Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van JustitieStaatsblad 1998, 495Beschikking

Beschikking van de Minister van Justitie van 4 augustus 1998, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet op het primair onderwijs, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1998

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel VII, eerste lid, van de wet van 2 april 1998, Stb. 228;

Besluit:

de tekst van de Wet op het primair onderwijs, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1998, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.

's-Gravenhage, 4 augustus 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Uitgegeven de elfde augustus 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

TEKST VAN DE WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS, ZOALS DEZE LUIDT MET INGANG VAN 1 AUGUSTUS 1998

INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK I. BASISONDERWIJS 
   
TITEL I.ALGEMENE BEPALINGEN8
   
Artikel 1.Begripsbepalingen8
Artikel 2.Doelgroep9
Artikel 3.Bevoegdheid schoolonderwijs9
Artikel 4.Kosten van leerlingenvervoer10
Artikel 5.Inspectie12
Artikel 6.Uitgaven uit de openbare kas12
Artikel 7.Reikwijdte wet12
   
TITEL II.OPENBAAR EN UIT DE OPENBARE KASSEN BEKOSTIGD BIJZONDER ONDERWIJS12
   
Afdeling 1.Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs12
   
§ 1.Onderwijs12
Artikel 8.Uitgangspunten en doelstelling onderwijs12
Artikel 9.Inhoud onderwijs13
Artikel 10. Kwaliteit onderwijs14
Artikel 11. Rapportage vorderingen van leerlingen14
Artikel 12.Schoolplan14
Artikel 13.Schoolgids15
Artikel 14.Klachtenregeling15
Artikel 15.Meetellen tijd op andere school of school of instelling voor s.o. of v.s.o.; vaststellen zomervakantie16
Artikel 16.Vaststelling schoolwerkplan en activiteitenplan16
Artikel 17.Bestuurlijke fusie openbare en bijzondere scholen16
   
§ 2.Zorgstructuur17
Artikel 18.Samenwerkingsverbanden17
Artikel 19.Zorgplan18
Artikel 20.Reglement samenwerkingsverband19
Artikel 21.Centrale dienst van samenwerkingsverband19
Artikel 22.Geschillencommissie samenwerkingsverbanden19
Artikel 23. Permanente commissie leerlingenzorg20
Artikel 24.Regionale verwijzingscommissies21
Artikel 25.Regionale verwijzingscommissies verbonden aan schoolbegeleidingsdienst22
Artikel 26.Instelling regionale verwijzingscommissies22
Artikel 27.Bekostiging regionale verwijzingscommissies22
Artikel 28.Nadere voorschriften regionale verwijzingscommissies22
   
§ 3.Personeel22
Artikel 29.Directie, leraren en ondersteunend personeel22
Artikel 30.Document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding23
Artikel 31.Vaststelling directiestatuut23
Artikel 32.Benoemingsvereisten personeel24
Artikel 33.Benoeming, schorsing en ontslag24
Artikel 34.Benoeming in algemene dienst24
Artikel 35.Uitkeringen aan het personeel24
Artikel 36.Verplichting tot bieden van stagemogelijkheden25
Artikel 37.Decentraal georganiseerd overleg25
Artikel 38.Geschillencommissie georganiseerd overleg bij scholen26
   
§ 4.Leerlingen27
Artikel 39.Toelatingsleeftijd; duur onderwijs27
Artikel 40.Toelating en verwijdering van leerlingen27
Artikel 41.Verplichte deelname leerlingen aan het onderwijs28
Artikel 42.Onderwijskundig rapport28
Artikel 43.Onderwijskundig rapport ten behoeve van een permanente commissie leerlingenzorg28
   
§ 5.Ouders29
Artikel 44.Ondersteunende werkzaamheden ouders29
Artikel 45.Overblijfmogelijkheid29
   
Afdeling 2.Overige regelen voor het openbaar onderwijs29
Artikel 46. Karakter openbaar onderwijs29
Artikel 47.Instandhouding openbare school door een openbare rechtspersoon29
Artikel 48.Instandhouding openbare school door een stichting30
Artikel 49.Bestuursoverdracht openbare scholen31
Artikel 50.Mogelijkheid godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs32
Artikel 51.Leraren godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs32
Artikel 52.Aanstelling, schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen personeel32
Artikel 53.Akte van aanstelling32
Artikel 54.Horen directeur bij aanstelling personeel33
   
Afdeling 3.Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs33
Artikel 55. Instandhouding bijzondere school door rechtspersoon33
Artikel 56.Bestuursoverdracht33
Artikel 57.Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs33
Artikel 58.Geen weigering toelating op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing34
Artikel 59.Akte van benoeming34
Artikel 60.Beroepsrecht personeel34
Artikel 61.Beroepstermijn35
Artikel 62.Commissie van beroep personeel35
Artikel 63.Besluiten bijzonder onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure35
   
TITEL III.OVERIGE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT HET UIT DE OPENBARE KASSEN BEKOSTIGD ONDERWIJS36
Artikel 64.Georganiseerd overleg36
Artikel 65.Schoolwijken36
Artikel 66.Overlegorgaan b.o. – s.o.36
Artikel 67.Overlegorgaan b.o. – aansluitend v.o.36
Artikel 68.Centrale dienst36
   
TITEL IV.BEKOSTIGING37
   
Afdeling 1.Algemeen37
Artikel 69.Grondslag bekostiging37
Artikel 70.Aanvullende middelen38
Artikel 71.Beroep38
Artikel 72. Instandhouding openbare scholen door een stichting of een openbare rechtspersoon38
   
Afdeling 2.Aanvang van de bekostiging39
   
§ 1.Basisscholen39
Artikel 73.Begripsbepaling39
Artikel 74.Plan van nieuwe scholen39
Artikel 75.Plaatsing openbare school op plan39
Artikel 76.Verzoek om opneming in plan van bijzondere school40
Artikel 77.Opneming bijzondere school in plan40
Artikel 78.Berekening aantal leerlingen41
Artikel 79.Goedkeuring plan door minister41
Artikel 80.Beroep bij weigering opneming school in plan42
Artikel 81.Bekostiging van op het plan voorkomende scholen43
Artikel 82.Scholen uit voorgaand plan43
Artikel 83.Achterwege blijven vaststelling plan43
Artikel 84. Omzetting; uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs; verplaatsing44
Artikel 85.Bekostiging nevenvestiging44
   
§ 2.Speciale scholen voor basisonderwijs45
Artikel 86.Begripsbepaling45
Artikel 87. Beslissing minister tot bekostiging45
Artikel 88.Omzetting; wijziging van richting; uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs; verplaatsing45
Artikel 89.Bekostiging nevenvestiging46
   
§ 3.Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 247
Artikel 90.Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 247
   
Afdeling 3.Voorziening in de huisvesting47
Artikel 91.Voorziening in huisvesting door de gemeenteraad47
Artikel 92.Voorzieningen in de huisvesting47
Artikel 93.Vaststelling door gemeenteraad van bedrag voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting48
Artikel 94.Indiening aanvraag48
Artikel 95.Programma huisvestingsvoorzieningen48
Artikel 96.Overzicht49
Artikel 97.Geen vaststelling van programma en overzicht49
Artikel 98.Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter49
Artikel 99.Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op vergoeding50
Artikel 100.Weigeringsgronden50
Artikel 101.Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden50
Artikel 102.Gemeentelijke regeling50
Artikel 103.Bouwheerschap51
Artikel 104.Goedkeuring eigen bouwplannen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school51
Artikel 105.Totstandbrenging voorziening voor een niet door de gemeente in stand gehouden school52
Artikel 106.Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring52
Artikel 107. Vorderingsrecht52
Artikel 108. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein52
Artikel 109. Voorziening niet ten laste van de gemeente53
Artikel 110. Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door de gemeente in stand gehouden school53
Artikel 111. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van een niet door de gemeente in stand gehouden school54
Artikel 112. Informatieverstrekking aan gemeente54
   
Afdeling 4.Materiële instandhouding54
Artikel 113.Vaststelling programma's van eisen54
Artikel 114. Onderverdeling programma's van eisen56
Artikel 115.Extra vergoeding materiële instandhouding56
Artikel 116. Hoger stellen van vergoedingsbedragen56
Artikel 117.Grondslag vergoeding voor materiële instandhouding lichamelijke oefening56
Artikel 118. Overdracht vergoeding materiële instandhouding bij deelname boven 2%57
Artikel 119. Materiële instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag57
   
Afdeling 5.Formatie personeel; vergoeding kosten vervanging van personeel; vergoeding voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening58
Artikel 120.Grondslag formatie personeel basisscholen58
Artikel 121. Grondslag berekening aantal leerlingen58
Artikel 122. Grondslag formatie personeel speciale scholen voor basisonderwijs59
Artikel 123.Formatiebudget; formatierekeneenheden59
Artikel 124. Overdracht van formatierekeneenheden aan speciale scholen voor basisonderwijs60
Artikel 125.Overdracht van formatierekeneenheden bij overgang leerling naar ander samenwerkingsverband61
Artikel 126.Grondslag vergoeding kosten van vervanging van personeel en van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid62
Artikel 127.Grondslag vergoeding voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening62
Artikel 128. Wijziging besteding vergoeding voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening62
   
Afdeling 6.Nascholing personeel62
Artikel 129.Grondslag vergoeding nascholing62
Artikel 130. Vergoeding door Rijk van uitgaven voor nascholing62
Artikel 131.Besteding vergoeding voor nascholing63
   
Afdeling 7.Gezamenlijke zorgformatie basisscholen63
Artikel 132.Gezamenlijke zorgformatie basisscholen63
   
Afdeling 8.Wijze van bekostiging64
   
§ 1.Huisvesting64
Artikel 133. Vergoeding voor belastingen ter zake van onroerende zaken64
   
§ 2.Materiële instandhouding64
Artikel 134.Vergoeding door Rijk aan bevoegd gezag en gemeente64
Artikel 135.Verhoging vergoeding bij bijzondere omstandigheden65
Artikel 136.Vergoeding door gemeente aan bevoegd gezag66
   
§ 3.Personeel66
Artikel 137.Vergoeding door Rijk van uitgaven voor personeel66
Artikel 138.Aftrekposten vergoeding67
Artikel 139.Aftrekpost vergoeding i.v.m. eigen wachtgelder68
   
§ 4.Gemeentelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen68
Artikel 140. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken68
Artikel 141. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf openbare scholen in stand houdt69
   
§ 5.Overschrijdingsregeling70
Artikel 142.Overschrijdingsbedrag; voorwaarde personeel buiten overschrijding70
Artikel 143.Voorschot overschrijding70
Artikel 144.Vaststelling overschrijdingsbedrag, uitgedrukt in percentage71
Artikel 145.Vaststelling overschrijdingsbedrag voor een niet door de gemeente in stand gehouden school73
Artikel 146.Uitkering overschrijdingsbedrag aan een niet door de gemeente in stand gehouden school73
Artikel 147.Mededeling en beroep73
   
§ 6.Bestedingsmogelijkheden74
Artikel 148.Besteding vergoeding74
Artikel 149.Besteding vergoeding voor personeel74
Artikel 150.Besteding gemeentelijke vergoeding74
   
Afdeling 9.Beëindiging van de bekostiging74
   
§ 1.Basisscholen74
Artikel 151.Begripsbepaling74
Artikel 152.Grondslag berekening aantal leerlingen74
Artikel 153.Einde bekostiging bijzondere school en opheffing openbare school74
Artikel 154.Opheffingsnorm75
Artikel 155.Splitsing van de gemeente76
Artikel 156.Opheffingsnormen bij wijziging van de gemeentelijke indeling en bij grenscorrecties77
Artikel 157.Gemiddelde schoolgrootte; samenwerkingsovereenkomst77
Artikel 158.Beëindiging bekostiging of opheffing nevenvestiging79
Artikel 159.Vermindering aantal openbare scholen en nevenvestigingen80
Artikel 160.Mededelingen over beëindiging bekostiging school en opheffing school80
Artikel 161.Opgave aantal leerlingen81
   
§ 2.Speciale scholen voor basisonderwijs81
Artikel 162.Vermindering aantal openbare speciale scholen voor basisonderwijs en nevenvestigingen daarvan81
   
§ 3.Overige bepalingen81
Artikel 163.Overdracht gebouwen, terreinen en roerende zaken81
Artikel 164.Inhouding vergoeding82
   
Afdeling 10.Gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid82
Artikel 165.Landelijk beleidskader82
Artikel 166.Onderwijsachterstandenplan83
Artikel 167.Voorschoolse activiteiten84
Artikel 168.Gemeentelijke middelen85
Artikel 169.Rekening en verantwoording gemeente85
Artikel 170.Inlichtingenplicht en inhouding middelen85
   
Afdeling 11.Onderwijs in allochtone levende talen86
Artikel 171.Plan inzake onderwijs in allochtone levende talen86
Artikel 172.Onderwijs in allochtone levende talen88
Artikel 173.Gemeentelijke middelen88
Artikel 174.Rekening en verantwoording gemeente88
Artikel 175.Inlichtingenplicht en inhouding middelen89
Artikel 176.Deugdelijkheidsaspecten van en toezicht op onderwijs in allochtone levende talen door rechtspersonen als bedoeld in artikel 171, vierde lid89
   
Afdeling 12.Overige bepalingen90
Artikel 177.Vermindering vergoeding i.v.m. schuld of nalatigheid90
Artikel 178.Inlichtingenplicht bevoegd gezag90
Artikel 179.Schoolbegeleiding90
Artikel 180.Subsidiëring landelijke diensten naar richting91
Artikel 181.Schadevergoeding bij termijnoverschrijding92
Artikel 182.Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften92
Artikel 183.Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging en onvrijwillige taakvermindering92
Artikel 184.Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid93
   
HOOFDSTUK II. ANDERE VORMEN VAN BASISONDERWIJS94
Artikel 185.Scholen voor kinderen trekkende bevolking94
   
HOOFDSTUK III. SLOTBEPALINGEN94
Artikel 186.Bewijzen van bekwaamheid94
Artikel 187.Ministeriële bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 18395
Artikel 188.Ministeriële bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184; evaluatie96
Artikel 189.Citeertitel96

HOOFDSTUK I. BASISONDERWIJS

TITEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

Onze minister:

Onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

inspectie of inspecteur:

de inspectie bedoeld in artikel 5, voor zover belast met taken op het gebied van het basisonderwijs;

school:

een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;

basisschool:

een school waar basisonderwijs wordt gegeven, niet zijnde een speciale school voor basisonderwijs;

speciale school voor basisonderwijs:

een school waar basisonderwijs wordt gegeven aan kinderen voor wie vaststaat dat overwegend een zodanige orthopedagogische en orthodidactische benadering aangewezen is, dat zij althans gedurende enige tijd op een speciale school voor basisonderwijs moeten worden opgevangen;

school voor speciaal onderwijs:

een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:

een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

school voor voortgezet speciaal onderwijs:

een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs;

instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs:

een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8, eerste lid tweede volzin, van de Wet op de expertisecentra;

school voor voortgezet onderwijs:

een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs;

openbare school:

a. een door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid in stand gehouden school;

b. een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47 in stand gehouden school; dan wel

c. een door een stichting als bedoeld in artikel 17 of artikel 48 in stand gehouden school;

bijzondere school:

door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;

openbare rechtspersoon:

een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 47;

nevenvestiging:

deel van een school, dat op de plaats waar het onderwijs wordt gegeven voordat het een deel van de school werd als zelfstandige school functioneerde;

bevoegd gezag van volgens deze wet bekostigde scholen: voor wat betreft

a. een openbare school:

1°. het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regelen;

2°. het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;

3°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 47; dan wel

4°. de stichting, bedoeld in artikel 17 of artikel 48;

b. een bijzondere school: de rechtspersoon bedoeld in artikel 55;

ouders:

ouders of voogden;

schooljaar:

het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;

samenwerkingsverband:

een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18, tenzij het tegendeel blijkt;

personeel:

de directeur, het personeel benoemd in een functie voor het geven van onderwijs en het personeel benoemd in een andere functie dan het geven van onderwijs, tenzij de wet anders bepaalt;

nascholing:

een vorm van scholing, gegeven aan leden van het personeel om hun kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen direct verband houdend met de uitoefening van hun beroep, voortbouwend op de in de initiële opleiding verworven aanvangsbekwaamheid te verdiepen en uit te breiden.

Artikel 2. Doelgroep

Het basisonderwijs is het onderwijs bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 4 jaar. Het legt mede de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs.

Artikel 3. Bevoegdheid schoolonderwijs
  • 1. Schoolonderwijs mag slechts worden gegeven door degene die:

    a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb.1955, 395),

    b. in het bezit is van een bewijs van bekwaamheid bedoeld in artikel 186, of van een daarmee krachtens het derde lid gelijk gesteld bewijs van bekwaamheid, of van een ten aanzien van het door hem te geven onderwijs afgegeven EG-verklaring als bedoeld in de Algemene wet erkenning EG-hoger-onderwijsdiploma's dan wel in de Algemene wet erkenning EG-beroepsopleidingen, dan wel van Onze minister krachtens het vierde en het vijfde lid de bevoegdheid heeft verkregen, en

    c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten.

  • 2. Het eerste lid onder a en b is niet van toepassing voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan een buiten Nederland verworven bewijs worden gelijkgesteld met een bewijs van bekwaamheid genoemd in artikel 186. Daarbij kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld.

  • 4. Onze minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten Nederland behaald bewijs van bekwaamheid, de bevoegdheid tot het geven van schoolonderwijs verlenen. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.

  • 5. Onze minister kan in bijzondere gevallen aan personen die niet in het bezit zijn van een bewijs van bekwaamheid, de bevoegdheid tot het geven van het onderwijs bedoeld in artikel 172, eerste lid, verlenen. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen. Indien betrokkene niet in het bezit is van één van de op grond van artikel 186, zesde lid, aangewezen verklaringen en diploma's met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal, kan Onze minister de bevoegdheid éénmalig en voor ten hoogste 2 jaar verlenen.

  • 6. Ten aanzien van studenten in het laatste jaar van een voltijdse opleiding tot leraar basisonderwijs of speciaal onderwijs kan, voor ten hoogste de periode van een schooljaar waarin onderwijs wordt gegeven, worden afgeweken van de eisen van benoembaarheid, gesteld in het eerste lid onder b, op voorwaarde dat de desbetreffende student

    a. ten minste 0,2 en ten hoogste 0,5 formatieplaats bezet,

    b. naast het dienstverband lessen blijft volgen aan en begeleid wordt vanuit de instelling waaraan voornoemde opleiding is verbonden, en

    c. wordt begeleid door een of meer ervaren leraren van de school waarbij betrokkene werkzaam is en deze leraren bij die begeleiding nauw samenwerken met de onder b bedoelde instelling.

  • 7. Het zesde lid is, behoudens de eis van verblijf in het laatste jaar van de opleiding, van overeenkomstige toepassing ten aanzien van studenten van de deeltijdse vorm van een opleiding tot leraar basisonderwijs of speciaal onderwijs die ten minste het aantal studiepunten hebben behaald dat behoort bij de eerste 3 jaren van de voltijdse vorm van die opleiding, met dien verstande dat afwijking mogelijk is voor ten hoogste 2 jaren.

Artikel 4. Kosten van leerlingenvervoer
  • 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kennen burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen desgewenst een gehele of gedeeltelijke vergoeding van door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerkosten toe. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

  • 2. De regeling maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

  • 3. De regeling eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school.

  • 4. De regeling van de aanspraak op vergoeding voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is.

  • 5. De regeling bepaalt dat de kosten worden vergoed van vervoer over de afstand tussen de woning van de leerling en

    a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke basisschool of, indien een leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen, de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs,

    b. een andere basisschool of speciale school voor basisonderwijs, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de basisschool onderscheidenlijk speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder a, en de ouders met het vervoer naar die andere school instemmen,

    c. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, indien de ouders met het vervoer naar die speciale school voor basisonderwijs instemmen, of

    d. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder c bedoelde samenwerkingsverband, indien het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs, bedoeld onder c, en de ouders met het vervoer naar die andere school instemmen.

  • 6. Bij de toepassing van het vijfde lid worden de afstanden gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg en wordt de keuze van de ouders, bedoeld in het derde lid, in acht genomen.

  • 7. De regeling bepaalt ten aanzien van ouders wier inkomen meer bedraagt dan f 34 000 dat slechts vergoeding wordt verleend voor zover de kosten van het vervoer van de leerling een bedrag van f 200 per schooljaar te boven gaan. Ingeval toepassing wordt gegeven aan het tiende lid voorziet de regeling in een financiële bijdrage van de ouders ten bedrage van f 200 per schooljaar. Voor de bepaling van het inkomen, bedoeld in de eerste volzin, is artikel 21, eerste en tweede lid, van de Wet op de studiefinanciering (Stb. 1988, 336) van overeenkomstige toepassing. Het eerstgenoemde bedrag, bedoeld in de eerste volzin, wordt met ingang van 1 januari 1991 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar, en afgerond op een veelvoud van f 1000. Het laatstgenoemde bedrag, bedoeld in de eerste volzin, alsmede het bedrag, genoemd in de tweede volzin wordt met ingang van 1 januari 1989 aangepast aan de wijziging die het prijsindexcijfer van het onderdeel vervoersdiensten van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie voor werknemersgezinnen heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en afgerond op een veelvoud van f 10. De aangepaste bedragen treden in de plaats van de in de eerste en tweede volzin bedoelde bedragen.

  • 8. De regeling kan bepalen dat geen aanspraak op vergoeding bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste, voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.

  • 9. De regeling kan bepalen dat voor een leerling die ouder is dan een bepaalde leeftijd, de aanspraak op vergoeding wordt beperkt tot de kosten van openbaar vervoer, dan wel, indien zulks in redelijkheid kan worden verlangd, een goedkopere wijze van vervoer. In dat geval dient de regeling erin te voorzien, dat uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in het vierde lid voor die leerlingen voor wie openbaar vervoer ontbreekt en de in de vorige volzin bedoelde goedkopere wijze van vervoer in redelijkheid niet kan worden verlangd.

  • 10. De regeling kan bepalen dat de gemeente, in plaats van een vergoeding in geld te geven, het vervoer verzorgt of doet verzorgen.

  • 11. De regeling kan voor leerlingen voor wie de afstand bedoeld in het vijfde lid, meer bedraagt dan 20 kilometer, bepalen dat de hoogte van de vergoeding afhankelijk is van de financiële draagkracht van de ouders, of dat het vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen geschiedt tegen een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer van de desbetreffende leerling. In dat geval bevat de regeling tevens voorschriften omtrent de bepaling van de financiële draagkracht van de ouders.

  • 12. De regeling kan bepalen dat burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen de bevoegdheid hebben ten gunste van de ouders van de inhoud van de regeling af te wijken.

  • 13. Het eerste tot en met twaalfde lid zijn niet van toepassing op leerlingen die wegens hun lichamelijke, geestelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen die op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten aan een zodanige leerling, dan wel zijn ouders, ten behoeve van het vervoer naar en van school een voorziening verstrekt, vergoeden burgemeester en wethouders het bedrag, dat zij aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling zouden hebben vergoed, indien de leerling niet lichamelijk, geestelijk of zintuiglijk gehandicapt zou zijn geweest, met dien verstande dat bij de vaststelling van dit bedrag geen toepassing wordt gegeven aan de bepalingen bedoeld in het zevende en het elfde lid.

Artikel 5. Inspectie
  • 1. Het toezicht op het basisonderwijs en de deugdelijkheid ervan is opgedragen aan Onze minister. Het wordt onder zijn gezag uitgeoefend door de inspectie van het onderwijs onder leiding van de inspecteur-generaal van het onderwijs.

  • 2. Tot de taak van de inspectie behoort:

    a. het toezien op de naleving van de wettelijke voorschriften;

    b. het bekend blijven met de toestand van het basisonderwijs onder meer door bezoek aan de scholen;

    c. de bevordering van de ontwikkeling van het basisonderwijs door overleg met het bevoegd gezag, het personeel van de scholen en de besturen van gemeente en provincie;

    d. het verrichten van andere bij deze wet aan de inspectie opgedragen taken;

    e. het doen van voorstellen aan Onze minister die zij in het belang van het basisonderwijs nodig acht.

  • 3. De inspectie heeft steeds toegang tot de scholen. Het bevoegd gezag en het personeel van de school zijn gehouden aan de inspectie alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de school en het onderwijs.

Artikel 6. Uitgaven uit de openbare kas

Ten laste van een andere openbare kas dan van Rijk en gemeente worden geen scholen in stand gehouden, noch uitgaven voor een school gedaan. Gemeenten doen geen uitgaven voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan krachtens de wet.

Artikel 7. Reikwijdte wet
  • 1. Deze wet is niet van toepassing op scholen die uitsluitend bestemd zijn voor kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben.

  • 2. Bij twijfel of op een school het eerste lid van toepassing is, beslist de Kroon, de Raad van State gehoord.

TITEL II. OPENBAAR EN UIT DE OPENBARE KASSEN BEKOSTIGD BIJZONDER ONDERWIJS

AFDELING 1. REGELEN VOOR HET OPENBAAR ONDERWIJS, TEVENS VOORWAARDEN VOOR BEKOSTIGING VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS
§ 1. Onderwijs
Artikel 8. Uitgangspunten en doelstelling onderwijs
  • 1. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

  • 2. Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

  • 3. Het onderwijs gaat er mede van uit dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.

  • 4. Ten aanzien van leerlingen die extra zorg behoeven, is het onderwijs gericht op individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerling.

  • 5. Het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs is tevens erop gericht leerlingen waar mogelijk tot het volgen van onderwijs in basisscholen of scholen voor voortgezet onderwijs te brengen.

  • 6. De scholen voorzien in een voortgangsregistratie omtrent de ontwikkeling van leerlingen die extra zorg behoeven.

  • 7. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat:

    a. de leerlingen in de eerste 4 schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en in de laatste 4 schooljaren ten minste 4000 uren onderwijs ontvangen,

    b. de leerlingen in beginsel binnen een tijdvak van 8 aaneensluitende jaren de school kunnen doorlopen en

    c. de leerlingen per dag ten hoogste 5,5 uren onderwijs ontvangen, waarbij een evenwichtige verdeling van de activiteiten in acht wordt genomen, tenzij afwijking van dit maximale aantal van belang is in verband met activiteiten in het kader van het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.

  • 8. Onze Minister kan op verzoek van het bevoegd gezag ermee instemmen dat wordt afgeweken van het zevende lid, aanhef en onder b. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.

Artikel 9. Inhoud onderwijs
  • 1. Het onderwijs omvat, waar mogelijk in samenhang:

    a. zintuiglijke en lichamelijke oefening;

    b. Nederlandse taal;

    c. rekenen en wiskunde;

    d. Engelse taal;

    e. enkele kennisgebieden;

    f. expressie-activiteiten;

    g. bevordering van sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer;

    h. bevordering van gezond gedrag.

  • 2. Bij de kennisgebieden wordt in elk geval aandacht besteed aan:

    a. aardrijkskunde;

    b. geschiedenis;

    c. de natuur, waaronder biologie;

    d. maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting;

    e. geestelijke stromingen.

  • 3. Bij de expressie-activiteiten wordt in elk geval aandacht besteed aan: de bevordering van het taalgebruik, tekenen, muziek, handvaardigheid, spel en beweging.

  • 4. Op de scholen in de provincie Friesland wordt tevens onderwijs gegeven in de Friese taal, tenzij gedeputeerde staten op verzoek van het bevoegd gezag ontheffing van deze verplichting hebben verleend.

  • 5. Ten aanzien van de onderwijsactiviteiten, genoemd in het eerste tot en met vierde lid, worden bij algemene maatregel van bestuur kerndoelen vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in de vorige volzin, wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

  • 6. Voor de school geldt de eis dat zij tenminste de kerndoelen bij haar onderwijsactiviteiten als aan het eind van het basisonderwijs te bereiken doelstellingen hanteert. Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden.

  • 7. Indien een bevoegd gezag van een bijzondere school dringend bedenkingen heeft tegen de krachtens het vijfde lid vastgestelde kerndoelen, kan het bevoegd gezag eigen kerndoelen voor de school vaststellen. Deze kerndoelen zijn van gelijk niveau als de kerndoelen, bedoeld in het vijfde lid. Het bevoegd gezag zendt de vastgestelde kerndoelen aan de inspecteur.

  • 8. Het onderwijs wordt gegeven in het Nederlands. Daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, kan de Friese taal of de streektaal mede als voertaal bij het onderwijs worden gebruikt. Voor de opvang in en de aansluiting bij het Nederlandse onderwijs van leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond kan de taal van het land van oorsprong mede als voertaal bij het onderwijs worden gebruikt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde gedragscode.

  • 9. Onze minister kan in bijzondere gevallen op verzoek van het bevoegd gezag goedkeuren dat wordt afgeweken van de voorschriften in het eerste tot en met het derde lid. De goedkeuring wordt verleend voor een bepaald tijdvak; zij kan voorwaarden bevatten.

Artikel 10. Kwaliteit onderwijs

Het bevoegd gezag draagt zorg voor de kwaliteit van het onderwijs op de school. Onder zorg dragen voor de kwaliteit van het onderwijs wordt in elk geval verstaan: het uitvoeren van het in het schoolplan, bedoeld in artikel 12, beschreven beleid op een zodanige wijze dat de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs, worden gerealiseerd.

Artikel 11. Rapportage vorderingen van leerlingen

Het bevoegd gezag rapporteert over de vorderingen van de leerlingen aan hun ouders.

Artikel 12. Schoolplan
  • 1. Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd, en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Het schoolplan omvat mede het beleid ten aanzien van de aanvaarding van materiële bijdragen of geldelijke bijdragen, niet zijnde ouderbijdragen of op de onderwijswetgeving gebaseerde bijdragen, indien het bevoegd gezag daarbij verplichtingen op zich neemt waarmee de leerlingen binnen de schooltijden en tijdens de activiteiten die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, alsmede tijdens het overblijven, zullen worden geconfronteerd. Het schoolplan kan op een of meer scholen voor basisonderwijs en een of meer scholen voor ander onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag betrekking hebben.

  • 2. Het onderwijskundig beleid omvat in elk geval de uitwerking van de wettelijke opdrachten voor het onderwijs en van de door het bevoegd gezag in het schoolplan opgenomen eigen opdrachten voor het onderwijs in een onderwijsprogramma. Daarbij worden tevens betrokken de voorzieningen die zijn getroffen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften.

  • 3. Het personeelsbeleid, voor zover dat in het schoolplan tot uitdrukking wordt gebracht, omvat in elk geval maatregelen met betrekking tot het personeel die bijdragen aan de ontwikkeling en de uitvoering van het onderwijskundig beleid alsmede het document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding, bedoeld in artikel 30 van de wet.

  • 4. Het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs omvat in elk geval op welke wijze het bevoegd gezag bewaakt dat die kwaliteit wordt gerealiseerd en vaststelt welke maatregelen ter verbetering van de kwaliteit nodig zijn.

Artikel 13. Schoolgids
  • 1. De schoolgids bevat voor ouders, verzorgers en leerlingen informatie over de werkwijze van de school en bevat in elk geval informatie over:

    a. de doelen van het onderwijs,

    b. de wijze waarop aan de zorg voor het jonge kind wordt vormgegeven,

    c. de wijze waarop aan de zorg voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften wordt vormgegeven,

    d. de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut,

    e. de geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 40, eerste lid, waarbij een ontwerp van een overeenkomst voor een dergelijke bijdrage, die voldoet aan de eisen die in artikel 40, eerste lid, zijn geformuleerd, in de schoolgids wordt opgenomen,

    f. de rechten en plichten van de ouders, de verzorgers, de leerlingen en het bevoegd gezag, waaronder de informatie over de klachtenregeling, bedoeld in artikel 14, en de gronden voor vrijstelling van het onderwijs, bedoeld in artikel 41, tweede lid, en

    g. de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met de in artikel 12, eerste lid, omschreven bijdragen.

  • 2. Het bevoegd gezag reikt de schoolgids uit aan de ouders dan wel de verzorgers bij de inschrijving en jaarlijks na de vaststelling van de schoolgids.

Artikel 14. Klachtenregeling
  • 1. Ouders dan wel verzorgers, en personeelsleden kunnen bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een klacht indienen over gedragingen en beslissingen van het bevoegd gezag of personeel, waaronder discriminatie, dan wel het nalaten van gedragingen en het niet nemen van beslissingen door het bevoegd gezag of het personeel.

  • 2. Het bevoegd gezag treft een regeling voor de behandeling van klachten. Deze regeling vermeldt in ieder geval:

    a. de instelling van een klachtencommissie, die klachten behandelt,

    b. de wijze waarop de klachtencommissie haar werkzaamheden verricht,

    c. de termijn waarbinnen de klager een klacht kan indienen en

    d. de termijn waarbinnen mededeling plaatsvindt van het oordeel, bedoeld in het zesde lid, en hoe bij noodzakelijke afwijking van deze termijn wordt gehandeld.

  • 3. Deze regeling strekt ter vervanging van klachtenregelingen op grond van andere voorschriften dan dit artikel en strekt niet ter vervanging van een andere voorziening die op grond van een wettelijke regeling, niet zijnde een klachtenregeling, voor de klager openstaat of heeft opengestaan.

  • 4. Deze regeling

    a. voorziet erin dat de klachten worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter die geen deel uitmaakt van het bevoegd gezag en niet werkzaam is voor of bij het bevoegd gezag en

    b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft.

  • 5. De klager en degene over wie is geklaagd krijgen de gelegenheid:

    a. hun zienswijze mondeling of schriftelijk toe te lichten en

    b. zich bij de behandeling van de klacht te laten bijstaan.

  • 6. De klachtencommissie vormt zich een oordeel over de gegrondheid van de klacht en deelt dit oordeel, al dan niet vergezeld van aanbevelingen, schriftelijk mede aan de klager, degene over wie is geklaagd en het bevoegd gezag.

  • 7. Het bevoegd gezag deelt de klager en de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, binnen 4 weken na ontvangst van het in het zesde lid bedoelde oordeel van de klachtencommissie schriftelijk mede of hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin bedoelde termijn, doet het bevoegd gezag daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie onder vermelding van de termijn waarbinnen het bevoegd gezag zijn standpunt bekend zal maken.

  • 8. Degene die betrokken is bij de uitvoering van dit artikel en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijze moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

  • 9. Gegevens die betrekking hebben op een klacht worden bewaard op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de leden van de klachtencommissie.

Artikel 15. Meetellen tijd op andere school of instelling voor s.o. of v.s.o.; vaststellen zomervakantie
  • 1. Indien een leerling gedurende een deel van de week onderwijs ontvangt op een andere school, op een school voor speciaal onderwijs, op een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel op een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs telt de tijd gedurende welke de leerling dit onderwijs ontvangt mee voor het aantal uren onderwijs dat de leerling ten minste moet ontvangen.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen begin en eind van de zomervakantie worden vastgesteld die niet voor alle scholen gelijk behoeven te zijn.

Artikel 16. Vaststelling schoolplan en schoolgids
  • 1. Het bevoegd gezag stelt ten minste eenmaal in de 4 jaar het schoolplan vast.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks de schoolgids vast ten behoeve van het eerstvolgende schooljaar.

  • 3. Het bevoegd gezag zendt het schoolplan dan wel de wijzigingen daarvan en de schoolgids onmiddellijk na de vaststelling aan de inspecteur.

Artikel 17. Bestuurlijke fusie openbare en bijzondere scholen
  • 1. De instandhouding van een of meer openbare en een of meer bijzondere scholen kan worden opgedragen of overgedragen aan een stichting die met dit doel wordt onderscheidenlijk is opgericht.

  • 2. Het statutaire doel van de stichting is in elk geval het geven van openbaar onderwijs en onderwijs van een of meer richtingen in afzonderlijke scholen voor openbaar onderscheidenlijk bijzonder onderwijs.

  • 3. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uit.

  • 4. Het personeel dat werkzaam is aan de openbare school, wordt benoemd krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

  • 5. De statuten voorzien in ieder geval in een regeling omtrent:

    a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de stichting,

    b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden,

    c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,

    d. de vaststelling van de begroting en jaarrekening na overleg met de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen,

    e. de wijze waarop de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen, toezicht op het bestuur van de openbare school uitoefent,

    f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,

    g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en

    h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.

  • 6. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na goedkeuring van de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen. Goedkeuring kan slechts worden onthouden indien overheersende invloed van de overheid in het bestuur niet is verzekerd voor zover het openbaar onderwijs betreft.

  • 7. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen, verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt bekendgemaakt.

  • 8. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.

  • 9. In geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet, voor zover het openbaar onderwijs betreft, neemt de gemeenteraad van de gemeente waarin de openbare school is gelegen, de maatregelen die hij nodig acht om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen voor zover het openbaar onderwijs betreft.

  • 10. Artikel 155 van de Gemeentewet is niet van toepassing.

§ 2. Zorgstructuur
Artikel 18. Samenwerkingsverbanden
  • 1. Het bevoegd gezag is voor elk van zijn scholen aangesloten bij een samenwerkingsverband met een of meer basisscholen en een of meer speciale scholen voor basisonderwijs. Dit samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen basisscholen en in samenwerking met speciale scholen voor basisonderwijs te realiseren en wel zodanig dat zoveel mogelijk leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken.

  • 2. De scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband hebben tezamen ten minste 2000 leerlingen. In afwijking van de eerste volzin kunnen de scholen in een samenwerkingsverband gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of in het eerste en derde schooljaar van 3 achtereenvolgende schooljaren tezamen minder dan 2000 leerlingen hebben. Uiterlijk met ingang van 1 augustus volgend op de in de vorige volzin bedoelde schooljaren nemen de scholen deel aan een samenwerkingsverband dat op 1 oktober daaropvolgend voldoet aan de norm van 2000 leerlingen.

  • 3. Indien het aantal leerlingen in een samenwerkingsverband op 1 oktober minder bedraagt dan 2000 leerlingen, deelt Onze minister dit voor 1 februari daaropvolgend schriftelijk mee aan de bevoegde gezagsorganen van de scholen in het samenwerkingsverband.

  • 4. Een bevoegd gezag kan de deelname aan een samenwerkingsverband voor een school beëindigen indien

    a. een regeling is getroffen met de overige bevoegde gezagsorganen ten aanzien van de financiële en personele consequenties daarvan en

    b. door de beëindiging van de deelname geen aanspraken ontstaan op ontslaguitkeringen voor personeel dat werkzaam is bij de deelnemende scholen, waaronder de school waarvoor de deelname wordt beëindigd.

  • 5. Bij de beëindiging van de deelname op grond van het vierde lid wordt een termijn van 1 jaar in acht genomen. Deze termijn geldt niet voor scholen die deelnemen aan een samenwerkingsverband dat gedurende het tweede achtereenvolgende schooljaar dan wel het tweede van 3 achtereenvolgende schooljaren niet voldoet aan de norm van 2000 leerlingen.

  • 6. De beëindiging van de deelname aan een samenwerkingsverband en de aansluiting bij een nieuw samenwerkingsverband gaan in op 1 augustus van een schooljaar. Voor 1 oktober of in het geval, bedoeld in het vijfde lid, tweede volzin, 1 april van het daaraan voorafgaande schooljaar meldt het bevoegd gezag de beëindiging onderscheidenlijk de aansluiting aan Onze minister.

  • 7. Onze minister kan ermee instemmen dat, in afwijking van het eerste lid, eerste volzin, van het samenwerkingsverband geen speciale school voor basisonderwijs deel uitmaakt en dat het eerste lid, tweede volzin, niet van toepassing is voor zover het betreft de samenwerking met speciale scholen voor basisonderwijs. Onze minister stemt slechts in indien

    a. in een adequate onderwijskundige opvang van leerlingen wordt voorzien en de inspectie hierover een positief advies heeft uitgebracht, en

    b. alle bevoegde gezagsorganen van de scholen in het samenwerkingsverband met het samenwerkingsverband waarvoor de instemming is gevraagd, instemmen.

  • 8. Het bevoegd gezag kan per basisschool slechts deelnemen aan 1 samenwerkingsverband. Bij deelname aan meer dan één samenwerkingsverband is voor de toepassing van deze wet en de daarop gebaseerde voorschriften uitsluitend de deelname van belang aan het samenwerkingsverband waarbij voor het eerst werd aangesloten.

  • 9. Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan een samenwerkingsverband, wordt deze deelname door de bevoegde gezagsorganen van het samenwerkingsverband niet geweigerd.

Artikel 19. Zorgplan
  • 1. De bevoegde gezagsorganen van de scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband stellen jaarlijks voor 1 mei een zorgplan vast voor het daaropvolgende schooljaar.

  • 2. Het zorgplan bevat in elk geval:

    a. de wijze waarop wordt voldaan aan artikel 18, eerste lid,

    b. de wijze waarop de formatie, bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, en artikel 132, en het daaraan gerelateerde personeel worden ingezet, alsmede de basisscholen waaraan de formatie, bedoeld in artikel 132, wordt overgedragen,

    c. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten aanzien van de onderwijskundige opvang van de leerlingen die extra zorg behoeven,

    d. de samenstelling, werkwijze en financiering van een permanente commissie leerlingenzorg als bedoeld in artikel 23,

    e. de procedures voor onderzoek van leerlingen en plaatsing van leerlingen op een speciale school voor basisonderwijs,

    f. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen en de criteria die de permanente commissie leerlingenzorg hanteert, en

    g. de wijze waarop de ouders in de gelegenheid worden gesteld informatie te verstrekken aan de permanente commissie leerlingenzorg.

  • 3. Het zorgplan wordt voor 15 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop het betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.

Artikel 20. Reglement samenwerkingsverband
  • 1. Indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband stellen zij een reglement vast. Het reglement bevat in elk geval een regeling voor:

    a. de wijze waarop het zorgplan, bedoeld in artikel 19, wordt vastgesteld,

    b. de wijze waarop over het zorgplan in het kader van de medezeggenschap overleg plaatsvindt,

    c. de wijze waarop over arbeidsvoorwaardelijke aspecten van het zorgplan decentraal georganiseerd overleg wordt gevoerd,

    d. de wijze waarop wordt bepaald of de situaties, bedoeld in de artikelen 118 en 124, zich voordoen, waaronder de vaststelling van de in artikel 124, eerste en tweede lid, bedoelde peildatum, die is gelegen in de periode van 2 oktober tot en met 31 juli daaropvolgend,

    e. de wijze waarop wordt vastgesteld wat het aandeel van de onderscheiden scholen is in de overdracht van de vergoeding voor materiële instandhouding in een situatie als bedoeld in artikel 118 en van formatierekeneenheden in een situatie als bedoeld in artikel 124, zesde of zevende lid, of artikel 125, zesde lid, en

    f. de wijze waarop besluiten worden genomen, onverminderd het tweede lid, alsmede het aantal stemmen voor elk afzonderlijk bevoegd gezag.

  • 2. Bij reglement kan met inachtneming van de tweede volzin, onderdelen a, b en c, per onderwerp verschillend de wijze van besluitvorming worden geregeld. Indien voor een onderwerp geen wijze van besluitvorming is geregeld, geschiedt de besluitvorming bij meerderheid van stemmen, met dien verstande dat

    a. voor een besluit over de inzet van de in artikel 122, eerste lid onder c, bedoelde formatie tevens de instemming is vereist van de bevoegde gezagsorganen van alle speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband,

    b. voor een besluit tot samenvoeging van 2 of meer speciale scholen voor basisonderwijs tevens de instemming is vereist van de bevoegde gezagsorganen van de desbetreffende scholen, en

    c. voor een besluit tot wijziging van het reglement of tot algehele samenvoeging van het verband met een ander verband in plaats van meerderheid van stemmen de instemming is vereist van de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in het samenwerkingsverband.

Artikel 21. Centrale dienst van samenwerkingsverband

Indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband zijn zij aangesloten bij dezelfde centrale dienst.

Artikel 22. Geschillencommissie samenwerkingsverbanden
  • 1. Onze minister stelt een landelijke geschillencommissie voor samenwerkingsverbanden in.

  • 2. De commissie bestaat uit een voorzitter en 4 leden, die allen door Onze minister worden benoemd. De 4 leden worden benoemd op voordracht van de gezamenlijke besturenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De voorzitter is een jurist.

  • 3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van 4 jaar. Zij zijn opnieuw benoembaar. Op eigen verzoek wordt aan hen ontslag verleend.

  • 4. Het bevoegd gezag van een school kan voorziening vragen bij de landelijke geschillencommissie tegen

    a. besluiten en handelingen inzake de totstandkoming van het reglement,

    b. besluiten en handelingen in het kader van het samenwerkingsverband,

    c. de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs met een besluit als bedoeld in artikel 20, tweede lid onder a, en

    d. de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een school met een besluit als bedoeld in artikel 20, tweede lid onder c.

