Besluit van 30 september 1998, houdende regels omtrent het verstrekken van subsidies aan bewindvoerders in verband met de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Tijdelijk subsidiebesluit bewindvoerder schuldsanering)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 24 augustus 1998, Directie Wetgeving, nr. 711620/98/6;

Gelet op de artikelen 48 c en d van de Wet Justitie-subsidies;

De Raad van State gehoord (advies van 17 juli 1998, no. W03.98.0286);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 23 september 1998, nr. 716279/98/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1: definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

b. de Raad: de door Onze Minister aangewezen Raad of Raden voor Rechtsbijstand;

c. bewindvoerder: de door de rechtbank op grond van artikel 287, derde lid Faillissementswet benoemde natuurlijk persoon;

d. bewindvoerderssubsidie: de subsidie ten behoeve van het optreden, bedoeld in artikel 48c, eerste lid, onderdeel a van de Wet Justitie-subsidies;

e. ondersteuningssubsidie: de subsidie ten behoeve van de activiteiten, bedoeld in artikel 48c, eerste lid, onderdeel b van de Wet Justitie-subsidies;

f. een zaak: een door de rechtbank aan de bewindvoerder opgedragen schuldsaneringszaak.

Artikel 2: relatie Minister – Raad voor Rechtsbijstand

  • 1. De Raad verstrekt namens Onze Minister subsidie.

  • 2. Onze Minister kan jaarlijks een subsidieplafond vaststellen. De Raad kan beleidsregels vaststellen omtrent de verdeling en de uitvoering daarvan.

  • 3. De door Onze Minister verstrekte jaarlijkse subsidie aan de Raad bestaat uit het jaarlijkse totaal van de door de Raad te verstrekken bewindvoerders- en ondersteuningssubsidies en de vergoeding aan de Raad voor de uitvoering van de wet.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de onderwerpen genoemd in artikel 42a,  eerste lid, van de Wet op de Rechtsbijstand.

  • 5. Titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op de door Onze Minister  verstrekte jaarlijkse subsidie aan de Raad.

Artikel 3: kring van gerechtigden

  • 1. De Raad verleent subsidie aan bewindvoerders die voldoen aan door de raad vast te stellen beleidsregels met  betrekking tot deskundigheid, onafhankelijkheid en organisatie.

  • 2. De Raad stelt aan de rechtbanken ten minste eenmaal per jaar een actuele opgave ter beschikking van personen die naar zijn oordeel geschikt zijn om voor de bewindvoering in aanmerking te komen.

  • 3. De Raad verstrekt de subsidie aan de bewindvoerder of aan de werkgever bij wie de bewindvoerder zijn werkzaamheden in dienstbetrekking vervult.

HOOFDSTUK II. BEWINDVOERDERSSUBSIDIE EN BEVOORSCHOTTING

Artikel 4: bewindvoerderssubsidie

  • 1. De bewindvoerderssubsidie bedraagt f 1250,– per afgewikkelde zaak, inclusief de door de bewindvoerder verschuldigde BTW, een en ander onverminderd de mogelijke aanspraak op een salaris uit hoofde van het Besluit  salaris bewindvoerder.

  • 2. De Raad kan een lager bedrag vaststellen dan het in het eerste lid genoemde bedrag, doch nooit lager dan f 750,– per afgewikkelde zaak inclusief de door de bewindvoerder verschuldigde BTW, indien de in het eerste lid bedoelde subsidie in een wanverhouding zou staan tot de verrichte werkzaamheden.

Artikel 5: bevoorschotting

  • 1. De Raad verleent aan de bewindvoerder een voorschot voor de krachtens dit besluit te verstrekken subsidie.

  • 2. Het voorschot bedraagt ten hoogste een door Onze Minister te bepalen bedrag.

HOOFDSTUK III. ONDERSTEUNINGSSUBSIDIE

Artikel 6: ondersteuningssubsidie

  • 1. De Raad kan op aanvraag van de bewindvoerder of zijn werkgever of werkgeversorganisatie een ondersteuningssubsidie verstrekken, indien de bewindvoerder voldoet aan de eisen die op grond van artikel 3, eerste lid worden gesteld en indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de bewindvoerder per jaar in een substantieel aantal zaken als bewindvoerder werkzaam is.

