Besluit van 27 juli 1998, houdende uitvoering van artikel 8, tweede lid, van de Wet melding ongebruikelijke transacties (goedkeuring van de indicator zoals deze is vastgesteld bij ministeriële regeling van 2 april 1998)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën, mede namens Onze Minister van Justitie, van 2 juni 1998, BGW 98/1369-M;

Gelet op artikel 8, tweede lid, van de Wet melding ongebruikelijke transacties;

De Raad van State gehoord (advies van 25 juni 1998, No. W06.98.0248);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën, mede namens Onze Minister van Justitie, van 23 juli 1998, BGW 98/1737-U;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

De indicator, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet melding ongebruikelijke transacties, vastgesteld bij ministeriële regeling van 2 april 1998, wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 27 juli 1998

Beatrix

De Minister van Financiën,

G. Zalm

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de vijftiende september 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT) kunnen indicatoren voor de duur van zes maanden bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Aan de hand van deze indicatoren wordt bepaald of een transactie als ongebruikelijk in de zin van de Wet MOT dient te worden aangemerkt.

Onderhavig besluit geeft uitvoering aan artikel 8, tweede lid, van de Wet MOT. Ingevolge dat artikel moeten de indicatoren binnen zes maanden na de vaststelling bij ministeriële regeling bij algemene maatregel van bestuur worden goedgekeurd.

Deze goedkeuring vormt geen belemmering om de indicatorenlijsten op een later tijdstip bij ministeriële regeling aan te passen. Deze aanpassingen zullen daarna goedkeuring bij algemene maatregel van bestuur behoeven, willen zij langer dan zes maanden hun geldigheid behouden.

Onderhavig besluit keurt, conform artikel 8, tweede lid, van de Wet MOT, de indicator goed die bij ministeriële regeling van 2 april 1998 (Stcrt. 1998, 71) is vastgesteld en op 17 april 1998 in werking is getreden. Door middel van voornoemde ministeriële regeling is de contante indicator voor transacties boven f 1 000 000 in Bijlage A van de Ministeriële Regeling van 20 januari 1994 aangepast.

Conform artikel 8, eerste lid, van de Wet MOT is de Begeleidingscommissie, waarin de bedrijfstakken die onder de werking van de wet vallen zijn vertegenwoordigd, gehoord en is overleg gevoerd met het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties over de aanpassing van de indicator zoals vastgesteld bij ministeriële regeling van 2 april 1998.

Onderhavig besluit zondert bepaalde volstrekt reguliere contante afstortingen uit van de meldplicht aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, zoals afstortingen door geregistreerde kredietinstellingen aan De Nederlandsche Bank N.V., interbancaire afstortingen en afstortingen van warenhuizen en grootwinkelbedrijven. Onder de oude indicator betekende dit aan de ene kant onnodig extra werk voor de financiële instellingen, terwijl aan de andere kant het Meldpunt vele meldingen ontving, waarop zij wel de reguliere werkzaamheden diende uit te voeren zonder dat dit tot resultaten leidde.

De Minister van Financiën,

G. Zalm

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven