Besluit van 28 augustus 1998 tot aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met wijzigingen in de IJkwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 1 juli 1998, nr. 98044306 WJA/W;

Gelet op de artikelen 4a, 6, vijfde lid, 21a, eerste lid, en 26, onderdeel c, van de IJkwet;

De Raad van State gehoord (advies van 24 juli 1998, nr. W10.98.0292);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 24 augustus 1998, nr. 98051256 WJA/W;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen EEG-IJkbesluit1 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1 wordt «Economische Gemeenschap» vervangen door: Unie.

B

In artikel 25, tweede lid, onder c, wordt de zinsnede «zichtbaar maakt in andere geldrekeneenheden dan die van het Nederlandse muntstelsel» vervangen door: niet zichtbaar maakt in de Nederlandse munteenheid.

C

In artikel 29, tweede lid, wordt de zinsnede «13, 16 en 29c van de wet» vervangen door: 13 en 16 van de wet, van artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht.

D

In artikel 31, tweede lid, wordt de zinsnede «de aanduidingen van geldrekeneenheden van het Nederlandse muntstelsel» vervangen door: ten minste de aanduidingen van de Nederlandse munteenheid.

E

In artikel 39, tweede lid, wordt «29c, tweede lid,» vervangen door: 29c.

F

In artikel 40, tweede lid en vierde lid, wordt «Economische Gemeenschap» telkens vervangen door: Unie.

ARTIKEL II

Het Besluit EEG-tapmaatflessen2 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 2, derde lid, wordt «Economische Gemeenschap» vervangen door: Unie.

B

In artikel 4, tweede lid, onder b, wordt «Economische Gemeenschap» vervangen door: Unie.

C

In artikel 8, eerste lid, wordt «artikel 29c van de wet» vervangen door: artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht.

ARTIKEL III

In artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van het Besluit kilowattuurmeters3 wordt «artikel 29c van de wet» vervangen door «artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht» en vervalt «, tweede lid,».

ARTIKEL IV

Het EEG-IJkbesluit niet-automatische weegwerktuigen4 wordt gewijzigd als volgt:

A

Onder plaatsing van de aanduiding «1.» voor de bestaande tekst wordt aan artikel 2 een tweede lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Als voorwerpen als bedoeld in artikel 26, onderdeel c, van de wet worden aangewezen de niet-automatische weegwerktuigen.

B

In artikel 5, tweede lid, onder b, wordt «Gemeenschappen» vervangen door: Unie.

C

In artikel 8, vierde lid, wordt na «lid-staten» ingevoegd: van de Europese Unie.

D

In artikel 9, onder a, wordt na «lid-staat» ingevoegd: van de Europese Unie.

E

In artikel 11, derde lid, wordt de zinsnede «het toezicht als bedoeld in artikel 29c van de wet» vervangen door: het onderzoek, bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht.

ARTIKEL V

In artikel 6, tweede lid, van het Eenhedenbesluit 19815 wordt «Economische Gemeenschap» vervangen door: Unie.

ARTIKEL VI

In artikel 20, eerste lid, van het IJkreglement6 wordt «29c, tweede lid,» vervangen door: 29c.

ARTIKEL VII

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst met uitzondering van artikel IV, onderdeel A, dat in werking treedt op het tijdstip waarop de wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de IJkwet in verband met de erkenning van ijkbevoegden (Stb. 537) in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 28 augustus 1998

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de tiende september 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit strekt ertoe een aantal algemene maatregelen van bestuur op het terrein van de ijkwetgeving aan te passen in verband met wijzigingen die in de IJkwet zijn aangebracht door de Aanpassingswet derde tranche Awb I en de wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de IJkwet in verband met de erkenning van ijkbevoegden (Stb. 537) en in verband met de invoering van de euro met ingang van 1 januari 1999. Tevens wordt de terminologie van een aantal ijkbesluiten aangepast aan het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Artikelsgewijs

ARTIKEL I, onderdelen B en D

Gelet op de bewoordingen van de artikelen 2 en 4 van de verordening (EG) nr. 974/98 van de Raad van de Europese Unie van 3 mei 1998 over de invoering van de euro (PbEG L 139/1) is twijfel gerezen of de gulden na 1 januari 1999 nog wel aangemerkt kan worden als een geldrekeneenheid van het Nederlandse muntstelsel. Om mogelijke onduidelijkheden in de regelgeving weg te nemen en ook om een prijsaanduiding in zowel guldens als euro's mogelijk te maken, is het wenselijk enkele voorschriften van het Algemeen EEG-IJkbesluit aan te passen. Gekozen is nu voor het gebruik van de term «Nederlandse munteenheid», omdat deze munteenheid de nationale munteenheid, bedoeld in artikel 1 van de genoemde verordening, is.