    Het vragen van voorziening als bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld met het instellen van administratief beroep.

  • 5. De uitspraak van de geschillencommissie is bindend voor de bevoegde gezagsorganen van de scholen in het samenwerkingsverband.

  • 6. Tegen de uitspraak van de geschillencommissie kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De uitspraak bedoeld in de eerste volzin wordt gelijkgesteld met een uitspraak in administratief beroep.

  • 7. Het reglement, bedoeld in artikel 20, kan erin voorzien dat de in het vierde lid bedoelde geschillen worden voorgelegd aan een geschillencommissie die door het samenwerkingsverband, al dan niet tezamen met andere samenwerkingsverbanden is ingesteld. In dat geval is het vierde lid niet van toepassing en zijn het vijfde en zesde lid van toepassing.

Artikel 23. Permanente commissie leerlingenzorg
  • 1. Het bevoegd gezag of de bevoegde gezagsorganen van scholen in een samenwerkingsverband stellen een permanente commissie leerlingenzorg in. Deze commissie bepaalt op aanvraag van de ouders of plaatsing van een leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is. De commissie kan voorts worden belast met andere taken. Indien sprake is van een samenwerkingsverband zonder speciale school voor basisonderwijs is de tweede volzin niet van toepassing en adviseert de commissie in elk geval

    a. op verzoek van de ouders of het bevoegd gezag van de basisschool die de leerling bezoekt over de wijze waarop een leerling op die school kan worden begeleid, en

    b. indien in het samenwerkingsverband voorzieningen zijn getroffen ten behoeve van de basisscholen voor de opvang van kinderen die extra zorg behoeven over de verwijzing naar die voorzieningen.

  • 2. De permanente commissie leerlingenzorg bestaat uit ten minste 3 leden.

  • 3. Alvorens een beslissing te nemen op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, vraagt de commissie aan de school van de leerling de gegevens, bedoeld in artikel 43, eerste onderscheidenlijk tweede lid.

  • 4. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, wordt niet in behandeling genomen indien de leerling afkomstig is van een basisschool van een ander samenwerkingsverband dan dat van de permanente commissie leerlingenzorg en de permanente commissie leerlingenzorg van dat andere samenwerkingsverband geen onherroepelijk geworden beslissing als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, heeft genomen. De eerste volzin is niet van toepassing indien de aanvraag plaatsvindt in verband met een verhuizing van de leerling.

  • 5. Alvorens een beslissing te nemen op een bezwaarschrift vraagt de permanente commissie leerlingenzorg advies aan de regionale verwijzingscommissie, bedoeld in artikel 24.

  • 6. Een beslissing van de permanente commissie leerlingenzorg als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, wordt aangemerkt als een beschikking van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze beschikking is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4, onderdeel e, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 7. De permanente commissie leerlingenzorg stelt indien de ouders bij een ingediende aanvraag of een ingediend verzoek of bezwaarschrift daarom hebben verzocht een termijn waarbinnen de ouders een deskundigenadvies of overige informatie kunnen indienen. De commissie betrekt de door de ouders tijdig overgelegde informatie bij de besluitvorming.

  • 8. Beslissingen en adviezen van de permanente commissie leerlingenzorg worden in de school die de leerling bezocht toen het advies werd uitgebracht, bewaard tot 3 jaar nadat de leerling de school heeft verlaten, met dien verstande dat bij plaatsing van een leerling op een andere school in het samenwerkingsverband de beslissing of het advies in die school wordt bewaard tot 3 jaar nadat de leerling die school heeft verlaten.

Artikel 24. Regionale verwijzingscommissies
  • 1. Onze minister kan een regionale verwijzingscommissie instellen, dan wel erkennen op voorstel van een schoolbegeleidingsdienst als bedoeld in artikel 179. Een regionale verwijzingscommissie brengt binnen 4 weken na een verzoek als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, advies uit aan de permanente commissie leerlingenzorg.

  • 2. Een regionale verwijzingscommissie is werkzaam voor een bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regio.

  • 3. Het verzoek, bedoeld in artikel 23, vijfde lid, wordt ingediend bij

    a. de regionale verwijzingscommissie die werkzaam is voor de regio waarin de school of de school voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs die de leerling bezoekt, is gelegen,

    b. bij gebreke daarvan de commissie van de regio waarbinnen de leerling woonachtig is, en

    c. indien er in een regio geen regionale verwijzingscommissie is, een regionale verwijzingscommissie die is gevestigd in een aangrenzende regio.

  • 4. In een regio kan slechts één regionale verwijzingscommissie werkzaam zijn. Indien in een regio meer dan één schoolbegeleidingsdienst regionaal werkzaam is, hoort Onze minister de desbetreffende schoolbegeleidingsdiensten, alvorens een regionale verwijzingscommissie te erkennen of in te stellen.

  • 5. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.

Artikel 25. Regionale verwijzingscommissies verbonden aan schoolbegeleidingsdienst

Een regionale verwijzingscommissie die door Onze minister is erkend of ingesteld, wordt verbonden aan een regionaal werkzame schoolbegeleidingsdienst in de desbetreffende regio.

Artikel 26. Instelling regionale verwijzingscommissies

Indien Onze minister binnen 3 maanden na de opheffing van een regionale verwijzingscommissie niet een voorstel voor erkenning van een zodanige commissie heeft ontvangen dat door hem wordt ingewilligd, stelt hij een regionale verwijzingscommissie in.

Artikel 27. Bekostiging regionale verwijzingscommissies
  • 1. Onze minister brengt een regionale verwijzingscommissie die is erkend of ingesteld, voor bekostiging in aanmerking indien zij:

    a. jaarlijks voor 1 mei verslag uitbrengt over haar werkzaamheden in het voorafgaande kalenderjaar, en

    b. jaarlijks voor 1 mei over het voorafgaande kalenderjaar rekening en verantwoording aflegt van het geldelijk beheer.

  • 2. Onze minister stelt jaarlijks, op basis van het aantal leerlingen in het basisonderwijs, bedoeld in artikel 161 van de Wet op het primair onderwijs, van dat jaar in de desbetreffende regio, de vergoeding vast voor de werkzaamheden van de regionale verwijzingscommissie voor het daaropvolgende jaar.

Artikel 28. Nadere voorschriften regionale verwijzingscommissies

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de taak, samenstelling, werkwijze en totstandkoming van de regionale verwijzingscommissies. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de vorige volzin, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.

§ 3. Personeel
Artikel 29. Directie, leraren en onderwijsondersteunend personeel
  • 1. Aan elke school zijn 1 of 2 directeuren verbonden, bij wie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding berust. De functie van directeur kan minder dan een volledige formatieplaats omvatten. De directeur van een school kan tevens met de leiding worden belast van een andere school waar de functie van directeur vacant is. De directeur van een school kan tevens directeur zijn van een andere school.

  • 2. Aan een school zijn een of meer leraren verbonden.

  • 3. Een of meer leraren kunnen tevens tot adjunct-directeur worden benoemd. Indien geen adjunct-directeur wordt benoemd en aan de school slechts 1 directeur is verbonden, wijst het bevoegd gezag een leraar aan als plaatsvervanger van de directeur.

  • 4. Voor zover het betreft de functie van directeur en adjunct-directeur, wordt in geval van samenvoeging van scholen de overblijvende school gelijkgesteld met een nieuwe school. De directeur, onderscheidenlijk de adjunct-directeur of adjunct-directeuren, kan slechts een van de directeuren onderscheidenlijk kunnen slechts een of meer van de adjunct-directeuren van de samen te voegen scholen zijn, tenzij geen van de betrokkenen de desbetreffende functie wenst te aanvaarden.

  • 5. Aan een school kan onderwijsondersteunend personeel zijn verbonden.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtspositionele gevolgen zijn verbonden aan functies die zowel onderwijsgevende als onderwijsondersteunende taken omvatten.

Artikel 30. Document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding
  • 1. Het bevoegd gezag stelt ten behoeve van de directies van zijn scholen, indien aan het totaal van die scholen van een ondervertegenwoordiging van vrouwen in de functie van directeur onderscheidenlijk adjunct-directeur sprake is, eenmaal in de 4 jaar een document inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding vast.

  • 2. Het document bevat streefcijfers, met inbegrip van een bepaald tijdvak waarbinnen deze streefcijfers worden gerealiseerd, aan de hand waarvan door het bevoegd gezag een beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding wordt gevoerd, opdat aan de scholen te zamen in de functie van directeur onderscheidenlijk adjunct-directeur vrouwen en mannen naar evenredigheid werkzaam zullen zijn. Voor de evenredige vertegenwoordiging wordt uitgegaan van de verhouding mannen en vrouwen voor wat betreft het onderwijzend personeel dat werkzaam is in het door de school verzorgde onderwijs, zoals die blijkt uit de daarover jaarlijks door Onze minister gepubliceerde cijfers. Het document vermeldt tevens de maatregelen die het bevoegd gezag heeft genomen en zal nemen teneinde de in de eerste volzin bedoelde streefcijfers te realiseren en geeft een overzicht van de beoogde en bereikte resultaten van het beleid inzake evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding gedurende de periode waarvoor het document geldt, onderscheidenlijk de periode waarvoor het vorige document gold.

  • 3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het document in het gebouw van de school ter inzage wordt gelegd op een voor het personeel, de ouders en de leerlingen toegankelijke plaats, alsmede dat een exemplaar wordt bewaard bij de administratie van de school.

Artikel 31. Vaststelling directiestatuut
  • 1. Het bevoegd gezag stelt een directiestatuut vast.

  • 2. Het directiestatuut bevat in ieder geval de aanduiding van de aan het bevoegd gezag bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden ten aanzien waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de directeur van de school de bevoegdheid heeft om in naam van het bevoegd gezag besluiten te nemen. Het directiestatuut bevat voorts instructies voor de uitoefening van de in de eerste volzin bedoelde taken en bevoegdheden.

  • 3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat een exemplaar van het directiestatuut in het gebouw van de school ter inzage wordt gelegd op een voor een ieder toegankelijke plaats. Het bevoegd gezag zendt een exemplaar van het directiestatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk na de vaststelling ter kennisneming aan de inspectie.

Artikel 32. Benoemingsvereisten personeel
  • 1. Om tot directeur, adjunct-directeur of leraar, behalve in een functie voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs, te kunnen worden benoemd, dient de betrokkene:

    a. te voldoen aan artikel 3, eerste lid; en

    b. in het bezit te zijn van een geneeskundige verklaring.

  • 2. Om te kunnen worden benoemd uitsluitend voor het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs dient de betrokkene:

    a. te voldoen aan artikel 3, eerste lid onder a en c;

    b. in het bezit te zijn van een geneeskundige verklaring.

  • 3. Om te kunnen worden benoemd in een andere functie dan het geven van onderwijs, dient de betrokkene:

    a. in het bezit te zijn van de verklaring, bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a;

    b. in het bezit te zijn van een geneeskundige verklaring; en

    c. te voldoen aan de overige vereisten voor de te vervullen functie.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de vereisten vermeld in het eerste, het tweede en het derde lid onder b en c.

  • 5. De verklaring bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, mag niet ouder zijn dan 2 jaar op de datum van ingang van de benoeming.

Artikel 33. Benoeming, schorsing en ontslag
  • 1. Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat het personeel. Van een benoeming in vaste dienst en in tijdelijke dienst voor langer dan een half jaar, alsmede van een ontslag uit een zodanige betrekking, doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan de inspecteur.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor het personeel bedoeld in artikel 32, vastgesteld:

    a. voorschriften omtrent vakantie, verlof, aanspraken op salaris in geval van militaire dienst, ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen, alsmede omtrent andere rechten en verplichtingen;

    b. salarissen en toelagen, door het bevoegd gezag toe te kennen bij uitoefening van een volledige weektaak of een deel daarvan.

Artikel 34. Benoeming in algemene dienst
  • 1. Het bevoegd gezag benoemt de directeur en de adjunct-directeur, de leraren en het onderwijsondersteunend personeel in algemene dienst van het bevoegd gezag.

  • 2. Onder benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag wordt in dit artikel en in de artikelen 53 en 59 verstaan een benoeming ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen.

Artikel 35. Uitkeringen aan het personeel

Door het bevoegd gezag worden direct of indirect geen andere uitkeringen aan het personeel gedaan dan bij of krachtens de wet zijn voorzien.

Artikel 36. Verplichting tot bieden van stagemogelijkheden
  • 1. Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding zijn voor een functie in het basisonderwijs of in het voortgezet onderwijs, gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de school te verkrijgen.

  • 2. De verplichting bedoeld in het eerste lid, betreft:

    a. studenten die op een school voor de opleiding van onderwijzend personeel zijn ingeschreven of anderszins studeren voor een bewijs van bekwaamheid, dan wel voor een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding;

    b. in een schooljaar gelijktijdig niet meer studenten als bedoeld onder a, dan de helft van het aantal groepsleraren in dat jaar.

  • 3. Een bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien deze in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Van een beschikking tot ontzegging van de toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling dan wel aan de betrokken staatsexamencommissie, en aan de inspectie.

  • 4. De directeur regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in verband met de begeleiding door het onderwijzend personeel van de studenten in de school in overeenstemming met dit personeel, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen ter verkrijging van een bewijs van bekwaamheid of een bewijs van voldoende pedagogische en didactische voorbereiding, in overeenstemming met de betrokken staatsexamencommissie.

  • 5. Onze minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar.

  • 6. De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid, zijn toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen, voor de directeuren en de door deze aan te wijzen leraren van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover zulks voor de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming, onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de school aanwezige studenten noodzakelijk is.

Artikel 37. Decentraal georganiseerd overleg
  • 1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand van het personeel wordt door of namens het bevoegd gezag volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende organisaties. Het overleg is gericht op het bereiken van overeenstemming.

  • 2. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

  • 3. Het bevoegd gezag en de personeelsorganisaties, bedoeld in het eerste lid, kunnen gezamenlijk besluiten dat het overleg over de in dat lid bedoelde aangelegenheden, voor zover dit betrekking heeft op een of meer door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen, wordt gevoerd met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad van de desbetreffende school of scholen volgens de regels, bedoeld in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 (Stb. 1992, 663). Het bevoegd gezag en de personeelsorganisaties bepalen daarbij onder welke voorwaarden in dat overleg besluiten over de in de eerste volzin bedoelde aangelegenheden kunnen worden genomen.

  • 4. Indien het overleg, bedoeld in het derde lid, niet leidt tot afronding overeenkomstig de op grond van dat lid vastgestelde voorwaarden, wordt alsnog over de desbetreffende aangelegenheden het overleg, bedoeld in het eerste lid, gevoerd.

Artikel 38. Geschillencommissie georganiseerd overleg bij scholen
  • 1. Elke school is aangesloten bij een geschillencommissie georganiseerd overleg, bestaande uit drie leden en drie plaatsvervangende leden. Een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd door de besturen van de aangesloten scholen en een lid en een plaatsvervangend lid door de personeelsorganisaties, bedoeld in artikel 37, eerste lid. De beide in de tweede volzin bedoelde leden kiezen het derde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.

  • 2. Een geschillencommissie strekt haar werkzaamheden uit over ten minste 50 scholen. Onze minister kan het in de eerste volzin genoemde aantal scholen lager stellen.

  • 3. De leden en de plaatsvervangende leden mogen geen deel uitmaken van het betrokken bevoegd gezag dan wel bestuurslid zijn van de personeelsorganisaties, bedoeld in artikel 37, eerste lid, of deelnemer zijn aan het overleg, bedoeld in dat artikellid.

  • 4. Indien het overleg, bedoeld in artikel 37, eerste lid, niet heeft geleid tot overeenstemming, neemt het bevoegd gezag geen besluit behorend tot de in dat artikellid bedoelde aangelegenheden dan nadat gebleken is dat

    a. er geen geschil inzake het desbetreffende voorgenomen besluit aanhangig is gemaakt bij de geschillencommissie, bedoeld in het eerste lid, dan wel

    b. indien een geschil inzake het desbetreffende voorgenomen besluit bij die commissie aanhangig is gemaakt, een advies ingevolge het zesde lid tot stand is gekomen.

  • 5. Geschillen inzake voorgenomen besluiten van het bevoegd gezag, behorend tot de in artikel 37, eerste lid, bedoelde aangelegenheden, kunnen worden voorgelegd aan de geschillencommissie georganiseerd overleg door een of meer van de personeelsvertegenwoordigers in het overleg. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 37, eerste lid, worden tevens voorschriften gegeven omtrent de procedure inzake de vaststelling dat er sprake is van een geschil, voorschriften omtrent de bevoegdheid om een geschil aan de commissie voor te leggen, alsmede voorschriften omtrent de werkwijze van de commissie.

  • 6. De geschillencommissie georganiseerd overleg beoordeelt of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid het voorgenomen besluit tot uitvoering kan brengen. De commissie verstrekt het bevoegd gezag een bindend advies. De geschillencommissie neemt bij haar advies, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, de grondslag en het doel van de instelling in acht.

  • 7. Indien het overleg, bedoeld in artikel 37, eerste lid, door de bevoegde gezagsorganen van twee of meer scholen gezamenlijk wordt gevoerd, zijn deze scholen aangesloten bij dezelfde geschillencommissie georganiseerd overleg.

§ 4. Leerlingen
Artikel 39. Toelatingsleeftijd; duur onderwijs
  • 1. Om als leerling tot een school te worden toegelaten, moet een kind de leeftijd van 4 jaar hebben bereikt.

  • 2. Het bevoegd gezag kan voor kinderen die nog niet eerder tot een school, een school of afdeling voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs zijn toegelaten, toelatingstijdstippen vaststellen op ten minste eenmaal per maand.

  • 3. In de periode vanaf de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden tot het bereiken van de leeftijd van 4 jaar kan het bevoegd gezag kinderen gedurende ten hoogste 5 dagen toelaten. Deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet.

  • 4. Leerlingen bij wie naar het oordeel van de directeur van de school de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs in voldoende mate is gelegd, verlaten aan het einde van het schooljaar de school, mits hierover met de ouders overeenstemming bestaat. In elk geval verlaten de leerlingen de school aan het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van 14 jaar hebben bereikt.

Artikel 40. Toelating en verwijdering van leerlingen
  • 1. De beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag. De toelating tot de school is niet afhankelijk van het houden van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b van de Vreemdelingenwet. De toelating mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Overeenkomsten waarbij ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn nietig, behoudens voorzover zij na de toelating van de leerling tot de school schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt dat het een vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst niet behoeft te worden aangegaan, doch waarvoor geldt dat na de ondertekening wel een verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage bestaat. Zodanige overeenkomsten zijn evenzeer nietig, indien deze niet hebben voorzien in de vermelding dat de ouders de mogelijkheid hebben er voor te kiezen om de overeenkomst slechts voor bepaalde voorzieningen aan te gaan en ten behoeve daarvan niet een specificatie voor de te onderscheiden voorzieningen in de overeenkomst is opgenomen. Zodanige overeenkomsten zijn voorts nietig indien ten aanzien daarvan geen reductie- en kwijtscheldingsregeling geldt en de inhoud van die regeling niet in de overeenkomst is opgenomen. Een overeenkomst wordt telkens voor de periode van een schooljaar aangegaan.

  • 2. Toelating van leerlingen afkomstig van een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, alsmede overgang van een leerling naar een dergelijke school of instelling, vindt slechts plaats in overeenstemming met de ouders en het bevoegd gezag van de desbetreffende school of instelling.

  • 3. Een leerling wordt niet toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs dan nadat de permanente commissie leerlingenzorg van het samenwerkingsverband waarvan de speciale school voor basisonderwijs deel uitmaakt, heeft bepaald dat plaatsing van de leerling op een zodanige school noodzakelijk is.

  • 4. De toelating tot een speciale school voor basisonderwijs wordt niet geweigerd op de grond dat de leerling niet is aangewezen op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs, indien de permanente commissie leerlingenzorg van het samenwerkingsverband waaraan de speciale school voor basisonderwijs deelneemt heeft bepaald dat plaatsing van de leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is. De toelating van een leerling van een basisschool tot een speciale school voor basisonderwijs van het samenwerkingsverband waaraan de basisschool deelneemt wordt voorts niet geweigerd op denominatieve gronden, tenzij de ouders van de leerling weigeren te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs van de school zullen respecteren.

  • 5. Voordat wordt besloten tot verwijdering hoort het bevoegd gezag de betrokken groepsleraar. Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs bereid is de leerling toe te laten. Indien aantoonbaar gedurende 8 weken zonder succes is gezocht naar een zodanige school of instelling waarnaar kan worden verwezen, kan in afwijking van de vorige volzin tot definitieve verwijdering worden overgegaan.

  • 6. Indien tegen de beslissing, bedoeld in het eerste lid, bezwaar is gemaakt, beslist het bevoegd gezag in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 4 weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

Artikel 41. Verplichte deelname leerlingen aan het onderwijs
  • 1. De leerlingen nemen deel aan alle voor hen bestemde onderwijsactiviteiten, onverminderd artikel 172, eerste lid.

  • 2. Het bevoegd gezag kan op verzoek van de ouders een leerling vrijstellen van het deelnemen aan bepaalde onderwijsactiviteiten. Een vrijstelling kan slechts worden verleend op door het bevoegd gezag vastgestelde gronden. Het bevoegd gezag bepaalt bij de vrijstelling welke onderwijsactiviteiten voor de leerling in de plaats komen van die waarvan vrijstelling is verleend.

Artikel 42. Onderwijskundig rapport

Over iedere leerling die de school verlaat, stelt de directeur, na overleg met het onderwijzend personeel, ten behoeve van de ontvangende school een onderwijskundig rapport op. Afschrift van dit rapport wordt aan de ouders van de leerling verstrekt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften omtrent dit rapport worden gegeven.

Artikel 43. Onderwijskundig rapport ten behoeve van een permanente commissie leerlingenzorg
  • 1. Binnen 1 maand na een daartoe strekkend verzoek van een permanente commissie leerlingenzorg als bedoeld in artikel 23 zendt de basisschool de commissie de gegevens waaruit blijkt om welke reden naar het oordeel van de directeur van de basisschool, mede op advies van het onderwijzend personeel van de school, de leerling niet op de school kan worden gehandhaafd en een beschrijving van de maatregelen die tijdens het verblijf van de leerling op de school zijn getroffen om te bewerkstelligen dat de leerling wel op de school zou kunnen worden gehandhaafd. De basisschool verstrekt de commissie desgevraagd tevens binnen 1 maand alle nadere gegevens die de commissie verlangt en die redelijkerwijs door de school kunnen worden verstrekt.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij overgang van een leerling van een speciale school voor basisonderwijs naar een dergelijke school in een ander samenwerkingsverband, met dien verstande dat de gegevens inzicht geven in de voortgang van de ontwikkeling van de leerling en vergezeld gaan van het handelingsplan.