  • 2. De ondersteuningssubsidie kan bestaan uit de centrale financiering van activiteiten waarvan de bewindvoerder,  bedoeld in het eerste lid, gebruik kan maken.

HOOFDSTUK IV. VERPLICHTINGEN BEWINDVOERDER

Artikel 7: algemeen en sanctie

  • 1. De bewindvoerder is verplicht zich voldoende in te spannen een akkoord na te streven, een zaak zorgvuldig te behandelen, een goed beleid en beheer te voeren en, onverminderd zijn wettelijke verplichtingen uit hoofde  van zijn taakvervulling als bewindvoerder, alle verplichtingen die de Raad op grond van dit besluit aan de subsidie verbindt, na te leven.

  • 2. De bewindvoerder dient te vermijden dat zijn vrijheid en onafhankelijkheid bij de uitoefening van zijn werkzaamheden in gevaar zouden kunnen komen.

  • 3. De bewindvoerder die op grond van het eerste of het tweede lid tekortschiet in zijn taakuitoefening kan door de Raad een aanspraak op subsidie geheel of gedeeltelijk worden ontzegd. De Raad hoort bij toepassing van de artikelen 4:46, 4:48 of 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht de betrokken rechter-commissaris.

Artikel 8: overdracht van de zaak

  • 1. Overdracht van een zaak heeft geen invloed op de hoogte van de subsidie.

  • 2. De subsidie wordt betaald aan de bewindvoerder die de zaak afwikkelt, met inachtneming van een verrekening  met het voorschot van artikel 5.

HOOFDSTUK V. SLOTBEPALINGEN

Artikel 9: inwerkingtreding

  • 1. Indien het bij koninklijke boodschap van 1 oktober 1993 ingediende voorstel van wet, houdende inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de wijziging van de Faillissementswet in verband met de sanering van schulden van natuurlijke personen (Invoeringswet schuldsaneringsregeling natuurlijke personen) (kamerstukken II 1993/1994, 23 429), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.

  • 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 10: citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk subsidiebesluit bewindvoerder schuldsanering.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 30 september 1998

Beatrix

De Staatssecretaris van Justitie,

M. J. Cohen

Uitgegeven de zevenentwintigste oktober 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Het onderhavige besluit regelt de subsidieverstrekkingen die via de Raad of Raden voor Rechtsbijstand worden gedaan aan de bewindvoerders in de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. Artikel 48d van de Wet Justitie-subsidies, dat bij novelle (Wet van 25 juni 1998, Stb. 1998, 447) is toegevoegd aan het hoofdwetsvoorstel schuldsanering natuurlijke personen (Wet van 25 juni 1998, Stb. 1998, 445), vormt de grondslag voor dit besluit. Het besluit bevat grotendeels bepalingen omtrent de relaties tussen Raad en bewindvoerders, doch ook een bepaling – artikel 2 – omtrent de relatie tussen Minister en Raad. Volgens het eveneens bij novelle toegevoegde artikel 48c lid 1 van de Wet Justitie-subsidies is het de Minister van Justitie die de met de uitvoering van de schuldsaneringsregeling verband houdende subsidies verstrekt. Het desbetreffende bureau van de gemandateerde Raad voor Rechtsbijstand is in dit proces van subsidieverstrekking het uitvoerende orgaan. Namens de Raad is dit bureau bevoegd om de bewindvoerders- en ondersteuningssubsidies te verstrekken. De Raad is bevoegd om beleidsregels vast te stellen omtrent de subsidieverstrekking.

De bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling heeft onder een aantal voorwaarden aanspraak op bewindvoerderssubsidie. Het op artikel 320, zesde lid van de Faillissementswet gebaseerde Besluit salaris bewindvoerder biedt hem daarnaast een door de boedel op te brengen salaris van f 50,– voor iedere maand vanaf de maand waarin door de rechter de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken. De rechter kan dit salaris, indien hij daartoe termen aanwezig acht, hoger vaststellen. Beide besluiten bieden in hun onderling verband bezien een adequate vergoeding voor bewindvoeringswerkzaamheden.

