Rijkswet van 29 oktober 1998 tot herstel van gebreken en leemten in de Rijksoctrooiwet en de Rijksoctrooiwet 1995 alsmede het laten vervallen van de verplichte domiciliekeuze

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Rijksoctrooiwet en de Rijksoctrooiwet 1995 enkele wijzigingen van ondergeschikte aard aan te brengen in verband met geconstateerde gebreken en leemten alsmede de verplichte domiciliekeuze voor buitenlandse octrooiaanvragers te laten vervallen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Rijksoctrooiwet1 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 18, eerste lid, tweede volzin, wordt «188» vervangen door: 191.

B

In artikel 34, negende lid, eerste volzin, wordt «worde» vervangen door: wordt.

C

Artikel 41 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid, laatste volzin, wordt «475c» vervangen door: 475i.

2. In het vijfde lid wordt «538 tot en met 541» vervangen door: 538 tot en met 540.

D

In artikel 57, tweede lid, wordt «215–219» vervangen door: 221 tot en met 225.

ARTIKEL II

De Rijksoctrooiwet 19952 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt «bestuur» telkens vervangen door: rijksbestuur.

Aa

In artikel 9, eerste lid, wordt na de eerste volzin een volzin ingevoegd, luidende: Met een der landen als bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld een land dat op grond van een mededeling van de bevoegde autoriteit in dat land een recht van voorrang erkent onder gelijkwaardige voorwaarden en met gelijkwaardige rechtsgevolgen als die, bedoeld in het op 30 maart 1883 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot bescherming van de industriële eigendom (Trb. 1974, 225 en Trb. 1980, 31).

B

In artikel 17, tweede lid, tweede volzin, wordt «bestuur» vervangen door: rijksbestuur.

C

In artikel 19, derde lid, eerste volzin, wordt «bestuur» vervangen door: rijksbestuur.

D

In artikel 20, tweede lid, wordt «bestuur» vervangen door: rijksbestuur.

E

Artikel 23, derde lid, derde volzin, vervalt.

F

Artikel 24 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, aanhef, vervalt: schriftelijk.

2. In het derde lid vervalt: en te zijn ondertekend door de aanvrager of degene, die blijkens een volmacht, de gemachtigde van de aanvrager is.

3. In het vierde lid wordt «bestuur» vervangen door: rijksbestuur.

G

In artikel 25, tweede lid, wordt «bestuur» telkens vervangen door: rijksbestuur.

H

Artikel 26 vervalt.

I

Artikel 29 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid vervalt: door toezending of uitreiking.

2. In het derde lid, tweede volzin, vervallen «en de motivering daarvan» en «door toezending of uitreiking».

J

Artikel 30 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «de artikelen 24 en 26» vervangen door: artikel 24.

2. In het tweede lid, tweede volzin, vervallen «en de motivering daarvan» en «door toezending of uitreiking».

K

In artikel 32, derde lid, eerste volzin, wordt «dient schriftelijk bij het bureau te worden ingediend» vervangen door: gaat.

L

In artikel 34, vijfde lid, wordt «onder opgave van redenen en met» vervangen door: onder.

M

In artikel 35, tweede lid, laatste volzin, vervallen «en de motivering daarvan» en «door toezending of uitreiking».

N

In artikel 36, eerste lid, eerste volzin, wordt «28, vijfde lid» vervangen door: 28, vierde lid.

O

In artikel 37, eerste lid, vervalt: schriftelijk.

P

Artikel 39, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Wanneer ingevolge een onherroepelijke beslissing op een rechtsvordering als bedoeld in het eerste lid de aanspraak op octrooi toekomt of mede toekomt aan een ander dan de aanvrager, wordt de intrekking aangemerkt als niet te zijn geschied.

Q

Artikel 40 komt te luiden:

Artikel 40

  • 1. Indien het bureau van oordeel is, dat het geheim blijven van de inhoud van een octrooiaanvrage in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten kan zijn, maakt het dit zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na de indiening van de aanvrage bekend. Onze Minister van Defensie kan ten aanzien van de beoordeling van de vraag, of zodanig belang aanwezig kan zijn, aanwijzingen geven aan het bureau.

  • 2. Tegelijk met de bekendmaking als bedoeld in het eerste lid zendt het bureau afschrift van het besluit en van de tot de aanvrage behorende beschrijving en tekeningen aan Onze genoemde minister.

  • 3. Ingeval het eerste lid toepassing vindt, wordt de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage opgeschort.

R

Artikel 41 komt te luiden:

Artikel 41

  • 1. Binnen acht maanden na indiening van een octrooiaanvrage als bedoeld in artikel 40 besluit Onze Minister van Defensie of de inhoud van de aanvrage in het belang van de verdediging van het Koninkrijk of zijn bondgenoten geheim moet blijven. Hij maakt zijn besluit aan het bureau bekend.

  • 2. Een besluit dat de inhoud van de aanvrage geheim moet blijven heeft tot gevolg dat de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage blijft opgeschort tot drie jaren na de bekendmaking van het besluit.

  • 3. De opschorting eindigt indien:

    a. Onze genoemde minister besluit, dat de aanvrage niet geheim behoeft te blijven;

    b. een besluit binnen de in het eerste lid genoemde termijn is uitgebleven.

  • 4. Onze genoemde minister kan telkens binnen zes maanden voor het verstrijken van de termijn van opschorting deze termijn met drie jaren verlengen. Hij maakt zijn besluit aan het bureau bekend.

