Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatsblad 1998, 702 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatsblad 1998, 702 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Minister van Economische Zaken van 21 september 1998, nr. 98061044 WJA/W;
Gelet op artikel 65 van de Elektriciteitswet 1998;
De Raad van State gehoord (advies van 24 november 1998, nr. W10.98.0439);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 9 december 1998, nr. 98080996 WJZ/W;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: Elektriciteitswet 1998;
b. dienst: de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet, bedoeld in artikel 5 van de wet.
De bedragen die verschuldigd zijn door degenen die instemming met een aanwijzing aanvragen als bedoeld in artikel 12 van de wet, door degenen die door Onze Minister worden aangewezen als netbeheerder als bedoeld in artikel 13 van de wet, dan wel door degenen die een ontheffing of een vergunning aanvragen, worden zodanig berekend dat daarmee de kosten die zijn verbonden aan de desbetreffende werkzaamheden, worden gedekt.
1. De bedragen die netbeheerders en vergunninghouders verschuldigd zijn voor de vergoeding van de kosten die gemaakt worden voor de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 22, 25, 26, 41 en 47 van de wet, worden zodanig berekend dat 60% van de kosten die voor de dienst zijn verbonden aan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet, wordt gedekt door de ontvangsten die voortvloeien uit deze bedragen en de bedragen, bedoeld in artikel 2.
2. De bedragen die netbeheerders en vergunninghouders verschuldigd zijn, bestaan uit een vast bedrag, vermeerderd met een bedrag dat jaarlijks wordt vastgesteld naar rato van het aantal aanwezige aansluitingen op het door een netbeheerder beheerde net onderscheidenlijk naar rato van het aantal beschermde afnemers waaraan een vergunninghouder elektriciteit levert.
3. Het vaste bedrag, bedoeld in het tweede lid, kan verschillen voor de verschillende netbeheerders en vergunninghouders.
1. Onze Minister stelt voor 1 januari van ieder jaar de bedragen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, vast op basis van de vastgestelde begroting van het Ministerie van Economische Zaken. Tevens bepaalt hij de wijze en het tijdstip van betaling van de bedragen.
2. Indien de begroting van het Ministerie van Economische Zaken op 1 januari nog niet is vastgesteld, stelt Onze Minister de bedragen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 vast op basis van de begroting van de dienst, zoals die is gevoegd bij de ontwerpbegroting van het Ministerie van Economische Zaken. Indien de ontwerpbegroting afwijkt van de daarna vastgestelde begroting en deze afwijking gevolgen zou moeten hebben voor de hoogte van de vastgestelde bedragen, wordt het verschil verrekend met de in het daarop volgende jaar in rekening te brengen bedragen.
1. Indien een ingevolge de artikelen 2 tot en met 4 verschuldigd bedrag niet is betaald binnen de daarvoor gestelde termijn, wordt het desbetreffende bedrag vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop die termijn is verstreken.
2. Indien niet is betaald binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt degene die het bedrag is verschuldigd, schriftelijk aangemaand binnen een daarbij te stellen termijn van tenminste tien dagen alsnog het bedrag, verhoogd met de wettelijke rente en de kosten van de aanmaning, te betalen.
1. Jaarlijks voor 1 mei publiceert de directeur van de dienst met betrekking tot het afgelopen jaar een staat van de werkelijke kosten die voor de dienst zijn verbonden aan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet en van de bedragen die ingevolge dit besluit in rekening zijn gebracht.
2. De directeur van de dienst zendt de staat, bedoeld in het eerste lid, gelijktijdig met het verslag, bedoeld in artikel 9 van de wet, aan Onze Minister.
Het verschil tussen 60% van de kosten die voor de dienst in een jaar zijn verbonden aan de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 5, derde lid, van de wet, en de ontvangsten die voortvloeien uit de bedragen die in dat jaar in rekening zijn gebracht, wordt verrekend met de in het daarop volgende jaar in rekening te brengen bedragen, nadat en voor zover Onze Minister daaraan instemming heeft verleend.
