Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van DefensieStaatsblad 1998, 509AMvB

Besluit van 25 juni 1998, houdende wijziging van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie in verband met het overeenstemmingsvereiste

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 14 april 1998, nr. P/98002442;

Gelet op artikel 12, onder r, van de Militaire Ambtenarenwet 1931 en artikel 125, eerste lid, onder o, van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 8 mei 1998, no. W07.98.0145);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 18 juni 1998, nr. P/98004503;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie1 wordt als volgt gewijzigd.

A. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c vervalt: «of degene die krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is bij het ministerie».

2. De onderdelen d, e en j vervallen.

3. In onderdeel f wordt «militairen» vervangen door: militaire ambtenaren.

4. De onderdelen f tot en met i worden geletterd d tot en met g.

B. In artikel 2 wordt «militairen» vervangen door: militaire ambtenaren.

C. Artikel 3 komt te luiden:

  • 1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, betreffende de militaire ambtenaren en de ambtenaren wordt indien zij betrekking hebben op de militaire ambtenaren bij de gehele krijgsmacht of op de ambtenaren bij het ministerie, niet beslist alvorens daarover door of namens Onze Minister overleg is gevoerd met de sectorcommissie.

  • 2. Onze Minister is bevoegd in afwijking van het eerste lid, de sectorcommissie gehoord, te beslissen dat bepaalde aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de militaire ambtenaren of van de ambtenaren alsmede bepaalde algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, geen onderwerp van overleg zullen uitmaken.

  • 3. Een voorstel, voor zover het strekt tot het regelen van rechten of verplichtingen van individuele militaire ambtenaren of individuele ambtenaren, wordt slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de sectorcommissie. Het standpunt van de sectorcommissie wordt bepaald bij meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de sectorcommissie staken, beslist de voorzitter van het overleg met de sectorcommissie of het voorstel ten uitvoer wordt gebracht.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op een voorstel strekkende tot:

    a. het invoeren of wijzigen van een regeling bij of krachtens de wet, voor zover die betrekking heeft op de inrichting van de krijgsmacht, het verzekeren van de beschikbaarheid, de inzetbaarheid, de personele vulling of het ongestoorde functioneren van de krijgsmacht;

    b. het invoeren of wijzigen van een wettelijke regeling die betrekking heeft op alle burgers of alle werknemers, waaronder begrepen militaire ambtenaren en ambtenaren;

    c. het invoeren of wijzigen van een wettelijke regeling voor militaire ambtenaren of voor ambtenaren met een overeenkomstige inhoud als een voorstel tot het invoeren of wijzigen van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn;

    d. het van toepassing verklaren op militaire ambtenaren of ambtenaren van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn en tot met die van toepassing verklaring samenhangende wijzigingen in voor militaire ambtenaren of ambtenaren geldende regelingen, een en ander mits het totaal van rechten en verplichtingen van de militaire ambtenaren of de ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt;

    e. de implementatie van verplichtingen voortvloeiend uit een verdrag of uit een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;

  • 5. Indien in het overleg een geschil ontstaat over de vraag of bij een voorstel als bedoeld in het vierde lid onder d, voldaan wordt aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van militaire ambtenaren of ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan arbitrage door de advies- en arbitragecommissie, bedoeld in artikel 18.

D. In artikel 4, tweede lid, wordt «militairen» vervangen door: militaire ambtenaren.

E. Artikel 5 vervalt.

F. In artikel 6, tweede lid, wordt «militair» vervangen door: militair ambtenaar.

G. In artikel 8, eerste en tweede lid, in artikel 11, tweede lid, en in artikel 14 wordt «militairen» telkens vervangen door: militaire ambtenaren.

H. Artikel 27 komt te luiden:

  • 1. Onze Minister kan in overleg met de sectorcommissie bijzondere commissies instellen voor het georganiseerd overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van militaire ambtenaren en van ambtenaren voor een deel van de krijgsmacht en van ambtenaren werkzaam bij een deel van het ministerie. In ieder geval stelt Onze Minister bijzondere commissies in voor militaire ambtenaren en ambtenaren bij de Koninklijke marine, de Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht en voor ambtenaren bij de centrale organisatie en het Defensie Interservice Commando.

  • 2. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, van hetzij de militaire ambtenaren, hetzij de ambtenaren, wordt, indien zij louter betrekking hebben op militaire ambtenaren of ambtenaren waarvoor een bijzondere commissie is ingesteld, niet beslist alvorens daarover namens Onze Minister overleg is gevoerd met de desbetreffende bijzondere commissie.

