Besluit van 8 december 1998, houdende regels ter stroomlijning van de opzet van milieusubsidies (Besluit milieusubsidies)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 augustus 1998, nr. MJZ 98079022, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 9 oktober 1998, nr. W08.98.0402);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 december 1998, nr. MJZ 98117988, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 DEFINITIES

Artikel 1

In dit besluit en in een ministeriële regeling krachtens artikel 15.13, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt verstaan onder:

a. liquiditeitsbehoefte: behoefte van een subsidie-ontvanger aan liquide middelen ten behoeve van het verrichten van de te subsidiëren activiteit, gedurende het tijdvak waarvoor subsidie wordt verleend;

b. programma: ministeriële regeling krachtens artikel 15.13, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer, of onderdeel daarvan;

c. voorschot: vooruitbetaling door Onze Minister op een verleende subsidie;

d. Commissie: Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 2

  • 1. In dit besluit en in programma's wordt verstaan onder subsidiabele kosten: kosten die voor subsidiëring in aanmerking komen krachtens het betrokken programma dan wel, indien subsidie wordt verstrekt zonder programma, krachtens de beschikking tot subsidieverlening onderscheidenlijk de beschikking tot subsidievaststelling.

  • 2. Bij de bepaling van de subsidiabele kosten wordt een winstopslag ten behoeve van de subsidie-ontvanger buiten beschouwing gelaten.

HOOFDSTUK 2 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 3

  • 1. Op elke subsidie verstrekt krachtens een programma onderscheidenlijk het tweede lid zijn de artikelen 5 tot en met 15 van toepassing.

  • 2. Onze Minister kan voor activiteiten op het gebied van het milieubeheer in incidentele gevallen ook subsidie verstrekken zonder programma. Van deze bevoegdheid wordt geen mandaat verleend.

  • 3. Terzake van een subsidie als bedoeld in het tweede lid, wordt in artikel 6, eerste lid, aanhef, in plaats van «programma» gelezen «beschikking tot subsidieverlening» en wordt in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, in plaats van «het programma» gelezen: de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 4

Indien Onze Minister subsidie verstrekt op aanvraag van een staat of een volkenrechtelijke organisatie, is dit besluit van toepassing, met uitzondering van de artikelen 10, 11, tweede lid, 12, zesde lid, 13 en 14.

HOOFDSTUK 3 PROGRAMMA'S EN SUBSIDIEPLAFOND

Artikel 5

  • 1. In een programma worden tenminste opgenomen het doel van de subsidieverstrekking, een aanduiding van de in aanmerking komende subsidie-ontvangers en van de subsidiabele kosten, en indien van toepassing: het subsidieplafond, het maximale subsidiepercentage, en het maximale subsidiebedrag.

  • 2. Indien voor een programma een subsidieplafond als bedoeld in artikel 15.13, derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt vastgesteld, wordt in dat programma in verband met de besluitvorming over de aanvraag, bedoeld in artikel 15.13, tweede lid, onderdeel d, van de Wet milieubeheer, bepaald of bij de subsidieverlening:

    a. wordt beslist in de volgorde van de ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld voor die beslissing als datum van ontvangst van de aanvraag geldt, of

    b. aanvragen met betrekking tot soortgelijke activiteiten gelijktijdig worden beoordeeld op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van het programma.

Artikel 6

  • 1. Tenzij een programma anders bepaalt, wordt de hoogte van de subsidie bepaald met inachtneming van:

    a. de aanvraag;

    b. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de resultaten van de activiteit, en

    c. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelstellingen opgenomen in het programma.

  • 2. Bij de bepaling van de hoogte van de subsidie wordt voorts rekening gehouden met subsidies die uit anderen hoofde vanwege het Rijk of de Commissie worden of zijn aangevraagd dan wel zijn verstrekt.

Artikel 7

Indien het subsidieplafond van een programma is bereikt, waarvoor de in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, bedoelde wijze van verdeling geldt, deelt Onze Minister dit onverwijld in de Staatscourant mee.

HOOFDSTUK 4 NOTIFICATIES AAN DE COMMISSIE

Artikel 8

  • 1. Voor zover voor een programma of een subsidie goedkeuring van de Commissie is vereist op grond van artikel 93, derde lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, wordt het programma niet vastgesteld, onderscheidenlijk de beschikking tot subsidieverlening niet gegeven, voordat die goedkeuring is verkregen of geacht moet worden te zijn verkregen.

  • 2. Onze Minister doet in de Staatscourant mededeling van het verlenen van de goedkeuring van de Commissie. Indien de Commissie voorschriften aan de goedkeuring verbindt, neemt Onze Minister deze in het programma op, onderscheidenlijk verbindt hij deze als verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening, voor zover zij zich daartoe lenen.

  • 3. Onze Minister draagt er zorg voor dat het programma, onderscheidenlijk een subsidie, in overeenstemming is met de regelgeving van de Europese Unie, de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het beleid van de Commissie terzake van de verlening van staatssteun.

Artikel 9

Onze Minister dient bij de Commissie na afloop van ieder kalenderjaar een verslag in over de uitvoering in dat jaar van ieder goedgekeurd programma en iedere goedgekeurde subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid.

HOOFDSTUK 5 VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIE-ONTVANGER

Artikel 10

De subsidie-ontvanger is verplicht:

a. de activiteit uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteit in de beschikking tot subsidieverlening, tenzij Onze Minister voorafgaand schriftelijk heeft ingestemd met afwijking daarvan;

b. te voldoen aan de verplichtingen die door Onze Minister aan de subsidie zijn verbonden. Daarbij kan Onze Minister slechts verplichtingen opleggen:

1°. als bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, of

2°. die betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht;

c. indien hij in verband met de verstrekte subsidie, op zijn beurt subsidie verstrekt aan een derde, de artikelen 2, tweede lid, en 6, tweede lid, toe te passen en daaraan de verplichtingen te verbinden, die zijn bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, in de onderdelen b, aanhef en onder 2°, en f, alsmede, indien van toepassing, aan Onze Minister een verslag te sturen als bedoeld in artikel 9;

d. een administratie te voeren die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de subsidiabele kosten kunnen worden afgelezen;

e. onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem, dan wel een aangifte of vordering daartoe bij de rechtbank is ingediend, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan Onze Minister;

f. op verzoek van de Onze Minister medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit, met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens;

g. alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door Onze Minister terzake van de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatie-onderzoek, waarbij Onze Minister die medewerking slechts kan verlangen voor zover hij daaraan redelijkerwijs behoefte heeft, en

h. indien de activiteit geheel is uitgevoerd, niet voor een bepaalde tijd is uitgevoerd, niet zal worden uitgevoerd dan wel is stopgezet, daar Onze Minister onmiddellijk van in kennis te stellen.

HOOFDSTUK 6 HET PROCEDUREVERLOOP EN VOORSCHOTTEN

Artikel 11

  • 1. Subsidie wordt slechts op aanvraag verstrekt.

  • 2. Bij de aanvraag tot subsidieverlening worden tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    a. een overzicht van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd;

    b. een stuk waarin wordt toegelicht dat aan de doelstellingen van het betrokken programma kan worden voldaan en de activiteit derhalve voor subsidiëring in aanmerking komt;

    c. een gespecificeerde begroting, waaruit tenminste blijkt:

    1°. dat de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd geen winstopslag ten behoeve van de subsidie-ontvanger bevatten;

    2°. voor welke activiteit en welke kosten uit anderen hoofde dan het betrokken programma subsidie vanwege het Rijk of de Commissie wordt of is aangevraagd, dan wel is verstrekt;

    3°. hoe hoog de totale kosten van de te subsidiëren activiteit zijn;

    d. een tijdplanning van de activiteit;

    e. indien voorschotten worden aangevraagd aan de hand van de individuele liquiditeitsbehoefte, bedoeld in artikel 12, derde lid: de liquiditeitsbehoefte gedurende het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, zo mogelijk weergegeven per tijdvak van drie maanden;

    f. het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden gestort;

    g. indien van toepassing: het inschrijfnummer van de aanvrager bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, en

    h. indien de aanvraag wordt ingediend als met de betrokken activiteit reeds is begonnen, tevens:

    1°. een weergave van de stand van zaken tot dusverre, en

    2°. een toelichting op de reden waarom de aanvraag niet voor het begin van de activiteit is ingediend.

  • 3. Onze Minister bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk.

  • 4. Aanvragen die betrekking hebben op dezelfde activiteit, worden bij de toepassing van dit besluit als één aanvraag aangemerkt.

Artikel 12

  • 1. Onze Minister kan op aanvraag per tijdvak van drie maanden een voorschot verlenen. Zonodig worden bij de aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, de in artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bedoelde gegevens verstrekt. De aanvraag behoeft slechts éénmaal te worden ingediend ten behoeve van het gehele tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2. Onverminderd het zesde lid, wordt de hoogte van het voorschot bepaald door het subsidiebedrag te delen door het aantal gehele maanden waaruit het tijdvak bestaat waarvoor de subsidie wordt verleend, en het resulterende bedrag met drie te vermenigvuldigen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, de hoogte en de spreiding van de voorschotten per tijdvak bepaald aan de hand van de individuele liquiditeitsbehoefte die blijkt uit de ingevolge artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bij de aanvraag verstrekte gegevens of uit een raming als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, onder 2°. Onze Minister kan zonodig ambtshalve de hoogte en de spreiding van de voorschotten per tijdvak bepalen.

  • 4. Indien uit de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, blijkt dat de gemaakte kosten tenminste 10 procent afwijken van de verleende voorschotten, kunnen de wijze van bevoorschotting en de hoogte van de voorschotten ambtshalve of op aanvraag worden aangepast.

  • 5. De voorschotverlening wordt opgeschort zolang de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in strijd met dat artikel niet is ontvangen.

  • 6. Voorschotten worden steeds uitbetaald voor 100 procent per tijdvak als bedoeld in het eerste of derde lid, totdat zij tezamen ten hoogste bedragen:

    a. 80 procent van de verleende subsidie, ingeval de subsidie-ontvanger een onderneming drijft, en

    b. 95 procent van de verleende subsidie, ingeval de subsidie-ontvanger geen onderneming drijft.

  • 7. In het zesde lid wordt verstaan onder onderneming: onderneming als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting 1968.

Artikel 13

  • 1. Zolang geen aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid, is ingediend, dient de subsidie-ontvanger tenminste één maal per jaar doch uiterlijk op een door Onze Minister te bepalen tijdstip, in:

    a. een geactualiseerd overzicht van de activiteit waarvoor subsidie is verleend;

    b. een weergave van de stand van zaken tot dusverre, met inbegrip van de gemaakte kosten en de besteding van de verleende voorschotten;

    c. indien de gemaakte kosten naar verwachting 10 procent of meer afwijken van de begrotingspost: een toelichting daarop, en

    d. voor zover nog voorschotten worden verleend:

    1°. een bijgestelde tijdplanning, of

    2°. een raming van de liquiditeitsbehoefte gedurende het komende jaar.

  • 2. De indeling en de mate van detaillering van de te verstrekken gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, moeten in overeenstemming zijn met de aanvraag op basis waarvan subsidie is verleend.

Artikel 14

  • 1. Tenzij de activiteit niet is uitgevoerd, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen de navolgende termijn na afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor subsidie is verleend:

    a. tien maanden, ingeval de subsidie-ontvanger een rechtspersoon is, die krachtens publiekrecht is ingesteld;

    b. zes maanden, in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel a.

  • 2. De subsidie-ontvanger voegt bij de aanvraag tot subsidievaststelling:

    a. een verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteit, waaruit blijkt dat hij aan de verplichtingen heeft voldaan;

    b. een financiële verantwoording;

    c. indien de gemaakte kosten 10 procent of meer afwijken van de begrotingspost: een toelichting daarop, en

    d. indien de subsidie f 100 000 of meer bedraagt: een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, geldt voor de financiële verantwoording, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, dat de indeling en mate van detaillering in overeenstemming moeten zijn met de begroting op basis waarvan subsidie is verleend.

  • 4. Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, is artikel 11, tweede lid, onderdelen b, f en g, van toepassing op de aanvraag van de beschikking tot subsidievaststelling, onverminderd het tweede lid.

  • 5. Het tweede lid, onderdelen b, c en d, is niet van toepassing op een subsidie waarbij het niet van belang is of de subsidiabele kosten met inachtneming waarvan de hoogte van de subsidie is verleend, ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd.

  • 6. Indien de activiteit niet is uitgevoerd, kan op aanvraag of ambtshalve een beschikking tot subsidievaststelling worden gegeven. Op een dergelijke aanvraag zijn het tweede en derde lid niet van toepassing.

  • 7. Onze Minister bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk.

Artikel 15

  • 1. Op een aanvraag tot subsidieverlening en op een aanvraag tot verlening van een voorschot beslist Onze Minister:

    a. binnen vier maanden na ontvangst van die aanvraag, indien op de beoordeling van de aanvraag een systeem van toepassing is als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a;

    b. binnen vier maanden na de sluitingsdatum voor de indiening van de aanvraag, indien op de beoordeling van de aanvraag een systeem van toepassing is als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b.

  • 2. Op een aanvraag tot subsidievaststelling beslist Onze Minister binnen vier maanden na ontvangst van die aanvraag.

  • 3. Indien de activiteit niet is uitgevoerd, beslist Onze Minister binnen vier maanden na:

    a. de ontvangst van de mededeling van de subsidie-ontvanger dat de activiteit niet is uitgevoerd, of

    b. de constatering door Onze Minister dat de activiteit niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn is uitgevoerd.

  • 4. Indien een beslissing vanwege de vereiste goedkeuring van de Commissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, niet kan worden genomen binnen de termijn die is genoemd in het eerste, tweede of derde lid, onderdeel a, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

HOOFDSTUK 7 UITZONDERING EN EXPERIMENTEERBEPALING

Artikel 16

  • 1. Indien de subsidie strekt tot aanschaf van bepaalde, in een programma aangewezen objecten, of tot opdrachtverlening tot het verrichten van, bepaalde, in een programma aangewezen diensten, zijn de artikelen 10, onderdelen d, e, f, g en h, 11, tweede lid, 12, 13, 14, tweede tot en met vijfde lid, niet van toepassing.

  • 2. In een geval als bedoeld in het eerste lid:

    a. wordt het voorschot bij de beschikking tot subsidieverlening vastgesteld op het bedrag dat op grond van artikel 12, zesde lid, ten hoogste kan worden uitbetaald, en

    b. worden bij de aanvraag tot subsidievaststelling een aankoopfactuur en een betalingsbewijs gevoegd.

Artikel 17

  • 1. Onze Minister kan in een programma of in een beschikking op grond van artikel 3, tweede lid, voor nader door hem aan te wijzen experimenten subsidie verstrekken en daarbij afwijken van de artikelen 10 tot en met 15. Van deze bevoegdheid wordt geen mandaat verleend. Elk experiment geldt voor een tevoren door Onze Minister vast te stellen periode.

  • 2. Onze Minister kan ook na afsluiting van een experiment blijven afwijken van de in het eerste lid genoemde artikelen, voor zover het subsidie-ontvangers betreft, die tijdens de duur van het experiment subsidie ontvingen met toepassing van het eerste lid en zolang een door hem noodzakelijk geoordeelde wijziging van dit besluit nog niet van kracht is geworden en in werking is getreden.

  • 3. Binnen een jaar na afsluiting van het experiment beslist Onze Minister of een wijziging van dit besluit naar zijn oordeel noodzakelijk is.

HOOFDSTUK 8 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

  • 1. Ingetrokken worden:

    a. het Besluit diverse subsidies milieubeheer;

    b. het Subsidiebesluit maatschappelijke organisaties en milieu;

    c. het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, en

    d. het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer, met uitzondering van de artikelen 1, 2, 2b, 4 tot en met 4d, 6 tot en met 18, 48a tot en met 57, 77, 81a en 83, en de bijlagen, die worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2003.

  • 2. De besluiten, bedoeld in het eerste lid, zoals ze luidden voor het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden, blijven van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn aangevraagd op grond van een dergelijk besluit.

  • 3. Het Programma Hergebruik Afvalstoffen 1998 (PH'98), onderdeel van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1998, nr. DGM/SP 98022985, houdende vaststelling voor 1998 van programma‘s en subsidieplafonds Subsidiebesluit milieugerichte technologie (Stcrt. 1998, nr. 50), zoals nadien gewijzigd, wordt aangemerkt als een programma in de zin van dit besluit. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, wordt het Subsidiebesluit milieugerichte technologie gehandhaafd ten behoeve van de toepassing van het Programma, bedoeld in de eerste volzin.

  • 4. Dit besluit is niet van toepassing op subsidies verstrekt krachtens de Subsidieregeling niet-industriële restwarmte-infrastructuur.

Artikel 19

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.

  • 2. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven op of na 4 december 1998, treedt het besluit in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 1999.

Artikel 20

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit milieusubsidies.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 8 december 1998

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk

Uitgegeven de negenentwintigste december 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

§ 1 Doel en reikwijdte

Dit besluit strekt tot procedurele invulling van titel 15.3 van het hoofdstuk financiële bepalingen van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Beoogd wordt diverse doelstellingen te verwezenlijken.

– Allereerst is dat een zover mogelijk doorgevoerde harmonisatie van alle tot op heden bij diverse wettelijke voorschriften geregelde subsidiestromen op het terrein van het milieubeleid.

De huidige diversiteit in de wetgeving leidt ertoe dat voor één doelgroep verschillende voorwaarden kunnen gelden bij subsidiëring van verscheidene activiteiten of maatregelen, omdat wordt gesubsidieerd op basis van diverse wettelijke voorschriften. Daardoor is sprake van afwijkende definities, termijnen en verplichtingen en gelden andere systemen van bevoorschotting. De harmonisatie strekt ertoe de helderheid en transparantie van de van toepassing zijnde bepalingen te vergroten voor de subsidie-ontvangers en voor de subsidieverstrekkers. In veel gevallen is een strikte toepassing van afwijkende bepalingen in de diverse wettelijke voorschriften niet noodzakelijk gebleken. Door de uniformering zal de administratieve lastendruk verminderen. Dit komt tot uitdrukking in de uniformering van definities en termijnen, maar vooral ook doordat de voor de subsidie-ontvanger geldende verplichtingen en de door hem in te dienen gegevens bij de subsidieverlening, subsidievaststelling en tussentijdse verantwoording, gelijk zijn voor alle te subsidiëren activiteiten. Voorts wordt gewezen op de vereenvoudigde wijze van bevoorschotting en op het beoogde gebruik van standaard-formulieren ten behoeve van aanvragen en (tussentijdse) verantwoordingen. Ook hierdoor zal, ten dele indirect, de administratieve lastendruk afnemen.

Door de harmonisatiedoelstelling past dit besluit goed bij de Wm en de (derde tranche van de) Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb): de organisatorisch-beheersmatige aspecten worden geharmoniseerd, terwijl er inhoudelijk beleidsvrijheid blijft. Dit besluit bepaalt immers niet voor welk doel subsidies verstrekt kunnen worden.

Het vaststellen van een uniform aanvraagformulier maakt onderdeel uit van de stroomlijningsoperatie. Artikel 4:4 Awb biedt hiervoor de grondslag.

– Een tweede doelstelling is het creëren van een algemeen geldende subsidieregeling op het hele terrein van de milieusubsidies. Deze algemene regels gelden namelijk ook voor «incidentele» subsidies. Dat wil zeggen, eenmalige subsidies die worden verstrekt zonder dat daaraan een subsidieprogramma ten grondslag ligt. Ook hierdoor wordt de helderheid en de transparantie vergroot.

Hierbij is van belang dat titel 15.3 van de Wm geen principieel onderscheid maakt tussen subsidieverlening aan particulieren en specifieke doeluitkeringen aan andere overheden; de subsidietitel van de Awb (titel 4.2) is in dit kader op beide doelgroepen van toepassing verklaard.

De twee doelstellingen (harmonisatie en een algemene subsidieregeling) brengen mee dat er een zeker verlies aan flexibiliteit ten opzichte van de huidige situatie zou kunnen optreden. Om dit te voorkomen zijn twee voorzieningen getroffen. (Milieu)subsidies zijn immers naar hun aard zó divers en veelvormig, dat er ruimte moet blijven voor afwijking in bijzondere gevallen. Het gaat dan uitsluitend om bijzondere gevallen, omdat in het overgrote deel van de gevallen het algemene stramien van dit besluit zonder meer bruikbaar is.

– Bij bijzondere gevallen valt enerzijds te denken aan incidentele subsidies, waarvoor de normale regels gelden met betrekking tot aanvraag, verslaglegging, e.d. (zie § 3 van het algemeen deel van deze nota van toelichting). Gelet op het incidentele karakter, is het niet nodig en niet wenselijk hiervoor een programma op te stellen, maar anderzijds dienen wel de normale rechten en plichten van subsidieverstrekker en subsidie-ontvanger te gelden. Dit is de zogeheten «incidentenregeling».

– Bij bijzondere gevallen kan anderzijds gedacht worden aan al dan niet incidentele subsidies waarvoor de normale regels te strak zijn. In het verleden ging het hierbij om, bijvoorbeeld, subsidies ten behoeve van organen van internationale organisaties als de Wereldbank(familie). Hiervoor is thans een voorziening getroffen (zie hierna § 3.5).

Op dit moment kan van andere bijzondere gevallen als hier bedoeld nog geen voorbeeld gegeven worden (dan was het namelijk al structureel in het besluit geregeld). Het is echter aannemelijk dat zich dergelijke uitzonderingsgevallen zullen voordoen. Daarvoor is een experimenteerbepaling opgenomen. Op basis van die experimenteerbepaling kan voor een bepaalde, bij ieder experiment tevoren vastgestelde periode, in afwijking van allerlei procedurele bepalingen door de minister subsidie worden verstrekt. In de regel zullen voor experimenten programma's worden opgesteld. De minister kan echter ook gebruik maken van de bevoegdheid uit artikel 3, tweede lid, om bij beschikking subsidie te verstrekken. Gedurende de periode van het experiment beoordeelt de minister of een wijziging van het besluit opportuun is. Mocht tot wijziging worden besloten, dan biedt artikel 17, tweede lid, de mogelijkheid om ook na afloop van het experiment tot het van kracht worden en de inwerkingtreding van de wijziging het besluit af te wijken van de procedurele bepalingen (artikelen 10 tot en met 15). Daarbij zal de afwijking wel steeds een tijdelijke moeten zijn.

NB: De notificatieverplichtingen die voortvloeien uit het EG-recht, gelden onverkort voor beide bijzondere voorzieningen. Het EG-recht laat geen onderscheid toe.