1. In afwijking van artikel 4, eerste lid, stelt Onze Minister onverwijld na inwerkingtreding van dit besluit de in dat artikel bedoelde bedragen vast. Tevens bepaalt hij de wijze van betaling.
2. De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden betaald binnen zeven weken na inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de bedragen.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnootDe Minister van Economische Zaken,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de tweeëntwintigste december 1998
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
Deze algemene maatregel van bestuur bevat nadere regels op grond van artikel 65 van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: de wet). De regels hebben betrekking op de door de Minister van Economische Zaken vast te stellen vergoeding die verschuldigd is door degenen die om instemming met de aanwijzing van een netbeheerder verzoeken, die door Onze Minister worden aangewezen als netbeheerder, die een ontheffing aanvragen van de plicht een netbeheerder aan te wijzen of die een vergunning aanvragen voor de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers. Ook wordt een vergoeding vastgesteld die netbeheerders en vergunninghouders jaarlijks verschuldigd zijn voor de uitvoering van de wet. De regels hebben geen betrekking op de in artikel 65 van de wet genoemde verlening van een certificaat als bedoeld in artikel 54 van de wet, aangezien het desbetreffende certificatensysteem voor «groene stroom» vooralsnog niet ingevoerd wordt.
Hierna wordt ingegaan op de doorberekening van toelatingskosten, de toepassing daarvan op de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet en de vertaling van de uitgangspunten in dit besluit. Aansluitend daarop worden de effecten voor het bedrijfsleven en de uitvoering en handhaving van het besluit geïnventariseerd. Daarna volgt, voor zover nodig, een artikelsgewijze toelichting.
2. Doorberekening van kosten en het MDW-rapport «Maat houden»
Bij het opstellen van artikel 65 van de wet is rekening gehouden met de uitgangspunten van het in juni 1996 vastgestelde rapport «Maat houden» in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit.1 Ook in de daarop gevolgde evaluatie van de aanbevelingen uit het rapport wordt het belang van het doorberekenen van toelatingskosten onderstreept.2
Op grond van de in dat rapport neergelegde uitgangspunten met betrekking tot het doorberekenen van de kosten zijn de werkzaamheden van de Dienst uitvoering en toezicht Elektriciteitswet (hierna: de dienst) geïnventariseerd. In artikel 65 van de wet is neergelegd voor welke werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van de wet de daarmee gemoeide uitgaven zullen worden doorberekend. Omdat de werkzaamheden ter uitvoering van de Elektriciteitswet 1998 nieuw zijn, is het niet mogelijk om precies aan te geven hoeveel tijd en derhalve welke kosten daaraan verbonden zijn. Gelet op alle werkzaamheden van de dienst, is het echter aannemelijk dat 60% van die werkzaamheden bestaat uit uitvoeringswerkzaamheden, die kunnen worden doorberekend. Mogelijk is deze schatting nog aan de lage kant, aangezien de werklast, verbonden aan het vaststellen van de voorwaarden, de tariefstructuren en de tarieven van de netbeheerders, alsmede het voorbereiden van de vaststelling van de tarieven van de vergunninghouders, naar verwachting vrij groot zal zijn. Ingevolge dit besluit kunnen de in rekening te brengen bedragen evenwel niet hoger zijn dan 60% van de totale begroting van de dienst.
Een wezenlijk aspect van de doorberekening van kosten is dat de te betalen bedragen kostendekkend moeten zijn, dat wil zeggen dat zij niet verder strekken dan tot de vergoeding van de kosten. De begroting van de dienst is daarom getoetst aan de tarievenhandleiding van de Directie Accountancy Rijksoverheid van het Ministerie van Financiën om de werkelijke kosten van de in rekening te brengen handelingen te kunnen bepalen. Deze toetsing leidde tot de slotsom dat met inachtneming van dit besluit in totaal niet meer dan 60% van de totale werkelijke kosten van de dienst zullen worden doorberekend.
3. De wijze van doorberekening van de kosten
Voorop staat een pragmatische en kostenefficiënte wijze van doorberekening. Daarom is primair gekozen voor een omslagstelsel en niet voor het direct doorberekenen van de kosten per individuele handeling per bedrijf. De achtergrond hiervan is ook dat de werkzaamheden van de dienst voor een aanzienlijk deel niet-individualiseerbaar zijn. Dit laatste is het duidelijkst bij de werkzaamheden met betrekking tot het vaststellen van de tariefstructuren en van de voorwaarden voor de toegang tot het elektriciteitsnet. Ook aan het beoordelen van individuele aanvragen en voorstellen zullen echter in belangrijke mate algemene voorbereidingswerkzaamheden vooraf gaan. Gedacht moet worden aan het ontwikkelen van een praktijk ten aanzien van het verlenen van instemming met een aanwijzing, een ontheffing of een leveringsvergunning, van het beoordelen van gegevens als bedoeld in de artikelen 21 en 46 van de wet, en van het vaststellen van de tarieven van individuele netbeheerders en vergunninghouders. Eerst zullen voorbereidende werkzaamheden moeten worden verricht en zal moeten worden bepaald hoe individuele voorstellen zullen worden beoordeeld.
Het is redelijk om de kosten van deze niet-individualiseerbare werkzaamheden evenredig te spreiden over alle netbeheerders en vergunninghouders, omdat zij allen profijt hebben van de werkzaamheden. Dit profijt kan zelf bovendien wel in belangrijke mate geïndividualiseerd worden. Artikel 3, tweede lid, van dit besluit bepaalt daarom dat bij netbeheerders en vergunninghouders jaarlijks een bedrag in rekening gebracht wordt dat uit een vast en een variabel deel bestaat. Het vaste en het variabele deel van de in rekening te brengen bedragen zal jaarlijks worden vastgesteld.
Het vaste bedrag per netbeheerder of vergunninghouder is ingegeven door de overweging dat ten behoeve van iedere netbeheerder en vergunninghouder een aantal handelingen van de dienst wordt verwacht. De inspanningen voor deze werkzaamheden, zoals het vaststellen van de tarieven, zijn slechts in beperkte mate afhankelijk van de grootte van de bedrijven. Omdat de werkzaamheden met betrekking tot netbeheerders een grotere omvang hebben dan die voor vergunninghouders, zullen ook de bijdragen van de netbeheerders hoger liggen dan de bijdragen van de vergunninghouders. Ook hier kan gedacht worden aan een 60% – 40% verdeling van de te berekenen kosten. De bijdragen van netbeheerders zullen derhalve ongeveer anderhalf keer zo hoog zijn als de bijdragen van vergunninghouders. Artikel 3, derde lid, van dit besluit geeft de basis voor het vaststellen van verschillende vaste bedragen voor netbeheerders en vergunninghouders.
Het variabele bedrag wordt gerelateerd aan het individuele profijt van de netbeheerder of vergunninghouder, namelijk door een koppeling met het aantal aanwezige aansluitingen op het door een netbeheerder beheerde net en aan het aantal beschermde afnemers waaraan een vergunninghouder elektriciteit levert. Bovendien is variabiliteit nodig om een verstoring van de concurrentiepositie van kleinere bedrijven ten opzichte van de grotere bedrijven te voorkomen. Als alleen vaste bedragen gehanteerd zouden worden, zouden grote bedrijven immers per aansluiting of afnemer een kleiner bedrag verschuldigd zijn dan kleine bedrijven, waardoor zij ook lagere tarieven zouden kunnen berekenen.
Een bijzondere positie wordt ingenomen door de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet. Voor deze netbeheerder zal het vaste deel van de bijdrage aanmerkelijk hoger moeten liggen dan dat van de bijdrage voor de regionale netbeheerders. Aan de landelijke netbeheerder is in de wet namelijk een aantal bijzondere en exclusieve taken en bevoegdheden toegekend, waardoor de landelijke netbeheerder op een aantal punten meer aandacht van de dienst vraagt. Gedacht kan worden aan het vaststellen van de tarieven voor systeemdiensten en aan het beoordelen van het systeem van de programma-verantwoordelijkheid. Bovendien zijn er relatief weinig aansluitingen op het net van de landelijke netbeheerder, zodat het moeilijker is om de kosten aan de landelijke netbeheerder door te berekenen door middel van een bedrag per aansluiting. Het variabele bedrag zal daarom voor deze netbeheerder waarschijnlijk op nihil worden gesteld, zodat hij alleen een vast bedrag betaalt. Deze gang van zaken is mogelijk op grond van artikel 3, derde lid, van dit besluit.