  • 3. Afschrift van het rapport, bedoeld in het eerste en tweede lid, en van het handelingsplan wordt aan de ouders van de leerling verstrekt.

  • 4. Bij het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, meldt de basisschool wanneer en aan welke permanente commissie leerlingenzorg door haar reeds eerder dergelijke gegevens over de leerling werden verstrekt.

§ 5. Ouders
Artikel 44. Ondersteunende werkzaamheden ouders

Het bevoegd gezag stelt de ouders van de leerlingen in de gelegenheid ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs te verrichten. De ouders zijn daarbij gehouden de aanwijzingen op te volgen van de directeur en het overige onderwijzend personeel, die verantwoordelijk blijven voor de gang van zaken.

Artikel 45. Overblijfmogelijkheid

Het bevoegd gezag stelt leerlingen in de gelegenheid onder toezicht de middagpauze in het schoolgebouw en op het terrein van de school door te brengen. De kosten die hieruit voortvloeien komen voor rekening van de ouders, voogden of verzorgers. Het bevoegd gezag kan de overblijfmogelijkheid zelf organiseren. Indien leerlingen van de mogelijkheid bedoeld in de eerste volzin gebruik maken, draagt het bevoegd gezag zorg voor een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid. Het bevoegd gezag van een bijzondere school is, telkenmale voor de duur van een schooljaar, ontheven van de verplichting tot verzekering indien:

a. deze verplichting zich naar zijn oordeel niet verdraagt met de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging die aan de school ten grondslag ligt; en

b. het bevoegd gezag van zijn oordeel mededeling heeft gedaan aan de ouders.

Van de ontheffing van de verplichting bedoeld in de vorige volzin doet het bevoegd gezag tijdig mededeling aan de inspecteur.

AFDELING 2. OVERIGE REGELEN VOOR HET OPENBAAR ONDERWIJS
Artikel 46. Karakter openbaar onderwijs
  • 1. Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de leerlingen met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.

  • 2. Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.

  • 3. Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.

Artikel 47. Instandhouding openbare school door een openbare rechtspersoon
  • 1. Een gemeenteraad kan bij verordening een openbare rechtspersoon instellen die tot doel heeft een of meer openbare scholen in de gemeente in stand te houden, al dan niet te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of openbare scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Een openbare rechtspersoon kan ook worden ingesteld door meer dan een gemeente ten behoeve van het in stand houden van openbare scholen in die gemeenten door het vaststellen van een voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het vierde lid, gelijkluidende verordening, in welk geval de openbare rechtspersoon niet eerder tot stand komt dan nadat alle daartoe strekkende verordeningen in werking zijn getreden.

  • 2. De gemeenteraad of gemeenteraden maken het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.

  • 3. De openbare rechtspersoon oefent met uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden uit van het bevoegd gezag. Hij bezit rechtspersoonlijkheid.

  • 4. De verordening, bedoeld in het eerste lid, voorziet in ieder geval in een regeling omtrent:

    a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de openbare rechtspersoon,

    b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,

    c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,

    d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening na goedkeuring door de betreffende gemeenteraad of gemeenteraden,

    e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het bestuur uitoefenen,

    f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden, en

    g. de periode waarvoor de openbare rechtspersoon in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt,

    met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd.

  • 5. Het bestuur brengt jaarlijk aan de gemeenteraad of gemeenteraden verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt bekendgemaakt.

  • 6. De vergaderingen van het bestuur van de openbare rechtspersoon zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de verordening.

  • 7. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.

  • 8. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de openbare rechtspersoon te ontbinden.

Artikel 48. Instandhouding openbare school door een stichting
  • 1. Een gemeenteraad kan besluiten dat een of meer openbare scholen in de gemeente in stand worden gehouden door een stichting die zich ten doel stelt het in stand houden van een of meer openbare scholen, al dan niet te zamen met openbare scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of openbare scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2. De gemeenteraad maakt het voornemen tot een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend.

  • 3. Een stichting die een openbare school in stand houdt, wordt opgericht door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid.

  • 4. Het statutaire doel van de stichting is uitsluitend het geven van openbaar onderwijs overeenkomstig artikel 46.

  • 5. De stichting oefent met uitzondering van de besluitvorming over de opheffing van een openbare school alle taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag uit.

  • 6. Onverminderd het vierde lid voorzien de statuten in ieder geval in een regeling omtrent:

    a. de samenstelling, werkwijze en inrichting van het bestuur van de stichting,

    b. de wijze van benoeming, herbenoeming, schorsing en ontslag van de bestuursleden, met dien verstande dat de leden van het bestuur worden benoemd door de gemeenteraad of gemeenteraden en dat ten minste een derde gedeelte, doch geen meerderheid, van die leden wordt benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen,

    c. de termijn waarvoor de bestuursleden worden benoemd,

    d. de vaststelling van de begroting en de jaarrekening na goedkeuring door de betreffende gemeenteraad of gemeenteraden,

    e. de wijze waarop de gemeenteraad of gemeenteraden toezicht op het bestuur uitoefenen,

    f. de gronden waarop het bestuur kan besluiten de vergaderingen besloten te houden,

    g. de periode waarvoor de stichting in het leven wordt geroepen, met dien verstande dat deze periode ten minste 5 jaren bedraagt, en

    h. de bevoegdheid de stichting te ontbinden, met dien verstande dat in de regeling een overheersende invloed van de overheid in het bestuur is verzekerd.

  • 7. De statuten van de stichting kunnen slechts worden gewijzigd na goedkeuring van de desbetreffende gemeenteraad of gemeenteraden.

  • 8. Het bestuur brengt jaarlijks aan de gemeenteraad of gemeenteraden verslag uit over de werkzaamheden, waarbij in ieder geval aandacht wordt geschonken aan de wezenskenmerken van het openbaar onderwijs. Het verslag wordt bekendgemaakt.

  • 9. De vergaderingen van het bestuur van de stichting zijn openbaar, tenzij het bestuur anders beslist, op gronden, vermeld in de statuten.

  • 10. Indien voor 1 februari van het jaar waarvoor de begroting geldt, de begroting niet is goedgekeurd, neemt de gemeenteraad of gemeenteraden de maatregelen die zij nodig achten om de continuïteit van het onderwijsproces te waarborgen.

  • 11. De gemeenteraad of gemeenteraden zijn in geval van ernstige taakverwaarlozing door het bestuur of functioneren in strijd met de wet bevoegd zelf te voorzien in het bestuur van de scholen en zo nodig de stichting te ontbinden.

  • 12. Artikel 155 van de Gemeentewet is niet van toepassing.

Artikel 49. Bestuursoverdracht openbare scholen
  • 1. De rechtspersoon die een openbare school in stand houdt, kan de instandhouding van die school overdragen aan een andere rechtspersoon die tot instandhouding van een openbare school bevoegd is. De overdracht geschiedt bij notariële akte.

  • 2. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering als bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte van aanstelling, aan de school aanstelt met ingang van de datum van overdracht.

  • 4. Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen die zijn rechtsvoorganger bezit in zijn hoedanigheid van bevoegd gezag, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.

Artikel 50. Mogelijkheid godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs

Het bevoegd gezag stelt de leerlingen in de gelegenheid op de school, binnen de schooltijden, godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te ontvangen. Van de tijd daaraan te besteden worden ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, aanhef en onder a, ten minste moeten ontvangen. Voor de leerlingen die dit onderwijs niet volgen, voorziet het bevoegd gezag in andere onderwijsactiviteiten op de school.

Artikel 51. Leraren godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs

Godsdienstonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door kerkelijke gemeenten, plaatselijke kerken, of rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens hun statuten het geven van godsdienstonderwijs ten doel stellen. Levensbeschouwelijk vormingsonderwijs wordt gegeven door leraren daartoe aangewezen door volledige rechtsbevoegdheid bezittende organisaties op geestelijke grondslag.

Artikel 52. Aanstelling, schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen personeel
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden voor het personeel voorschriften vastgesteld omtrent aanstelling, schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen.

  • 2. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens het eerste lid zijn gedeputeerde staten van de desbetreffende provincie bevoegd de disciplinaire maatregel of de schorsing op te leggen dan wel het ontslag te verlenen, indien het betreft een directeur, een adjunct-directeur of een ander lid van het onderwijzend personeel van een openbare school en deze tevens lid is van de raad van de gemeente die de school in stand houdt.

Artikel 53. Akte van aanstelling
  • 1. Ieder personeelslid is in het bezit van een door het bevoegd gezag getekende akte van aanstelling. De akte van aanstelling bevat in elk geval:

    a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;

    b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;

    c. de datum van ingang van de aanstelling;

    d. de functie waarin de betrokkene wordt aangesteld;

    e. de omvang van de betrekking;

    f. de bepaling of de aanstelling in vaste of in tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van de aanstelling;

    g. de op de dag van zijn aanstelling van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;

    h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst van het bevoegd gezag; en

    i. voor personeelsleden die bij de uitoefening van hun functie kennis nemen van persoonlijke gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent geheimhouding daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit anderen hoofde is verzekerd.

  • 2. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de akten van bekwaamheid, van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van aanstelling van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.

Artikel 54. Horen directeur bij aanstelling personeel

De aanstelling van de mede-directeur, de adjunct-directeur of leraren geschiedt de directeur gehoord.

AFDELING 3. OVERIGE VOORWAARDEN VOOR BEKOSTIGING UIT DE OPENBARE KASSEN VAN HET BIJZONDER ONDERWIJS
Artikel 55. Instandhouding bijzondere school door rechtspersoon

Een bijzondere school wordt in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich blijkens de statuten of reglementen het geven van onderwijs ten doel stelt zonder daarbij het maken van winst te beogen.

Artikel 56. Bestuursoverdracht
  • 1. De rechtspersoon die de school in stand houdt, kan de instandhouding van de school overdragen aan een andere rechtspersoon die voldoet aan artikel 55. De overdracht geschiedt bij notariële akte.

  • 2. Bij deze akte verbindt de overdragende rechtspersoon zich tevens de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen alsmede de roerende zaken over te dragen. Deze akte geldt tevens als akte van levering bedoeld in artikel 89 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte van benoeming, benoemt met ingang van de datum van overdracht.

  • 4. Door overdracht met inachtneming van de voorgaande leden, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger met betrekking tot de school, onverminderd hetgeen verder voor de overgang daarvan naar burgerlijk recht is vereist.

  • 5. Bij een splitsing als bedoeld in artikel 334a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van een rechtspersoon die een school in stand houdt, wordt in de splitsingsakte bepaald dat de voortbestaande splitsende rechtspersoon de school in stand zal houden of op welke verkrijgende rechtspersoon de instandhouding van de school overgaat. In het laatste geval zijn het tweede tot en met vierde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 57. Godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs

Onverminderd artikel 9 kunnen de onderwijsactiviteiten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs omvatten. Van de tijd daaraan te besteden worden ten hoogste 120 uren per schooljaar meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, aanhef en onder a, ten minste moeten ontvangen. Het geven van godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs kan worden opgedragen aan een niet aan de school verbonden leraar.

Artikel 58. Geen weigering toelating op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing
  • 1. Indien binnen redelijke afstand van de woning van de leerling geen gelegenheid bestaat tot het volgen van openbaar onderwijs, mag de toelating tot de school niet worden geweigerd op grond van godsdienstige gezindheid of levensbeschouwing. Het voorgaande is niet van toepassing indien de school uitsluitend is bestemd voor interne leerlingen.

  • 2. Leerlingen die ingevolge het eerste lid zijn toegelaten, kunnen niet worden verplicht godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs te volgen.

Artikel 59. Akte van benoeming
  • 1. De akte van benoeming bevat tenminste bepalingen van gelijke inhoud als zijn vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 33, tweede lid onder a en b, voor zover deze geen rechtstreekse aanspraak op het Rijk geven.

  • 2. Ieder personeelslid is in het bezit van een door het bevoegd gezag en hemzelf getekende akte van benoeming. De akte van benoeming bevat in elk geval:

    a. de naam en het adres van het bevoegd gezag;

    b. de naam, de voornamen en de geboortedatum van de betrokkene;

    c. de datum van ingang van de benoeming;

    d. de functie waarin de betrokkene wordt benoemd;

    e. de omvang van de betrekking;

    f. de bepaling of de benoeming in vaste of tijdelijke dienst geschiedt en in het laatste geval de gronden voor de tijdelijkheid en de duur van de benoeming;

    g. de op de dag van zijn benoeming van toepassing zijnde schaal en het salarisnummer;

    h. de bepaling dat de betrokkene werkzaam zal zijn in algemene dienst van het bevoegd gezag; en

    i. voor personeelsleden die bij de uitoefening van hun functie kennis nemen van persoonlijke gegevens van leerlingen, voorschriften omtrent geheimhouding daarvan, voor zover een geheimhoudingsplicht niet uit anderen hoofde is verzekerd.

  • 3. De akte van benoeming bevat bepalingen inzake gronden voor schorsing, ontslag en disciplinaire maatregelen.

  • 4. Het bevoegd gezag draagt zorg dat afschriften van de akten van bekwaamheid, van de verklaringen omtrent het gedrag, alsmede van de akten van benoeming van het aan de school verbonden personeel worden bewaard.

Artikel 60. Beroepsrecht personeel
  • 1. Het bevoegd gezag is aangesloten bij een commissie van beroep. Het personeel kan bij die commissie beroep instellen tegen een besluit van het bevoegd gezag inhoudende:

    a. een disciplinaire maatregel;

    b. schorsing;

    c. het direct of indirect onthouden van promotie;

    d. het verminderen van de omvang van de betrekking;

    e. ontslag anders dan op eigen verzoek, voordat de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt;

    f. de beslissing van het bevoegd gezag ten aanzien van een personeelslid op basis waarvan op termijn vermindering van diens betrekkingsomvang kan plaatsvinden;

    g. de beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;

    h. de aanwijzing als personeelslid boven de reguliere formatie voortvloeiend uit een algemeen verbindend voorschrift welke aanwijzing op termijn kan leiden tot ontslag, vermindering van de betrekkingsomvang of beëindiging van een verlengd tijdelijk dienstverband;

    i. de aanwijzing van een andere school of andere scholen waaraan een personeelslid werkzaamheden zal verrichten.

  • 2. Een besluit als bedoeld in het vorige lid, wordt schriftelijk aan de belanghebbende bekendgemaakt. Daarbij wordt tevens vermeld de beroepstermijn en het adres van de commissie waar het beroep kan worden ingesteld.

  • 3. Het bevoegd gezag onderwerpt zich aan de uitspraak van de commissie.

Artikel 61. Beroepstermijn
  • 1. Het beroep bedoeld in artikel 60, wordt schriftelijk ingesteld binnen 6 weken, nadat het besluit aan belanghebbende is bekendgemaakt. Bij overschrijding van deze termijn ten gevolge van omstandigheden die de belanghebbende niet kunnen worden verweten, laat de commissie niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege.

  • 2. Tijdens de behandeling door de commissie van beroep loopt geen verjaring met betrekking tot rechtsvorderingen ter zake van besluiten die aan het oordeel van de commissie zijn onderworpen.

Artikel 62. Commissie van beroep personeel
  • 1. Een commissie van beroep strekt haar werkzaamheden uit over ten minste 50 bijzondere scholen. Onze minister kan dit aantal lager stellen.

  • 2. Tot scholen bedoeld in het eerste lid, kunnen ook scholen voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs behoren.

  • 3. De commissie bestaat uit 5 leden en 5 plaatsvervangende leden, waarvan 2 leden en 2 plaatsvervangende leden worden gekozen door het bevoegd gezag en 2 leden en 2 plaatsvervangende leden door het personeel van de aangesloten scholen. Deze 4 leden kiezen het vijfde lid, tevens voorzitter, en diens plaatsvervanger.

  • 4. De leden en plaatsvervangende leden mogen niet behoren tot het bevoegd gezag of het personeel van een aangesloten school of tot de inspectie van het onderwijs.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de samenstelling en de werkwijze van de commissie van beroep.

Artikel 63. Besluiten bijzonder onderwijs inzake toelating en verwijdering en bezwaarprocedure
  • 1. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 36, derde lid, een student de toegang weigert, maakt het dit besluit, schriftelijk en met redenen omkleed, bekend door toezending of uitreiking aan de student, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.

  • 2. Indien het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van artikel 40 weigert een leerling toe te laten dan wel een leerling verwijdert, maakt het het besluit daartoe, schriftelijk en met redenen omkleed, bekend door toezending of uitreiking aan de ouders. Daarbij wordt tevens de inhoud van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, vermeld. Voordat het bevoegd gezag van een bijzondere school op grond van dat artikellid beslist tot verwijdering van een leerling, hoort het de ouders van de leerling, onverminderd het bepaalde in dat artikellid.

  • 3. Binnen 6 weken na de bekendmaking, bedoeld in het tweede lid, kunnen de ouders bij het bevoegd gezag schriftelijk bezwaar maken tegen de beslissing. Het bevoegd gezag beslist binnen 4 weken na ontvangst van het bezwaarschrift. Alvorens te beslissen hoort het bevoegd gezag de ouders.

TITEL III. OVERIGE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT HET UIT DE OPENBARE KASSEN BEKOSTIGD ONDERWIJS

Artikel 64. Georganiseerd overleg

Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van het personeel bedoeld in artikel 32, wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels overleg gevoerd met de daarvoor in aanmerking komende personeelsorganisaties en, indien en voor zover zij daarbij belang hebben, organisaties van gemeente- en schoolbesturen. De algemene maatregel van bestuur bepaalt tevens de gevallen waarin in dat overleg overeenstemming met de personeelsorganisaties dient te worden bereikt.

Artikel 65. Schoolwijken
  • 1. De gemeenteraad is bevoegd uitsluitend in het belang van een doelmatige spreiding van de leerlingen over de openbare scholen, het grondgebied van de gemeente in schoolwijken te verdelen.

  • 2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid, geldt voor ten minste 3 schooljaren, met dien verstande dat tussentijdse wijziging mogelijk is in geval van veranderingen in het scholenbestand. Burgemeester en wethouders zenden binnen 4 weken nadat het besluit is genomen afschrift daarvan aan gedeputeerde staten.

  • 3. De toelating tot een openbare school geschiedt in overeenstemming met de vastgestelde schoolwijken, tenzij de ouders van een leerling schriftelijk aan het bevoegd gezag te kennen geven toelating tot een school in een andere schoolwijk te wensen.

Artikel 66. Overlegorgaan b.o. – s.o.

Vertegenwoordigers van het basisonderwijs en het speciaal onderwijs kunnen ten behoeve van de scholen en instellingen die zij vertegenwoordigen een overlegorgaan oprichten met het doel de samenwerking tussen die scholen en instellingen te bevorderen ten aanzien van de toelating van leerlingen en de inrichting van het onderwijs.

Artikel 67. Overlegorgaan b.o. – aansluitend v.o.

Met betrekking tot het basisonderwijs en het aansluitend voortgezet onderwijs is artikel 66 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 68. Centrale dienst
  • 1. Op het personeel van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die

    a. uitsluitend wordt bestuurd door een bevoegd gezag al dan niet met een of meer andere bevoegde gezagsorganen als bedoeld in deze wet, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs,

    b. zich blijkens de statuten dan wel de gemeenschappelijke regeling, bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, behoudens artikel 132, zesde lid, uitsluitend ten doel stelt om ten behoeve van scholen en andere onderwijsinstellingen die uit 's Rijks kas worden bekostigd, werkzaamheden te verrichten ter verzekering van de goede gang van het onderwijs met uitzondering van het leiden van de school, het geven van onderwijs en het verrichten van werkzaamheden op het terrein van de schoolbegeleiding als bedoeld in artikel 179,

    c. niet het maken van winst beoogt,

    d. wordt bekostigd met behulp van bijdragen van de bevoegde gezagsorganen waarvoor diensten worden verricht, waaronder begrepen formatierekeneenheden die zijn toegekend op basis van artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132 en

    e. Onze minister heeft medegedeeld als rechtspersoon in de zin van dit artikel werkzaam te willen zijn,

    zijn van toepassing de bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de artikelen 32 en 33, vastgestelde salarissen en toelagen, alsmede de bij die algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorschriften omtrent geneeskundig onderzoek bij benoeming, vakantie, verlof, aanspraken op salaris in geval van militaire dienst, ziekte of ongeval, ontslaguitkeringen en voorschriften omtrent andere rechten en verplichtingen.

    Voor de toepassing van de eerste volzin, onder b, wordt onder het geven van onderwijs niet begrepen het onderwijs dat wordt gegeven door personeel dat is benoemd of aangesteld op formatie als bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132.

  • 2. Onder bevoegd gezag en bevoegde gezagsorganen in het eerste lid onderdeel a wordt mede verstaan de gemeenteraad.

  • 3. Het bestuur van de rechtspersoon is aangesloten bij een commissie van beroep als bedoeld in artikel 60. De leden en plaatsvervangende leden van een commissie van beroep mogen niet behoren tot het bestuur of het personeel van de rechtspersoon.

  • 4. De in het eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen delen Onze minister mede dat zij het bestuur vormen van een rechtspersoon in de zin van dit artikel. Voorts verschaffen zij Onze minister en de door hem aangewezen personen desgevraagd alle inlichtingen omtrent de rechtspersoon en zijn activiteiten. De in het eerste lid onder a bedoelde bevoegde gezagsorganen kunnen Onze minister mededelen dat zij erin toestemmen dat de gevraagde inlichtingen rechtstreeks door het bestuur van de rechtspersoon zelf aan Onze minister en de door hem aangewezen personen worden verschaft.

  • 5. De gemeente en het bevoegd gezag dat deel uitmaakt van het bestuur van de rechtspersoon, zijn verplicht op de naleving van de in de voorgaande leden genoemde voorschriften toe te zien.

  • 6. De artikelen 37, 38, 60 en 61 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het personeel van de rechtspersoon met dien verstande dat een geschillencommissie haar werkzaamheden uitstrekt over ten minste vijf rechtspersonen als bedoeld in dit artikel.