De hiervoor aangegeven doelstellingen worden bereikt door alle subsidies te verstrekken volgens de procedure van dit besluit. Dit besluit geldt voor subsidies verstrekt ingevolge ministeriële regelingen krachtens artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, Wm. Dit houdt in: praktisch alle mogelijk te verstrekken subsidies ten laste van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), onderdeel milieubeheer.

Hierop is slechts één uitzondering gemaakt, namelijk voor de bodemsanering. Deze is volledig geregeld bij en krachtens de Wet bodembescherming. De Wet bodembescherming is wat betreft de financiering van bodemsanering een lex specialis ten opzichte van de Wm. Op de budget- en projectfinanciering op grond van de Wet bodembescherming is titel 4.2 van de Awb (subsidies) niet van toepassing. Gelet op de (lopende) ontwikkelingen op en de complexiteit van dit beleidsterrein is afgezien van wijziging van de betreffende wetgeving. Op termijn wordt echter integratie in de onderhavige regelgeving niet uitgesloten.

De doelgroep voor subsidieverstrekking betreft, mede gelet op de tweede doelstelling, alle mogelijke (rechts)personen. Zoals hiervoor reeds aangegeven is, wordt daaronder mede verstaan de andere overheden. Wel zijn voor «internationale subsidies» bijzondere voorzieningen getroffen (zie hierna § 3.5 van het algemeen deel van deze toelichting).

Al met al geldt dit besluit voor iedere activiteit op het terrein van het milieubeheer waarvoor subsidie kan worden verstrekt, behalve bodemsanering. De activiteiten waarvoor thans vanwege het Directoraat-Generaal Milieubeheer van het Ministerie van VROM subsidies worden verstrekt, zijn:

– het duurzaam verminderen van fysieke milieubelasting;

– de bevordering van de reductie van emissies;

– het beleid dat is gericht op de milieuthema's;

– het milieugerichte doelgroepenbeleid;

– het milieugerichte technologiebeleid;

– de bevordering van de integrale milieukwaliteit in gebieden;

– de bevordering van de externe integratie van het milieubeleid;

– het internationale milieubeleid;

– activiteiten op het gebied van het milieubeheer, die bij wet of overeenkomst zijn opgedragen aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld, en

– activiteiten op het gebied van het milieubeheer, die worden verricht door andere rechtspersonen.

§ 2 Technische operatie; geen gevolgen voor de begroting

Hoewel dit besluit tot belangrijke juridische wijzigingen leidt, alsmede tot een vermindering van de administratieve lastendruk, worden de subsidiabele activiteiten inhoudelijk niet gewijzigd.

De huidige algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen die de subsidiabele activiteiten omschrijven, worden opgenomen in diverse programma's. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om een inhoudelijke bezinning op de subsidieverstrekking. Daartoe bestaat geen aanleiding. Dit mede gelet op het recente karakter van de geldende wettelijke voorschriften en de uitkomsten van enkele recent uitgevoerde beleidsevaluaties.

Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat zich als gevolg van dit besluit mutaties zullen voordoen in de budgetten die zijn opgenomen in de VROM-begroting, onderdeel Milieubeheer. Vandaar dat is afgezien van een financiële paragraaf in deze toelichting.

§ 3 Hoofdlijnen subsidieverstrekking

Hieronder wordt in hoofdlijnen het normale proces van subsidieverstrekking geschetst. Voor «internationale subsidies» en voor de aanschaf van bepaalde, in een programma aangewezen objecten en diensten – uit het verleden kan worden gedacht aan, bijvoorbeeld, energiezuinige verwarmingsketels – gelden versoepelde bepalingen. Daarop wordt ingegaan aan het slot van deze paragraaf.

§ 3.1 Programma's en budgetten

Voorafgaand aan de daadwerkelijke subsidieverstrekking worden programma's in de Staatscourant bekendgemaakt (in ministeriële regelingen krachtens de Wm).

Ook wordt per programma, eventueel per onderdeel daarvan, een subsidieplafond bekend gemaakt; verhogingen of verlagingen van het subsidieplafond worden eveneens in de Staatscourant bekend gemaakt. Indien door verstrekking van een subsidie het betrokken plafond zou worden overschreden, levert dit een verplichte weigeringsgrond op ingevolge artikel 4:25, tweede lid, van de Awb. Omdat het geen zin heeft om dan nog aanvragen in te dienen, is in artikel 7 bepaald dat wordt bekend gemaakt dat een subsidieplafond is bereikt.

In artikel 4:27, tweede lid, van de Awb is bepaald dat een tussentijdse verlaging van een subsidieplafond geen gevolgen mag hebben voor voordien ingediende aanvragen.

Wanneer een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, zal iedere beschikking tot subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud bevatten (artikel 4:34, eerste lid, van de Awb). Op een zodanige voorwaarde moet ingevolge artikel 4:34, derde lid, van de Awb, door de minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep worden gedaan. In programma's kan worden bepaald dat er een programmabeheerder is. Dit kan de minister zijn of een krachtens mandaat bevoegd orgaan (zie hierna § 5).

Het programma bevat alle inhoudelijke aspecten van de subsidieverstrekking die zijn bedoeld in artikel 15.13, eerste lid, van de Wm.

In programma's worden dus de subsidiabele activiteiten vastgelegd. Indien de subsidie een incidenteel geval betreft, kan subsidieverstrekking gebaseerd worden op de rijksbegroting (door middel van vermelding in een (suppletoire) begrotingswet) juncto artikel 3, tweede lid, van dit besluit. In dat geval zijn de bepalingen van dit besluit van overeenkomstige toepassing.

Een programma kan meerjarig of enkeljarig zijn. Er is bewust van afgezien om een voorziening te treffen om bij enkeljarige programma's de «resterende» aanvragen (dat zijn de aanvragen die ertoe zouden leiden dat het subsidieplafond voor dat jaar wordt overschreden) over te hevelen naar een volgend jaar of een volgend programma. In die gevallen zal de «oude», afgewezen aanvraag, opnieuw moeten worden ingediend. Dit om het al bij voorbaat dichtslibben van de opvolgende programma's te voorkomen.

§ 3.2 Meestal: eerst subsidieverlening, dan subsidievaststelling

Het besluit gaat uit van de systematiek: eerst subsidieverlening, daarna subsidievaststelling. De praktijk heeft geleerd dat de mogelijkheid van subsidieverlening veelal wenselijk is.

De subsidieverlening vindt veelal plaats voorafgaand aan uitvoering van de activiteit (dat hoeft overigens niet: subsidieverlening is ook mogelijk voor activiteiten waarmee al is begonnen). Door een beschikking tot subsidieverlening af te geven wordt in een vroeg stadium duidelijkheid gegeven aan de subsidie-ontvanger over de voorwaarden waaronder en tot welk bedrag subsidie verstrekt kan worden. Dit is meestal een belangrijke voorwaarde voor de subsidie-ontvanger om de voorgenomen activiteit ook te gaan uitvoeren. Dit besluit bevat dan ook bepalingen over de aanvraag tot subsidieverlening.

Bepaald is dat er altijd een aanvraag moet zijn ingediend, alvorens subsidie kan worden verstrekt. Die aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de criteria die zijn opgenomen in het desbetreffende programma. De subsidie-aanvrager die een niet-ontvankelijke aanvraag indient, of een aanvraag indient waarvoor ten behoeve van de beoordeling aanvullende informatie nodig is, zal gedurende een redelijke termijn in staat worden gesteld de aanvraag aan te vullen.

Elke aanvraag wordt bevestigd door middel van een ontvangstbevestiging (tenzij de aanvraag onmiddellijk kan worden gehonoreerd, dan wel wordt afgewezen); dat is van belang, omdat vanaf het moment van ontvangst de beslistermijn van vier maanden gaat lopen. Uit uitspraken van de Nationale ombudsman volgt dat zo'n ontvangstbevestiging binnen twee à drie weken na ontvangst van de aanvraag aan de betrokkene moeten worden verzonden.

§ 3.3 Voorschotten en (tussentijdse) verantwoording

Na de subsidieverlening worden in de regel periodiek voorschotten uitbetaald.

Voor voorschotverstrekking bevat het besluit een forfaitaire regeling, die het volgende inhoudt. Op basis van het te verlenen subsidiebedrag en de looptijd van de subsidiabele activiteit wordt de liquiditeitsbehoefte per drie maanden bepaald en vervolgens wordt deze als voorschot uitbetaald, met als uitgangspunt een gelijkmatige spreiding van de liquiditeitsbehoefte gedurende de looptijd. Dit uitgangspunt zal meestal opgaan in de praktijk, aangezien personeelskosten vaak het hoofdbestanddeel van de totale kosten uitmaken.

Het is natuurlijk mogelijk dat in de praktijk geen sprake is van een gelijkmatige spreiding. Als sprake is van een substantieel afwijkende liquiditeitsbehoefte, kan de subsidie-aanvrager bij de aanvraag een individueel geraamde liquiditeitsbehoefte gedurende de looptijd voegen. Deze liquiditeitsbehoefte zal in dat geval bij de bepaling van de omvang van de uit te betalen voorschotten gehanteerd worden.

Indien bij de minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan de indruk bestaat dat de liquiditeitsbehoefte bij de aanvraag of in een tussentijdse raming niet adequaat is weergegeven, kan deze zelf een inschatting maken van de individuele liquiditeitsbehoefte en aan de hand daarvan ambtshalve de hoogte en de fasering van de voorschotten in de tijd vaststellen.

Bepaald is dat nooit 100% van het subsidiebedrag wordt bevoorschot. De uitbetaling van het restant subsidiebedrag vindt eerst plaats bij de subsidievaststelling.

Bevoorschotting aan ondernemingen is mogelijk tot 80% van de subsidie; voor anderen geldt een percentage van 95%. Dit onderscheid is gebaseerd op de voorfinancieringsmogelijkheden die de diverse subsidie-ontvangers hebben.

Het wordt wenselijk geacht om in alle gevallen niet tot 100% van de subsidie te bevoorschotten, teneinde, bijvoorbeeld, de subsidie-ontvanger te bewegen tot tijdige indiening van een (eind)afrekening respectievelijk het afleggen van verantwoording. Dit betekent voor andere overheden een verandering ten aanzien van de huidige praktijk, waarin veelal tot 100% van de subsidie bevoorschot wordt.

Zoals reeds is aangegeven, vindt vooruitbetaling plaats. Een rentevergoeding zal in principe echter niet verlangd worden. Dit aangezien de uitbetaling van een voorschot gedurende een driemaandelijkse periode zal plaatsvinden en dus niet voorafgaand aan die driemaandelijkse periode, en ook omdat niet tot 100% van de subsidie bevoorschot zal worden. De subsidie-ontvanger zal derhalve moeten voorfinancieren. In gevallen waarin evident voordeel is behaald als gevolg van een teveel aan liquiditeit, zal een rentevergoeding verlangd worden.

Met name bij langer lopende activiteiten is het mogelijk dat de planning en de mate van realisatie, onder andere ten aanzien van de geplande looptijd en de liquiditeitsbehoefte, niet (geheel) synchroon verlopen. Daarom is bepaald dat eens in de 12 maanden een tussentijdse voortgangsrapportage moet worden ingediend. De minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan bepaalt op welk moment die verantwoording moet worden ingediend. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling is ontvangen voordat een voortgangsrapportage zou moeten worden ingediend, kunnen de tussentijdse verantwoording en de eindverantwoording samen vallen; dit bespaart administratieve lasten.