4. Effecten voor het bedrijfsleven en uitvoering en handhaving van het besluit
Het besluit heeft bedrijfseffecten voor bedrijven die zich bezig houden met transport of levering van elektriciteit. Het totaal aantal bedrijven is op dit moment nog niet met zekerheid aan te geven, maar naar verwachting gaat het in totaal om ongeveer 150 bedrijven: 23 bedrijven die een vergunning aanvragen om elektriciteit te leveren aan beschermde afnemers en die daarna vergunninghouder zullen zijn, meer dan 100 bedrijven die een ontheffing zullen aanvragen van de plicht een netbeheerder aan te wijzen, en 24 netbeheerders.
Structurele uitgaven zullen ontstaan voor netbeheerders en vergunninghouders, die jaarlijks een bijdrage moeten leveren voor de handelingen die de dienst ten behoeve van hen uitvoert. Als indicatief wordt uitgegaan van een ontwerpbegroting voor 1999 voor de dienst van ongeveer f 3,4 miljoen en van 47 vergunninghouders en netbeheerders in dat jaar, moet 60% van die begroting, en dus f 2,0 miljoen door hen worden opgebracht. Netbeheerders zullen daarvan ongeveer anderhalf maal zoveel moeten betalen als vergunninghouders. De hoogte van het bedrag per geval hangt evenwel af van de grootte van de netbeheerder of vergunninghouder. Het door hen verschuldigde bedrag wordt samengesteld uit een vast deel en een variabel deel dat rekening houdt met het aantal aansluitingen of afnemers van het desbetreffende bedrijf. De verwachting is dat de vaste bijdrage tussen de f 12 000 en f 22 000 zal liggen. Bij het variabele deel moet gedacht worden aan jaarlijkse bedragen van 6 tot 9 cent per aansluiting of per beschermde afnemer waaraan geleverd wordt, waardoor de allergrootste netbeheerders of vergunninghouders ongeveer f 100 000 moeten betalen voor het variabele deel van de bijdrage. Hoewel het dus gaat om substantiële bijdragen ten behoeve van de uitvoering van de wet, zijn de bijdragen relatief gering, gelet op het feit dat de huidige niet-gesplitste energiedistributiebedrijven een omzet voor elektriciteit hebben tussen de f 13 miljoen en f 1,8 miljard per bedrijf. Bovendien is het mogelijk de kosten door te berekenen op afnemers via de tariefstelling door de directeur van de dienst voor het transport van elektriciteit en de levering van elektriciteit aan beschermde afnemers.
Aanvragers van een vergunning of ontheffing en verzoekers om instemming hebben eenmalige uitgaven in de vorm van leges die bij de vergunning- of ontheffingaanvraag voldaan moeten worden. De hoogte van deze bijdragen wordt vastgesteld aan de hand van de begrote uitgaven van behandeling van vergunning- of ontheffingaanvragen. Gedacht moet worden aan leges van ongeveer f 7 000 per vergunningaanvraag en f 10 000 per instemmingsverzoek. Voor ontheffingsaanvragen zal tussen de f 400 tot f 8 000 worden gevraagd, afhankelijk van de tijd die voor de behandeling van de aanvraag benodigd is. Ten aanzien van degenen die door Onze Minister op grond van artikel 13 van de wet worden aangewezen als netbeheerder omdat de eigenaar van dat net nalatig is op dit punt, zal een gelijk bedrag worden vastgesteld als voor een instemmingsverzoek. Gelet op de verwachte omvang en omzet van de desbetreffende bedrijven kunnen deze bedragen evenwichtig geacht worden. Ook voor nieuwe toetreders zullen deze leges geen hoge drempel opwerpen.