  • 7. De artikelen 5, 164, 177, 178 en 182 zijn van overeenkomstige toepassing.

TITEL IV. BEKOSTIGING

AFDELING 1. ALGEMEEN
Artikel 69. Grondslag bekostiging
  • 1. De kosten van de openbare en de bijzondere scholen worden door het Rijk vergoed volgens de bepalingen van deze titel met uitzondering van afdeling 3. De overschrijdingsbedragen bedoeld in de artikelen 139 tot en met 147 blijven ten laste van de gemeente.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven ter uitvoering van het eerste lid. Deze algemene maatregel van bestuur bevat in elk geval een regeling omtrent:

    a. de termijnen binnen welke besluiten moeten worden genomen;

    b. de verstrekking van voorschotten op de vergoedingen;

    c. de verrekening van de vergoeding met de voorschotten.

  • 3. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, bevat tevens:

    a. een regeling omtrent de uitkering van de vergoeding voor kosten van de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voortvloeiende uit het gebruik door een school van voorzieningen die voor meer dan een school of voor andere doeleinden zijn bestemd;

    b. een financiële regeling tussen het Rijk en de bevoegde gezagsorganen die personeel dat is aangesteld ten laste van de uitgaven voor de materiële instandhouding in dienst hebben ter zake van een korting op de vergoeding ter compensatie van de kosten van de voor dat personeel geldende rechtspositionele voorzieningen, voor zover deze ten laste van 's Rijks kas komen;

    c. een financiële regeling tussen het Rijk en de bevoegde gezagsorganen die personeel in dienst hebben dat niet door het Rijk wordt bekostigd ter zake van een korting op de vergoeding ter compensatie van de kosten van de voor dat personeel geldende rechtspositionele voorzieningen, voor zover deze ten laste van 's Rijks kas komen.

  • 4. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het tweede lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 70. Aanvullende middelen

Onze minister kan onder nader te stellen voorwaarden aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, en de schoolbegeleiding ten behoeve daarvan, maar die direct of indirect dienstig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor verhoging van de mogelijkheid tot deelname aan het onderwijs.

Artikel 71. Beroep

Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen:

a. een besluit of een van rechtswege verleende goedkeuring als bedoeld in de afdelingen 2 en 9 van deze titel,

b. een besluit als bedoeld in artikel 120, derde lid, en

c. een besluit als bedoeld in artikel 135.

Artikel 72. Instandhouding openbare scholen door een stichting of een openbare rechtspersoon
  • 1. Voor de toepassing van deze titel zijn de voorschriften die betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 48 of een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 47, tenzij het tegendeel blijkt.

  • 2. Indien een openbare school in stand wordt gehouden door een stichting of een openbare rechtspersoon, wordt deze aangemerkt als een door de gemeente in stand gehouden openbare school voor de toepassing van afdeling 2 en afdeling 9.

AFDELING 2. AANVANG VAN DE BEKOSTIGING
§ 1. Basisscholen
Artikel 73. Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: basisschool.

Artikel 74. Plan van nieuwe scholen
  • 1. De bekostiging van een openbare en een bijzondere school kan slechts een aanvang nemen, indien zij voorkomt op een voor de gemeente van vestiging vastgesteld plan van nieuwe scholen. De bekostiging van een nevenvestiging neemt slechts een aanvang op grond van artikel 85. De artikelen 74, tweede lid, tot en met 83 zijn niet van toepassing op nevenvestigingen, bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde openbare school of omgekeerd, bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde bijzondere school van een andere richting en bij uitbreiding van het onderwijs aan een school met openbaar onderwijs of met onderwijs van een of meer richtingen. De bekostiging kan slechts aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.

  • 2. De gemeenteraad stelt het plan, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, al dan niet in samenwerking met de raad van een of meer andere gemeenten, elk jaar voor 1 augustus vast. Het plan bestrijkt 3 achtereenvolgende schooljaren volgende op het jaar van de vaststelling en vermeldt in elk geval welke scholen bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komen en de reden waarom de overige scholen daarvoor niet in aanmerking komen. Het plan vermeldt verder van elke school de plaats van vestiging en de te verwachten omvang. Het plan behoeft de goedkeuring van Onze minister, bedoeld in artikel 79.

  • 3. Bij de goedkeuring van Onze minister van het plan, treden voor de toepassing van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht burgemeester en wethouders in de plaats van het bevoegd gezag van de bijzondere scholen.

Artikel 75. Plaatsing openbare school op plan
  • 1. Een voorstel van burgemeester en wethouders aan de gemeenteraad dat de opneming in het plan van een of meer openbare scholen bevat, gaat vergezeld van:

    a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen,

    b. de beschrijving van het voedingsgebied,

    c. de aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven en

    d. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging.

  • 2. De gemeenteraad neemt een openbare school in elk geval in het plan op, indien binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat. De gemeenteraad neemt een openbare school voorts in het plan op, indien op grond van de bij het voorstel overgelegde gegevens aannemelijk is, dat zij voldoet aan de normen van artikel 77, eerste lid.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde prognose:

    a. geeft inzicht in het te verwachten aantal leerlingen voor elk jaar van het tijdvak waarop de prognose betrekking heeft,

    b. is gebaseerd op statistische gegevens over een tijdvak van 5 jaar en

    c. vermeldt de berekeningen die tot de uitkomsten hebben geleid.

    De prognose bevat gegevens omtrent:

    1°. het voedingsgebied,

    2°. de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven,

    3°. de bevolking in het voedingsgebied van 0 tot en met 14 jaar, verdeeld in leeftijdsgroepen van 1 jaar,

    4°. de te verwachten instroom naar en uitstroom uit die bevolking,

    5°. het te verwachten aantal levendgeborenen en

    6°. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het openbaar basisonderwijs in een vergelijkbare gemeente, of

    7°. indien het betreft openbaar onderwijs waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de openbare school of scholen binnen de gemeente.

    De prognose kan tevens gegevens bevatten naar aanleiding van de directe meting.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden modellen vastgesteld voor het verstrekken van de prognose, bedoeld in het eerste lid. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze de prognose wordt ingediend.

Artikel 76. Verzoek om opneming in plan van bijzondere school
  • 1. Een verzoek om opneming in het plan van een bijzondere school moet voor 1 februari van het jaar van de vaststelling van het plan bij de gemeenteraad worden ingediend.

  • 2. Het verzoek vermeldt de richting van de school en naam en adres van het bevoegd gezag en gaat vergezeld van de gegevens genoemd in artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid, met dien verstande dat in afwijking van artikel 75, eerste lid, juncto artikel 75, derde lid onder c 6°en c 7° de prognose gegevens bevat omtrent:

    a. indien het betreft een richting waarvoor nog geen basisonderwijs binnen de gemeente wordt gegeven: het belangstellingspercentage voor het basisonderwijs van die richting in een vergelijkbare gemeente, of

    b. indien het betreft een school van een richting waarvoor reeds een school binnen de gemeente aanwezig is: het belangstellingspercentage voor de school of scholen van die richting binnen de gemeente.

    Indien de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens onvoldoende zijn om het verzoek te kunnen beoordelen, delen burgemeester en wethouders voor 1 maart volgend op de in het eerste lid genoemde datum aan het bevoegd gezag mede dat de gegevens voor 1 april daaropvolgend dienen te worden aangevuld. Indien de aanvullende gegevens niet voor 1 april zijn verstrekt, wordt het verzoek buiten behandeling gelaten.

Artikel 77. Opneming bijzondere school in plan
  • 1. De gemeenteraad neemt een bijzondere school in elk geval in het plan op, indien op grond van de bij het verzoek overgelegde gegevens aannemelijk is dat zij binnen 5 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging en voorts gedurende 15 jaar na die periode van 5 jaar zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de voor de gemeente geldende stichtingsnorm.

  • 2. Bij ministeriële regeling wordt voor elke gemeente een stichtingsnorm vastgesteld welke 10/6 bedraagt van de voor de gemeente geldende opheffingsnorm berekend op grond van artikel 154. De uitkomst wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De stichtingsnorm bedraagt minimaal 200.

  • 3. De stichtingsnormen, bedoeld in het tweede lid, zijn in afwijking van het tweede lid, eerste volzin, voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar gelijktijdig met de aanpassing van de opheffingsnormen op grond van artikel 153 bij ministeriële regeling aangepast. De ministeriële regeling bedoeld in de derde volzin, wordt voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de stichtingsnormen van kracht zijn, bekend gemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 4. In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 283 van de Gemeentewet, stelt Onze minister op de wijze als aangegeven in het tweede lid de nieuwe stichtingsnormen voor de betrokken gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen. De nieuwe stichtingsnormen treden in de plaats van de op grond van het tweede en derde lid bepaalde stichtingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de stichtingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.

  • 5. In het geval van een wijziging van de naam van een gemeente of een wijziging van het gemeentenummer past Onze minister de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, of de bijlage, bedoeld in het derde lid, dienovereenkomstig aan.

Artikel 78. Berekening aantal leerlingen

Bij de berekening van het aantal leerlingen dat een openbare of een bijzondere school zal bezoeken, worden niet meegeteld leerlingen die wonen binnen redelijke afstand van een openbare school, onderscheidenlijk van een bijzondere school van de desbetreffende richting of richtingen en voor wie op die school plaatsruimte aanwezig is.

Artikel 79. Goedkeuring plan door minister
  • 1. Aan het plan wordt toegevoegd een overzicht van de verzoeken die niet zijn ingewilligd en de motivering daarvan. In het plan wordt aangegeven op welke wijze artikel 78 ten aanzien van de op het plan geplaatste scholen is toegepast. Deze stukken worden door de gemeenteraad binnen 2 weken na de vaststelling van het plan aan alle verzoekers gezonden met vermelding van de datum waarop het plan ter goedkeuring aan Onze minister is gezonden. Het plan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd in het gemeentehuis.

  • 2. Binnen 2 weken na de vaststelling wordt het plan ter goedkeuring aan Onze minister gezonden. Het gaat vergezeld van de ingewilligde verzoeken en de stukken genoemd in het eerste lid. Indien de bij het verzoek gevoegde gegevens onvoldoende zijn om het verzoek te kunnen beoordelen, deelt Onze minister voor 15 september volgend op de in de eerste volzin bedoelde datum aan burgemeester en wethouders mede dat de gegevens voor 15 oktober daaropvolgend dienen te worden aangevuld. Indien de aanvullende gegevens niet voor 15 oktober zijn verstrekt, wordt het verzoek buiten behandeling gelaten.

  • 3. Onze minister beslist voor 1 januari voorafgaande aan de planperiode. Afschrift van de beslissing wordt binnen 2 weken aan de gemeenteraad gezonden. Indien Onze minister niet voor 1 januari heeft beslist, wordt het plan geacht te zijn goedgekeurd.

  • 4. Onze minister onthoudt zijn goedkeuring voor zover:

    a. de in artikel 75, tweede lid eerste volzin, omschreven situatie zich voordoet en geen openbare school in het plan werd opgenomen;

    b. 1°. op grond van de bij het verzoek om goedkeuring overgelegde gegevens niet aannemelijk is dat een school overeenkomstig de artikelen 77 en 78 zal worden bezocht door het ingevolge artikel 77 vereiste aantal leerlingen, dan wel

    2°. indien het in een zodanig geval betreft een openbare school de stichting daarvan niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, tweede lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet voordoet;

    c. 1°. wegens een in het plan opgenomen andere school of een in een plan van een andere gemeente opgenomen school, die voor bekostiging in aanmerking zal worden gebracht, niet aannemelijk is dat een school overeenkomstig de artikelen 77 en 78 zal worden bezocht door het ingevolge artikel 77 vereiste aantal leerlingen, dan wel

    2°. indien het in een zodanig geval betreft een openbare school de stichting daarvan niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, tweede lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet meer zal voordoen;

    d. niet is voldaan aan het bij en krachtens deze wet bepaalde met betrekking tot de prognoses;

    e. is uitgegaan van kennelijk ondeugdelijke prognoses, of

    f. ten aanzien van een op het plan geplaatste school ten onrechte niet is bepaald dat zij voor bekostiging in aanmerking komt bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode.

  • 5. Bij onthouding van de goedkeuring op grond van het vierde lid onder a, draagt Onze minister de gemeenteraad op alsnog een openbare school in het plan op te nemen. Indien goedkeuring wordt onthouden op grond van het vierde lid onder f draagt Onze minister de gemeenteraad op in het plan alsnog te vermelden dat de betrokken school bij de aanvang van het eerste schooljaar van de planperiode voor bekostiging in aanmerking komt.

  • 6. Indien ten gevolge van een beslissing van Onze minister op grond van het vierde lid een school uit het plan moet vervallen, deelt Onze minister deze beslissing binnen 2 weken mee aan de indiener van het verzoek om opneming in het plan van de betrokken school.

  • 7. Indien tegen een besluit van Onze minister als bedoeld in het zesde lid, beroep wordt ingesteld en de beslissing dan wel het daaropvolgende besluit van Onze minister strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad de school op in het na de beslissing in beroep onderscheidenlijk het besluit van Onze minister vast te stellen plan.

  • 8. Zodra de bekostiging van een in het plan opgenomen school een aanvang kan nemen, doet Onze minister daarvan mededeling aan het bevoegd gezag.

Artikel 80. Beroep bij weigering opneming school in plan
  • 1. Indien de gemeenteraad een verzoek tot opneming in het plan van een bijzondere of een openbare school niet heeft ingewilligd, kunnen de verzoekers bij Onze minister in beroep komen.

  • 2. Indien een onherroepelijk geworden beslissing van Onze minister of een naar aanleiding van de beslissing van Onze minister in beroep gegeven beslissing strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van de school, neemt de gemeenteraad de school op in het na de onherroepelijk geworden beslissing onderscheidenlijk de in beroep gegeven beslissing vast te stellen plan.

Artikel 81. Bekostiging van op het plan voorkomende scholen
  • 1. Scholen die gedurende 3 achtereenvolgende schooljaren in het plan zijn opgenomen en niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, brengt de gemeenteraad voor het daaropvolgende schooljaar voor bekostiging in aanmerking.

  • 2. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 79, zevende lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste schooljaar van het plan waarin de school was opgenomen. Ten aanzien van een school die ingevolge artikel 80, tweede lid, in het daar bedoelde plan wordt opgenomen, vangt de termijn genoemd in het eerste lid, aan met ingang van het eerste schooljaar van het plan waarvoor het verzoek werd ingediend.

Artikel 82. Scholen uit voorgaand plan
  • 1. Behoudens het bepaalde in het tweede lid worden in elk plan de scholen uit het voorgaande plan opgenomen die:

    a. nog niet voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, of

    b. voor bekostiging in aanmerking zijn gebracht, maar waaraan het onderwijs nog niet is aangevangen.

  • 2. Uit het voorgaande plan wordt een school niet opgenomen:

    a. indien de indiener van een verzoek heeft gevraagd de school te laten vervallen;

    b. indien aan een bijzondere school het onderwijs niet is aangevangen bij aanvang van het tweede schooljaar volgend op het schooljaar waarvoor de school het eerst voor bekostiging in aanmerking is gebracht, tenzij opneming in het plan op grond van de bij een nieuw verzoek overgelegde gegevens gerechtvaardigd is, of

    c. indien zich naar het oordeel van de gemeenteraad omstandigheden hebben voorgedaan die bij de vaststelling van het plan niet bekend waren, en die, waren zij wel bekend geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

  • 3. Artikel 80 is van overeenkomstige toepassing indien een school ingevolge het tweede lid onder c niet in een volgend plan wordt opgenomen.

Artikel 83. Achterwege blijven vaststelling plan
  • 1. De vaststelling van een plan blijft achterwege indien:

    a. geen verzoeken om opneming in het plan zijn ingekomen of geen der ingekomen verzoeken voor inwilliging in aanmerking komt,

    b. stichting van een openbare school niet noodzakelijk is, omdat de in artikel 75, tweede lid eerste volzin, omschreven situatie zich niet voordoet en

    c. geen scholen uit het voorafgaande plan voor opneming in het plan in aanmerking komen.

  • 2. Het besluit bedoeld in het eerste lid onder b, behoeft uitsluitend de goedkeuring van Onze minister, indien in het voorafgaande jaar een zelfde besluit werd genomen en daarvoor geen goedkeuring is gevraagd. Het goed te keuren besluit wordt voor 1 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode aan Onze minister gezonden. Artikel 79, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien een onherroepelijk geworden beslissing van Onze minister of een naar aanleiding van de beslissing van Onze minister in beroep gegeven beslissing strekt tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van een openbare school, neemt de gemeenteraad de school op in het na de onherroepelijk geworden beslissing onderscheidenlijk de in beroep gegeven beslissing vast te stellen plan.

  • 4. Aan de indieners van de niet ingewilligde verzoeken bedoeld in het eerste lid onder a, wordt voor 15 augustus voorafgaande aan de betrokken planperiode, afschrift gezonden van het desbetreffende raadsbesluit.

Artikel 84. Omzetting; uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs; verplaatsing
  • 1. Onze minister kan onder door hem te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt omgezet, als bedoeld in artikel 74, eerste lid derde volzin, of waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met openbaar onderwijs, dan wel met onderwijs van een of meer richtingen.

  • 2. Onze minister kan goedkeuren dat een bekostigde school een andere plaats van vestiging krijgt. Onze minister kan aan zijn goedkeuring voorwaarden verbinden.

  • 3. Een verzoek om een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid, is met redenen omkleed en gaat vergezeld van de gegevens, genoemd in artikel 75, eerste lid. Onze minister willigt het verzoek slechts in, ingeval:

    a. de school, indien deze in een plan van scholen zou zijn opgenomen, bij toepassing van de artikelen 77 tot en met 79 door hem zou worden goedgekeurd,

    b. indien op de onder a genoemde grond geen goedkeuring zou kunnen worden verleend en het een omzetting in een openbare school, een uitbreiding met openbaar onderwijs, of een verplaatsing van een school waaraan openbaar onderwijs wordt gegeven betreft, binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, of

    c. de bekostiging van de school, indien daaraan het onderwijs wordt uitgebreid met openbaar onderwijs of met onderwijs van een of meer richtingen, van uitsluitend een of meer op te heffen scholen, met inachtneming van de artikelen 154 tot en met 156 gedurende ten minste 20 achtereenvolgende jaren zou kunnen worden voortgezet.

Artikel 85. Bekostiging nevenvestiging
  • 1. De bekostiging van een nevenvestiging van een school neemt een aanvang met ingang van 1 augustus indien:

    a. de nevenvestiging overeenkomstig artikel 158 voldoet aan een der normen voor bekostiging, genoemd in dat artikel en, voor zover het een nevenvestiging betreft die voor bekostiging in aanmerking komt op grond van het eerste lid, onder e, van dat artikel, op die grond aan alle scholen van het bevoegd gezag of, bij toepassing van artikel 157, derde lid, de samenwerkende bevoegde gezagsorganen, niet meer nevenvestigingen worden verbonden dan het verschil tussen het totale aantal leerlingen van die scholen gedeeld door 260 en het totale aantal leerlingen van die scholen gedeeld door 290, waarbij de quotiënten naar beneden worden afgerond op een geheel getal,

    b. de nevenvestiging niet wordt verbonden aan een school die met toepassing van artikel 157 in stand wordt gehouden,

    c. 1°. de nevenvestiging, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van de bekostiging als nevenvestiging, als zelfstandige school van de desbetreffende richting dan wel indien het betreft een nevenvestiging van een openbare school als zelfstandige openbare school werd bekostigd, of

    2°. de nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking kwam als nevenvestiging van de voormalige school bedoeld onder 1°,

    d. ingeval het betreft een nevenvestiging van een openbare school die in stand wordt gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op wier grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij notariële akte de instandhouding van de school die nevenvestiging is geworden, heeft overgedragen aan die andere rechtspersoon, en

    e. van de omvorming tot nevenvestiging voor 1 februari voorafgaand aan de datum, bedoeld in de aanhef, mededeling is gedaan aan Onze minister, en indien het betreft een situatie als bedoeld onder d, onder overlegging van gegevens waaruit blijkt dat aan het vereiste onder d is voldaan.

  • 2. Bij de akte, bedoeld in het eerste lid onder d, worden tevens overgedragen de rechten die het bevoegd gezag van een school toekomen, ten aanzien van het gebouw en terrein, alsmede ten aanzien van de roerende zaken. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte van aanstelling, aan de school aanstelt met ingang van de datum van overdracht.

  • 3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger voor zover deze zijn hoedanigheid van bevoegd gezag betroffen.

  • 4. Onze minister deelt voor 1 mei volgend op de mededeling, bedoeld in het eerste lid onder e, aan het bevoegd gezag van de beoogde nevenvestiging schriftelijk mede of de nevenvestiging zal worden bekostigd.

§ 2. Speciale scholen voor basisonderwijs
Artikel 86. Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: speciale school voor basisonderwijs.

Artikel 87. Beslissing minister tot bekostiging
  • 1. Onze minister kan een school op aanvraag van het bevoegd gezag van de school voor bekostiging in aanmerking brengen. Onze minister willigt de aanvraag slechts in, indien

    a. de bevoegde gezagsorganen van alle basisscholen in het samenwerkingsverband met het verzoek instemmen,

    b. het samenwerkingsverband meer dan de helft van de basisscholen omvat in een nieuwe woningbouwlocatie van ten minste 15 000 woningen of in aan elkaar grenzende woningbouwlocaties waar binnen 10 jaar in totaal ten minste 15 000 woningen worden gebouwd,

    c. het samenwerkingsverband nog niet over een speciale school voor basisonderwijs beschikt, en

    d. als gevolg van de oprichting van het samenwerkingsverband niet een reeds bestaand samenwerkingsverband onder de norm van artikel 18, tweede lid, terecht zou komen.

  • 2. De bekostiging kan slechts aanvangen met ingang van 1 augustus van een schooljaar.

Artikel 88. Omzetting; wijziging van richting; uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs; verplaatsing
  • 1. Onze minister kan onder door hem te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt omgezet van een openbare in een bijzondere school of omgekeerd, waaraan de richting van het onderwijs verandert of waaraan het onderwijs wordt uitgebreid met openbaar onderwijs, dan wel met onderwijs van een of meer richtingen.

  • 2. Onze minister kan ermee instemmen dat een bekostigde school een andere plaats van vestiging krijgt. Onze minister kan aan zijn instemming voorwaarden verbinden.