In de rapportage moet worden ingegaan op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij behorende kosten. Bovendien moet een bijstelling van de planning worden gegeven in relatie tot de consequenties daarvan voor de looptijd. Bij bevoorschotting op basis van een afwijkende liquiditeitsbehoefte dient de rapportage tevens vergezeld te gaan van een bijgestelde driemaandelijkse liquiditeitsbehoefte voor de resterende looptijd. Op basis van de in de rapportage opgenomen reeds gerealiseerde kosten en de reeds verstrekte voorschotten wordt het saldo bepaald, hetgeen bij de eerstvolgende uit te betalen voorschot(ten) verrekend zal worden. Op basis van het hiervoor bedoelde saldo, het restant subsidiebedrag dat nog niet bevoorschot is, en de resterende looptijd wordt de omvang van de volgende uit te betalen voorschotten bepaald.

De tussentijdse voortgangsrapportage behoeft geen inzicht te verschaffen in de reeds gerealiseerde kosten in geval de vergoeding niet is gebaseerd op werkelijk gemaakte kosten. Immers, daar wordt niet op afgerekend.

Indien de subsidieperiode bijvoorbeeld 13 maanden loopt, is tenminste één tussentijdse rapportage vereist (binnen de eerste twaalf maanden); de rapportage over de resterende maand of maanden kan dan samenvallen met de rapportage ten behoeve van de aanvraag tot subsidievaststelling. In de praktijk zal in dergelijke situaties dus veelal sprake zijn van slechts één tussentijdse rapportage en één eindrapportage.

§ 3.4 Subsidievaststelling

De vaststelling van de subsidie dient beschouwd te worden als afronding van de subsidieverstrekking, leidend tot de decharge van de subsidie-ontvanger. De subsidie-ontvanger dient na afloop van de werkzaamheden een inhoudelijke en financiële eindverantwoording in te dienen dan wel verantwoording af te leggen. Na beoordeling en acceptatie daarvan wordt de subsidie vastgesteld.

Een financiële verantwoording behoeft slechts ingediend te worden als gesubsidieerd wordt op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Onder financiële eindverantwoording wordt bij een subsidiebedrag van meer dan f 100 000,–, mede verstaan een accountantsverklaring. Een niet goedkeurende accountantsverklaring kan leiden tot een lagere vaststelling van de subsidie.

Aan de subsidieverstrekking is een aantal verplichtingen verbonden, die de subsidie-ontvanger in acht dient te nemen. Niet naleving van die verplichtingen kan tot gevolg hebben dat de subsidie geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of dat de subsidie wordt verlaagd. Het betreft onder meer de verplichtingen die zijn opgenomen in afdeling 4.2.4 van de Awb, en in hoofdstuk 5 van dit besluit.

Echter, ook het niet tijdig indienen van vereiste bescheiden, zoals de eindverantwoording ten behoeve van de subsidievaststelling, kan aanleiding geven tot het lager vaststellen van de subsidie. Daarbij wordt de subsidie-ontvanger eerst in staat gesteld tenminste eenmaal een niet nagekomen verplichting binnen een redelijke termijn te herstellen, tenzij nakoming niet meer mogelijk is.

§ 3.5 Versoepelde bepalingen voor «internationale subsidies»

In de memorie van toelichting bij de Wet van 20 juni 1996 tot aanvulling van de Awb (hierna: derde tranche Awb) (kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 35) is gesteld dat het volkenrecht de verstrekking van financiële middelen aan staten en volkenrechtelijke organisaties beheerst en dat de Awb niet van toepassing is. Gelet op de doelstellingen van het onderhavige besluit is er niettemin voor gekozen het besluit ook, zij het met enige nuanceringen, van toepassing te laten zijn op deze verhouding tussen verstrekker en ontvanger. Als het besluit in een concreet geval strijdig is met, bijvoorbeeld, een internationaal verdrag, heeft laatstgenoemde uiteraard voorrang.

Hoewel het besluit dus in principe van toepassing is op «internationale subsidies», is in de praktijk gebleken dat bij subsidiëring van internationale organisaties niet aan alle «normale» voorwaarden kan worden voldaan. Zo mogen organen van de Verenigde Naties geen accountantsverklaring per project verstrekken. Omdat dergelijke administratieve verplichtingen in deze gevallen ook minder noodzakelijk lijken, zijn ze zoveel mogelijk versoepeld.

Wel moet er steeds een aanvraag zijn, maar voor de daarbij te voegen gegevens en bescheiden, alsmede voor de administratie en verslaglegging, gelden versoepelde bepalingen, neergelegd in hoofdstuk 2 van het besluit.

In tegenstelling tot de normale bepalingen kan voor 100 procent worden bevoorschot. Deze uitzondering is noodzakelijk, omdat de zogeheten «trustfunds» niet over eigen middelen beschikken en dus niet zelf kunnen voorfinancieren.

§ 3.6 Versoepelde bepalingen voor aanschaf van bepaalde objecten en diensten

Ook voor de subsidiëring van de aanschaf van bepaalde, in een programma aangewezen objecten en diensten – uit het verleden kan worden gedacht aan, bijvoorbeeld, energiezuinige verwarmingsketels – gelden versoepelde bepalingen. Dergelijke subsidies worden veelal aan grote groepen particulieren of (kleine) ondernemingen verstrekt. Het is niet wenselijk daarop de normale regels toe te passen met betrekking tot aanvraag, voorschotverstrekking, administratie voeren, tussentijdse verantwoording en verslaglegging.

Er dient wel een aanvraag te worden ingediend, doch deze bevat veel minder gegevens dan gebruikelijk vereist is. Een tussentijdse verantwoording is niet vereist; voorschotverstrekking geschiedt al bij de subsidieverlening voor een bedrag van 80% van het subsidiebedrag voor ondernemingen en 95% voor niet-ondernemingen. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling dient slechts de aankoopfactuur en een betalingsbewijs te worden gevoegd.

§ 4 Verhouding tot andere regelgeving

§ 4.1 Verhouding tot het communautaire recht: staatssteun

Dit besluit heeft met name raakvlakken met het EG-recht op het terrein van de steunmaatregelen (artikel 92 en volgende van het EG-Verdrag). De definitie van «steun» is immers zeer ruim en omvat alle «besluiten van de lidstaten waardoor deze met het oog op de verwezenlijking van eigen economische of sociale doelen eenzijdig en autonoom geldmiddelen of voordelen ter beschikking van ondernemingen of andere rechtssubjecten stellen of hun voordelen verschaffen om de nagestreefde economische doeleinden te bevorderen» (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 61/79, Denkavit Italiana, Jur. 1980, 1205). Onder deze definitie vallen ook maatregelen van andere instellingen dan de centrale overheid, dus van, bijvoorbeeld, gemeenten, provincies en zelfstandige bestuursorganen.

Een steunmaatregel is in beginsel onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt – en dus met het EG-recht – als deze de concurrentie vervalst of dreigt te vervalsen en de tussenstaatse handel ongunstig wordt beïnvloed. Uit de praktijk van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Europese Commissie) en de rechtspraak van het Hof van Justitie vloeit echter voort dat deze inbreuk op de gemeenschappelijke markt kan worden gerechtvaardigd door de positieve bijdrage die de steunmaatregel kan leveren aan de verwezenlijking van communautaire doelstellingen.

Voorgenomen steunmaatregelen – in de terminologie van dit besluit: ontwerp-programma's – dienen op grond van artikel 93, derde lid, van het EG-verdrag aan de Europese Commissie te worden gemeld. Daarbij geldt een standstill-verplichting zolang de Commissie geen eindbeslissing heeft genomen (artikel 93, derde lid, EG-verdrag). De goedkeuringsprocedure neemt gewoonlijk een aantal maanden in beslag. Aan de goedkeuringsbeschikking kan de Commissie voorwaarden verbinden.

Het steunbeleid van de Europese Unie is voor de belangrijkste steundoeleinden en marktsectoren vastgelegd in regelgeving, met name verordeningen van de Raad van de Europese Gemeenschappen, en beleidsregels, met name de kaderregelingen van de Commissie.

Met name voor de agrarische sector gelden een aantal rechtstreeks werkende verordeningen waaraan steunmaatregelen moeten worden getoetst, in het bijzonder de verordening van de Raad van 20 mei 1997 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PbEG L 142 van 2 juni 1997). Deze verordening staat bekend om zijn gedetailleerdheid en ingewikkeldheid. Voor steunverlening ter bescherming van het milieu is met name van belang dat aan agrarische ondernemingen geen investeringssteun mag worden verleend indien de produktie als gevolg van de steunverlening toeneemt. Voorts mag de steun een bepaald percentage niet overschrijden.

Voor zover subsidie wordt verleend ten behoeve van de bescherming van het milieu hanteert de Europese Commissie bij de beoordeling van de steunverlening de zogenaamde communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu van 8 december 1993 (PbEG C 72 van 10 maart 1993, blz. 3). Voor zover in het belang van de bescherming van het milieu subsidie wordt verleend voor de ontwikkeling en toepassing van technologie, is de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (PbEG C 45/5 van 17 februari 1996, blz. 5) van belang. Daarbij moet in het oog gehouden worden dat de Europese Commissie nog steeds een grote, exclusieve vrijheid heeft bij de beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt.

Wat betreft de kaderregeling milieu kunnen hier de volgende vereisten worden genoemd. Voorop staat het beginsel de vervuiler betaalt. Dit betekent dat een onderneming die milieumaatregelen neemt, in beginsel zelf de kosten daarvan moet dragen en dat de overheid niet in de kosten mag bijspringen. Op dit uitgangspunt heeft de Europese Commissie echter een aantal uitzonderingen gemaakt. Indien milieumaatregelen worden genomen, die niet wettelijk verplicht zijn, mag de overheid voor zover het om investeringen in grond, gebouwen, installaties en uitrustingen gaat, ten hoogste 30% van de zogenaamde extra milieukosten voor haar rekening nemen. Onder extra milieukosten worden verstaan de kosten die uitsluitend ten behoeve van investeringen ter bescherming van het milieu worden gemaakt. Algemene investeringen, zoals vervangings- en uitbreidingsinvesteringen, vallen hier buiten en hiervoor mag geen steun worden verleend. Indien het investeringssteun aan het midden- en kleinbedrijf betreft, geldt een steunpercentage dat 10% hoger ligt. Indien de milieumaatregelen wel wettelijk verplicht zijn, mag de steun ten hoogste 15% van de extra milieukosten bedragen. Zij moet bovendien tijdelijk zijn. Voor investeringssteun in de agrarische sector gelden, zoals in het voorgaande reeds werd opgemerkt, bijzondere bepalingen. De milieukaderregeling is daarop niet van toepassing.

Exploitatiesteun wordt door de Commissie slechts bij wijze van hoge uitzondering toegestaan. In het algemeen gaat het dan niet om subsidies maar om vrijstellingen van verplichtingen tot het betalen van een heffing, veelal in de sector van de afvalverwijdering. Steun voor opleiding, advisering en voorlichting die als doel heeft het algemeen milieubewustzijn te bevorderen, is in het algemeen toegestaan. Veelal is hierbij zelfs helemaal geen sprake van steunverlening in de zin van artikel 92, eerste lid, van het EG-Verdrag. Indien de steun tot ondernemingen is gericht, is de steun onder omstandigheden ook toegestaan. Voor het midden- en kleinbedrijf mag de steun 50% van de in aanmerking komende kosten bedragen. Ook steun voor de aankoop van milieuvriendelijke produkten is toegestaan, mits de steun zonder onderscheid naar de oorsprong van de produkten wordt verleend. De steun moet wel worden getoetst aan andere relevante bepalingen van het EG-Verdrag, met name artikel 30 betreffende het vrije verkeer van goederen.