  • 3. Op het overleg met een bijzondere commissie is het tweede lid van artikel 3 van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Een voorstel, voor zover het strekt tot het regelen van rechten of verplichtingen van individuele militaire ambtenaren of individuele ambtenaren en voor zover het een uitwerking betreft van een voorstel dat in het in artikel 2 bedoelde overleg is overeengekomen, wordt slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de bijzondere commissie. Het standpunt van de bijzondere commissie wordt bepaald bij meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de bijzondere commissie staken, beslist de voorzitter van het overleg met de bijzondere commissie of het voorstel ten uitvoer wordt gebracht.

F. Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor het eerste lid vervalt de aanduiding «1.».

2. Het tweede lid vervalt.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 25 juni 1998

Beatrix

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling

Uitgegeven de twintigste augustus 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

I. Inleiding

De voorliggende wijziging van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie strekt er toe nadere invulling te geven aan het in artikel 12, onder r, van de Miltaire Ambtenarenwet 1931 en artikel 125, eerste lid, onder o, van de Ambtenarenwet, opgenomen overeenstemmingsvereiste. In deze artikelen is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften worden vastgesteld betreffende de wijze waarop met de daarvoor in aanmerking komende vakorganisaties van overheidspersoneel overleg wordt gepleegd over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de militaire ambtenaren en ambtenaren en de gevallen waarin overeenstemming in dat overleg dient te worden bereikt.

Voorts wordt het Besluit geactualiseerd in verband met de overgang naar een vrijwilligerskrijgsmacht en de oprichting van het Defensie Interservice Commando.

II. Het overeenstemmingsvereiste

Door het overeenstemmingsvereiste op te nemen in het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie wordt de werkwijze geformaliseerd die in de praktijk al van kracht was sinds de proefneming met een nieuw stelsel voor het arbeidsvoorwaardenoverleg in 1989 en 1990. Voor de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen in 1991 en in 1992 werd een ten opzichte van de voorgaande jaren op enkele punten bijgesteld «protocol voor het arbeidsvoorwaardenoverleg» met de centrale commissie georganiseerd overleg militairen (CCGOM) overeengekomen. Steeds maakte het overeenstemmingsvereiste deel uit van het protocol. Dat geldt ook voor het overlegprotocol dat vanaf de invoering van het sectorenmodel (op 1 april 1993) van kracht was, en voor de Overeenkomst Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid die dit protocol op 10 juli 1996 heeft vervangen. In 1995 heeft het overeenstemmingsvereiste een wettelijke basis gekregen in de Militaire Ambtenarenwet 1931 en in de Ambtenarenwet, terwijl in 1996 een evaluatie van het sectorenmodel heeft plaatsgevonden. De evaluatie van het sectorenmodel, waarin ook het overeenstemmingsvereiste is betrokken heeft niet geleid tot een wijziging van het overeenstemmingsvereiste. Het overeenstemmingsvereiste wordt daarom nu opgenomen in het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie.

De onderhavige wijzigingen van het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie passen in het streven van de regering de invloed van de organisaties van overheidspersoneel meer in overeenstemming te brengen met de positie van vakorganisaties in de marktsector. Het overeenstemmingsvereiste betreft een nadere uitwerking van de wijze waarop met de tot het overleg toegelaten centrales en verenigingen overlegd moet worden over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van militairen en burgerpersoneel, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelbeleid zal worden gevoerd. Het overeenstemmingsvereiste geldt, met andere woorden, slechts voor die aangelegenheden waarover overleg moet worden gevoerd en beoogt dus niet de overlegonderwerpen uit te breiden. Daarom is aangesloten bij de bepalingen die de onderwerpen van overleg afbakenen (artikel 3 en artikel 27 van het Besluit).

Het overeenstemmingsvereiste geldt alleen voor zover het voorstel rechten of plichten van individuele (militaire) ambtenaren in dienst bij het Ministerie van Defensie regelt. Overeenstemming moet worden bereikt over dat deel van het voorstel dat betrekking heeft op een aanspraak of een verplichting. Voorkomen wordt daardoor, dat het overeenstemmingsvereiste óók van toepassing zou zijn op onderdelen van hetzelfde voorstel, die niet beogen een recht of een verplichting vast te leggen. Uiteraard kunnen die onderdelen wel onderwerp van overleg zijn. Indien een dergelijk voorstel aan de orde komt in het overleg met een bijzondere commissie, geldt het overeenstemmingsvereiste slechts indien het een onderwerp betreft dat een uitwerking is van een in het sectoroverleg overeengekomen voorstel. Dat wil zeggen, een voorstel waarop het overeenstemmingsvereiste op grond van art. 3, derde lid e.v. van toepassing is en waarover in het sectoroverleg over de hoofdlijnen overeenstemming is bereikt.

Voor andere aangelegenheden die in het overleg met een bijzondere commissie aan de orde komen geldt het overeenstemmingsvereiste dus niet.

Voor het sectoroverleg Defensie is bepaald dat het overeenstemmingsvereiste niet voor alle voorstellen geldt die in het overleg worden gebracht. Aan de uitzonderingen ligt de gedachte ten grondslag, dat het vereiste alleen mag gelden voor die zaken die ook in de marktsector gebruikelijk in de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers worden geregeld. In het sectoroverleg Defensie, vooral waar het functioneert als de «rechtsopvolger» van de centrale commissie georganiseerd overleg militairen (CCGOM), komen echter ook andere zaken dan het overleg over de arbeidsvoorwaarden aan de orde. Het betreft dan aangelegenheden waaromtrent ten aanzien van de burgerambtenaren de Minister van Binnenlandse Zaken overlegt met de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid of zich door deze raad laat adviseren op grond van de Regeling van het overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid of de Overeenkomst Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid. Een en ander voorzover niet met toepassing van het tweede lid van artikel 3 is besloten dat de aangelegenheid geen onderwerp van overleg met de sectorcommissie zal uitmaken. Het toepassen van het overeenstemmingsvereiste op die kwesties die niet tot de arbeidvoorwaarden behoren, zou betekenen dat de organisaties van overheidspersoneel een grotere invloed zou worden gegeven dan de vakorganisaties in de marktsector hebben.

De uitzonderingen betreffen zaken waarbij bredere belangen een rol spelen dan die van het militaire en het burgerlijk defensiepersoneel.

In de eerste plaats zijn tegen die achtergrond zaken die het functioneren van de krijgsmacht raken van het overeenstemmingsvereiste uitgezonderd. Voor zover daarbij de belangen van het personeel in het geding zijn is het echter niet uitgesloten (of zelfs verplicht) dat daarover met de organisaties van overheidspersoneel overleg moet worden gevoerd, zoals bijvoorbeeld beperkingen in de sfeer van de medezeggenschap of de arbeidstijden. Op een gedeelte van een voorstel dat rechten of verplichtingen van individuele personeelsleden regelt maar in een ander deel tevens de positie van de krijgsmacht zeker stelt, is het overeenstemmingsvereiste van toepassing op dat deel van het voorstel dat geen betrekking heeft op het waarborgen van de specifieke positie van de krijgsmacht.

In de tweede plaats is bepaald dat het overeenstemmingsvereiste niet geldt voor een voorstel strekkende tot invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking heeft op alle burgers of alle werknemers. Het gaat hier om invoering van een wettelijke regeling voor alle burgers, voor de gehele werkende bevolking of om een wijziging van een dergelijke wettelijke regeling. Over dergelijke voorstellen wordt (soms) wel overleg gevoerd, maar het overeenstemmingsvereiste behoort in dat geval niet te gelden.

In de derde plaats geldt het overeenstemmingsvereiste niet voor een voorstel tot invoering of wijziging van een wettelijke regeling voor (militaire) ambtenaren met een overeenkomstige inhoud als een voorstel tot invoering of wijziging van een wettelijke regeling voor werknemers in de marktsector.

In het verlengde daarvan is bepaald dat het overeenstemmingsvereiste ook niet geldt voor een voorstel met betrekking tot het van toepassing verklaren op militaire of burgerlijke ambtenaren van een reeds eerder voor de werknemers in de marktsector vastgestelde wettelijke regeling en op de daarmee samenhangende wijzigingen in voor militairen en burgerpersoneel geldende regelingen, een en ander mits het totaal aan rechten en plichten met betrekking tot het in de desbetreffende wettelijke regeling geregelde onderwerp, over het geheel beoordeeld, niet ongunstiger wordt. Het argument dat aan organisaties van overheidspersoneel geen grotere invloed mag worden toegekend dan de in de marktsector gebruikelijke invloed geldt immers niet, wanneer een dergelijk voorstel gepaard gaat met een materiNle wijziging van het totaal van rechten en plichten met betrekking tot het desbetreffende onderwerp. In dat geval spelen de belangen van de militaire ambtenaren respectievelijk de burgerambtenaren veel sterker en zal het overeenstemmingsvereiste wél gelden.