  • 5. Onze genoemde minister kan te allen tijde besluiten dat de inhoud van de aanvrage niet langer geheim behoeft te blijven. Het besluit heeft tot gevolg dat de opschorting eindigt.

  • 6. Van een besluit krachtens het eerste, derde, vierde of vijfde lid, doet het bureau onverwijld mededeling aan de aanvrager. Het deelt deze eveneens onverwijld mede indien een besluit is uitgebleven zoals bedoeld in het derde of vijfde lid.

  • 7. Zolang de opschorting niet is geëindigd, zendt het bureau op verzoek van Onze genoemde minister aan deze afschrift van alle ter zake tussen het bureau en de aanvrager gewisselde stukken.

  • 8. Indien de opschorting eindigt, geschiedt niettemin de inschrijving van de aanvrage in het octrooiregister, tenzij op verzoek van de aanvrager, niet voordat drie maanden zijn verstreken.

S

Artikel 42 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid vervalt de derde volzin.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. De vaststelling geschiedt zo mogelijk door Onze Minister van Defensie en de aanvrager in onderling overleg. Indien binnen zes maanden na het einde van de tijdsruimte, waarvoor de vergoeding moet gelden, geen overeenstemming is bereikt, is artikel 58, zesde lid, eerste volzin, van overeenkomstige toepassing.

T

Artikel 43 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid wordt «aan het bureau mededelen» vervangen door: besluiten.

2. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Het besluit wordt bekendgemaakt aan de aanvrager en aan het bureau.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Een besluit als bedoeld in het tweede lid heeft tot gevolg dat de inschrijving in het octrooiregister van de aanvrage blijft opgeschort, totdat Onze genoemde minister besluit dat de aanvrage niet langer geheim hoeft te blijven. Indien een besluit niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn is genomen, eindigt de opschorting.

4. In het vierde lid wordt «41, zesde en zevende lid» vervangen door: 41, zevende en achtste lid.

U

Artikel 44 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid, eerste volzin, wordt «na een desbetreffende mededeling aan de aanvrager» vervangen door: na het desbetreffende besluit bekend te hebben gemaakt.

2. In het eerste lid, tweede volzin, wordt «deze mededeling» vervangen door: dit besluit.

3. In het derde lid, tweede volzin, wordt «de in het eerste lid bedoelde mededeling» vervangen door: de in het eerste lid bedoelde bekendmaking.

V

In artikel 45 wordt «mededeelt» telkens vervangen door: bekendmaakt.

W

Artikel 46 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het derde lid wordt «deelt Onze genoemde minister aan het bureau mede,» vervangen door: maakt Onze genoemde minister aan het bureau bekend.

2. In het vierde en vijfde lid wordt «mededeling» telkens vervangen door: bekendmaking.

X

Artikel 48 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het tweede lid, laatste volzin, vervallen «en de motivering daarvan» en «door toezending of uitreiking».

2. In het derde lid en het vierde lid, eerste volzin, wordt «de artikelen 24 en 26» vervangen door: artikel 24.

Y

In artikel 52, eerste en zevende lid, wordt «bestuur» telkens vervangen door: rijksbestuur.

Z

Artikel 79 komt te luiden:

Artikel 79

  • 1. Hij die opzettelijk inbreuk maakt op het recht van de octrooihouder door het verrichten van een der in artikel 53, eerste lid, bedoelde handelingen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

  • 2. Hij die van het plegen van het in het vorige lid bedoelde misdrijf zijn beroep maakt of het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar of geldboete van de vijfde categorie.

  • 3. Bij veroordeling kan door de rechter de openbaarmaking van zijn uitspraak worden gelast.

  • 4. Indien voorwerpen verbeurd zijn verklaard, kan de octrooihouder vorderen, dat die voorwerpen hem worden afgegeven indien hij zich daartoe ter griffie aanmeldt binnen een maand nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Door deze afgifte gaat de eigendom van de voorwerpen op de octrooihouder over. De rechter zal kunnen gelasten, dat die afgifte niet zal geschieden dan tegen een door hem bepaalde, door de octrooihouder te betalen vergoeding, welke ten bate komt van de Staat.

  • 5. De in dit artikel bedoelde strafbare feiten zijn misdrijven. Van deze misdrijven neemt in Nederland in eerste aanleg uitsluitend de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage kennis.

AA

Artikel 81 komt te luiden:

Artikel 81

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht, is voor beroepen ingesteld tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te 's-Gravenhage bevoegd.

BB

In artikel 82 wordt «de artikelen 80 en 81» vervangen door: artikel 80.

CC

In artikel 84, derde lid, wordt «bestuur» vervangen door: rijksbestuur.

DD

In artikel 93 vervalt «26».

EE

In artikel 96, eerste lid, wordt «bekendmakingen» vervangen door: mededelingen.

ARTIKEL III

De tekst van de Rijksoctrooiwet 1995 wordt in het Staatsblad, het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba geplaatst.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 29 oktober 1998

Beatrix

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

G. Ybema

Uitgegeven de negentiende november 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Stb. 1979, 61, laatstelijk gewijzigd bij de rijkswet van 14 december 1995, Stb. 668.

XNoot
2

Stb. 1995, 52, gewijzigd bij de rijkswet van 14 december 1995, Stb. 668.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1997/98, 1998/99, 25 872 (R 1606).

Handelingen II 1998/99, blz. 241–246; 263.

Kamerstukken I 1998/99, 25 872 (R 1606) (16, 16a).

Handelingen I 1998/99, zie vergadering d.d. 27 oktober 1998.

Naar boven