In de kaderregeling onderzoek en ontwikkeling wordt onderscheid gemaakt naar de aard van het project waarvoor steun wordt verleend. Voor fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek en preconcurrentiële ontwikkeling gelden verschillende steunpercentages die lager zijn naarmate het project dichter aanligt tegen commerciële exploitatie. De percentages lopen uiteen van 100% tot 25%. Ook hier geldt voor ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf een percentage dat 10% hoger ligt dan genoemde percentages.

In artikel 8 is bepaald dat programma's niet mogen worden vastgesteld, onderscheidenlijk beschikkingen tot subsidieverlening niet mogen worden gegeven voordat de Commissie het programma, onderscheidenlijk de subsidie, heeft goedgekeurd.

Aanmelding van een programma is op zichzelf niet (altijd) verplicht op grond van het gemeenschapsrecht omdat uit het programma zelf (doorgaans) geen onmiddellijke subsidie-aanspraken voortvloeien maar eerst ter uitvoering daarvan een subsidiebeschikking moet worden gegeven. Omdat de subsidiebeschikking voor de subsidieaanvrager wel een onmiddellijke subsidieaanspraak doet ontstaan, moet deze beschikking in elk geval bij de Commissie worden aangemeld en door de Commissie worden goedgekeurd voordat de subsidie mag worden verstrekt. Aanmelding van een programma als voorgenomen steunmaatregel verdient om praktische redenen de voorkeur indien aldus kan worden bewerkstelligd dat de afzonderlijke beschikkingen ter uitvoering van het programma na goedkeuring van het programma door de Commissie niet meer behoeven te worden aangemeld. Indien het naar verwachting zelden voorkomt dat een beschikking steunverlening behelst, verdient het de voorkeur in een dergelijk uitzonderingsgeval de beschikking afzonderlijk bij de Commissie aan te melden. Met artikel 8, eerste lid, is niet beoogd dat programma's die in de uitvoeringsfase in bijzondere gevallen tot steunverlening kunnen leiden, voortaan op grond van het besluit bij de Commissie moeten worden aangemeld. Daarentegen kunnen praktische redenen aanleiding vormen om een programma dat zelf geen staatssteun kan inhouden omdat alleen overheidsinstanties rechtstreeks voor subsidie op grond van het programma in aanmerking komen, toch als steunmaatregel aan te melden indien die overheidsinstanties ten laste van de ontvangen subsidie op hun beurt subsidies verlenen, die wel staatssteun behelzen. Zo komt het voor dat provincies subsidie van het rijk ontvangen waaruit zij de uitvoering van een eigen subsidieprogramma bekostigen.

Aanmelding van een beschikking tot subsidieverlening is verplicht indien de subsidie niet op grond van een door de Commissie goedgekeurd programma wordt gegeven. Er kunnen zich twee situaties voordoen. In de eerste plaats kan het gaan om subsidies die niet op grond van een programma worden verstrekt maar rechtstreeks op grond van artikel 3, tweede lid. In de tweede plaats kan het gaan om subsidies die worden verleend op grond van een programma dat niet bij de Commissie is aangemeld. Redenen om een programma niet aan te melden zijn in het voorgaande reeds aangegeven. Een reden kan voorts zijn dat bij de vaststelling van een programma niet was voorzien dat bij de uitvoering van het programma sprake zou kunnen zijn van staatssteun en dit in de uitvoeringsfase alsnog wordt onderkend. Dit kan het geval zijn indien de subsidieaanvrager in een bijzonder geval anders dan eerder was aangenomen toch als onderneming moet worden aangemerkt, de subsidieverlening onder bepaalde omstandigheden niet marktconform is of de subsidie een bepaald produkt ten goede komt en daarom als steun in de zin van artikel 92, eerste lid, van het EG-Verdrag beschouwd moet worden. Artikel 8, eerste lid, brengt in dergelijke gevallen waarin een programma niet is aangemeld, niet mee dat het programma in strijd met die bepaling is vastgesteld indien bij de uitvoering van het programma blijkt dat toch sprake van steunverlening kan zijn. Het enige gevolg van een dergelijke constatering is dat de subsidiebeschikking in dat geval afzonderlijk als steunmaatregel zal moeten worden aangemeld. Hierop is artikel 8, tweede lid, van toepassing.

Mocht toch subsidie worden verstrekt zonder de vereiste goedkeuring van de Commissie en verklaart de Commissie die subsidie later onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, dan kan de beschikking tot subsidieverlening op grond van artikel 15.13, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden ingetrokken. Eventueel uitbetaalde subsidies of voorschotten kunnen als onverschuldigde betalingen worden teruggevorderd. Daarbij kan op grond van artikel 15.13, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden bepaald dat een rentevergoeding is verschuldigd. Dit is meestal vereist indien de Commissie aan een reeds uitgevoerde steunmaatregel haar goedkeuring onthoudt en tot terugvordering van verleende steun verplicht.

§ 4.2 Verhouding tot het communautaire recht: technisch voorschrift

Een programma of een subsidie kan een technisch voorschrift betreffen in de zin van Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften. Ingevolge artikel 1, negende punt, tweede alinea, derde streepje, van die richtlijn worden onder technische voorschriften namelijk ook verstaan technische specificaties of andere eisen die vergezeld gaan van financiële maatregelen die van invloed zijn op het verbruik van produkten doordat zij naleving van die technische specificaties of andere eisen aanmoedigen.

Het ontwerp van een dergelijk technisch voorschrift moet op grond van artikel 8 van de richtlijn aan de Commissie worden medegedeeld en mag niet worden vastgesteld voordat de mededeling heeft plaatsgevonden. Dit is, conform het kabinetsbeleid, niet apart geregeld in dit besluit. Op grond van Richtlijn 83/189/EEG geldt voor de vaststelling van een technisch voorschrift als bedoeld in artikel 1, negende punt, tweede alinea, derde streepje, geen standstill-termijn. Dit is aangegeven in artikel 10, vierde lid, juncto artikel 9 van de richtlijn.

§ 4.3 Verhouding tot het Nederlandse recht: Awb

Het besluit bevat voor een groot aantal subsidie-aspecten een nadere uitwerking, voorzover de Awb en de Wm hierin niet voorzien (zie hierna). De aspecten die in het besluit geregeld zijn, zullen niet meer in de programma's worden opgenomen.

Zoals gezegd is het besluit vooral van belang in relatie tot de titel 4.2 van de Awb, ingevoegd bij de derde tranche Awb. Hieronder is die relatie artikelsgewijs in schema gezet.

Artikel AwbVerhouding Wm en BmToelichting
4:21,reikwijdte subsidietitelruimere reikwijdte: ook overheden (15.12 Wm)was al voor gekozen bij aanpassing aan Awb, geen aanleiding om keuze te herzien
4:22,definitie subsidieplafondniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:23,eist wettelijke grondslag subsidiegeeft wettelijke grondslag (15.12 Wm)4:23, derde lid, Awb, behoeft dus voor milieusubsidies geen toepassing
4:24,verslag aan Staten-Generaalniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
 1 x per 5 jaar   
4:25    
1ewettelijke grondslag subsidieplafond15.13 lid 3 Wm 
2e/3erechtsgevolg overschrijden subsidieplafondniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:26    
1ewettelijke grondslag verdeling15.13 lid 3 Wm, uit te werken in programmavloeit al voort uit Awb
2ebekendmaking bij subsidieplafond15.13 lid 3 Wm 
4:27/tijdstip bekendmaking vanniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:28subsidieplafond   
4:29voorafgaand aan subsidievaststelling wordt subsidie verleendniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb. Bm gaat uit van deze systematiek.
4:30/ 4:32minimale inhoud beschikking tot subsidieverleningniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb NB beschikking kan aanvullende voorschriften bevatten
4:33bepaalde subsidievoorwaarden niet toegestaanniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:34voorwaarde goedkeuring begroting kan worden gesteldniet apart geregelddient in individuele beschikkingen geregeld te worden
4:35enkele weigeringsgronden (bijv. bij vermoeden dat activiteit niet zal worden uitgevoerd)een programma dient overige weigeringsgronden (criteria voor subsidieverlening) te bevatten (15.13 lid 2 Wm)aanvulling Awb
4:36uitvoeringsovereenkomst mogelijkniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:37/ 4:38bestuursorgaan kan bepaalde verplichtingen opleggenverplichtingen ten dele opgesomd in Bm (10, algemeen en 13, verslagen); programmabeheerder kan aanvullenBm vult Awb dus aan
4:39verplichtingen niet gericht op doel subsidie, slechts bij wettelijk voorschrift10, onderdelen b, c, e en g, BmNodig i.v.m. karakter milieusubsidies/staatssteunaspecten. Bm geeft benodigde wettelijke grondslag
4:40verplichtingen kunnen, voor zover de beschikking dit toelaat, na de subsidieverlening worden uitgewerktniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:41vergoeding bij vermogensvorming, mits wettelijke grondslagniet mogelijkBm geeft grondslag niet: niet nodig ivm karakter milieusubsidies
4:42/ 4:43definitie subsidievaststellingniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:44/ 4:45beschikking tot subsidievaststellinguitgewerkt in 14 BmBm vult Awb aan
4:46bedrag subsidievaststelling kan lager zijn dan subsidieverlening (bijv. als activiteit niet (geheel) is uitgevoerd)niet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:47ambtshalve subsidievaststelling14 lid 6 Bmvloeit al voort uit Awb
4:48/ 4:50subsidieverlening kan worden gewijzigdniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:49subsidievaststelling kan worden gewijzigdniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:51bij 3 jaar of langer subsidiëren van 1 ontvanger, niet «zo maar» stoppenniet apart geregeldvloeit al voort uit Awb
4:52/ 4:53uitbetaling subsidie niet apart geregeldvloeit voort uit Awb: Bm bevat geen afwijkingen  
4:54voorschotten12 Bmuniforme, eenvoudige regeling is wenselijk
4:55uitbetaling voorschottenniet apart geregeldvloeit voort uit Awb; Bm bevat geen afwijkingen
4:56/ 4:57opschorting uitbetaling/terugvorderingaanvulling mbt voorschotten in 12, vijfde liduitbetaling voorschotten opgeschort bij ontbreken tussentijdse rapportage
Afdeling 4.2.8 Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonenniet apart geregeldde minister kan, indien wenselijk, van toepassing verklaren (4:58, eerste lid, Awb)

§ 4.4 Verhouding tot het Nederlandse recht: Wm

De wettelijke grondslag van dit besluit is artikel 15.13 van de Wm. Dat artikel maakt (nog) geen duidelijk onderscheid tussen inhoudelijke en procedurele aspecten van de subsidieverlening, zoals met dit besluit wel gebeurt. Het is de bedoeling dat die procedurele aspecten met dit besluit uniform zijn geregeld, tenzij het besluit of de Awb de mogelijkheid geeft om bij programma af te wijken. Deze uniformering is echter nu nog niet verzekerd in de Wm; het is juridisch nog mogelijk om bij algemene maatregel van bestuur van het onderhavige besluit af te wijken. Om die mogelijkheid in de toekomst uit te sluiten, wordt een wijziging van de Wm voorbereid. Tevens zullen dan de toezichts- en handhavingsbepalingen worden aangescherpt.