  • 3. Een aanvraag van een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid is met redenen omkleed en gaat vergezeld van

    a. een opgave van het samenwerkingsverband of de samenwerkingsverbanden waaraan de school deelneemt en zal gaan deelnemen,

    b. de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging en,

    c. 1°. indien het betreft een aanvraag van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, het openbaar onderwijs of de richting of richtingen van het bijzonder onderwijs dat de school voor en na de omzetting, wijziging van richting of uitbreiding met een of meer richtingen omvat, of

    2°. indien het betreft een aanvraag van een beslissing als bedoeld in het tweede lid, de aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven.

  • 4. Onze minister willigt de aanvraag van een beslissing als bedoeld in het tweede lid slechts in, ingeval binnen het betrokken samenwerkingsverband of de betrokken samenwerkingsverbanden sprake blijft van een goede bereikbaarheid van speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 5. De omzetting, wijziging van richting of uitbreiding met openbaar of bijzonder onderwijs kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van een schooljaar.

Artikel 89. Bekostiging nevenvestiging
  • 1. De bekostiging van een nevenvestiging van een school neemt een aanvang met ingang van 1 augustus indien:

    a. 1°. de nevenvestiging, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van de bekostiging als nevenvestiging, bekostigd werd als een zelfstandige school, of

    2°. de nevenvestiging voor bekostiging in aanmerking kwam als nevenvestiging van de voormalige school bedoeld onder 1°,

    b. ingeval het betreft een nevenvestiging van een openbare school die in stand wordt gehouden door een andere rechtspersoon dan de gemeente op wier grondgebied de nevenvestiging is gelegen, die gemeente bij notariële akte de instandhouding van de school die nevenvestiging is geworden, heeft overgedragen aan die andere rechtspersoon, en

    c. van de omvorming tot nevenvestiging voor 1 februari voorafgaand aan de datum, bedoeld in de aanhef, mededeling is gedaan aan Onze minister, en indien het betreft een situatie als bedoeld onder b, onder overlegging van de gegevens waaruit blijkt dat aan het vereiste onder b is voldaan.

  • 2. Bij de akte, bedoeld in het eerste lid onder b, worden tevens overgedragen de rechten die het bevoegd gezag van een school toekomen ten aanzien van het gebouw en terrein, alsmede ten aanzien van de roerende zaken. In de akte wordt bepaald dat de rechtspersoon aan wie wordt overgedragen, het personeel in gelijke betrekkingen en onder dezelfde voorwaarden als vermeld in de akte van aanstelling, aan de school aanstelt met ingang van de datum van overdracht.

  • 3. Door overdracht met inachtneming van het eerste en tweede lid, treedt de verkrijgende rechtspersoon in alle uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van zijn rechtsvoorganger voor zover deze zijn hoedanigheid van bevoegd gezag betroffen.

  • 4. Onze minister deelt voor 1 mei volgend op de mededeling, bedoeld in het eerste lid onder c, aan het bevoegd gezag van de beoogde nevenvestiging schriftelijk mede of de nevenvestiging zal worden bekostigd.

§ 3. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2
Artikel 90. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van deze afdeling.

  • 2. Een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De algemene maatregel van bestuur treedt niet in werking dan nadat 4 weken na die bekendmaking zijn verstreken.

AFDELING 3. VOORZIENING IN DE HUISVESTING
Artikel 91. Voorziening in huisvesting door de gemeenteraad
  • 1. De gemeenteraad draagt ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen en ten behoeve van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen zorg voor de voorzieningen in de huisvesting op het grondgebied van de gemeente overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling. Hij behandelt daarbij de door de gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op gelijke voet.

  • 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een niet door de gemeente in stand gehouden school mede begrepen een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging op het grondgebied van een andere gemeente is gelegen.

Artikel 92. Voorzieningen in de huisvesting
  • 1. Voor de toepassing van deze afdeling worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen:

    a. voor blijvend onderscheidenlijk voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:

    1°. nieuwbouw, een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan, verplaatsing van een bestaand gebouw of van een gedeelte daarvan, terreinen, alsmede eerste aanschaf van onderwijsleerpakketten en meubilair,

    2°. uitbreiding van de onder 1° bedoelde voorzieningen, en

    3°. medegebruik van een ruimte die geschikt is voor het onderwijs;

    b. voorzieningen, bestaande uit:

    1°. aanpassingen met uitzondering van het aanbrengen van een invalidentoilet en het toegankelijk maken van het gebouw voor gehandicapten, en

    2°. vervanging binnenkozijnen en binnendeuren inclusief hang- en sluitwerk, algehele vervanging radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming, alsmede onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw met uitzondering van het buitenschilderwerk;

    c. herstel van constructiefouten aan het gebouw, alsmede herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakketten en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden bruto vloeroppervlakten per gelijktijdig aanwezige leerling voorgeschreven die voorzieningen in de huisvesting ten minste dienen te bevatten. Deze oppervlakten kunnen per schoolsoort verschillend worden vastgesteld.

Artikel 93. Vaststelling door gemeenteraad van bedrag voor nieuwe voorzieningen in de huisvesting
  • 1. De gemeenteraad stelt jaarlijks ten behoeve van het eerstvolgende jaar voor een door hem te bepalen tijdstip het bedrag vast, tot welke de voorzieningen in de huisvesting voor scholen voor vergoeding in aanmerking kunnen worden gebracht voor:

    a. scholen,

    b. scholen voor speciaal onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs, scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel instellingen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en

    c. scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en voor voorbereidend beroepsonderwijs.

  • 2. Het bedrag wordt zodanig vastgesteld dat redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvesting van de in het eerste lid bedoelde scholen op het grondgebied van de gemeente.

Artikel 94. Indiening aanvraag
  • 1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst, dient een aanvraag voor opneming van die voorziening op het programma, bedoeld in artikel 95, in bij burgemeester en wethouders.

  • 2. De gemeenteraad kan ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 92 een vergoeding toekennen ter zake van de kosten van bouwvoorbereiding.

  • 3. De gemeenteraad stelt vast, voor welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend en aan welke voorwaarden deze dient te voldoen.

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de door de gemeente in stand gehouden scholen.

Artikel 95. Programma huisvestingsvoorzieningen
  • 1. De gemeenteraad stelt, na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente, jaarlijks ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een programma als bedoeld in het tweede lid vast. Het programma heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.

  • 2. Het programma omvat de voorzieningen in de huisvesting, bedoeld in artikel 92, die in het jaar na de vaststelling van het programma voor vergoeding in aanmerking zullen worden gebracht voor niet door de gemeente in stand gehouden scholen alsmede voorzieningen die nodig zijn voor door de gemeente in stand gehouden scholen.

  • 3. De gemeenteraad neemt uitsluitend voorzieningen in de huisvesting in het programma op, voor zover:

    a. met de voorzieningen in het kalenderjaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma redelijkerwijs een aanvang kan worden gemaakt dan wel de voorzieningen in het desbetreffende kalenderjaar kunnen worden gerealiseerd, en

    b. niet een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, van toepassing is.

  • 4. Indien het bedrag, bedoeld in artikel 93, niet toereikend is, worden die voorzieningen in het programma opgenomen die uit dat bedrag kunnen worden bekostigd, waarbij de volgorde wordt bepaald met inachtneming van de criteria, bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel c.

  • 5. De beslissing van de gemeenteraad kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten.

  • 6. De gemeenteraad kan aan de opneming in het programma voorwaarden verbinden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.

  • 7. De gemeenteraad neemt bij de vaststelling van het programma de criteria, bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel c, in acht.

  • 8. Binnen vier weken na de vaststelling van het programma treden burgemeester en wethouders met het bevoegd gezag in overleg over de wijze van uitvoering. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, delen burgemeester en wethouders het bevoegd gezag mede dat zij niet kunnen instemmen met de door het bevoegd gezag gewenste wijze van uitvoering.

  • 9. Tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het programma huisvestingsvoorzieningen in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het programma. Artikel 4:20 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 96. Overzicht

De gemeenteraad stelt gelijktijdig met het programma, bedoeld in artikel 95, ten behoeve van het onderwijs op het grondgebied van de gemeente voor een door hem te bepalen tijdstip een overzicht vast van die voorzieningen die zijn aangevraagd dan wel nodig zijn, die niet op het programma zijn opgenomen. Daarbij wordt aangegeven waarom de desbetreffende voorzieningen niet zijn opgenomen. Het overzicht wordt ter inzage gelegd. Het overzicht heeft betrekking op scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.

Artikel 97. Geen vaststelling van programma en overzicht

De gemeenteraad stelt geen programma als bedoeld in artikel 95 en geen overzicht als bedoeld in artikel 96 vast, indien geen voorziening in de huisvesting nodig is noch een aanvraag is ingediend voor scholen als bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdelen a, b en c.

Artikel 98. Beschikkingen op aanvragen met een spoedeisend karakter
  • 1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst die niet in het programma, bedoeld in artikel 95, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, dient een aanvraag om vergoeding van die voorziening in bij burgemeester en wethouders.

  • 2. De beschikking kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere voorziening dan gewenst omvatten. De gemeenteraad wijst de aanvraag af, indien:

    a. de beslissing over de voorziening kan worden genomen bij de vaststelling van het eerstvolgende programma, of

    b. een van de weigeringsgronden, genoemd in artikel 100, eerste lid, onderdelen a tot en met d en f, en tweede lid, van toepassing is.

Artikel 99. Tijdstip aanvang bekostiging; vervallen aanspraak op vergoeding
  • 1. De gemeenteraad beslist bij beschikking met ingang van welk tijdstip in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma, bedoeld in artikel 95, de vergoeding van een voorziening die in het programma is opgenomen, daadwerkelijk een aanvang kan nemen, onverminderd het bepaalde in artikel 101.

  • 2. De aanspraak op vergoeding van een voorziening vervalt, indien niet binnen een door de gemeente in de verordening op basis van artikel 102 te bepalen termijn na de beschikking, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot de voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten.

Artikel 100. Weigeringsgronden
  • 1. Een voorziening in de huisvesting wordt slechts geweigerd, indien:

    a. de gewenste voorziening geen voorziening is in de zin van artikel 92,

    b. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de aard en de omvang van de voorzieningen waarover de school reeds beschikt, voor zover deze uit de openbare kas zijn bekostigd, gelet op de normen, bedoeld in artikel 102, eerste lid, onderdeel b,

    c. de gewenste voorziening niet gerechtvaardigd is op grond van de te verwachten ontwikkeling van het aantal leerlingen of onderwijskundige ontwikkelingen, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 102, eerste lid, onderdelen c en d,

    d. op andere wijze dan wordt gewenst redelijkerwijs in de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien, onder meer doordat binnen redelijke afstand van de gewenste plaats van de voorziening gebruik dan wel medegebruik mogelijk is, of een reeds voor bekostiging in aanmerking gebracht gebouw of deel daarvan beschikbaar komt,

    e. het bedrag, bedoeld in artikel 93, niet toereikend is voor de te verstrekken voorzieningen voor scholen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, van dat artikel, of

    f. de gewenste voorziening anders dan op grond van de onderdelen b tot en met d niet noodzakelijk is.

  • 2. Een voorziening in de huisvesting kan tevens worden geweigerd, indien de voorziening als gevolg van het verwijtbaar nalaten van noodzakelijk onderhoud in een slechte bouwkundige staat verkeert of indien de voorziening nodig is voor herstel van schade die is veroorzaakt door schuld of toedoen van het bevoegd gezag.

Artikel 101. Toetsing i.v.m. wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden

Voorzieningen die in het programma, bedoeld in artikel 95, zijn opgenomen, komen voor vergoeding in aanmerking, mits op het tijdstip dat daarvoor op grond van artikel 99, eerste lid, is vastgesteld,

a. is voldaan aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en

b. de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert, ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma niet ingrijpend zijn gewijzigd.

Artikel 102. Gemeentelijke regeling
  • 1. De gemeenteraad stelt bij verordening een regeling vast met betrekking tot:

    a. de voorzieningen die ingevolge artikel 92 voor vergoeding in aanmerking kunnen worden gebracht,

    b. de oppervlakte en de indeling van schoolgebouwen,

    c. de urgentiecriteria,

    d. de prognosecriteria,

    e. de termijn bedoeld in artikel 99,

    f. de procedure met betrekking tot verhuur en het medegebruik van ruimten voor het onderwijs,

    g. de termijn gedurende welke een gebouw of terrein voor een school of nevenvestiging nog ten hoogste kan worden gebruikt bij toepassing van artikel 110, alsmede de procedure in verband met een eventueel op te maken staat van onderhoud, en

    h. de gegevens bedoeld in artikel 112.

  • 2. De regeling wordt zodanig vastgesteld dat kan worden voldaan aan de redelijke eisen die het onderwijs aan de huisvesting van scholen in de gemeente stelt.

  • 3. De gemeenteraad stelt normen vast aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting.

  • 4. Burgemeester en wethouders stellen volgens door hem te stellen regels de bedragen beschikbaar aan de hand van de door de gemeenteraad gestelde normen.

  • 5. De gemeenteraad stelt de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging daarvan, niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met door de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de gemeente aan te wijzen vertegenwoordigers. De gemeenteraad stelt daartoe een procedure vast.

  • 6. Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van de gemeentelijke verordening in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met de verordening of de wijziging daarvan. Artikel 4:20 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 103. Bouwheerschap
  • 1. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school geeft opdracht de voorziening in de huisvesting waartoe op grond van de artikelen 95 en 98 kan worden overgegaan, tot stand te brengen met daartoe door de gemeente beschikbaar te stellen gelden, tenzij het met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt.

  • 2. Indien de gemeente de voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden school tot stand heeft gebracht, worden gebouw en terrein aan het bevoegd gezag in eigendom overgedragen, tenzij burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag anders overeenkomen.

  • 3. Indien de voorziening in de huisvesting, bedoeld in het tweede lid, niet voldoet aan de eisen voor eigendomsoverdracht, geven burgemeester en wethouders deze aan het bevoegd gezag in gebruik.

Artikel 104. Goedkeuring eigen bouwplannen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school

Tenzij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat aanspraak heeft op vergoeding van een voorziening in de huisvesting, met burgemeester en wethouders overeenkomt dat de gemeente deze voorziening tot stand brengt, dient het de bouwplannen en de desbetreffende begrotingen ter goedkeuring in bij burgemeester en wethouders.

Artikel 105. Totstandbrenging voorziening voor een niet door de gemeente in stand gehouden school

De gemeente brengt een voorziening in de huisvesting van een niet door de gemeente in stand gehouden school slechts tot stand, indien tussen burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag overeenstemming bestaat over de bouwplannen en de wijze van uitvoering.

Artikel 106. Onderhoudsplicht; verbod tot vervreemding en bezwaring
  • 1. Het bevoegd gezag is verplicht het gebouw en terrein, alsmede de roerende zaken waarvoor vergoeding wordt genoten, behoorlijk te gebruiken en te onderhouden.

  • 2. Vervreemding door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school anders dan op grond van artikel 56 dan wel vervreemding door het bevoegd gezag van een openbare school dat met toepassing van artikel 85, tweede lid, de daar bedoelde rechten heeft verkregen van gebouwen, terreinen en roerende zaken waarvoor vergoeding wordt genoten, of bezwaren met een zakelijk recht door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school van zodanige gebouwen en terreinen, is zonder toestemming van burgemeester en wethouders nietig.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing ten aanzien van het recht van opstal ten behoeve van een door de gemeente te plaatsen tijdelijke voorziening in de huisvesting op grond die eigendom is van het bevoegd gezag van de betrokken school.

Artikel 107. Vorderingsrecht
  • 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een gedeelte van een gebouw of terrein dat tijdelijk of gedurende een gedeelte van de dag niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen. Het voorgenomen gebruik dient zich te verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school. Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening of expressie-activiteiten een gebouw of terrein dan wel een gedeelte daarvan dat tijdelijk gedurende gedeelten van de dag of in het geheel niet nodig zal zijn voor de daar gevestigde school, gedurende die tijd als huisvesting voor een andere school, voor ander uit de openbare kas bekostigd onderwijs niet zijnde basisonderwijs, of voor educatie als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden te bestemmen.

  • 2. Indien het gebouw of terrein in gebruik is voor een niet door de gemeente in stand gehouden school plegen burgemeester en wethouders vooraf overleg met het bevoegd gezag en, voor zover van toepassing, ook met het bevoegd gezag van die school of nevenvestiging waarvoor de huisvesting is bestemd.

Artikel 108. Verhuur en medegebruik gebouw of terrein
  • 1. Voor zover artikel 107 geen toepassing vindt, kan het bevoegd gezag een gedeelte van een gebouw of terrein in gebruik geven ten behoeve van uit de openbare kas bekostigd onderwijs dan wel voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Voor zover niet nodig voor uit de openbare kas bekostigd onderwijs, kan het bevoegd gezag een gedeelte van het gebouw of terrein verhuren aan een derde, voor zover het gehuurde niet bestemd zal zijn als woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in de artikelen 1623a, tweede lid, en 1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. Indien het een niet door de gemeente in stand gehouden school betreft, is voor verhuur toestemming van burgemeester en wethouders vereist.

  • 2. De ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid eindigt:

    a. indien burgemeester en wethouders gebruik maken van hun bevoegdheid op grond van artikel 107 zonder dat enige schadeplicht ontstaat, of

    b. indien het in gebruik gegeven dan wel verhuurde deel nodig is voor gebruik door de eigen school.

  • 3. Ingebruikgeving of verhuur ingevolge het eerste lid geschiedt niet indien het voorgenomen gebruik zich niet verdraagt met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school.

  • 4. Op de ingebruikgeving en verhuur ingevolge het eerste lid zijn de bepalingen van de Huurwet niet van toepassing.

  • 5. Het zonder toestemming van burgemeester en wethouders verhuren van een gebouw of terrein door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school alsmede elk met dit artikel strijdig beding opgenomen in een huurovereenkomst met betrekking tot schoolgebouwen, is nietig.

Artikel 109. Voorziening niet ten laste van de gemeente

Voorzieningen aan gebouwen of terreinen in verband met verhuur krachtens de artikelen 108 of 110 door het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school komen niet ten laste van de gemeente.

Artikel 110. Einde gebruik gebouw of terrein door een niet door de gemeente in stand gehouden school
  • 1. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het gebouw en terrein, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de toepassing van het eerste lid desgevraagd beslissen dat het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein of een voor eigendomsoverdracht vatbaar gedeelte daarvan, voor de school te gebruiken. De aanvraag om de beslissing wordt gedaan door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school. Alvorens op de aanvraag te beslissen, horen gedeputeerde staten de wederpartij.

  • 3. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat voornemens is gebouwen of terreinen, of een gedeelte daarvan, blijvend niet meer voor de school te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan burgemeester en wethouders.

  • 4. Zodra de in het eerste lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of de in het tweede lid bedoelde beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het tweede lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, wordt de akte onderscheidenlijk de beslissing, tenzij deze een gebouw betreft als bedoeld in artikel E 33 van de Overgangswet WBO, ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Door de inschrijving verkrijgt de gemeente de eigendom.

  • 5. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van het schoolgebouw, kunnen in een gezamenlijke akte verklaren dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn.

  • 6. Gedeputeerde staten kunnen in geval van een geschil omtrent de toepassing van het vijfde lid desgevraagd beslissen dat een gedeelte van het gebouw dat niet vatbaar is voor eigendomsoverdracht, blijvend niet meer voor het onderwijs nodig zal zijn. De aanvraag om de beslissing wordt gedaan door burgemeester en wethouders of door het bevoegd gezag van de school. Alvorens op de aanvraag te beslissen, horen gedeputeerde staten de wederpartij.

  • 7. Zodra de in het vijfde lid bedoelde akte door beide partijen is getekend, of de in het zesde lid bedoelde beslissing van gedeputeerde staten onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is bepaald dat de uitspraak van de rechter, inhoudende een beslissing als bedoeld in het zesde lid eerste volzin, in de plaats treedt van het vernietigde besluit, kan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school het desbetreffende gedeelte van het gebouw met toestemming van burgemeester en wethouders verhuren.

  • 8. De toestemming, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend voor een tijdvak van ten hoogste 3 jaren. Op verzoek van het bevoegd gezag kan dit tijdvak telkens worden verlengd met een termijn van ten hoogste 3 jaren.

  • 9. De Huurwet is niet van toepassing op de verhuur, bedoeld in het zevende lid.

Artikel 111. Jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten van een niet door de gemeente in stand gehouden school

In afwijking van het bepaalde in deze afdeling kan de gemeenteraad met het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, onder door de gemeenteraad te stellen voorwaarden, overeenkomen dat de gemeenteraad aan het bevoegd gezag ten behoeve van de door het bevoegd gezag op het grondgebied van die gemeente in stand gehouden school een jaarlijks bedrag voor huisvestingskosten verschaft.

Artikel 112. Informatieverstrekking aan gemeente

Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school is gehouden aan de gemeente alle inlichtingen te verschaffen die de gemeente voor een adequate uitvoering van de bepalingen in deze afdeling noodzakelijk acht.

AFDELING 4. MATERIËLE INSTANDHOUDING
Artikel 113. Vaststelling programma's van eisen
  • 1. Bij ministeriële regeling worden eenmaal in de vijf jaar voor 1 oktober programma's van eisen vastgesteld die de grondslag vormen voor de vergoeding van de voorzieningen, bedoeld in het derde lid. De programma's van eisen gelden voor de vijf jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden. In de programma's van eisen wordt een extra vergoeding opgenomen voor de gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband en voor de basisscholen van een samenwerkingsverband dat een instemming als bedoeld in artikel 18, zevende lid, heeft verkregen.

    Elk programma van eisen omvat:

    a. een omschrijving van de in aanmerking genomen componenten waaruit de voorzieningen zijn opgebouwd,

    b. de daarvoor noodzakelijk geachte bedragen en

    c. de wijze waarop de voor elke voorziening vast te stellen vergoeding wordt berekend.

  • 2. De programma's van eisen voldoen aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school, onverminderd het vierde tot en met negende lid, en houden rekening met de bruto vloeroppervlakten die op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 92, tweede lid, worden voorgeschreven.

  • 3. Programma's van eisen worden vastgesteld voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van de scholen, daaronder niet begrepen de ruimten voor het onderwijs in lichamelijke oefening.

  • 4. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de overeenkomstig het zesde lid, aangepaste bedragen vastgesteld. De aldus vastgestelde bedragen zijn de definitieve bedragen, geldend voor het jaar volgend op het jaar waarin de vaststelling dient plaats te vinden.