ARTIKEL I, onderdelen C en E, ARTIKEL II, onderdeel C, ARTIKEL III, ARTIKEL IV, onderdeel E, en ARTIKEL VI

De Aanpassingswet derde tranche Awb I voorziet in een wijziging van artikel 29c van de IJkwet in verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (hoofdstuk 6, artikel 30, onderdeel H). Op 1 januari 1998 is als gevolg daarvan het eerste lid van het artikel, zoals dat tot dat tijdstip luidde, komen te vervallen. In een aantal ijkbesluiten wordt evenwel nog naar artikel 29c, tweede lid, van de IJkwet of het in artikel 29c, eerste lid, van deze wet bedoelde onderzoek verwezen. Verzuimd is deze ijkbesluiten bij gelegenheid van het besluit van 19 november 1997, houdende aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Ministerie van Economische Zaken) (Stb. 618) te wijzigen. Dit besluit voorziet alsnog in de aanpassing van de betrokken ijkbesluiten aan de Aanpassingswet derde tranche Awb I.

ARTIKEL I, onderdelen A en F, ARTIKEL II, onderdelen A en B, ARTIKEL IV, onderdelen B tot en met D, en ARTIKEL V

Deze wijzigingen houden verband met de opneming van een toetredingsbepaling in het Verdrag betreffende de Europese Unie (artikel O). Sedert de inwerkingtreding van dit verdrag worden de partijen daarbij aangeduid als lid-staten van de Europese Unie en niet langer als lid-staten van de Europese Economische Gemeenschap of de Europese Gemeenschappen. Onderdelen C en D van artikel IV strekken ertoe buiten twijfel te stellen dat met de verwijzing naar «lid-staten» in de betrokken artikelen de lid-staten van de Europese Unie worden bedoeld.

ARTIKEL IV, onderdeel A

Bij wet van 1 juli 1998 tot wijziging van de IJkwet in verband met de erkenning van ijkbevoegden (Stb. ...) is de algemeen geldende bevoegdheid van de ijkinstelling tot het verlenen van erkenning tot ijkbevoegdheid voor het uitvoeren van EG-keuringen en het aanbrengen van EG-ijkmerken of -tekens beëindigd (zie ook kamerstukken II 1997/98, 26 013, nr. 1–3). Deze wijziging was noodzakelijk, omdat het verlenen door de ijkinstelling van een ijkbevoegdheid voor het verrichten van EG-keuringen en het aanbrengen van het EG-ijkmerk of -teken in strijd is met het doel en de bewoordingen van de metrologierichtlijnen die vóór 1990 tot stand zijn gekomen. Deze richtlijnen leggen de verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van EG-keuringen en het aanbrengen van het EG-ijkmerk of -teken bij de lid-staat dan wel een daaraan gelieerd dienstorgaan of een daaraan gelieerde instelling.

Sinds enige jaren wordt bij de totstandkoming van nieuwe EG-richtlijnen echter een andere systematiek gevolgd; dit zijn de zgn. «nieuwe aanpak» richtlijnen. In deze richtlijnen wordt de mogelijkheid geopend om onafhankelijke instanties aan te wijzen voor het uitvoeren van modeltoelatingen en keuringen. Op het terrein van de metrologie is volgens dit systeem richtlijn nr. 90/384/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1990 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake niet-automatische weegwerktuigen (PbEG L 189) tot stand gekomen. Om de mogelijkheden van deze en toekomstige «nieuwe aanpak» richtlijnen optimaal te benutten, voorziet artikel 26, onderdeel c, van de IJkwet in de aanwijzing, bij algemene maatregel van bestuur, van categorieën meetmiddelen waarvoor deze ijkbevoegdheid door de ijkinstelling verleend kan worden. Dit besluit strekt ertoe de mogelijkheden van richtlijn nr. 90/384/EEG te benutten door de aanwijzing van niet-automatische weegwerktuigen als meetmiddel ten aanzien waarvan ijkbevoegdheid kan worden verleend voor het aanbrengen van het eerste EG-ijk en het uitvoeren van de daarmee samenhangende EG-keuringen. Deze aanwijzing is ook noodzakelijk om de erkenningen van ijkbevoegdheid voor deze werkzaamheden, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van bovengenoemde wijziging van de IJkwet door de ijkinstelling zijn verleend, niet aan te tasten.

De Minister van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Stb. 1989, 118, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 30 maart 1995, Stb. 243.

XNoot
2

Stb. 1978, 584, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 december 1993, Stb. 776.

XNoot
3

Stb. 1997, 630.

XNoot
4

Stb. 1993, 18, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 november 1994, Stb. 829.

XNoot
5

Stb. 1981, 605, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 december 1993, Stb. 776.

XNoot
6

Stb. 1997, 641, gewijzigd bij besluit van 27 juli 1998, Stb. 521.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven