3. Het eerste lid, eerste volzin, is met betrekking tot artikel 45, eerste
lid, onderdeel h, niet van toepassing indien de belastingplichtige tegen storting
van een koopsom bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 45, zevende lid,
onderdeel a, onder 1:
a. ter zake van afkoop van de verplichting tot het doen van periodieke
uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel
b, ten behoeve van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot een lijfrente als
bedoeld in artikel 45, zesde lid, bedingt waarvan de termijnen direct ingaan,
toekomen aan die echtgenoot of gewezen echtgenoot en uiterlijk eindigen bij
overlijden van die echtgenoot of gewezen echtgenoot, of
b. in het kader van echtscheiding of scheiding van tafel en bed ter zake
van het voldoen aan de verplichting tot verrekening van pensioenrechten ten
behoeve van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot een lijfrente als bedoeld
in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 1, 2, 3 of 4, bedingt waarbij
die echtgenoot of gewezen echtgenoot voor de toepassing van artikel 45, eerste
lid, onderdeel g, wordt aangemerkt als de belastingplichtige.
Voor de toepassing van artikel 25, eerste lid, onderdeel g, onder 1, en artikel 45c wordt de in de eerste volzin bedoelde koopsom voor de
lijfrente, bedoeld in onderdeel a, aangemerkt als premie voor een lijfrente
als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, worden de lijfrenten,
bedoeld in onderdeel b, aangemerkt als lijfrenten als bedoeld in artikel 45,
eerste lid, onderdeel g, en wordt de in de eerste volzin bedoelde echtgenoot
of gewezen echtgenoot aangemerkt als de verzekeringnemer van de aldaar bedoelde
lijfrenten.
Ingeval de lijfrente niet meer voldoet aan de in de eerste volzin gestelde
voorwaarden is artikel 45c van overeenkomstige toepassing.