De Raad voor Rechtsbijstand zal verantwoording afleggen aan de minister over de uitvoering van de wet. Het zesde lid van artikel 48c van de Wet Justitie-subsidies sluit hierbij aan. Een soortgelijke verantwoordingscyclus heeft zich al bewezen in het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand waarin de bureaus rechtsbijstandvoorziening een vergelijkbare rol spelen als binnenkort bij de wettelijke schuldsanering te verwachten is. Voor laatstgenoemde activiteit zullen Minister en Raad een separate cyclus hanteren.

Het besluit heeft een tijdelijk karakter, dat is neergelegd in het tweede lid van artikel 9, namelijk een korte geldingsduur van twee volledige boekjaren. Dit heeft een aantal redenen. Ondanks de omstandigheid dat er nog een aantal onzekerheden bestaan omtrent de financieringsstructuur is het niet langer verantwoord de inwerkingtreding van de wet om die reden te verdagen. Op voorhand valt bijvoorbeeld niet exact in te schatten hoe intensief het beroep op de nieuwe wettelijke regeling zal worden. Die onzekerheid is ook door uitvoerig onderzoek niet weg te nemen en zal dus ook op een later tijdstip blijven bestaan. Evenmin valt zonder feitelijke ervaring met de afwikkeling van schuldsaneringen precies te begroten welke intensiteit de werkzaamheden van de bewindvoering zullen hebben en of daarbij een differentiëring valt aan te brengen al naar gelang het type zaak. Zodra op die manier over de wijze waarop het bedrag van de subsidie wordt bepaald (zie artikel 48d lid 1 sub b Wet Justitie-subsidies) meer duidelijkheid is verkregen, bijvoorbeeld ook aan de hand van de diverse evaluaties, kan worden gedacht aan een bijstelling van de subsidies of (ook) aan een differentiatie van bewindvoeringsvergoedingen. De praktijk zal hier de beste leerschool moeten zijn. Een relatief korte geldigheidsduur van twee boekjaren is enerzijds niet te kort om enige conclusies te kunnen trekken, maar anderzijds niet te lang om snel in te kunnen grijpen indien mocht blijken dat zich ongewenste effecten voordoen. De verregaande automatisering bij de uitvoering van de wet moet eraan bijdragen dat direct de nodige gegevens voorhanden zijn om indien nodig tot een bijstelling te komen. Bij de representativiteit van de gegevens zal rekening worden gehouden met een mogelijk optredend «stuwmeer-effect» in de eerste periode na inwerkingtreding van de schuldsaneringsregeling. Zodra op deze wijze betrouwbare informatie is verzameld over het aantal zaken, de gemiddelde looptijd, de tijdsbesteding, het benoemingsbeleid en het aanbod van bewindvoerders, is derhalve een herijking van dit tijdelijke subsidiestelsel niet alleen op haar plaats, maar ook praktisch mogelijk. Dit aspect kan worden meegenomen in de aangekondigde evaluatie van de wet na ommekomst van twee jaar die door de minister is toegezegd. Subsidies moeten tenminste eens in de vijf jaar worden geëvalueerd op grond van artikel 4:24 Algemene wet bestuursrecht. In artikel 48d lid 2 van de Wet Justitie-subsidies is bovendien bepaald dat de Raden in afzonderlijke jaarplannen en jaarverslagen aandacht moeten besteden aan hun subsidiebeleid.

Het ligt voor de hand om ter gelegenheid van de herijking van het tijdelijke subsidiestelsel ook de wettelijke grondslag van het besluit in de Wet Justitie-subsidies aan een gedeeltelijke herziening te onderwerpen. Het subsidiestelsel van afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals dat ten tijde van het opstellen van de novelle in het zesde lid van artikel 48c Wet Justitie-subsidies van toepassing is verklaard, is immers weliswaar in de verhouding tussen Minister en Raden een passend stelsel, maar mogelijkerwijs niet in alle opzichten geschikt om ook in de verhouding tussen Raden en bewindvoerders de afwikkeling van schuldsaneringszaken te normeren.