Met de formulering «mits het totaal van de rechten en plichten over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt», wordt aangegeven dat op onderdelen wel verschillen kunnen ontstaan, maar dat in de afweging van de verschillen zal moeten worden geconcludeerd dat het geheel per saldo niet verslechtert. De vraag of aan die voorwaarde wordt voldaan, dient door de overlegpartners gezamenlijk beantwoord te worden. Indien zij daarover geen overeenstemming kunnen bereiken, dient dat verschil van opvatting op de gebruikelijke wijze ter arbitrage te worden voorgelegd aan de advies- en arbitragecommissie bedoeld in artikel 18 van het Besluit. Voor de goede orde zij vermeld dat de verplichting tot arbitrage alleen geldt voor de vraag of aan de voorwaarde is voldaan. Indien niet aan de voorwaarde is voldaan, gelden voor het overleg over het voorstel de gebruikelijke regels.

Ten slotte is bepaald dat het overeenstemmingsvereiste niet van toepassing is op een voorstel strekkende tot implementatie van verplichtingen voortvloeiend uit een verdrag of uit een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Te denken valt hierbij aan de implementatie van EG-richtlijnen. Tijdige en juiste implementatie kan en mag niet afhankelijk zijn van het bereiken van overeenstemming met de centrales van overheidspersoneel.

III. Overeenstemming

Overeenstemming bestaat indien de voorzitter van het overleg en de desbetreffende commissie (sectorcommissie of bijzondere commissie) zulks bepalen. Het standpunt van de commissie wordt bepaald door een eenvoudige meerderheid van de toegelaten centrales. Elke centrale brengt één stem uit. De voorzitter van het overleg (voor het overleg met de sectorcommissie is dat de Minister/Staatssecretaris van Defensie, voor de bijzondere commissies: degene die namens de Minister/Staatssecretaris het overleg met die commissie voert; zie art. 7 resp. art. 29 van het besluit) dient, indien de stemmen binnen de commissie staken, van geval tot geval te beoordelen of er voldoende draagvlak is voor invoering van de voorstellen. Bij die afweging zullen de aard van het voorstel en de aard van de bezwaren een rol spelen, in relatie tot de representativiteit van de centrale(s).

IV. Overgang naar een vrijwilligerskrijgsmacht

Bij de inwerkingtreding van de Kaderwet dienstplicht zijn de Wet rechtstoestand dienstplichtigen en de Dienstplichtwet ingetrokken. Daarmee is ook ingetrokken artikel 2, onder m, van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen, waarop het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie mede was gebaseerd. De Kaderwet dienstplicht voorziet in de mogelijkheid om – wanneer de opschorting van de opkomstplicht ongedaan wordt gemaakt – voor dienstplichtigen in werkelijke dienst alsdan bij algemene maatregel van bestuur regels te geven betreffende de wijze waarop het overleg wordt gevoerd over de rechtstoestand van dienstplichtigen. Uit het Besluit georganiseerd overleg sector Defensie zijn alle verwijzigingen naar de dienstplichtigen verwijderd.

V. Instelling bijzondere commissies

Op 1 april 1996 is het Defensie Interservice Commando opgericht. Hiermee is de behoefte ontstaan aan een bijzondere commissie voor het georganiseerd overleg over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het burgerpersoneel werkzaam bij het Defensie Interservice Commando. Waar voorheen de bijzondere commissies limitatief waren opgesomd in artikel 27 van het besluit, is nu bepaald dat de minister in overleg met de sectorcommissie bijzondere commissies in kan stellen voor het georganiseerd overleg over aangelegenheden van belang voor militaire ambtenaren en burgerambtenaren werkzaam bij een deel van de krijgsmacht en voor burgerambtenaren werkzaam bij een deel van het ministerie. Hiermee wordt de mogelijkheid gecreëerd om flexibel in te spelen op wijzigingen in de organisatie. Het is niet de bedoeling om nu – behalve het instellen van een bijzondere commissie voor het Defensie Interservice Commando wijziging te brengen in de bestaande bijzondere commissies. Artikel 27, eerste lid, laat ook de mogelijkheid open om, evenals nu het geval is, voor een deel van de krijgsmacht zowel een bijzondere commissie voor het burgerpersoneel als voor het militaire personeel in te stellen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1, onderdeel A

De definitie van ambtenaar is gewijzigd in verband met de intrekking van het Arbeidsovereenkomstenbesluit.

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling


XNoot
1

Stb. 1993, 353, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 juni 1997, Stb. 339.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.