Het besluit houdt rekening met de marktwerking tussen enerzijds de desbetreffende bedrijven onderling en anderzijds deze bedrijven en de bedrijven die niet door het besluit worden bestreken. Bij de vaststelling van de hoogte van de bedragen die netbeheerders en vergunninghouders jaarlijks verschuldigd zijn, wordt namelijk rekening gehouden met de concurrentiekracht van kleinere bedrijven ten opzichte van grotere bedrijven. Dit komt tot uitdrukking in het variabele deel van de bedrijven, dat afhankelijk is van het aantal aansluitingen of afnemers van een bedrijf. Wat de marktwerking tussen de netbeheerders en vergunninghouders enerzijds en andere bedrijven anderzijds betreft, moet bedacht worden dat eerstgenoemden voordelen hebben van hun wettelijke status. Zij zijn exclusief bevoegd om transport van elektriciteit over hun netten uit te voeren of om beschermde afnemers van elektriciteit te voorzien. Deze exclusiviteit wordt gereguleerd doordat de daarbij te hanteren tarieven door de directeur van de dienst, respectievelijk de Minister van Economische Zaken worden vastgesteld. De kosten van de daaraan verbonden werkzaamheden moeten zij vergoeden. Andere bedrijven in de elektriciteitssector hebben geen exclusiviteit die vergelijkbaar is met die van netbeheerders en vergunninghouders en ten aanzien van hen worden in beginsel ook geen overheidshandelingen verricht. Zij hoeven derhalve ook niet mee te betalen aan de instandhouding en de werkzaamheden van de dienst.
Jaarlijks worden de bedragen voor aanvragen om instemming met een aanwijzing, voor degenen die door Onze Minister worden aangewezen als netbeheerder en voor aanvragers van een vergunning of een ontheffing op voorstel van de directeur van de dienst door de Minister van Economische Zaken vastgesteld. Ook de wijze, bijvoorbeeld in termijnen, en het tijdstip van betaling worden door hem bepaald (artikel 4).
Dit artikel legt ten aanzien van de bedragen die bij de hierboven genoemden in rekening worden gebracht, het uitgangspunt neer dat deze bedragen de werkelijke kosten van de desbetreffende werkzaamheden moeten dekken. De hoogte van deze bedragen wordt onder meer berekend aan de hand van het aantal mensuren dat op grond van de ervaringen begroot zal worden voor het behandelen van aanvragen. Het gaat om bedragen die eenmaal moeten worden betaald voor de behandeling van een aanvraag, ongeacht of de desbetreffende vergunning of ontheffing wordt verleend of wordt geweigerd.
Ook de bedragen die netbeheerders en vergunninghouders jaarlijks verschuldigd zijn, worden door de Minister van Economische Zaken vastgesteld. Het eerste en tweede lid geven de uitgangspunten aan die daarbij worden gehanteerd.
Het eerste uitgangspunt is dat 60% van de totale kosten van de dienst wordt betaald uit de ontvangsten, waarbij primair gedacht moet worden aan de ontvangsten van deze jaarlijkse bijdragen van netbeheerders en vergunninghouders. De ontvangsten, voortvloeiend uit de bedragen die aan verzoekers om instemming en aanvragers van vergunningen en ontheffingen in rekening worden gebracht, moeten hierbij worden opgeteld. Dit leidt ertoe dat de totale ontvangsten in een jaar uiteindelijk nooit hoger en nooit lager mogen zijn dan 60% van de totale kosten in dat jaar. Is dat wel het geval, dan vindt er een verrekening plaats in de bedragen van het daaropvolgende jaar (artikel 7).
Het tweede uitgangspunt is dat de jaarlijkse bedragen voor netbeheerders en vergunninghouders bestaan uit een vast en een variabel deel. Bovendien kan het vaste deel verschillen voor de verschillende netbeheerders en vergunninghouders. In paragraaf 3 van het algemeen deel van de toelichting is daarop reeds ingegaan.
De Minister van Economische Zaken stelt in beginsel de bedragen, bedoeld in de artikelen 2 en 3 vast op basis van de begroting van zijn ministerie. Daarbij is hij afhankelijk van de verstrekking van de benodigde informatie door de directeur van de dienst. Dientengevolge zal de directeur van de dienst jaarlijks een begroting opstellen voor zijn dienst, die door de Minister van Economische Zaken wordt opgenomen in het wetsvoorstel voor de begroting van het Ministerie van Economische Zaken. Bovendien zal de directeur van de dienst concrete voorstellen doen voor de vast te stellen bedragen.