Artikelsgewijs commentaar

Artikel 1

In de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de schuldsaneringsregeling en in de eerste periode na inwerkingtreding is een duidelijke centrale sturing en een bundeling van kennis omtrent de in- en uitvoering noodzakelijk. Met de inrichting van een vooralsnog landelijk bureau bij de Raad voor Rechtsbijstand in Den Bosch is in die behoefte voorzien. Niet de Raad als zodanig, maar dit bureau is het uitvoerend orgaan. Denkbaar is dat op een later tijdstip ook bij een of meer van de overige Raden voor Rechtsbijstand een bureau zal worden ingericht, en dat dus de organisatie en de subsidieverstrekking zullen worden gedecentraliseerd per ressort.

Artikel 2

Deze bepaling regelt de verhouding tussen Minister en (het bureau van) de Raad als uitvoerend orgaan in het subsidieproces, voorzover nodig in aanvulling op artikel 48c leden 3 en 5 van de Wet Justitie-subsidies. Het eerste lid van artikel 2 bepaalt dat de Raad geen zelfstandige subsidiebevoegdheid heeft, maar dat de Raad de bewindvoerders- en ondersteuningssubsidies verstrekt uit hoofde van een op grond van de Wet Justitie-subsidies door de Minister van Justitie verleend mandaat. In het tweede lid is overeenkomstig het tweede lid van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht een uitdrukkelijke wettelijke grondslag geschapen voor het vaststellen van beleidsregels door de gemandateerde. In het vierde lid is een grondslag neergelegd voor nadere regelgeving door de Minister, naar analogie van de subsidieregeling die reeds met de Raden bestaat op het gebied van de gefinancierde rechtsbijstand. Omdat geen vermenging wenselijk is met de rechtsbijstandsactiviteiten op grond van de Wet op de Rechtsbijstand – schuldsanering is als sluitstuk op de schuldhulpverlening primair een vorm van sociaal-maatschappelijke bijstand – zal derhalve een afzonderlijke regeling tot stand moeten komen.

Artikel 3

De artikelen 3 tot en met 8 regelen de verhouding tussen de Raad en de bewindvoerders. In artikel 3 is de kring omschreven van diegenen die, op voorwaarde dat zij door de rechter tot bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling worden benoemd, een aanspraak kunnen doen gelden op subsidie. Voor de ondersteuningssubsidie wordt deze kring in artikel 6 nader omschreven. Het gaat in artikel 3 om een niet bij voorbaat vastliggende kring van subsidieontvangers. Het kunnen advocaten, medewerkers van gemeentelijke kredietbanken of andere (particuliere) schuldhulpverleners zijn, zolang zij voldoen aan eisen van deskundigheid (het voldoen aan de permanente opleiding, opbouw van ervaring, zoveel mogelijk gebruik maken van de integrale schuldhulpverlening), het bewaren van onafhankelijkheid (het voorkomen van belangenverstrengeling), organisatorische eisen (gebruikmaking van de modelverklaring van artikel 285 van de Faillissementswet en van het geautomatiseerde berichtenverkeer, regionale spreiding) en het voeren van een adequate administratie die de Raad of diens accountant in staat stelt toezicht uit te oefenen. De Raad zal deze beleidsregels in de vorm van inschrijvingsvoorwaarden gestalte geven. Organisaties die in aanmerking willen komen voor de bewindvoering worden door de Raad – los van een concrete benoeming – onderworpen aan een selectieprocedure waarbij aan de hand van financiële verslagen en begrotingen, statuten en reglementen wordt geoordeeld over continuïteit, kwaliteit, de inrichting van de organisatie en de financiële situatie. Deze kwaliteitsselectie is een permanente.

De kwaliteitseisen zijn door de Raad in samenspraak met de rechterlijke macht en de adspirant-bewindvoerders ontwikkeld. De eisen worden in de eerste plaats aan de bewindvoerder in persoon gesteld. Het belang van het stellen van kwaliteitseisen is echter mede daarin gelegen, dat een controle door de Raad van de gehele organisatie waar de bewindvoerder deel van uitmaakt wordt vergemakkelijkt. De Raad heeft de bevoegdheid om nadere beleidsregels op dit punt vast te stellen. Het ligt voor de hand dat de Raad zulks in nauw overleg doet met alle betrokken organisaties, waaronder de rechterlijke macht.

Het tweede lid maakt duidelijk dat het om een lijst van geschikte bewindvoerders gaat die per arrondissement kenbaar moet zijn aan de rechtbank die de bewindvoerders benoemt. De lijst heeft het karakter van een register van potentiële bewindvoerders die op grond van kwaliteitscriteria kunnen worden aanbevolen. De lijst laat derhalve onverlet de vrijheid in het benoemingsbeleid van de rechtbank en de daarmee verband houdende belangenafweging door de Raad op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. De lijst van aanbevolen bewindvoerders dient regelmatig te worden geactualiseerd, zowel met het oog op een mogelijk verloop van bewindvoerders als met het oog op een permanent toezicht op het voldoen en blijven voldoen aan de kwaliteitseisen. Indien het belang van een tekortkoming de individuele zaak ontstijgt, bijvoorbeeld indien een bewindvoerder in ernstige mate zijn onafhankelijkheid schendt of bij een herhaling van tekortkomingen, kan de Raad besluiten om de betrokken bewindvoerder van de lijst van artikel 3 te schrappen. Het ligt voor de hand dat op dit punt overleg met de betrokken rechter-commissaris plaatsvindt. Indien de tekortkoming slechts betrekking heeft op de individuele zaak, is artikel 7 lid 3 van toepassing.

Alhoewel de bewindvoerder in persoon door de rechtbank zal worden benoemd, zullen de met de bewindvoering gemoeide betalingen in veel gevallen niet rechtstreeks aan de bewindvoerder moeten worden uitgekeerd. Het derde lid voorziet in een verduidelijking ten opzichte van artikel 1 onderdeel c op dit punt. In het geval de bewindvoerder niet zelfstandig is gevestigd doch in dienst is van een werkgever ligt het voor de hand dat de vergoeding aan diens werkgever (bijvoorbeeld de gemeentelijke kredietbank) wordt betaald, omdat die gemachtigd is om betalingen in ontvangst te nemen.

Artikel 4

De bewindvoerderssubsidie wordt in de praktijk vastgesteld naar aanleiding van een beëindigingsvonnis van de rechtbank dat de Raad via het geautomatiseerde berichtenverkeer bereikt. De bewindvoerderssubsidie strekt tot vergoeding van de werkzaamheden die voortvloeien uit de taakuitoefening van de bewindvoerder op grond van artikel 316 van de Faillissementswet. Dit artikel behelst de daarbij gekozen financieringswijze op basis van verrichtingen. Deze vorm van financiering, ook wel outputfinanciering genoemd, betekent dat een rechtstreekse relatie bestaat tussen de bewindvoering per zaak en de vergoeding. De eindafrekening na definitieve beëindiging van de regeling betekent een prikkel voor de bewindvoerder om zaken zo snel als vanuit kwalitatief oogpunt aanvaardbaar is af te handelen. De bewindvoerdersubsidie bedraagt f 1250,– inclusief BTW per inhoudelijk beëindigde zaak, een en ander behoudens toepassing van het tweede lid van artikel 4 of het derde lid van artikel 7.

In het tweede lid is een matigingsbevoegdheid voor de Raad opgenomen voor die gevallen waarin de werkzaamheden van de bewindvoerder zodanig beperkt zijn gebleven dat vaststelling van een bewindvoerderssubsidie van f 1250,– een onevenredige beloning zou zijn in verhouding tot de geleverde prestatie. Het enkele feit dat de vereenvoudigde procedure is gevolgd of dat korte tijd na de definitieve toepasselijkverklaring van de regeling een akkoord wordt bereikt, zal onvoldoende grond zijn voor het hanteren van de matigingsbevoegdheid. Ook een vereenvoudigde procedure duurt minimaal een jaar, en gedurende die tijd zal een goed bewindvoerder de nodige tijd en aandacht aan de zaak moeten besteden, onder andere vanuit toezichthoudend oogpunt. Een volledige vergoeding bij het bereiken van een akkoord kan een prikkel zijn voor de bewindvoerder om snel een dergelijk akkoord tot stand te brengen. Daarbij zal de rechter ervoor waken dat werkzaamheden die in het minnelijk traject hadden kunnen worden ondergebracht pas plaatsvinden in het wettelijk traject. Indien de rechter van oordeel is dat de mogelijkheden onvoldoende zijn onderzocht om een minnelijke regeling te beproeven, dan zal hij de definitieve toepasselijkheid van de wettelijke regeling niet uitspreken. Het tweede lid ziet niet op gevallen van oneigenlijk gebruik van de regeling; dat is reeds geregeld in artikel 7 van het besluit.

