Besluit van 27 juli 1998, houdende vaststelling van regels met betrekking tot de verwisseling, intrekking en aftekening van bankbiljetten door De Nederlandsche Bank N.V. en de aan het publiek te verstrekken informatie hieromtrent

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 24 juli 1998, BGW98/1099-M, Directie Binnenlands Geldwezen en Directie Wetgeving Juridische en Bestuurlijke Zaken;

Gelet op artikel 27, derde lid, van de Bankwet 1998;

De Raad van State gehoord (advies van 9 juli 1998, nr. W06.98.0199);

Gezien het nader rapport van de Minister van Financiën van 20 juli 1998, BGW98/1948-M, Directie Binnenlands Geldwezen en Directie Wetgeving Juridische en Bestuurlijke Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1. Bankbiljetten als bedoeld in artikel 6 van de Bankwet 1998 luidende in guldens, hierna te noemen bankbiljetten, zijn dagelijks op vertoon verwisselbaar bij de kantoren van De Nederlandsche Bank N.V., hierna te noemen de Bank, met uitzondering van de zaterdag, de zondag, de Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, de Christelijke tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag en de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd.

  • 2. Bij koninklijk besluit kunnen bepaalde andere dagen worden aangewezen als dagen, waarop de kantoren van de Bank niet zullen worden opengesteld voor het verwisselen van bankbiljetten. Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 2

  • 1. De vorm en de coupure-grootte van de uit te geven bankbiljetten worden door de Bank bepaald en ter kennis van het publiek gebracht.

  • 2. Bankbiljetten die wegens slijtage of andere reden zijn afgekeurd voor circulatie en ten blijke daarvan zijn voorzien van een op het verzoek van de Bank in de Staatscourant bekend gemaakt merkteken, zijn waardeloos.

Artikel 3

Wegens verlies of gehele of gedeeltelijke vernietiging van bankbiljetten behoeft door de Bank geen vergoeding te worden verleend.

Artikel 4

  • 1. De Bank kan, na daartoe bij koninklijk besluit te zijn gemachtigd, houders van de door haar uitgegeven bankbiljetten oproepen om deze ter verwisseling aan te bieden.

  • 2. Bij koninklijk besluit wordt, bij het verlenen van die machtiging, de termijn vastgesteld binnen welke de aanbieding moet geschieden.

  • 3. De oproeping wordt tenminste eenmaal geplaatst in de Staatscourant.

  • 4. Na de in het tweede lid bedoelde termijn worden de in de oproeping vermelde bankbiljetten door de Bank verwisseld, nadat bij onderzoek is gebleken, dat aan de aanvraag tot verwisseling redelijkerwijs gevolg behoort te worden gegeven.

  • 5. Tien jaar na meergenoemde termijn wordt het bedrag van de opgeroepen maar niet opgekomen bankbiljetten aan de winst van het lopende boekjaar toegevoegd. De daarna nog opkomende bankbiljetten worden, in de gevallen in het slot van het vorige lid bedoeld, verwisseld ten laste van de winst- en verliesrekening.

  • 6. Na verloop van dertig jaar sedert het einde van de in het tweede lid genoemde termijn, is het recht om verwisseling van de opgeroepen bankbiljetten te vorderen vervallen.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de datum van inwerkingtreding van de Bankwet 1998.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat in de Staatscourant zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 27 juli 1998

Beatrix

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Uitgegeven de zevenentwintigste augustus 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Naast de aanpassingen die in de Bankwet 1998 zijn doorgevoerd om het in de Bankwet 1948 vastgelegde statuut van De Nederlandsche Bank N.V. (hierna: de Bank) overeenkomstig artikel 108 van het EG-Verdrag aan te passen, is tevens van de gelegenheid gebruik gemaakt om de Bankwet 1948 op onderdelen te herzien en te moderniseren.

In de Bankwet 1948 waren vier bepalingen opgenomen omtrent de omwisseling, aftekening en oproeping van bankbiljetten. Krachtens de Bankwet 1998 worden dit soort bepalingen op grond van artikel 27, derde lid, bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Voor deze methodiek is gekozen omdat deze verwisselings-, aftekenings-, en oproepingsregels niet noodzakelijkerwijs in de wet vastgelegd dienen te worden en omdat flexibiliteit bij operationele processen gewenst is.

In deze algemene maatregel van bestuur wordt de regeling van de artikelen 11, 12, 13 en 14 van de Bankwet 1948 feitelijk neergelegd. Slechts daar waar bepalingen overbodig geworden of verouderd zijn, wordt tevens een inhoudelijke wijziging voorzien.

De onderhavige algemene maatregel van bestuur heeft voornamelijk betrekking op bankbiljetten luidende in guldens. Onder verwijzing naar artikel 27, vierde lid, van de Bankwet 1998 zullen een aantal artikelen dan ook uiterlijk zes maanden na afloop van de overgangsperiode komen te vervallen.

Artikelsgewijze toelichting:

Artikel 1

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 11 van de Bankwet 1948. Slechts op ondergeschikte onderdelen is de tekst gemoderniseerd.

Artikel 2

Het eerste lid van dit artikel is gelijkluidend aan artikel 12, eerste lid, van de Bankwet 1948. Het tweede lid van dit artikel is gelijkluidend aan artikel 12, derde lid, van de Bankwet 1948. Slechts op ondergeschikte onderdelen is de tekst gemoderniseerd.

Het tweede lid van het oude artikel 12 van de Bankwet 1948 werd niet overgenomen omdat deze, mede gelet op de komst van de euro, niet meer noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 3

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 13, eerste lid, van de Bankwet 1948. Het tweede lid van artikel 13 van de Bankwet 1948 heeft geen praktische betekenis meer, waardoor de bepaling niet meer zinvol wordt geacht. Het derde lid van artikel 13 is voor wat betreft de bepalingen van de artikelen 229i–229k van het Wetboek van Koophandel opgenomen in artikel 27, tweede lid, van de Bankwet 1998.

Artikel 4

Dit artikel is gelijkluidend aan artikel 14 van de Bankwet 1948. Slechts op ondergeschikte onderdelen is de tekst gemoderniseerd.

Artikel 5

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat de inwerkingtreding samen valt met de inwerkingtreding van de Bankwet 1998, waardoor er geen lacune valt in de regels voor de Bank met betrekking tot de verwisseling en intrekking en aftekening als gevolg van de inwerkingtreding van de Bankwet 1998.

De Minister van Financiën,

G. Zalm


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de wet op de Raad van State).

Naar boven