  • 5. Onze minister kan bij de vaststelling van de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, wijzigingen in de programma's van eisen aanbrengen indien de toestand van 's Rijks schatkist of onderwijskundige ontwikkelingen dat noodzakelijk maken. Aan de eerste volzin kan slechts toepassing worden gegeven indien de ministeriële regeling, bedoeld in het vierde lid, voor de in dat lid bedoelde datum wordt vastgesteld.

  • 6. De aanpassing, bedoeld in het vierde lid, vindt plaats door de bedragen op basis van de werkelijke prijsontwikkeling voor het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld, aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het eerstbedoelde jaar en het prijsniveau in het daaropvolgende jaar, alsmede aan te passen overeenkomstig de prijsmutatie van de netto materiële consumptie, zoals opgenomen in de Macro Economische Verkenning, die naar verwachting zal optreden tussen het prijsniveau in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld en het jaar waarvoor de bedragen worden vastgesteld.

  • 7. De ministeriële regelingen, bedoeld in het eerste en vierde lid, worden binnen 4 weken na de vaststelling, bedoeld in het eerste en vierde lid, gezamenlijk bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. De ministeriële regelingen treden niet in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de ministeriële regelingen te kennen wordt gegeven, dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd.

  • 8. Naar aanleiding van het overleg met de Tweede Kamer kunnen wijzigingen in de programma's van eisen en de wijzigingen daarvan, bedoeld in het vijfde lid, worden aangebracht. De wijzigingen worden bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 114. Onderverdeling programma's van eisen

De programma's van eisen, bedoeld in artikel 113, derde lid, worden onderverdeeld in programma's van eisen omtrent:

a. onderhoud,

b. energie- en waterverbruik,

c. publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van de belastingen ter zake van onroerende zaken,

d. middelen, en

e. administratie, beheer en bestuur.

Artikel 115. Extra vergoeding materiële instandhouding
  • 1. De vergoeding, bedoeld in artikel 113, eerste lid derde volzin, voor de materiële instandhouding bestaat voor de gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband uit een bedrag vermenigvuldigd met 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt. Het Rijk verdeelt deze vergoeding over de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband naar rato van het aantal leerlingen van elke speciale school voor basisonderwijs op die datum.

  • 2. Het aantal leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs die deelneemt aan meer dan één samenwerkingsverband wordt bij het bepalen van het in het eerste lid, eerste volzin, bedoelde aantal leerlingen van elk samenwerkingsverband en het in het eerste lid, tweede volzin, bedoelde aantal leerlingen van de speciale school voor basisonderwijs aan de desbetreffende verbanden toegerekend naar rato van het aantal basisschoolleerlingen van elk verband op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt.

  • 3. De vergoeding, bedoeld in artikel 113, eerste lid derde volzin, bestaat voor basisscholen in een samenwerkingsverband dat een instemming als bedoeld in artikel 18, zevende lid, heeft verkregen uit een bedrag vermenigvuldigd met 2% van het aantal leerlingen van de desbetreffende school.

Artikel 116. Hoger stellen van vergoedingsbedragen

Bij ministeriële regeling kunnen voor daarin aangewezen groepen van scholen de vergoedingsbedragen betreffende de in artikel 113, derde lid, bedoelde voorzieningen hoger worden gesteld. De desbetreffende ministeriële regeling vermeldt tevens de grondslag van de vergoeding.

Artikel 117. Grondslag vergoeding voor materiële instandhouding lichamelijke oefening
  • 1. De gemeenteraad stelt na overleg met de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen het aantal klokuren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste

    a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of

    b. voor een vergoeding voor de materiële instandhouding van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.

  • 2. Het aantal klokuren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste 1,5 voor basisscholen en ten minste 2,25 voor speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 3. De gemeenteraad stelt de hoogte vast van

    a. de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, onder b, en

    b. de vergoeding voor de vaste kosten van de materiële instandhouding van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school.

  • 4. Bij de vaststelling, bedoeld in het derde lid, kan onderscheid worden gemaakt naar gelang de oppervlakte van de ruimte, alsmede tussen ruimten voor de exploitatie waarvan op grond van de onderwijswetgeving een vergoeding wordt verleend en ruimten waarvoor dat niet het geval is.

Artikel 118. Overdracht vergoeding materiële instandhouding bij deelname boven 2%
  • 1. Indien op 1 oktober het aantal leerlingen van de gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband, dragen de gezamenlijke bevoegde gezagsorganen van de basisscholen in het samenwerkingsverband voor elke leerling van een speciale school voor basisonderwijs boven voornoemde 2% het in artikel 115, eerste lid, bedoelde bedrag over aan de speciale scholen voor basisonderwijs, met dien verstande dat artikel 115, eerste lid tweede volzin, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing is. Van de overeenkomstige toepassing van artikel 115, tweede lid, op de in de eerste volzin bedoelde overdracht wordt afgeweken indien de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in de betrokken samenwerkingsverbanden daarmee schriftelijk instemmen.

  • 2. Bij de berekening op grond van het eerste lid wordt 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband rekenkundig afgerond op een geheel getal.

  • 3. De overdracht op grond van dit artikel door basisscholen heeft betrekking op het kalenderjaar dat volgt op de in het eerste lid bedoelde teldatum en vindt ten hoogste plaats voor een bij ministeriële regeling te bepalen gedeelte van de vergoeding voor de materiële instandhouding voor dat jaar.

  • 4. Het aandeel van de onderscheiden basisscholen in de overdrachtsverplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald overeenkomstig de regeling die daarvoor op grond van artikel 20, eerste lid onder e, in het reglement van het samenwerkingsverband is opgenomen.

Artikel 119. Materiële instandhouding door eigenaar of bevoegd gezag
  • 1. Het bevoegd gezag dat, dan wel de gemeente die eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, onder a, b en c, betrekking hebben.

  • 2. Het bevoegd gezag van een bijzondere school en het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden en dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan met burgemeester en wethouders overeenkomen dat de gemeente het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

  • 3. Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, kan met een bevoegd gezag dat gebruik maakt van de voorziening in de huisvesting van het eerstgenoemde bevoegd gezag, overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

  • 4. Ingeval de gemeente eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere school en het bevoegd gezag van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden, met de gemeente overeenkomen dat het bevoegd gezag het in het eerste lid bedoelde deel van de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt.

  • 5. Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, onder d en e, betrekking hebben.

AFDELING 5. FORMATIE PERSONEEL; VERGOEDING KOSTEN VERVANGING VAN PERSONEEL; VERGOEDING VOOR SCHOOLSPECIFIEKE KNELPUNTEN IN DE PERSONEELSVOORZIENING
Artikel 120. Grondslag formatie personeel basisscholen
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor basisscholen de grondslag vastgesteld voor de omvang van

    a. de formatie voor de vervulling van reguliere taken van de school, met inbegrip van een opslag in verband met formatieve fricties, en

    b. de formatie voor speciale doeleinden, waaronder in ieder geval wordt begrepen de formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden.

    De omvang van de formatie is afhankelijk van het aantal leerlingen en van de school in de gevallen, bij deze algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, mede van de samenstelling van het leerlingenbestand van de school. De omvang van de formatie is mede ervan afhankelijk of en gedurende welke periode onderwijs wordt gegeven in een of meer nevenvestigingen. De formatie, bedoeld onder a, is redelijkerwijs voldoende voor het leiden en beheren van de school, voor het geven van onderwijs aan de school en voor de overige werkzaamheden die verband houden met het onderwijs aan de school. Bij deze algemene maatregel van bestuur worden tevens nadere voorschriften gegeven voor de uitvoering van dit artikel.

  • 2. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden meer formatie aan een school wordt toegekend dan op grond van het eerste lid is vastgesteld.

  • 3. Onze minister kan op verzoek van het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden onder door hem te stellen voorwaarden meer formatie aan een school toekennen dan op grond van het eerste lid is vastgesteld. Bij ministeriële regeling kunnen termijnen worden vastgesteld binnen welke besluiten naar aanleiding van verzoeken als bedoeld in de vorige volzin worden genomen.

  • 4. Het toekennen van meer formatie als bedoeld in het tweede en derde lid kan geen betrekking hebben op onderwijs in allochtone levende talen.

Artikel 121. Grondslag berekening aantal leerlingen
  • 1. Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 120, eerste lid, is het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, verhoogd met een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen percentage van dat aantal leerlingen. In de gevallen, aangewezen krachtens artikel 120, eerste lid, wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, gecorrigeerd krachtens dat artikellid in verband met de samenstelling van het leerlingenbestand, en verhoogd met het percentage, bedoeld in de eerste volzin.

  • 2. Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar wordt als grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in artikel 120, eerste lid, genomen het aantal leerlingen op 1 oktober, volgende op de opening, welk aantal leerlingen wordt gecorrigeerd in verband met de samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen, aangewezen krachtens artikel 120, eerste lid, en wordt verhoogd met het krachtens het eerste lid bepaalde percentage.

Artikel 122. Grondslag formatie personeel speciale scholen voor basisonderwijs
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor speciale scholen voor basisonderwijs per leerling de grondslag vastgesteld voor de omvang van:

    a. de basisbekostiging,

    b. de formatie voor speciale doeleinden, waaronder in ieder geval wordt begrepen de formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, en

    c. de zorgformatie.

  • 2. De omvang van de formatie, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, is afhankelijk van het aantal leerlingen en, in de gevallen bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, mede van de samenstelling van het leerlingenbestand. Grondslag voor de berekening van het aantal leerlingen, bedoeld in de vorige volzin, is het aantal leerlingen van de desbetreffende school of, ingeval van samenvoeging van scholen, het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar. Dit aantal leerlingen wordt in de gevallen, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, gecorrigeerd in verband met de samenstelling van het leerlingenbestand. Voor het schooljaar waarin een nieuwe school wordt geopend en voor het daaropvolgende schooljaar wordt als grondslag genomen het aantal leerlingen op 1 oktober, volgend op de opening, en wordt dit aantal leerlingen in de gevallen, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen, gecorrigeerd in verband met de samenstelling van het leerlingenbestand.

  • 3. De zorgformatie voor de gezamenlijke speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband wordt toegekend voor 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, rekenkundig afgerond op een geheel getal. Het Rijk verdeelt deze formatie over de afzonderlijke speciale scholen voor basisonderwijs binnen een samenwerkingsverband naar rato van het aantal leerlingen van elk van die scholen op die datum. Artikel 115, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden meer formatie aan een speciale school voor basisonderwijs wordt toegekend dan op grond van het eerste tot en met derde lid is vastgesteld.

Artikel 123. Formatiebudget; formatierekeneenheden
  • 1. De totale omvang van de formatie, bedoeld in artikel 120 of 122, die voor een school wordt vastgesteld, is het formatiebudget. Indien krachtens artikel 120, eerste lid onder b, of 122, eerste lid onder b, kan worden voorzien in formatie voor speciale doeleinden, maakt deze formatie uitsluitend deel uit van het formatiebudget indien de desbetreffende formatierekeneenheden worden besteed voor die speciale doeleinden. De in artikel 122, eerste lid onder c, bedoelde formatie maakt uitsluitend deel uit van het formatiebudget indien de desbetreffende formatierekeneenheden worden ingezet conform de afspraken die daarover in het kader van het zorgplan zijn gemaakt. Het formatiebudget wordt in de vorm van formatierekeneenheden aan het bevoegd gezag van de school toegekend.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een regeling gegeven omtrent:

    a. het verbruik van formatierekeneenheden door het bevoegd gezag onderscheidenlijk de centrale dienst bij het aanstellen van personeel in de onderscheiden functies,

    b. de wijziging in het verbruik van formatierekeneenheden, bedoeld in onderdeel a, op grond van rechtspositionele aanspraken van de personeelsleden alsmede, indien het een school betreft, op grond van de samenstelling van de schoolleiding,

    c. de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag formatierekeneenheden kan overdragen aan een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs van hetzelfde bevoegd gezag of van een ander bevoegd gezag dan wel aan een centrale dienst,

    d. de voorwaarden waaronder een centrale dienst formatierekeneenheden kan overdragen aan een school,

    e. de voorwaarden waaronder het bevoegd gezag recht heeft op de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden, waarbij in elk geval wordt bepaald tot welk percentage het bevoegd gezag telkens voor de periode van een schooljaar kan besluiten minder formatierekeneenheden te besteden dan voor de school mogelijk zou zijn op grond van het beschikbare formatiebudget, en met dien verstande dat in het overleg, bedoeld in artikel 37, onder door Onze minister te stellen voorwaarden een hoger percentage kan worden overeengekomen, en

    f. de voorwaarden waaronder een centrale dienst recht heeft op de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden,

    g. de verplichte besteding van onderdelen van de formatie.

  • 3. Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks de geldswaarde, bedoeld in het tweede lid onder e en f, vastgesteld. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldswaarde wordt rekening gehouden met de ontwikkeling van de gemiddelde personeelslasten van:

    a. het personeel, bedoeld in artikel 137, eerste lid onder a, en

    b. het personeel anders dan bedoeld onder a.

Artikel 124. Overdracht van formatierekeneenheden aan speciale scholen voor basisonderwijs
  • 1. Indien op de overeenkomstig artikel 20, eerste lid onder d, vastgestelde peildatum het aantal leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het aantal leerlingen van die scholen op 1 oktober daaraan voorafgaand, draagt het bevoegd gezag van alle scholen in het verband dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het bestuur van de centrale dienst voor het verschil een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal formatierekeneenheden per leerling aan basisbekostiging over aan de speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 2. Indien op de overeenkomstig artikel 20, eerste lid onder d, vastgestelde peildatum het aantal leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband meer bedraagt dan 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op 1 oktober daaraan voorafgaand, draagt het bevoegd gezag van alle scholen in het verband dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het bestuur van de centrale dienst voor elke leerling van een speciale school voor basisonderwijs boven voornoemde 2% een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal formatierekeneenheden aan zorgformatie over aan de speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 3. Bij de vaststelling ingevolge het eerste en tweede lid van het aantal leerlingen van de speciale scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband op de overeenkomstig artikel 20, eerste lid onder d, vastgestelde peildatum, worden leerlingen voor wie op grond van artikel 125 al een overdracht plaatsvindt vanuit een ander samenwerkingsverband buiten beschouwing gelaten. De uitkomst van de berekening van 2% van het aantal leerlingen van het samenwerkingsverband op grond van het tweede lid wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.

  • 4. Het aantal leerlingen van een speciale school voor basisonderwijs die deelneemt aan meer dan één samenwerkingsverband wordt bij het bepalen van het in het eerste en tweede lid bedoelde aantal leerlingen van de speciale scholen in elk samenwerkingsverband en het in het tweede lid bedoelde aantal leerlingen van elk samenwerkingsverband aan de desbetreffende verbanden toegerekend naar rato van het aantal basisschoolleerlingen van elk verband op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt. Van de toepassing van de eerste volzin op de in het eerste en tweede lid bedoelde overdrachten wordt afgeweken indien de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in de betrokken samenwerkingsverbanden daarmee schriftelijk instemmen.

  • 5. De overdracht op grond van het eerste en tweede lid heeft betrekking op het schooljaar dat volgt op de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde peildatum.

  • 6. Het aandeel van de onderscheiden basisscholen in de overdrachtsverplichtingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt bepaald overeenkomstig de regeling die daarvoor op grond van artikel 20, eerste lid onder e, in het reglement van het samenwerkingsverband is opgenomen.

  • 7. Indien de in artikel 132, eerste lid, bedoelde formatie niet voldoende is om daaruit de verplichtingen, bedoeld in dit artikel na te komen, dragen de bevoegde gezagsorganen van de gezamenlijke basisscholen in het samenwerkingsverband de ontbrekende formatierekeneenheden over aan het bestuur van de centrale dienst van het verband. Het aandeel van de onderscheiden basisscholen in de overdrachtsverplichting, bedoeld in de eerste volzin, wordt bepaald overeenkomstig de regeling die daarvoor op grond van artikel 20, eerste lid onder e, in het reglement van het samenwerkingsverband is opgenomen.

Artikel 125. Overdracht van formatierekeneenheden bij overgang leerling naar ander samenwerkingsverband
  • 1. Het bevoegd gezag van alle scholen in een samenwerkingsverband dan wel, indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in het verband, het bestuur van de centrale dienst draagt gedurende 4 schooljaren een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal formatierekeneenheden over aan een speciale school voor basisonderwijs indien

    a. de speciale school voor basisonderwijs een leerling toelaat van een basisschool in het desbetreffende samenwerkingsverband,

    b. de speciale school geen deel uitmaakt van het desbetreffende samenwerkingsverband, en

    c. de permanente commissie leerlingenzorg van het desbetreffende samenwerkingsverband heeft bepaald dat de leerling op het onderwijs van een speciale school voor basisonderwijs is aangewezen.

  • 2. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan voor de verschillende schooljaren en afhankelijk van het moment van de toelating tot de speciale school voor basisonderwijs een verschillend aantal formatierekeneenheden worden vastgesteld.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde overdracht vindt voor het eerst plaats voor het schooljaar volgend op het schooljaar van de toelating tot de speciale school voor basisonderwijs.

  • 4. De in het eerste lid bedoelde overdracht vindt niet plaats als de toelating plaatsvindt binnen 6 maanden voor of na een verhuizing van de ouders van een woning buiten het gebied van het samenwerkingsverband van de speciale school voor basisonderwijs naar een woning binnen dat gebied.

  • 5. Indien de leerling binnen de ingevolge het eerste en derde lid geldende periode voor overdracht van formatierekeneenheden de speciale school voor basisonderwijs verlaat, eindigt de in het eerste lid bedoelde overdracht met ingang van het schooljaar dat volgt op het schooljaar waarin de leerling de speciale school voor basisonderwijs verlaat.

  • 6. Artikel 124, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op de overdrachtsverplichting, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat ook speciale scholen voor basisonderwijs een aandeel kunnen hebben in de overdrachtsverplichting.

Artikel 126. Grondslag vergoeding kosten van vervanging van personeel en van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
  • 1. Aan de school worden in verband met de kosten van vervanging van personeel en de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid vergoedingen toegekend.

  • 2. De omvang van de in het eerste lid bedoelde vergoedingen bedraagt een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de vergoeding van de salarissen, bedoeld in artikel 137, derde lid, onderdeel a.

Artikel 127. Grondslag vergoeding voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden aan een school een vergoeding wordt toegekend in verband met het bestrijden van schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening. De omvang van de vergoeding bedraagt een jaarlijks bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per formatieplaats.

Artikel 128. Wijziging besteding vergoeding voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening

Wijziging in de besteding van de vergoeding voor schoolspecifieke knelpunten in de personeelsvoorziening mag niet leiden tot kosten van uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.

AFDELING 6. NASCHOLING PERSONEEL
Artikel 129. Vergoeding nascholing
  • 1. De vergoeding voor nascholing voor een basisschool is een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per formatieplaats, toegekend op basis van artikel 120, eerste lid.

  • 2. De vergoeding voor nascholing voor een speciale school voor basisonderwijs is een bij ministeriële regeling te bepalen bedrag per leerling.

Artikel 130. Vergoeding door Rijk van uitgaven voor nascholing

Met inachtneming van artikel 129 vergoedt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag van de openbare en bijzondere scholen een bedrag ten behoeve van nascholing van het personeel.

Artikel 131. Besteding vergoeding voor nascholing

De vergoeding, bedoeld in artikel 130, wordt besteed aan de kosten van nascholing ten behoeve van het personeel. Indien de vergoeding niet volledig is besteed, wordt het resterende bedrag in een fonds ondergebracht. Dit fonds mag ten hoogste een bedrag omvatten dat gelijk is aan de vergoeding van de laatste 3 jaren. Niet bestede gelden worden voor zover deze gelden het in de vorige volzin bedoelde bedrag overstijgen, onverwijld in 's Rijks kas teruggestort.

AFDELING 7. GEZAMENLIJKE ZORGFORMATIE BASISSCHOLEN
Artikel 132. Gezamenlijke zorgformatie basisscholen
  • 1. Indien verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband, wordt zorgformatie toegekend aan het bestuur van de centrale dienst van dat verband.

  • 2. Indien een bevoegd gezag alle scholen in een samenwerkingsverband in stand houdt, wordt zorgformatie toegekend aan dat bevoegd gezag.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde formatie is afhankelijk van het aantal leerlingen van de afzonderlijke basisscholen in het samenwerkingsverband. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de grondslag vastgesteld voor deze formatie. Bij de toekenning van de formatie wordt aangegeven hoe de formatie per school is berekend.

  • 4. In een samenwerkingsverband dat de instemming, bedoeld in artikel 18, zevende lid, heeft verkregen, wordt de in het eerste en tweede lid bedoelde formatie voor 2% van het aantal leerlingen van elke basisschool op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, rekenkundig afgerond op een geheel getal, verhoogd met de in artikel 122, eerste lid onder c, bedoelde formatie per leerling.

  • 5. De centrale dienst deelt voor 15 mei aan de Minister mee, dat hij per 1 augustus daaropvolgend aan elke basisschool in het samenwerkingsverband de formatierekeneenheden overdraagt die op grond van het zorgplan voor die school worden ingezet. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen en voor welke latere datum de centrale dienst aan de Minister kan meedelen dat de overdrachten, bedoeld in de eerste volzin, overeenkomstig het zorgplan worden gewijzigd. Binnen 1 week na de mededelingen, bedoeld in de eerste en tweede volzin, zendt de centrale dienst een afschrift daarvan aan de bevoegde gezagsorganen van alle scholen van het samenwerkingsverband.

  • 6. De in het eerste, tweede en vierde lid bedoelde formatie kan worden ingezet voor personeel, overdracht aan één of meer scholen of omzetting in de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden.

  • 7. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vijfde lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige 3 volzinnen is niet van toepassing indien het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan de Kamer is overgelegd en door of namens de Kamer te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de vorige 3 volzinnen, kan worden afgeweken.

AFDELING 8. WIJZE VAN BEKOSTIGING
§ 1. Huisvesting
Artikel 133. Vergoeding voor belastingen ter zake van onroerende zaken

De gemeente vergoedt aan het bevoegd gezag van een bijzondere school of van een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, toepassing heeft gevonden en dat is onderworpen aan een of meer der in artikel 220 van de Gemeentewet bedoelde belastingen ter zake van onroerende zaken het bedrag van de met betrekking tot de in de gemeente gelegen gebouwen en terreinen geheven belastingen.

