Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 1998, 614AMvB

Besluit van 7 oktober 1998, houdende aanwijzing van gemeenten voor en regels met betrekking tot het verstrekken van specifieke uitkeringen ten behoeve van beleid op het terrein van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid (Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 10 juli 1998, GVM/Vz/983833, in overeenstemming met de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken mevrouw A. G. M. van de Vondervoort;

Gelet op artikel 10a, eerste tot en met vierde lid, van de Welzijnswet 1994;

De Raad van State gehoord (advies van 3 augustus 1998, No. W13.98.0308);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 september 1998, GVM/Vz/985051, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Welzijnswet 1994;

b. uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in art. 10a van de wet;

c. maatschappelijke opvang: maatschappelijke opvang, vrouwenopvang daaronder niet begrepen.

Artikel 2

Aan de in de bij dit besluit behorende bijlage, onder A, opgenomen gemeenten, wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het terrein van maatschappelijke opvang bestaande uit het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meerdere problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Artikel 3

Aan de in de bij dit besluit behorende bijlage, onder B, opgenomen gemeenten, wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het terrein van vrouwenopvang, bestaande uit het tijdelijk bieden van onderdak en begeleiding aan vrouwen die, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van relationele aard of geweld.

Artikel 4

Aan de in de bij dit besluit behorende bijlage, onder C, opgenomen gemeenten, wordt een uitkering verstrekt ten behoeve van activiteiten op het terrein van verslavingsbeleid, bestaande uit ambulante hulpverlening, gericht op verslavingsproblemen, en preventie van verslavingsproblemen, inclusief activiteiten in het kader van de bestrijding van overlast door verslaving.

Artikel 5

Uitkeringen aan gemeenten ten behoeve van door hun besturen te voeren beleid op de terreinen van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid worden door Onze Minister toegekend met inachtneming van de artikelen 6 tot en met 11.

Artikel 6

  • 1. Onze Minister beslist voor 15 januari van het kalenderjaar omtrent de verlening. De beschikking bevat de wijze waarop het bedrag dat wordt verleend, is bepaald.

  • 2. Op de verleende uitkering wordt maandelijks een voorschot verleend van één twaalfde deel van de verleende uitkering.

  • 3. De artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7

  • 1. Bij de verlening van een uitkering kan Onze Minister bepalen dat het uitkeringsbedrag door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

  • 2. Met het oog op de toepassing van het eerst lid kan Onze Minister bij de verlening van de uitkering tevens bepalen welk deel van het uitkeringsbedrag in aanmerking zal worden genomen voor een bijstelling in verband met de ontwikkeling van het prijspeil, onderscheidenlijk van de kosten van de arbeidsvoorwaarden.

  • 3. Indien een uitkering met toepassing van het eerste lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig worden gewijzigd.

Artikel 8

  • 1. Voor zover na afloop van het kalenderjaar de uitkering niet is besteed aan het doel van de uitkering, kan het worden gereserveerd. De aldus gereserveerde bedragen kunnen uitsluitend worden besteed aan het doel waarvoor de uitkering werd verstrekt.

  • 2. Het totaal van de reservering, bedoeld in het eerste lid, gaat een percentage van 30% van de verleende uitkering niet te boven.

Artikel 9

  • 1. Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarin een uitkering is verstrekt, legt de gemeente een verklaring over, waaruit blijkt in hoeverre de verleende uitkering is besteed ten behoeve van het doel waarvoor zij was bestemd. Indien de uitkering meer bedroeg dan f 250 000 is de verantwoording voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens voldoende blijken uit de vastgestelde rekening van de gemeente, kan worden volstaan met de toezending van de rekening, voorzien van een verklaring van een accountant bij de rekening als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10

Binnen zes maanden na ontvangst van een verantwoording als bedoeld in artikel 8, eerste lid, of de rekening, bedoeld in artikel 8, tweede lid, geeft Onze Minister een beschikking tot vaststelling van de uitkering. De artikelen 4:46, 4:49, 4;52, 4:56 en 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de uitkering eveneens op een lager bedrag kan worden vastgesteld indien niet uit een verantwoording blijkt dat de uitkering is besteed ten behoeve van het doel waarvoor zij is bestemd.