De regels inzake subsidies zullen met de inwerkingtreding van dit besluit op drie niveaus zijn vastgelegd:

a. de basisbepalingen zijn te vinden in de Awb en de Wm;

b. de procedurele bepalingen zijn op hoofdlijnen geregeld met het onderhavige besluit;

c. aspecten als de criteria voor subsidieverstrekking, subsidiabele kosten en het tijdvak waarvoor de subsidie wordt verleend, worden geregeld bij ministeriële regeling (= programma), waarbij tevens in een programma, voor zover dat is toegestaan, onderdelen van dit besluit nader kunnen worden uitgewerkt.

§ 5 Bestuurlijke organisatie

In de systematiek van dit besluit heeft de minister een centrale rol. Dit wil niet zeggen dat onderdelen van de besluitvorming terzake van de subsidieverstrekking op grond van vastgestelde programma's niet voor mandatering in aanmerking komen. Onderscheid moet worden gemaakt tussen onderdelen die niet voor mandaat in aanmerking komen en onderdelen die voor intern en extern mandaat in aanmerking komen. Bij bepaling van de mogelijkheden staat steeds centraal dat recht moet worden gedaan aan de ministeriële verantwoordelijkheid.

Om enige eenheid in de terminologie te scheppen, zal bij mandaatverlening in de programma's steeds het begrip programmabeheerder worden gedefinieerd als het krachtens mandaat bevoegde orgaan. De minister kan zonodig ook de programmabeheerder zijn. Wordt voor onderdelen van de besluitvorming extern mandaat verleend, dan wordt het mandaatbesluit zoveel mogelijk tegelijk met het programma bekend gemaakt en blijkt in ieder geval uit de toelichting wie voor het betrokken programma het krachtens mandaat bevoegde orgaan is.

Meer precies lenen de volgende taken zich niet voor mandatering:

– vaststellen en bekendmaken van programma's. Onderdeel daarvan is het, indien van toepassing, tevoren goedkeuring vragen van dat programma aan de Europese Commissie;

– vaststellen en bekendmaken van subsidieplafonds;

– aanwijzen van toezichthouders en personen die van de aanvrager inlichtingen kunnen vorderen (15.14 en 15.15 Wm);

– evaluaties uitvoeren;

– het van toepassing verklaren van afdeling 4.2.8 van de Awb;

– subsidie verstrekken ingevolge artikel 3, tweede lid, en

– toepassen van de experimenteerbepaling.

Voor in- en extern mandaat komen uitsluitend in aanmerking:

– subsidie verlenen, vaststellen, voorschotten daarop verstrekken en uitbetalen, voor zover dat voortvloeit uit het programma;

– beoordelen of de kosten noodzakelijk zijn voor de te verrichten activiteit, en mede daarop de hoogte van de subsidie baseren;

– bekendmaken dat een subsidieplafond is bereikt, zodat daaropvolgende aanvragen zullen worden afgewezen;

– opleggen van bepaalde verplichtingen aan de subsidie-ontvanger;

– de ontvangst van de aanvragen tot subsidieverlening en tot subsidievaststelling schriftelijk bevestigen;

– in bepaalde gevallen de subsidie intrekken of herberekenen, of een korting toepassen, en

– medewerking verlenen aan door de minister uitgevoerde evaluaties.

§ 6 Overleg en inspraak

Aanmelding van het besluit op grond van artikel 93, derde lid, van het EG-verdrag hoefde niet plaats te vinden omdat in het besluit geen concrete subsidiemaatregelen worden vastgesteld. Dit laatste gebeurt in ministeriële regelingen, gebaseerd op de Wet milieubeheer en met inachtneming van dit besluit. Programma's en beschikkingen tot subsidieverlening zullen overeenkomstig artikel 8, eerste lid, aan de Commissie worden gezonden. Eerdere besluiten, waarmee de Commissie in het verleden reeds heeft ingestemd en die in de nieuwe systematiek als programma's terugkeren, zullen niet opnieuw ter goedkeuring behoeven te worden voorgelegd. Wat betreft deze nieuwe programma's valt te denken aan de subsidiëring van kennisoverdracht, van milieuorganisaties en van internationale activiteiten.

Het ontwerp-besluit is voorgepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 1998, 82). Naar aanleiding van de voorpublicatie is één reactie ontvangen van de Nederlandse onderneming voor energie en milieu BV (hierna: Novem).

De door Novem gesignaleerde beperktheid van de harmonisatie – er bestaan nog steeds verschillen met andere subsidieregelingen – hangt samen met de doelstelling van dit besluit: het harmoniseren van de subsidie verstrekt krachtens de Wet milieubeheer. Een belangrijk punt van zorg van Novem betreft de goedkeuring door de Europese Commissie. Deze zorg kan worden weggenomen doordat, zoals hierboven al werd aangegeven, eerdere besluiten waarmee de Commissie in het verleden reeds heeft ingestemd (en die nu als programma's zullen terugkeren) niet opnieuw ter goedkeuring behoeven te worden voorgelegd.

Het voorstel van Novem om artikel 9 zodanig te wijzigen dat alle projectcategorieën uit het Subsidiebesluit milieugerichte technologie in het Besluit milieusubsidies worden opgenomen en niet in de programma's zelf, is niet overgenomen. De gekozen opzet is gehandhaafd, omdat het formuleren van een algemene regeling, zoals dit besluit, juist niet betekent dat de specifieke projectcategorieën uit bestaande regelingen integraal in de algemene regeling moeten worden opgenomen. Voor een eventuele verdere uitwerking van projectcategorieën bestaat immers de mogelijkheid in de programma's. Overigens wordt in dit verband opgemerkt, dat artikel 9 is geschrapt omdat de inhoud ervan te globaal was en daardoor schijnzekerheid oproept. Besloten is dan ook om de onderhavige materiële bepalingen, waar zinvol, op te nemen in de diverse programma's en om in § 4 van de toelichting meer aandacht te besteden aan de verhouding tot het communautaire recht. Novem wijst voorts op verschillen met de gang van zaken onder het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, waarvoor Novem bevoegdheden onder mandaat uitoefent. In de eerste plaats gaat het om verruimingen terzake van buiten Nederland uitgevoerde projecten. Welbewust is ervoor gekozen om tot stroomlijning van de verstrekking van milieusubsidies te komen. Dat daarbij in vergelijking met de procedures onder het oude regime verschillen kunnen optreden, ligt voor de hand en is acceptabel. In de tweede plaats gaat het om de mogelijkheid van het indienen van aanvragen per fax. Gevreesd wordt voor veel en uitgebreide aanvragen per fax. Ondanks de zorg van Novem, acht ik het gewenst een dergelijke wijze van indiening niet uit te sluiten, temeer daar de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid van het gebruik van de fax biedt. In de derde plaats toont Novem zich bezorgd over de mogelijke fraudegevoeligheid van het voorgestelde systeem van bevoorschotting, dat niet gebaseerd is op het betalen achteraf van werkelijk gemaakte en gedeclareerde kosten, maar op een bevoorschotting van nog te maken kosten vooraf. Het betreft hier een inschatting van Novem. Voorshands acht ik het niet noodzakelijk om – zeker ook gezien de toenemende administratieve lasten die hiermee samengaan – tot aanpassing van het besluit over te gaan. Bovendien biedt de voorgestelde regeling voldoende waarborgen om te veel betaalde voorschotten te verrekenen of terug te vorderen. De door Novem gesignaleerde gedetailleerdheid van artikel 11 is noodzakelijk, omdat voor het vragen van de gegevens een grondslag nodig is in het besluit. Mede naar aanleiding van de opmerking van Novem dat artikel 8 van het besluit onduidelijk was, is dit artikel nu anders opgezet. Door het vervallen van de omschrijving van het begrip totale kosten en de toevoeging van artikel 6, tweede lid, is de ongewenste verscherping van de anti-cumulatiebepalingen weggenomen. Naar aanleiding van de opmerking van Novem dat de verwijzing naar de bij de aanvraag verstrekte gegevens in artikel 10, onderdeel a, wel wat beperkt is, is het betrokken artikelonderdeel aangepast.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1, definities

In dit artikel wordt een aantal definities gegeven.

Geregeld is dat een programma steeds een ministeriële regeling is. En in artikel 3, eerste lid, is bepaald dat voor subsidieverstrekking krachtens programma's dit besluit geldt. Hierdoor wordt bereikt dat dergelijke programma's op het punt van de procedurele bepalingen niet kunnen afwijken van het bij dit besluit bepaalde.

Overigens is het begrip «subsidie» zelf niet omschreven. Dat gebeurt al in de Awb: «de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteit van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten» (artikel 4:21, eerste lid).

Op het begrip «voorschot» is in § 3.3 van het algemeen deel van de toelichting al ingegaan. Anders dan in de Awb, is er hier voor gekozen dit begrip te definiëren. De reden hiervoor is dat artikel 1, onderdeel b, van het Besluit verlening voorschotten 1994 (Stb. 1994, 35), gebaseerd op de Comptabiliteitswet, het begrip voorschot in een andere betekenis gebruikt, namelijk als betaling van reeds gemaakte kosten, blijkend uit in te dienen facturen. Om verwarring te voorkomen is hier duidelijk gemaakt dat het gaat om een vooruitbetaling vooruitlopend op nog te maken kosten.

Artikel 2, omschrijving subsidiabele kosten

In het eerste lid wordt het begrip «subsidiabele kosten» omschreven. Onder «kosten» worden verstaan alle te verantwoorden uitgaven of lasten, volgens het kasstelsel respectievelijk het baten-en-lasten-stelsel. Doordat beide stelsels worden geaccepteerd, wordt de hele doelgroep van mogelijk te subsidiëren personen, bedrijven en overheden bereikt; men behoeft ten behoeve van een milieusubsidie dus niet op een ander stelsel over te schakelen.

Onder uitgaven of lasten worden mede verstaan door overheden aan derden te verlenen voorschotten, mits deze voorschotten in beginsel geen betaling zijn voor nog te maken kosten voor komende kalenderjaren (tegengaan parkeren begrotingsgelden). Aan te gane verplichtingen vallen niet onder het kostenbegrip: de «inkoopprijs» is gelijk aan de betaalbaar gestelde facturen, dat wil zeggen de reeds betaalde facturen en de ontvangen facturen die nog moeten worden betaald. Om facturen betaalbaar te kunnen stellen, zal de (overeengekomen) prestatie moeten zijn geleverd.

Overigens kunnen facturen ook betrekking hebben op nog te maken kosten. Dit geldt voor gevallen waarin het in het economisch verkeer gebruikelijk is dat deze kosten vooraf gefactureerd worden. Voorbeelden zijn de aanneemwereld en in sommige gevallen het huren van ruimte.

Kosten die voorafgaand aan de aanvraag zijn gemaakt, kunnen subsidiabele kosten zijn (hierover is namelijk niets geregeld). Dit wordt per programma bepaald. Deze keus laat de Awb (artikel 4:29), mits de aanvraag wordt ingediend voorafgaand aan de afloop van de activiteit of het betrokken tijdvak.