De Minister van Economische Zaken stelt de bedragen vast op grond van de begroting van de dienst, zoals die met de begrotingswet voor het Ministerie van Economische Zaken is vastgesteld. Is de behandeling van het begrotingswetsvoorstel nog niet afgerond voor 1 januari, dan stelt hij de bedragen vast op basis van de op dat moment bekende begroting, zoals die is opgenomen in de ontwerpbegrotingswet. Eventuele latere wijzigingen in de begroting die gevolgen hebben voor de hoogte van de vastgestelde bedragen, kunnen in de volgende cyclus mee worden genomen (artikel 4, tweede lid, tweede volzin). Deze verrekening vanwege een verandering van de begroting is het complement van de regels met betrekking tot de verrekening in verband met de werkelijke uitgaven en ontvangsten in een jaar die in artikel 7 is voorgeschreven.
Bij de vaststelling van de bedragen wordt ook de wijze en het tijdstip van betaling vastgesteld. Indien een verzoeker om instemming met een aanwijzing, een rechtspersoon die door Onze Minister is aangewezen als netbeheerder, een aanvrager van een vergunning of een ontheffing, een netbeheerder of een vergunninghouder het voor hem vastgestelde bedrag niet binnen de aan hem meegedeelde termijn betaalt, wordt het bedrag na aanmaning ingevorderd. Daarbij is de nalatige ook de wettelijke rente en de kosten van aanmaning verschuldigd.
Indien de ontvangsten minder of meer bedragen dan 60% van de uitgaven, gemaakt in een jaar, moet verrekening plaatsvinden door middel van de bedragen die het daaropvolgende jaar in rekening worden gebracht bij netbeheerders en vergunninghouders. Een batig saldo zal leiden tot een verlaging van de bedragen die in rekening worden gebracht in het volgende jaar, een nadelig saldo tot een verhoging daarvan. Aangezien een en ander als materieel effect heeft dat de in rekening te brengen bedragen enigszins moeten kunnen afwijken van de voor het desbetreffende jaar vastgestelde bedragen, is erin voorzien dat het verrekenen van verschillen pas kan plaatsvinden nadat en voor zover de Minister van Economische Zaken daaraan instemming heeft verleend. Daarbij vervult de in artikel 6 geregelde jaarlijkse staat van werkelijke kosten en ontvangsten een belangrijke rol. Gegeven de omstandigheid dat de dienst onderdeel uitmaakt van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken, heeft dit overigens op zich zelf geen gevolgen voor de financiering van de dienst.
Het complement van deze bepaling is neergelegd in artikel 4, tweede lid, tweede volzin, van dit besluit. Daarin wordt bepaald dat een verrekening ook betrekking kan hebben op een eventuele na 1 januari vastgestelde wijziging van de begroting die gevolgen heeft voor de hoogte van de vastgestelde bedragen.
De wet is gedeeltelijk in werking getreden op 1 augustus 1998. Vanaf die datum kunnen verzoeken om instemming met een aanwijzing als netbeheerder en aanvragen om een ontheffing of een vergunning worden ingediend. Om te garanderen dat de leges ook door degenen die reeds een verzoek of een aanvraag hebben ingediend, worden betaald, is dit overgangsartikel opgenomen. Bovendien wordt het mogelijk gemaakt om onmiddellijk de jaarlijkse bijdrage van netbeheerders en vergunninghouders voor 1999 vast te stellen.
Dit besluit zal bij koninklijk besluit in werking treden na afloop van de voorhangprocedure, voorzien in artikel 61, tweede lid, van de wet.
De Minister van Economische Zaken,
A. Jorritsma-Lebbink
Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Economische Zaken.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 januari 1999, nr. 7.
Brief van de Minister van Justitie van 3 september 1997, kamerstukken II 1996/97, 24 036, nr. 64.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-702.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.