Artikel 11

Onze Minister kan, gelet op het belang dat dit besluit beoogt te beschermen, artikelen buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 12

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid.

histnoot

's-Gravenhage, 7 oktober 1998

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de vijfde november 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Bijlage behorende bij het Besluit specifieke uitkeringen maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid

A. Gemeenten waaraan een uitkering maatschappelijke opvang wordt verstrekt
  
GroningenHoorn
LeeuwardenDen Helder
SmallingerlandAlkmaar
EmmenBeverwijk
ZwolleHaarlem
DeventerLeiden
HengeloDen Haag
AlmeloDelft
EnschedeGouda
ArnhemDordrecht
NijmegenRotterdam
DoetinchemVlaardingen
EdeTerneuzen
ApeldoornVlissingen
HarderwijkBergen op Zoom
LelystadBreda
AmersfoortTilburg
UtrechtDen Bosch
HilversumOss
AmsterdamEindhoven
ZaanstadHelmond
PurmerendVenlo Roermond Geleen Heerlen Maastricht
B. Gemeenten waaraan een uitkering vrouwenopvang wordt verstrektC. Gemeenten waaraan een uitkering verslavingsbeleid wordt verstrekt
  
GroningenGroningen
LeeuwardenAssen
EmmenLeeuwarden
ZwolleZwolle
HengeloDeventer
EnschedeAlmelo
ArnhemArnhem
NijmegenNijmegen
EdeAmersfoort
ApeldoornUtrecht
AlmereAmsterdam
AmersfoortZaanstad
UtrechtHoorn
HilversumDen Helder
AmsterdamAlkmaar
ZaanstadLeiden
Den HelderDen Haag
AlkmaarGouda
BeverwijkDordrecht
HaarlemRotterdam
LeidenMiddelburg
Den HaagBreda
ZoetermeerDen Bosch
DelftVenlo
GoudaHeerlen
DordrechtEnschede
RotterdamAlmere
VlaardingenHaarlem
SpijkenisseTilburg
VlissingenEindhoven
BredaHelmond
TilburgMaastricht
Den BoschTerneuzen
Eindhoven Helmond Venlo Heerlen Maastricht 

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Met ingang van 1 januari 1998 kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van de Welzijnswet 1994 specifieke uitkeringen verstrekken ten behoeve van gemeentelijk beleid op de terreinen van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid. Gemeenten die een uitkeringen ontvangen worden daarmee door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport financieel gestimuleerd en gefaciliteerd bij de uitoefening van een bij de Welzijnswet 1994 opgedragen taak.

Het onderhavige besluit regelt op basis van artikel 10a van de Welzijnswet 1994 aan welke gemeenten de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uitkeringen voor dit doel verstrekt.

Tevens stelt dit besluit de regels vast ten aanzien van het bedrag van de uitkering dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald, de vaststelling van de uitkering, de intrekking of wijziging van de beschikking tot verlening en vaststelling van de uitkering, en de betaling, de terugvordering van de uitkering alsmede het verlenen van voorschotten op de uitkering.

Artikel II van de wet tot wijziging van de Welzijnswet 1994 (Het verschaffen van een wettelijke basis voor uitkeringen en subsidies op de terreinen van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid) regelt dat, in afwijking van artikel 10a van de Welzijnswet 1994, voor 1998 bij ministeriële regeling de gemeenten worden aangewezen alsmede de regels bedoeld in artikel 10a, vierde lid zouden worden gesteld bij ministeriële regeling.

In de toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Welzijnswet 1994 was een passage opgenomen, inhoudende dat voor 1998 het bestaande rijksbeleid zou worden voortgezet, teneinde gemeenten die voor het beleid op de terreinen van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid ook op grond van de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing (Twssv) een uitkering ontvingen, in staat te stellen het bestaande voorzieningenniveau op die terreinen te handhaven. Dit gold zowel voor de gemeenten die een uitkering ontvangen als voor de hoogte van de uitkering.

Nadrukkelijk is toen ook aangegeven, zowel met betrekking tot de aanwijzing van gemeenten die voor een uitkering in aanmerking komen als met betrekking tot de hoogte van de uitkering, dat gekomen moest worden tot hantering van andere, objectieve maatstaven. Met het oog daarop heeft het kabinet de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) om advies gevraagd over het aantal en de gemeenten, welke voor uitkeringen op de terreinen van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid in aanmerking zouden moeten komen, alsmede over de mogelijkheid van een meer rationele en gewogen verdeelsleutel voor de middelen voor deze beleidsterreinen.