Het is mogelijk om een egalisatiereserve (ook wel eens fondsvorming genoemd) te vormen, mits dit in een programma is geregeld en het betreft subsidieverlening aan andere overheden, of subsidieverlening waarop afdeling 4.2.8 van de Awb (per boekjaar verstrekte subsidies) van toepassing is verklaard.

Het tweede lid drukt een wezenskenmerk van overheidssubsidie uit: een winstopslag komt niet voor subsidiëring in aanmerking. Dit laat onverlet dat de subsidie aan gemeenten of provincies ten behoeve van, bijvoorbeeld, geluidsanering, mag uitgaan van commerciële tarieven van de aannemers. Dan is immers geen sprake van subsidiëring van een winstopslag ten behoeve van de subsidie-ontvanger.

Als de gemeente of provincie vervolgens de subsidie ook daadwerkelijk gebruikt om te betalen voor de geluidsanering, is sprake van betaling voor het leveren van goederen en diensten aan het betrokken bestuursorgaan, waarop dit besluit en titel 4.2 van de Awb niet van toepassing zijn (artikel 4:21, eerste lid, Awb).

Als de subsidie daarentegen wèl weer als subsidie wordt verstrekt, geldt de bepaling weer wel (artikel 10, onderdeel c).

Artikel 3, grondslag subsidieverstrekking

Onder subsidieverstrekking wordt – net als in de Awb – zowel de verlening als de vaststelling begrepen.

Het eerste lid bevestigt nog eens dat de bepalingen van dit besluit gelden voor programma's en de hieronder beschreven «incidenten-regeling».

Het tweede lid betreft een zogenoemde «incidentenregeling». Op grond van de Awb (artikel 4:23, derde lid, onderdeel d) kan ook zonder wettelijke grondslag subsidie worden verstrekt in incidentele gevallen en mits de subsidie voor ten hoogste vier jaar wordt verstrekt.

Niettegenstaande deze mogelijkheid, is voor dergelijke incidenten in dit besluit wel een kaderregeling getroffen. Het voordeel daarvan is, dat de algemene bepalingen inzake, bijvoorbeeld, staatssteun onverkort van toepassing zijn (zie het derde lid). De harmonisatie die met dit besluit wordt beoogd, wordt aldus optimaal gediend.

Artikel 4, «internationale subsidies»

Hierop is ingegaan in § 3.5 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 5, systemen beoordeling aanvraag

Krachtens dit artikel zijn er twee systemen voor de besluitvorming over de aanvragen:

a «die het eerst komt, het eerst maalt»,

b tender, dat wil zeggen een systeem waarin de soortgelijke aanvragen onderling worden afgewogen op hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van het programma.

Voorts is er nog een derde systeem, niet geregeld in dit besluit:

c objectieve maatstaven, slechts voortvloeiend uit het programma. Een voorbeeld hiervan was de – inmiddels ingetrokken – VOGM-regeling, die de hoogte van de subsidie verbond aan onder meer het aantal inwoners van de betrokken gemeente. In VOGM-kader werd iedere aanvraag, mits voldoend aan het programma, toegewezen. Omdat geen open-einde-regelingen zullen worden ingesteld, zal voor deze variant het totaal aan mogelijk aan te vragen subsidie bekend moeten zijn.

Doordat bij het onder a genoemde systeem is bepaald dat een aanvraag pas telt als deze compleet is, wordt het indienen van proforma-aanvragen ontmoedigd.

Artikel 6, bepaling hoogte aanvraag en anti-cumulatie

In de regel zal de hoogte van de subsidie zijn gebaseerd op het aangevraagde bedrag (eerste lid, onderdeel a), waarbij tevens het eigen belang van de aanvrager en de mate van wenselijkheid vanuit het programma in beschouwing worden genomen (eerste lid, onderdelen b en c). Beide laatstgenoemde aspecten zullen in het betreffende programma zoveel mogelijk moeten worden uitgewerkt. Artikel 6 is dus een soort instructienorm aan degene die over de aanvraag tot subsidieverlening beslist. Daarnaast fungeert het artikel als restartikel als dit onderwerp niet gedetailleerd in programma's is geregeld.

In uitzonderingsgevallen zal het programma volledig bepalen hoe hoog de subsidie zal zijn (denk aan de VOGM-regeling).

Het tweede lid is van principieel belang. Dubbele subsidiëring van dezelfde kosten is uitgesloten. Hierover zal informatie moeten worden verstrekt bij de aanvraag en bij de verslaglegging. In de praktijk zal dit betekenen dat een activiteit die op grond van een bepaald Bm-programma wordt gesubsidieerd, niet tevens op grond van een ander Bm-programma zal worden gesubsidieerd.

Uitdrukkelijk is er bij de anti-cumulatiebepaling niet voor gekozen om subsidies mee te rekenen die door andere bestuursorganen (bijvoorbeeld gemeentelijke en provinciale overheden) worden verstrekt. Een algemene verplichting om rekening te houden met subsidies die door andere overheden zijn verstrekt, dan wel bij die overheden zijn of worden aangevraagd, is ten tijde van de subsidieverlening moeilijk handhaafbaar. Het is op dat moment immers zeer moeilijk te controleren of een aanvrager, die meldt dat van een mogelijke andere subsidie geen sprake is, dat terecht doet. Wel dient bij de toepassing van de staatssteun-bepalingen uiteraard rekening te worden gehouden met dergelijke subsidies. In bijzondere gevallen – als het zeer waarschijnlijk is dat bijvoorbeeld een provincie mede subsidie zal verstrekken – kan een programma bepalen dat daarmee wel rekening wordt gehouden. Dit blijkt uit de aanhef van het eerste lid: «tenzij een programma anders bepaalt».

Voorts wordt in beginsel – tenzij het programma anders bepaalt – geen rekening gehouden met subsidies die zouden kunnen worden aangevraagd indien daarvoor een aanvraag zou worden ingediend. Ook op de naleving van een dergelijke bepaling kan de subsidieverlener immers vrijwel niet toezien. Deze andere subsidies zijn immers ten tijde van de subsidieverlening moeilijk te controleren.

Artikel 7, bekendmaking overschrijding subsidieplafond

Een subsidie moet worden geweigerd ingevolge artikel 4:25, tweede lid, van de Awb, indien het subsidieplafond is bereikt. Omdat indiening van aanvragen in het verdeelwijzesysteem, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, na het bereiken van het plafond zinloos is, is bepaald dat, indien het subsidieplafond van een programma is bereikt, dat onverwijld in de Staatscourant wordt meegedeeld. Deze bepaling is uit pragmatische overwegingen opgenomen, omdat anders aanvragen blijven binnenkomen, terwijl reeds op voorhand duidelijk is dat deze niet meer in behandeling zullen worden genomen. Indien het programma meerjarig is, zal het daaropvolgende jaar een nieuwe aanvraag kunnen worden ingediend die opnieuw zal worden beoordeeld.

Artikel 8, staatssteun

Op dit artikel is reeds ingegaan in paragraaf § 4.1 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 9, verslaglegging staatssteun

Dit artikel vloeit voort uit de praktijk dat na afloop van een kalenderjaar aan de Commissie verslag moet worden gedaan over de uitvoering van goedgekeurde steunmaatregelen. Deze verplichting zal ook worden opgenomen in de thans in voorbereiding zijnde verordening terzake van de toepassing van artikel 93 van het EG-verdrag. Vooruitlopend hierop is, mede in verband met het beginsel van Gemeenschapstrouw, zoals vastgelegd in artikel 5 EG-verdrag, een en ander reeds thans in dit besluit geregeld.

Artikel 10, verplichtingen subsidie-ontvanger

Aan de in de onderdelen a en c tot en met h opgesomde verplichtingen moet de subsidie-ontvanger altijd voldoen, tenzij het betreft «internationale subsidies» of de aanschaf van bepaalde objecten en diensten (zie hierover §§ 3.5 en 3.6 van het algemeen deel van de toelichting).

De omschrijving van de activiteit (onderdeel a) wordt gemaakt aan de hand van de bij de aanvraag verstrekte gegevens.

Uiteraard gaat het er bij de onderdelen a en b niet om dat de subsidie-ontvanger in het algemeen verplicht zou zijn bepaalde activiteiten te verrichten. Dat zou strijdig zijn met het wezen van subsidieverlening. Het gaat er – slechts – om dat de subsidie alleen dan kan worden vastgesteld als de subsidie-ontvanger zich aan de rechten en plichten heeft gehouden.

In onderdeel b wordt mogelijk gemaakt dat de minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan in een programma of verleningsbeschikking nog andere verplichtingen kan opleggen.

Naast de «staatssteunverplichtingen» zullen deze verplichtingen in de regel strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie; in uitzonderingsgevallen zullen ook daarbuiten verplichtingen mogelijk zijn, maar daarbij gelden wel de beperkingen uit artikel 4:39 van de Awb. Het mag uitsluitend gaan om de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. Te denken valt bijvoorbeeld aan een programma met als doelstelling geluidsanering: aan de uitvoering van de sanering moeten ook eisen in verband met, bijvoorbeeld, energiezuinigheid kunnen worden gesteld.

Het bepaalde in onderdeel g kan de evaluatie van de subsidiëring vergemakkelijken. De subsidieregeling dient immers tenminste elke vijf jaar te worden geëvalueerd (artikel 4:24 van de Awb).

Artikel 11, aanvraag tot subsidieverlening

In het eerste lid is bepaald dat er altijd een aanvraag moet zijn, wil subsidie verstrekt kunnen worden. Krachtens artikel 4:1 van de Awb wordt de aanvraag schriftelijk ingediend, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. «Schriftelijk» omvat ook per fax; wel zal de aanvraag dan vaak tevens per post moeten worden verzonden om de authenticiteit van de handtekening te kunnen controleren.

Overigens kan in een programma worden bepaald dat aanvragen ook, bijvoorbeeld, per elektronische post of per diskette kunnen worden ingediend (artikel 15.13, tweede lid, onderdeel d, Wm).

Uit artikel 4:1 van de Awb vloeit tevens voort dat de aanvraag wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen. In casu dus de minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan. Wordt de aanvraag bij een verkeerd (bestuurs)orgaan ingediend, dan wordt deze doorgezonden naar het wel bevoegde orgaan (artikel 2:3 van de Awb).

In het tweede lid is aangegeven welke gegevens de aanvrager in ieder geval moet verstrekken (naast gegevens als naam en adres, zie art. 4:2 van de Awb). De gevraagde gegevens zijn nodig om te kunnen beslissen op de aanvraag:

a een overzicht van de te verrichten activiteit in de loop der tijd;

b motivering waarom men voor subsidiëring in aanmerking komt: de ervaring leert dat er wel eens aanvragen «op goed geluk» worden ingediend. Dit vereiste strekt ertoe de aanvrager te bewegen zich te bezinnen op doel en strekking van de activiteit in relatie tot de bestaande programma's. Overigens zal dit vereiste worden ingevuld naargelang de aard van de aanvrager en van de subsidie: van, bijvoorbeeld, een Nederlands bedrijf dat een hoog subsidiebedrag aanvraagt, kunnen op dit terrein meer inspanningen worden verwacht dan van een buitenlandse gemeente die een klein bedrag aanvraagt;

c begroting: hiermee kan in elk geval worden gecontroleerd of wat betreft de subsidiabele kosten wordt voldaan aan het bij artikel 2 bepaalde;

d tijdplanning: dit is van belang met het oog op controle en verslaglegging;

e liquiditeitsbehoefte, indien dient te worden bevoorschot op basis van de individuele liquiditeitsbehoefte (en niet de standaardregeling): dit is met name van belang voor de uitbetaling van de voorschotten. Die is dan immers gebaseerd op de individuele behoefte van de subsidie-ontvanger;

f bankrekeningnummer: dit spreekt voor zich;

g inschrijfnummer Kamer van Koophandel: dit is noodzakelijk in verband met het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik;

h indien met de activiteit reeds is begonnen: een weergave van de stand van zaken en een motivering waarom niet eerder een aanvraag is ingediend. Dit vereiste strekt ertoe inzicht te verschaffen in het succes van het project. Het is immers mogelijk dat een activiteit zeer onsuccesvol verloopt en daarom extra subsidie noodzakelijk is. In dat geval bestaat er een gerede kans dat de extra subsidie uiteindelijk niet zal strekken tot bescherming van het milieu (omdat het ook met de extra subsidie niet slaagt).