Het ligt in de bedoeling dat de Raden bij de toepassing van het tweede lid van hun matigingsbevoegdheid in gevallen van een geringe werkbelasting een terughoudend gebruik zullen maken. Met het oog daarop is een ondergrens van f 750,– opgenomen. Een verdere differentiatie in de omvang van het subsidiebedrag dan deze matiging is, gezien het tijdelijke karakter van het besluit, niet nodig, en overigens ook niet goed mogelijk. Pas als meer informatie beschikbaar is over de verschillende typen schuldsaneringszaken en de omvang van de daarmee gepaard gaande werkzaamheden van de bewindvoerder, kan mogelijkerwijs worden gekomen tot een nadere differentiatie.

Artikel 5

Indien de rechtbank een bewindvoerder benoemt uit het register, dat de Raden voor Rechtsbijstand op grond van artikel 3 voeren, krijgt de Raad via het geautomatiseerde berichtenverkeer terstond van deze benoeming bericht en kan zij direct overgaan tot de verlening van een voorschotbetaling. Deze voorschotbetaling heeft een eenmalig karakter en wordt verrekend met de bewindvoerderssubsidie na beëindiging van de zaak. Onafhankelijk van het voorschot ontvangt de bewindvoerder uit de boedel een maandelijks salaris uit hoofde van het salarisbesluit.

Het voorschot is bedoeld om in een tijdige vergoeding te voorzien voor het relatief grote aantal werkzaamheden bij de aanvang van een gerechtelijke schuldsanering, en aldus de bewindvoerder enige liquiditeitszekerheid te bieden en te voorkomen dat de bewindvoerder zelf zou moeten voorfinancieren. Het voorschot kan in de eerste periode na inwerkingtreding van de wet hoger zijn dan uiteindelijk het geval zal zijn. De hoogte van het voorschot wordt vastgesteld door de Minister van Justitie en kan afhankelijk van het voortschrijdend inzicht in fasen worden gereduceerd.

Artikel 6

De ondersteuningssubsidie strekt deels tot vergoeding van (permanente) bijscholingskosten, en deels tot vergoeding van de kosten die gemoeid zijn met het actueel houden van de automatisering. Ook andere taken waarvan de uitvoering bij voorkeur centraal geregeld dient te worden kunnen in aanmerking komen voor een ondersteuningssubsidie zoals voorlichting aan schuldenaren, schuldeisers en schuldhulpverleners. De ondersteuningssubsidie kan ook worden ingezet voor nieuwe activiteiten in het kader van de uitvoering van de wet, mits die het gehele stelsel ten goede komen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de inrichting van een permanente «helpdesk», waar met name medewerkers van een gemeentelijke kredietbank en particuliere schuldhulpverleners terecht kunnen met eventuele technische vragen over de bewindvoering en over problemen in het minnelijk voortraject.

De Raad hoeft de ondersteuningssubsidie pas te verstrekken zodra redelijkerwijs duidelijk is dat bij de bewindvoerder die de op grond van artikel 3 vereiste kwaliteiten bezit ook overigens de bereidheid bestaat om op min of meer structurele basis schuldsaneringszaken af te wikkelen. Hiermee wordt bevorderd dat men zich werkelijk tot bewindvoerder specialiseert. Met opzet is afgezien van het noemen van een concreet aantal in behandeling zijnde zaken, omdat een dergelijk aantal een sterk regionaal bepaalde context zal hebben. Bij incidentele bewindvoering is er geen reden om naast het verstrekken van een bewindvoerderssubsidie ook de organisatie of de opleiding van de bewindvoerder financieel te ondersteunen. De Raad kan de ondersteuningssubsidie echter wel toekennen aan een organisatie van bewindvoerders zoals de nederlandse vereniging voor volkskrediet. De Raad beslist over de vorm waarin de ondersteuningssubsidie wordt toegekend.