De Rfv heeft in februari zijn advies uitgebracht. Het is niet mogelijk gebleken dat advies uit voeren. In afwachting van een vervolgadvies van de Rfv en de besluitvorming daarover is het onderhavige besluit opgesteld waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij de ministeriële regeling van 2 februari 1998/nr. GVM/VZ 98405 houdende regels voor 1998 met betrekking tot uitkeringen op de terreinen van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid (Stcrt. 25), zoals gewijzigd bij ministeriële regeling van 26 mei 1998/nr. GVM/MO/982891 (Stcrt. 104). Dit geldt eveneens voor de wijze waarop het bedrag dat wordt verleend, wordt bepaald en de hoogte van het bedrag, zij het dat laatstgenoemde kan worden aangepast in verband met loon- en prijsbijstelling.

De uitkeringen ten behoeve van verslavingsbeleid aan de gemeenten, genoemd in de bijlage, onder C, kunnen echter hoger uitkomen dan het bedrag, genoemd in de ministeriële regeling, in die gevallen dat er tevens sprake is van een uitkering in het kader van het overlastbeleid. Hierop wordt ingegaan in de toelichting op artikel 4.

Artikel 10a van de Welzijnswet biedt niet de mogelijkheid de gemeenten te verplichten tot het verstrekken van informatie aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het door een gemeente gevoerde beleid. De Minister heeft deze informatie nodig om de effectiviteit van de regeling te kunnen toetsen en voor de uitoefening van de landelijke functie. In verband hiermee zal ik een wijziging van de Welzijnswet bevorderen die voorziet in de opvulling van deze lacune.

Het onderhavige besluit sluit zoveel mogelijk aan bij het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid, rekening houdend met het feit dat het hier gaat om het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten waarmee deze gemeenten hun taak inzake het beleidsterrein van de betreffende uitkering kunnen uitoefenen.

Ingevolge artikel 10a, zesde lid, van de Welzijnswet is het ontwerp-besluit overgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal. Hierop is niet gereageerd.

Artikelgewijs

artikel 4 Het aantal gemeenten, opgenomen in de bijlage onder C, is in vergelijking met de in de ministeriële regeling 1998 opgenomen gemeenten gewijzigd. Dit heeft te maken met het besluit de middelen voor het overlastbeleid, voorzover opgenomen op de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport toe te voegen aan de specifieke uitkering verslavingsbeleid. Dat was in 1998 nog niet mogelijk omdat de projectperiode voor de overlastprojecten liep tot en met 1998. Voor het jaar 1998 was daarom expliciet bepaald dat beleid dat in het kader van de eerdergenoemde Overlastnota door gemeenten gevoerd wordt niet tot het verslavingsbeleid, bedoeld in artikel 2, onder e, van de Welzijnswet 1994 wordt gerekend.

De besluitvorming over een nieuw verdeelmodel voor deze specifieke uitkering maakt dat nog niet tot een toedeling van deze (voor de specifieke uitkering) «extra» gelden overgegaan kan worden.

Omdat bovendien de evaluatie van het overlastbeleid nog niet afgerond is, is besloten voor 1999 de gelden volgens de huidige verdeling toe te voegen aan de uitkeringen die gemeenten, genoemd in de bijlage onder C, in 1998 ontvingen voor het verslavingsbeleid. Dat betekent in concreto dat aan de lijst van gemeenten genoemd in de ministeriële regeling 1998 de gemeenten Enschede, Almere, Haarlem, Tilburg, Eindhoven, Helmond, Maastricht en Terneuzen zijn toegevoegd.

De overige gemeenten krijgen aan de uitkering verslavingsbeleid over 1998 tijdelijk het bedrag toegevoegd dat zij in 1998 ontvingen voor de projecten in het kader van de Stuurgroep Vermindering Overlast.