Overigens dient uit het tweede lid, onderdeel h, niet te worden afgeleid dat het niet langer mogelijk zou zijn om in een programma activiteiten van subsidie uit te sluiten, indien met die activiteiten reeds is begonnen voordat de subsidie-aanvraag is ingediend. De bevoegdheid om in een programma te bepalen dat dergelijke activiteiten niet voor subsidie in aanmerking komen, vloeit voort uit artikel 15.13, tweede lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer (criteria voor de subsidieverstrekking).

Het derde lid bepaalt dat de minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan de ontvangst van de aanvraag bevestigt. Dat is van belang in verband met de beslistermijn van artikel 15. Die beslistermijn gaat lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. Uit uitspraken van de Nationale ombudsman blijkt dat de ontvangstbevestiging binnen twee à drie weken na ontvangst van de aanvraag moet worden verzonden.

Artikel 12, voorschotverstrekking

Zie hierover § 3.3 en § 3.6 van het algemeen deel van de toelichting.

Voor de berekening van het tweede lid (de standaardliquiditeitsbehoefte) wordt uitgegaan van gehele maanden. Als over, bijvoorbeeld, 7½ maand subsidie wordt verstrekt, wordt uitgegaan van 7 maanden; afronding vindt dus naar beneden plaats. Dat is het gunstigst voor de subsidie-ontvanger.

Het zesde lid regelt dat voorschotten steeds volledig (dat wil zeggen: voor 100 procent) worden uitbetaald, totdat zij tezamen 80 of 95 procent van de verleende subsidie uitmaken. Dit betekent uiteraard niet dat steeds 80 of 95 procent van het voorschotbedrag wordt betaald. Dat zou ook minder wenselijk zijn, omdat de subsidie-ontvanger dan gedurende het grootste deel van de looptijd van de activiteit zelf moet bijfinancieren.

Artikel 13, verantwoording

Dit artikel regelt de rapportage. Tenminste één maal per jaar – de minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan bepaalt wanneer precies, en kan ook vaker dan één keer een rapportage eisen – wordt een rapportage ingediend. De rapportage is erop gericht inzicht te verkrijgen in de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de activiteit en de tot dan toe gemaakte kosten. Dat is onder meer van belang voor de voorschotverstrekking. Het gaat hier alleen om informatieverstrekking; als de gemaakte kosten 10% of meer afwijken van de desbetreffende begrotingspost, zal er geen sanctie of iets dergelijks worden opgelegd. Hooguit kan er aanleiding zijn nader onderzoek te plegen dan wel de bevoorschotting aan te passen.

De minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan kan bepalen dat de rapportage pas moet worden ingediend bij de aanvraag tot subsidievaststelling; dit beperkt de administratieve lasten. In dat geval zullen geen gegevens behoeven te worden overgelegd die van belang zijn voor de voorschotverstrekking (eerste lid, onderdeel c).

Artikel 14, aanvraag tot subsidievaststelling

Het eerste lid bepaalt dat de aanvraag tot subsidievaststelling moet worden ingediend binnen een zekere termijn na afloop van de subsidiabele activiteit dan wel het tijdvak waarvoor subsidie is aangevraagd. Dat is nodig om de «boeken te kunnen sluiten».

Die termijn is voor gemeenten, provincies en waterschappen gesteld op tien maanden: voor subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt, dient de aanvraag tot subsidievaststelling voor 30 oktober van het daaropvolgende jaar te zijn ingediend. Voor deze termijn is gekozen uit oogpunt van zo gering mogelijke bestuurlijke lasten; het tweede lid bepaalt namelijk dat de aanvraag tot subsidievaststelling in bepaalde gevallen wordt vergezeld door een accountantsverklaring. Hiermee wordt dus niet afgeweken van artikel 10 van het Besluit financiële verhouding Rijk–gemeenten. Gemeenten en provincies dienen de gehele jaarrekening over het voorafgaande jaar uiterlijk 15 september aan gedeputeerde staten onderscheidenlijk de Minister van Binnenlandse Zaken aan te bieden (artikel 200 Gemeentewet, artikel 204 Provinciewet); voor waterschappen geldt de datum van 1 september (artikel 106 Waterschapswet).

De termijn van zes maanden voor andere instellingen moet als redelijk worden beschouwd: in het Burgerlijk Wetboek wordt eveneens een dergelijke termijn voor (financiële) verslaglegging gehanteerd (zes maanden voor verenigingen, artikel 46 Boek 2 BW; vijf maanden voor naamloze en besloten vennootschappen, artikelen 101 en 210 Boek 2 BW).

Als een van de bovengenoemde termijnen niet haalbaar is, kan het programma of de minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan, een uitzondering toestaan. Het is in dat geval ook mogelijk om de subsidie ambtshalve vast te stellen (artikel 4:44, vierde lid, van de Awb).

Net als in artikel 13 wordt de eis gesteld dat er een toelichting moet worden verstrekt als de gemaakte kosten 10% of meer afwijken van de betreffende begrotingspost. Ook in dit geval zal geen sanctie worden opgelegd, uitsluitend omdat die 10%-grens is overschreden. Wel kan er aanleiding zijn nader onderzoek te plegen.

Zolang de beschikking tot subsidievaststelling niet is gegeven, wordt het resterende deel van de subsidie – dat overblijft na uitbetaling van de voorschotten – niet uitbetaald. In artikel 12, zesde lid, is immers bepaald dat voorschotten tot ten hoogste 80% of 95% van de verleende subsidie worden uitbetaald.

Het vierde lid is van belang in die gevallen waarin geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven; dan wordt uitsluitend een beschikking tot subsidievaststelling gegeven. In dat geval zijn wel de bepalingen omtrent de aanvraag bij de beschikking tot subsidieverlening van toepassing.

Het vijfde lid bepaalt dat geen jaarrekening of financieel verslag, geen verantwoording over afwijking van de begroting en geen accountantsverklaring behoeven te worden overgelegd ingeval er sprake is van een «vaste-prijs-subsidie» ofwel lumpsum. Dan is immers niet van belang of de tevoren begrote en gesubsidieerde kosten ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd.

Ook hier is in het zevende lid bepaald dat de ontvangst van de aanvraag schriftelijk wordt bevestigd. Dat zal, net als bij de vergelijkbare bepaling in de artikel 11, binnen twee à drie weken moeten gebeuren.

Artikel 15, beslistermijnen

Het eerste lid, onderdeel a, is van toepassing als de aanvragen op volgorde van binnenkomst worden beoordeeld of als de subsidie rechtstreeks uit het programma voortvloeit. Het eerste lid, onderdeel b, is van toepassing bij een tendersysteem.

Alle in dit artikel genoemde beslistermijnen worden uiteraard opgeschort als de gegevens die bij de aanvraag zijn overgelegd, onvoldoende zijn (artikelen 4:5 en 4:15 Awb). Bovendien geldt dat als de beslissing niet binnen de toepasselijke termijn kan worden genomen omdat de goedkeuringsprocedure bij de Europese Commissie langer duurt dan verwacht, de minister of het krachtens mandaat bevoegde orgaan de aanvrager daarvan in kennis stelt en een termijn noemt waarbinnen die beslissing wel tegemoet kan worden gezien (het vierde lid).

Artikel 16, aanschaf van bepaalde objecten en diensten

Hierop is ingegaan in § 3.6 van het algemeen deel van de toelichting.

Artikel 17, experimenteerbepaling

Op dit artikel is ingegaan in § 1 van het algemeen deel van de toelichting. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat er geen procedurele verplichtingen gelden. De aard van experimenteren – vaak zullen die spoed hebben – laat dat ook niet toe. Wel is bepaald dat de duur van het experiment tevoren door de minister wordt aangegeven. Het zal slechts om een tijdelijke afwijking van het besluit mogen gaan.

Artikel 18, Overgangsrecht

Krachtens het eerste lid worden enkele bestaande algemene maatregelen van bestuur ingetrokken. Dat zijn het Subsidiebesluit maatschappelijke organisaties en milieu, het Besluit diverse subsidies milieubeheer en het Subsidiebesluit milieugerichte technologie. De inhoudelijke bepalingen van deze besluiten, die niet worden bestreken door dit besluit, zullen wat betreft de structurele elementen worden opgenomen in ministeriële regelingen (programma's).

Het Subsidiebesluit openbare lichamen milieubeheer is voor het overgrote deel een «aflopende» regeling. Zo is het de bedoeling dat de geluidsanering via gevelisolatie van de A-woningen (de meest gehinderde woningen) in 2003 is afgerond. Voor deze «aflopende» subsidieregelingen is bepaald dat zij tot en met 1 januari 2003 ongewijzigd blijven bestaan, onafhankelijk van het onderhavige besluit. Dit is gedaan om onnodige lasten voor burger en bestuur te vermijden, die zouden voortspruiten uit het – voor slechts korte tijd – op een nieuwe leest schoeien van bestaande subsidieregelingen, waarvan de uitvoering al grotendeels vast ligt. Bovendien is het de bedoeling dat vanaf 2003 het project Modernisering Instrumentarium Geluidsanering (kamerstukken II 1997/98, 26 057, nr. 1) is ingevoerd, in welk kader saneringssubsidie in het Gemeentefonds zal worden gestort.

Het tweede lid bepaalt dat de aanvragen die zijn ingediend onder het regime van een in te trekken besluit, op grond van dat besluit worden afgedaan. Dit om zoveel mogelijk gelijkheid onder de aanvragers te bewerkstelligen en te voorkómen dat er aan het eind van 1998 een grote tijdsdruk ontstaat om «oude» aanvragen zo spoedig mogelijk af te handelen. Uiteraard blijft wel gelden dat als het subsidieplafond wordt overschreden de aanvraag wordt afgewezen, en betrokkene een nieuwe aanvraag kan indienen waarop het nieuwe regime van toepassing is.

Omdat het in het derde lid genoemde programma van rechtswege zou vervallen met ingang van 1 januari 1999 (het is immers gebaseerd op een besluit dat op grond van het eerste lid met ingang van die datum wordt ingetrokken), is in het derde lid uitdrukkelijk bepaald dat dit programma wordt aangemerkt als programma in de zin van het onderhavige besluit. Het hoeft dus niet opnieuw te worden vastgesteld, maar blijft voortleven als «Bm-programma».

In het vierde lid wordt bepaald dat de procedurele onderdelen van de Subsidieregeling niet-industriële restwarmte-infrastructuur blijven gelden voor subsidie verstrekt krachtens die regeling.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 januari 1999, nr. 7.

Naar boven