Artikel 7

De bewindvoerder is gehouden zijn taken in vrijheid en onafhankelijkheid uit te voeren. Een bewindvoerder dient te allen tijde bedacht te zijn op de situatie dat hij ten opzichte van zijn werkgever en ten opzichte van de schuldenaar niet meer de vrijheid en de onafhankelijkheid bezit om de bij een schuldsaneringszaak betrokken belangen zuiver te behartigen. Een belangenverstrengeling, door financiële of persoonlijke relaties, kan de vereiste onafhankelijkheid in gevaar brengen. Gedacht kan worden aan een bewindvoerder die een bestuursfunctie bekleedt bij een van de schuldeisers, aan een bewindvoerder die persoonlijke belangen heeft bij de afwikkeling van een zaak of aan een bewindvoerder die nauwe persoonlijke of familiebanden heeft met een van de schuldeisers of met de schuldenaar. De omstandigheden van het geval, waaronder bijvoorbeeld de aard en de omvang van de vordering, en ook de vraag of de vordering van de schuldeiser wel of niet voor betwisting vatbaar is, zullen hier doorslaggevend zijn. Dat geldt ook voor het antwoord op de vraag of het een collega-bewindvoerder binnen hetzelfde kantoor wel vrij staat om in die zaak als bewindvoerder op te treden. Een bewindvoerder die zijn onafhankelijke positie kenbaar wenst te maken aan de rechter-commissaris, aan de Raad, aan de schuldeisers en aan de schuldenaar zal dat kunnen doen via een statuut waaruit blijkt dat de werkgever bereid is de onafhankelijke positie, die nodig is om de bewindvoering naar behoren te kunnen verrichten, te waarborgen.

De bewindvoerder die bijvoorbeeld zijn onafhankelijkheid niet weet te bewaren of die zich onvoldoende kwijt van de taken die in artikel 316 Faillissementswet worden omschreven of die de voortgang in de procedure onvoldoende bewaakt of die onvoldoende voor ogen houdt dat een minnelijke regeling de voorkeur verdient boven een gerechtelijke procedure, kan door de Raad op basis van de geldende regels van de Algemene wet bestuursrecht genoemd in het derde lid worden gekort op de subsidie in de betrokken schuldsaneringszaak, zulks na overleg met de betrokken rechter-commissaris. De in artikel 3 genoemde beleidsregels zullen hierbij ook van belang kunnen zijn, namelijk indien het belang van de tekortkoming de individuele zaak ontstijgt. Bij een ernstige tekortkoming of bij een herhaling van tekortkomingen kan de Raad besluiten om de betrokken bewindvoerder van de lijst van artikel 3 te schrappen. Ook hier ligt het voor de hand dat overleg met de betrokken rechter-commissaris plaatsvindt.

Artikel 8

Een eventuele overdracht van een zaak – bijvoorbeeld bij tussentijds vertrek van de bewindvoerder naar een andere werkkring – heeft geen gevolgen voor de hoogte of het betaaladres van de subsidie. Het persoonlijke karakter van een benoeming tot bewindvoerder betekent overigens wel dat de rechtbank nog bereid moet zijn om de beoogde opvolgende bewindvoerder – die aan de eisen van artikel 3 zal moeten voldoen – formeel als zodanig te benoemen. Het ligt voor de hand dat door de vertrekkende bewindvoerder aan schuldenaar en aan Raad mededeling wordt gedaan zowel van het verzoek om overdracht als van de (nieuwe) benoeming.

Artikel 9

Het besluit heeft een tijdelijk karakter, dat tot uitdrukking komt in het tweede lid. Dit heeft een aantal redenen, dat in het algemeen gedeelte van de toelichting wordt uiteengezet.

De Staatssecretaris van Justitie,

M. J. Cohen


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 november 1998, nr. 215.

Naar boven