In afwachting van de besluitvorming over een nieuw verdeelmodel voor de middelen voor verslavingsbeleid of de evaluatie van het overlastbeleid blijven de middelen in 1999 op deze wijze verdeeld.

artikel 6 Het ligt in het voornemen van de Minister gemeenten voor 1 oktober van het daaraan voorafgaande jaar een vooraankondiging te doen over de te verwachten (hoogte van de) uitkering. De uitkering wordt begin januari van het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft, verleend.

artikel 8 Om de beleidsvrijheid van gemeenten bij de besteding van middelen ook in de tijd gezien te vergroten is een bijzondere voorziening getroffen. Het wordt een gemeente mogelijk gemaakt een bepaald deel van de uitkering te reserveren voor latere jaren. Daarmee worden gemeenten in staat gesteld om, binnen zekere grenzen, ook flexibiliteit in de tijd te realiseren. Hiermee wordt de doelmatige inzet van overheidsmiddelen bevorderd. Gemeenten hoeven immers aan het eind van het jaar niet op geforceerde wijze tot besteding van gelden over te gaan.

Omdat het uiteraard niet de bedoeling is dat er jaarlijks grote sommen geld gespaard worden, is in het tweede lid van dit artikel vastgelegd dat het totaal van de gereserveerde gelden niet groter mag zijn dan dertig procent van de over het verslagjaar verleende uitkering. Er is afgezien van een beperking in de tijdsduur van de spaarmogelijkheid, omdat met de limitering zoals die in vormgegeven in het tweede lid voorkomen kan worden dat een gemeente onverhoopt te veel gelden in kas zou houden.

De Twssv bevatte eenzelfde regeling.

artikel 9 Uitgangspunt bij de financiële verantwoording is de «single audit»-gedachte. Dat wil zeggen dat de gemeenterekening, met inbegrip van de verklaring van de gemeentelijke accountant bij die rekening, voldoende moet zijn om verantwoording af te leggen in het kader van deze specifieke uitkeringen. Het in het tweede lid genoemde systeem verdient dus de voorkeur. In de praktijk blijkt dat de gemeenterekening niet altijd de verantwoordingsinformatie levert die in het kader van specifieke uitkeringen nodig is. Daarom is in het eerste lid de mogelijkheid neergelegd van een afzonderlijke verantwoording. Indien een gemeente wil volstaan met een rekening is het vanzelfsprekend de Minister die verplicht is in specifieke gevallen aan te geven welke informatie niet of niet voldoende door middel van de gemeenterekening wordt geboden. Omgekeerd staat het het gemeentebestuur vrij te kiezen voor een afzonderlijke verantwoording in de plaats van een verantwoording in het kader van de reguliere rekening.

Uit de verantwoording dient te blijken in hoeverre de verleende uitkering is besteed aan het doel waarvoor zij is bestemd.

artikel 10 De uitkering is bestemd voor een specifiek doel. Gelet op dit karakter van de uitkering ligt het in de rede om, wanneer niet uit de verantwoording blijkt dat een uitkering is besteed voor het doel waarvoor de uitkering was bestemd, de uitkering op een zodanig lager bedrag vast te stellen dat het bedrag dat niet is besteed op de verleende uitkering in mindering wordt gebracht.

Gegeven het feit dat het hier gaat om een uitkering waarmee het rijk gemeenten financieel stimuleert en faciliteert in de uitoefening van een hun bij wet opgedragen taak, zal er alleen sprake zijn van vaststelling van een lager bedrag als duidelijk is dat de uitkering niet is besteed aan het doel waarvoor zij is bestemd, waaronder ook de reservering van artikel 8 wordt gerekend.

artikel 11 Het opnemen van een hardheidsclausule opent de mogelijkheid voor de Minister om, in gevallen waarin toepassing van het besluit – gegeven de doelstelling en de strekking daarvan – een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een artikel van het besluit buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Een dergelijke mogelijkheid wordt nodig geacht omdat het bij een algemeen geformuleerd besluit als het onderhavige denkbaar is dat zich onvoorziene gevallen voordoen, waarin een afwijking van de algemene regels gerechtvaardigd zijn. Ook in het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid komt een dergelijke clausule voor. Hiervan is steeds een terughoudend gebruik gemaakt. Die hardheidsbepaling heeft aldaar overigens ook niet geleid tot een groot aantal aanvragen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 december 1998, nr. 235.