT- en pensioenrechten.
Enige overige elementen van de rechtspositie, waaronder een regeling inzake
prestatiebeloning en vergoeding van bepaalde beroepskosten (fax, telefoon),
worden ter vaststelling aan de raad van toezicht van de Dienst omroepbijdragen
overgelaten.
Nu de hiervoor genoemde wet van 19 december 1996 met ingang van 1 juli
1997 in werking is getreden en tevens per die datum benoeming van de huidige
directeur van de Dienst omroepbijdragen heeft plaatsgevonden, zal dit besluit
op grond van artikel 7 in werking treden met terugwerkende kracht tot en met
1 juli 1997.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
F. van der Ploeg
XHistnoot
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.