§ 2. Materiële instandhouding
Artikel 134. Vergoeding door Rijk aan bevoegd gezag en gemeente
  • 1. Behoudens het tweede lid vergoedt het Rijk jaarlijks aan het bevoegd gezag de kosten van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, betrekking hebben, waarbij voor het bevoegd gezag geldt dat indien toepassing is gegeven aan artikel 119, tweede lid, dan wel indien geen overeenkomst als bedoeld in artikel 119, derde of vierde lid tot stand is gekomen, dit bevoegd gezag de vergoeding aan de gemeente dan wel aan het desbetreffende bevoegd gezag overdraagt voor zover deze de materiële instandhouding verzorgt.

  • 2. Het Rijk vergoedt jaarlijks aan de provincie Friesland de kosten van de materiële instandhouding, voor zover het betreft het onderwijs in de Friese taal, bedoeld in artikel 9, vierde lid. De provincie Friesland draagt zorg voor verdeling van de vergoeding over de betrokken scholen naar rato van het aantal leerlingen dat gebruik maakt van dat onderwijs.

  • 3. Grondslag voor de vergoeding van de in het eerste en tweede lid bedoelde kosten zijn de voor het desbetreffende jaar vastgestelde bedragen.

  • 4. Grondslag voor de vergoeding ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113, voor basisscholen zijn:

    a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69, normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, welk aantal leerlingen wordt gecorrigeerd in verband met de samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde algemene maatregel van bestuur en wordt verhoogd met het krachtens artikel 121, eerste lid, bepaalde percentage, en

    b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, verhoogd met het krachtens artikel 121, eerste lid, bepaalde percentage.

  • 5. Voor nieuwe basisscholen zijn gedurende de periode van 1 augustus tot 1 januari volgend op de opening, grondslag voor de vergoeding ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113:

    a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69, normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode, welk aantal leerlingen wordt gecorrigeerd in verband met de samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde algemene maatregel van bestuur en wordt verhoogd met het krachtens artikel 121, eerste lid, bepaalde percentage, en

    b. het aantal leerlingen op 1 oktober in die periode, verhoogd met het krachtens artikel 121, eerste lid, bepaalde percentage.

  • 6. Indien in de periode tussen 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, en 1 maart daaropvolgend, aanspraak bestond op verhoging van de formatie ingevolge artikel 12 van het Formatiebesluit WBO 1992, zijn grondslag voor de vergoeding ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113, voor basisscholen:

    a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het op grond van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 69, normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, welk aantal leerlingen wordt gecorrigeerd in verband met de samenstelling van het leerlingenbestand in de gevallen en op de wijze als aangegeven in bedoelde algemene maatregel van bestuur, en

    b. het aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt.

  • 7. Ingeval een samenvoeging plaatsvindt tussen 1 januari en 1 oktober daaropvolgend, wordt de vergoeding ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113, van alle bij de samenvoeging betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de samenvoeging plaatsvond.

  • 8. Ingeval een samenvoeging plaatsvindt tussen 1 oktober en 1 januari daaropvolgend, wordt de vergoeding ten behoeve van de uitgaven voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 113, van alle bij de samenvoeging betrokken scholen gehandhaafd tot het einde van het jaar waarin de samenvoeging plaatsvond, en wordt de vergoeding van de uitgaven voor die voorzieningen voor het jaar volgend op de samenvoeging, gebaseerd op de vergoeding van de uitgaven voor die voorzieningen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, zoals die golden op 1 oktober van het jaar van samenvoeging.

Artikel 135. Verhoging vergoeding bij bijzondere omstandigheden
  • 1. Jaarlijks voor 1 maart kan Onze minister verhoging van de vergoeding worden gevraagd, indien op grond van bijzondere omstandigheden van de school in dat jaar het totale bedrag niet voldoende is voor de noodzakelijke uitgaven van de school.

  • 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden gedaan door het bevoegd gezag voor zover het betreft de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, betrekking hebben. In afwijking van de vorige volzin kan ingeval artikel 119, tweede, derde of vierde lid, is toegepast, het bevoegd gezag dat dan wel de gemeente die de materiële instandhouding geheel of gedeeltelijk verzorgt, het verzoek indienen.

  • 3. Onze minister wijst het verzoek in elk geval af indien:

    a. in het jaar waarvoor de programma's van eisen zijn vastgesteld, het totaal van de noodzakelijke uitgaven voor de materiële instandhouding van de school, niet ten minste 5% meer zal bedragen dan het totaal van de uit 's Rijks kas daarvoor te verstrekken inkomsten,

    b. de bijzondere omstandigheden het gevolg zijn van een bij algemene maatregel van bestuur aan te geven omstandigheid of afwijking van de omvang van de componenten van de voorziening ten aanzien waarvan de bijzondere omstandigheden zouden bestaan,

    c. de bijzondere omstandigheid het gevolg is van een verschil tussen het prijsniveau in enig jaar en de op grond van artikel 113 vastgestelde of aangepaste bedragen, of

    d. het bevoegd gezag dat of de gemeente die het verzoek heeft ingediend, niet aantoont dat het de bijzondere omstandigheden niet op enigerlei wijze had kunnen voorkomen.

  • 4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, van de juistheid van de gegevens die bij het verzoek zijn gevoegd.

  • 51. Van de indiener van een verzoek wordt een recht geheven van f 500,-. Het verzoek wordt niet in behandeling genomen voordat het verschuldigde bedrag bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is gestort. Indien het verschuldigde recht niet is gestort binnen 4 weken na de dag van verzending van een mededeling waarin de indiener van het verzoek op de verschuldigdheid is gewezen, wordt het verzoek buiten behandeling gelaten. Bij intrekking van het verzoek en bij gehele of gedeeltelijke inwilliging van het verzoek, wordt het gestorte recht geheel teruggestort.

  • 6. Onze minister beslist binnen 3 maanden na ontvangst van het verzoek. Onze minister kan indien technisch onderzoek zulks noodzakelijk maakt voor het einde van deze termijn deze onder mededeling aan de verzoeker verlengen, met dien verstande dat Onze minister in elk geval binnen 9 maanden beslist.

Artikel 136. Vergoeding door gemeente aan bevoegd gezag
  • 1. De gemeente verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening op het grondgebied van de gemeente

    a. een vergoeding die wordt bepaald ingevolge artikel 117 en het derde lid, en

    b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vast te stellen vergoeding.

  • 2. Voor zover geen ruimte ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 117, eerste lid onder a, verstrekt de gemeente jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat geen eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening een vergoeding die wordt bepaald ingevolge artikel 117, eerste lid onder b, en derde lid onder a, en het derde lid.

  • 3. Het aantal groepen leerlingen voor basisscholen wordt berekend overeenkomstig artikel 134, vijfde lid onder a, zesde lid onder a, en zevende lid onder a, en de ter uitvoering daarvan vastgestelde algemene maatregel van bestuur, met dien verstande dat groepen waarvoor van rijkswege een vergoeding wordt verleend voor de kosten van de materiële instandhouding van een speellokaal niet in aanmerking worden genomen.

  • 4. Het aantal groepen leerlingen voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt berekend door het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt te delen door 15 en de uitkomst rekenkundig af te ronden op een geheel getal.

§ 3. Personeel
Artikel 137. Vergoeding door Rijk van uitgaven voor personeel
  • 1. Met inachtneming van de artikelen 120, 121, 122, 123 en 132 vergoedt het Rijk aan het bevoegd gezag van de openbare en bijzondere scholen onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst:

    a. de uitgaven voor het personeel dat is aangesteld ten laste van het formatiebudget onderscheidenlijk de zorgformatie die met inachtneming van het zorgplan wordt ingezet,

    b. de geldswaarde van de, met inachtneming van het bepaalde krachtens artikel 123, tweede lid onder e en f, niet verbruikte formatierekeneenheden, en

    c. de vergoedingen, bedoeld in artikel 126, eerste lid.

  • 2. Indien op grond van artikel 123, tweede lid onder c of d, 124, 125 of 132, zesde lid, formatierekeneenheden zijn overgedragen, wordt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, toegekend aan het bevoegd gezag van de school of de instelling onderscheidenlijk de centrale dienst waaraan formatierekeneenheden zijn overgedragen.

  • 3. De vergoeding van de uitgaven, bedoeld in het eerste lid onder a, omvat de uitgaven waartoe het bevoegd gezag onderscheidenlijk de centrale dienst krachtens wettelijk voorschrift is verplicht, ter zake van:

    a. salarissen, toelagen, uitkeringen;

    b. wettelijk verschuldigde en niet verhaalbare premies.

Artikel 138. Aftrekposten vergoeding
  • 1. Op de vergoeding van de uitgaven voor het personeel worden in mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan van personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent of heeft uitgeoefend aan een school van het bevoegd gezag, voor zover laatstbedoeld personeel

    a. gebruik maakt van de krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering, of

    b. voor zover zich geen geval voordoet als bedoeld onder a, in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag.

    Voor de toepassing van de eerste volzin wordt, indien het betreft openbaar onderwijs, onder «school van het bevoegd gezag» verstaan elke binnen de desbetreffende gemeente gelegen school, met uitzondering van de binnen die gemeente gelegen nevenvestigingen waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.

  • 2. Op de vergoeding van de uitgaven voor het personeel worden eveneens in mindering gebracht de salarissen, toelagen, uitkeringen of andere bijdragen waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat

    a. bij het ingaan van de benoeming de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of na het schooljaar waarin die leeftijd is bereikt, aan een school van het bevoegd gezag verbonden blijft;

    b. langer dan 1 jaar anders dan wegens vervanging onafgebroken, met een onderbreking van een week of minder, dan wel met een of meer onderbrekingen gedurende een schoolvakantie, in een gelijksoortige functie in tijdelijke dienst verbonden is geweest aan een school van het bevoegd gezag.

    De onder b genoemde termijn van 1 jaar kan ingeval van een of meer ziekteperioden van langer dan 4 weken met deze ziekteperioden worden verlengd.

  • 3. Op de vergoeding worden eveneens in mindering gebracht de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel. De eerste volzin is niet van toepassing, indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, op een daartoe strekkend verzoek van het bevoegd gezag, voorafgaand aan het ontslag heeft ingestemd met het ten laste van die rechtspersoon brengen van de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid.

  • 4. Het eerste lid is eveneens van toepassing, indien de benoeming heeft plaatsgevonden in aansluiting op een benoeming in tijdelijke dienst in dezelfde functie.

  • 5. Met gewezen personeel dat in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering als bedoeld in het eerste lid onder b, wordt gelijk gesteld personeel aan wie op grond van het leerlingenverloop op of na 1 februari ontslag is of zal worden aangezegd, op grond van welk ontslag recht op wachtgeld of een andere ontslaguitkering zou kunnen ontstaan. In afwijking van de eerste volzin kan voor een periode tot uiterlijk de datum van ingang van het recht op wachtgeld of op een andere ontslaguitkering in een vacature worden voorzien zonder dat de vermindering, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.

  • 6. Bij ministeriële regeling wordt bepaald in welke gevallen geen vermindering als bedoeld in het eerste en tweede lid plaatsvindt.

  • 7. Onze minister kan in andere gevallen dan voorzien in de ministeriële regeling bedoeld in het zesde lid, wegens gewichtige redenen op verzoek van het bevoegd gezag beslissen dat de vermindering van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid en het tweede lid onder a, niet zal plaatsvinden. Onze minister beslist binnen 4 maanden na ontvangst van het verzoek. Indien de beslissing niet binnen 4 maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

  • 8. Onze minister kan projecten aanwijzen waarvoor het tweede lid onder b niet van toepassing is.

Artikel 139. Aftrekpost vergoeding i.v.m. eigen wachtgelder
  • 1. Artikel 138 is van overeenkomstige toepassing indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel als bedoeld in artikel 138, eerste en vijfde lid, van de rechtspersoon of van een bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, dan wel niet handelt overeenkomstig het bepaalde in laatstgenoemde artikelleden. Van het gewezen personeel, bedoeld in de eerste volzin, is uitgezonderd het personeel van het bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, waarvan de dienstbetrekking is beëindigd op een tijdstip dat meer dan twee jaar ligt voor de aanvang van de dienstverlening.

  • 2. In geval van toepassing van het eerste lid wordt het in mindering te brengen bedrag in gelijke mate verdeeld over de scholen waarvoor diensten worden verricht.

  • 3. Artikel 138 is eveneens van overeenkomstige toepassing

    a. indien een bevoegd gezag waarvoor diensten worden verricht, personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, en

    b. indien een bevoegd gezag waarvoor geen diensten meer worden verricht, in het tijdvak van vijf jaar na beëindiging van de dienstverlening personeel benoemt met voorbijgaan van gewezen personeel als bedoeld in onderdeel a.

  • 4. Artikel 138, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, personeel ontslaat zonder voorafgaande instemming van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, met dien verstande dat het in mindering te brengen bedrag in gelijke mate wordt verdeeld over de bevoegde gezagsorganen waarvan de rechtspersoon, bedoeld in artikel 68, uitgaat.

§ 4. Gemeentelijk beleid met betrekking tot personele en materiële voorzieningen
Artikel 140. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf geen openbare scholen in stand houdt of als openbare scholen ontbreken
  • 1. Indien in een gemeente uitsluitend een of meer andere rechtspersonen dan de gemeente openbare basisscholen of openbare speciale scholen voor basisonderwijs in stand houden of openbare basisscholen onderscheidenlijk openbare speciale scholen voor basisonderwijs ontbreken en de gemeente uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die scholen welke niet door het Rijk worden vergoed, stelt de gemeenteraad onverminderd de artikelen 168, derde lid, 169, tweede lid, en 111a, zevende lid, bij verordening een regeling daarvoor vast en zijn de artikelen 142 tot en met 147 niet van toepassing.

  • 2. De regeling, bedoeld in het eerste lid, maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs en voorziet in een behandeling van basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs naar dezelfde maatstaf.

  • 3. De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de voorzieningen die door het bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen, niet door de gemeente in stand gehouden basisschool onderscheidenlijk speciale school voor basisonderwijs kunnen worden aangevraagd en de procedure voor het doen van een aanvraag.

  • 4. De gemeenteraad kan besluiten dat burgemeester en wethouders de regeling, bedoeld in het eerste lid, tijdelijk kunnen aanvullen met nieuwe voorzieningen. De aanvulling wordt binnen 1 week aan de bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs gezonden. Binnen 12 weken na de totstandkoming van de aanvulling wordt deze voorgelegd aan de gemeenteraad en beslist de gemeenteraad over de bekrachtiging ervan. Indien de gemeenteraad niet binnen 12 weken heeft beslist, wordt de aanvulling gelijk gesteld met een aanvulling die is bekrachtigd. Een afwijzing van de aanvulling door de gemeenteraad heeft geen gevolgen voor aanvragen waarop reeds is beslist of die reeds zijn ingediend en die voorzieningen betreffen waarop de aanvulling betrekking heeft.

  • 5. Artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de regeling, bedoeld in het eerste lid, dan wel een wijziging daarvan. In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een aanvulling als bedoeld in het vierde lid geen beroep worden ingesteld zolang de gemeenteraad deze nog niet heeft bekrachtigd.

  • 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt een nevenvestiging aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging. De gemeenteraad kan besluiten dat in de gemeente gelegen nevenvestigingen van scholen waarvan de hoofdvestiging is gelegen in een andere gemeente in afwijking van de eerste volzin in aanmerking komen voor een of meer van de in de regeling genoemde voorzieningen.

  • 7. Burgemeester en wethouders maken jaarlijks in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze, een overzicht bekend van de op grond van de regeling, bedoeld in het eerste lid, toegekende voorzieningen.

Artikel 141. Gemeentelijk beleid als een gemeente zelf openbare scholen in stand houdt
  • 1. Indien een gemeente zelf een of meer openbare basisscholen of openbare speciale scholen voor basisonderwijs in stand houdt en zij uitgaven wil doen voor het onderwijs aan die scholen welke niet door het Rijk worden vergoed, kan de gemeenteraad onverminderd de artikelen 168, derde lid, 169, tweede lid, en 111a, zevende lid, daarvoor bij verordening een regeling vaststellen.

  • 2. Artikel 140, tweede tot en met zevende lid, is van toepassing.

§ 5. Overschrijdingsregeling
Artikel 142. Overschrijdingsbedrag; voorwaarde personeel buiten overschrijding
  • 1. Indien een gemeente ten behoeve van een of meer door haar in stand gehouden basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs meer uitgaven doet voor het personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden vergoed, wordt met inachtneming van de artikelen 142 tot en met 147 aan het bevoegd gezag van de in die gemeente gevestigde, niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs om de vijf jaar een overschrijdingsbedrag toegekend. Voor de toepassing van de eerste volzin worden ontvangsten op grond van artikel 134, tweede lid, tweede volzin, gelijk gesteld met ontvangsten van het Rijk. Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen basisschool onderscheidenlijk speciale school voor basisonderwijs in stand houdt, wordt het overschrijdingsbedrag in afwijking van die volzin zo spoedig mogelijk na dat tijdstip toegekend.

  • 2. Voor de toepassing van de artikelen 142 tot en met 147 worden uitgaven ten behoeve van een nevenvestiging aangemerkt als uitgaven ten behoeve van de hoofdvestiging van de school waaraan de nevenvestiging is verbonden. Indien ten behoeve van een school of nevenvestiging uitgaven worden gedaan door meer dan één gemeente, worden deze uitgaven aangemerkt als uitgaven van de gemeente op wier grondgebied de hoofdvestiging is gelegen. In het geval bedoeld in de vorige volzin worden de besluiten ingevolge het vierde lid en de artikelen 143 tot en met 147 genomen door laatstbedoelde gemeente en hebben deze mede betrekking op de uitgaven van de andere gemeente of gemeenten.

  • 3. Voor de toepassing van de artikelen 142 tot en met 147 wordt een nevenvestiging in een andere gemeente dan waarin de hoofdvestiging is gelegen, aangemerkt als een nevenvestiging die is gelegen in de gemeente van de hoofdvestiging.

  • 4. De gemeenteraad kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school besluiten dat met betrekking tot een of meer scholen van dat bevoegd gezag uitgaven die de gemeente doet ten behoeve van een door haar in stand gehouden school buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in de artikelen 143 en 144.

Artikel 143. Voorschot overschrijding
  • 1. De gemeenteraad stelt, onderscheiden al naar gelang het basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs betreft, jaarlijks vast in welke mate zij ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen meer dan wel minder uitgaven zal doen voor het personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden vergoed. Deze vaststelling geschiedt voor het komende begrotingsjaar en het resterende deel van het vijfjarig tijdvak, bedoeld in artikel 142, eerste lid.

  • 2. Indien voor het komende begrotingsjaar meer uitgaven zullen worden gedaan voor het personeel en de materiële instandhouding dan door het Rijk worden vergoed, verstrekken burgemeester en wethouders in dat begrotingsjaar aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in de gemeente een voorschot op het te verwachten overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 142, eerste lid. Indien uit het besluit van de gemeenteraad, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de hiervoor bedoelde meer-uitgaven in de resterende jaren van het vijfjarig tijdvak geheel of ten dele worden gecompenseerd door minder uitgaven, wordt hiermee rekening gehouden bij de bepaling van de hoogte van het voorschot.

  • 3. Indien uit de jaarlijkse voorlopige vaststelling van de bedragen, bedoeld in artikel 144, eerste lid, blijkt dat, in afwijking van hetgeen is vastgesteld bij het besluit van de gemeenteraad, bedoeld in het eerste lid, meer uitgaven zijn gedaan voor personeel en materiële instandhouding dan door het Rijk worden vergoed, verstrekken burgemeester en wethouders alsnog een voorschot aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in de gemeente. Bij de bepaling van de hoogte van het voorschot is de tweede volzin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 144. Vaststelling overschrijdingsbedrag, uitgedrukt in percentage
  • 1. Indien een gemeente een of meer scholen in stand houdt, stelt de gemeenteraad onderscheiden al naar gelang het basisscholen of speciale scholen voor basisonderwijs betreft, jaarlijks voorlopig vast:

    a. het totaal van de bedragen

    1°. die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de personeelskosten, en

    2°. voor niet verbruikte formatierekeneenheden voor zover die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven,

    b. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de nascholing,

    c. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de materiële instandhouding,

    d. het totaal van de ontvangsten

    1°. bedoeld in artikel 137, derde lid, en

    2°. voor niet verbruikte formatierekeneenheden, bedoeld in artikel 137, eerste lid onder b;

    e. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens artikel 130 voor nascholing voor het kalenderjaar zijn vastgesteld,

    f. het totaal van de ontvangsten dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens artikel 113 voor de voorzieningen voor de materiële instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld,

    g. het totaal van de aanvullende ontvangsten waaronder worden verstaan de bedragen die krachtens artikel 135 voor de voorzieningen ten behoeve van de materiële instandhouding voor dat kalenderjaar zijn vastgesteld,

    h. het totaal van de bedragen die in het voorafgaande kalenderjaar zijn uitgegeven ten behoeve van de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 68,

    i. het totaal van de ontvangsten op grond van artikel 134, tweede lid, tweede volzin, en

    j. een staat van voorzieningen die zijn ingesteld ten behoeve van de door de gemeente in stand gehouden scholen.

  • 2. Indien de gemeente een deel van de ontvangsten bedoeld, in het eerste lid onder d 1° of d 2° of een deel van de ontvangsten, bedoeld in dat lid onder e, f, g en i, toevoegt aan een voorziening, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in dat lid onder a 1° dan wel a 2°, onderscheidenlijk als een uitgave als bedoeld in dat lid onder b, c en h. Indien de gemeente ten behoeve van de personeelskosten, de nascholingskosten, de kosten voor materiële instandhouding of de kosten voor de instandhouding van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 68, bedragen aan een voorziening onttrekt, worden deze aangemerkt als ontvangsten als bedoeld in het eerste lid onder d 2°, e of f.

  • 3. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder c, f, g en h, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven en ontvangsten voor:

    a. administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 114, onder e,

    b. de materiële instandhouding van het onderwijs in lichamelijke oefening en

    c. de materiële instandhouding in verband met de toepassing van artikel 166, eerste lid, dan wel artikel 171, eerste lid.

  • 4. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, worden buiten beschouwing gelaten de uitgaven ten behoeve van personeel dat door de gemeente met toepassing van artikel 166, eerste lid, dan wel artikel 171, eerste lid, aan een openbare school wordt verbonden. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, b, c en h, worden voorts buiten beschouwing gelaten de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten van gelden die door derden beschikbaar zijn gesteld, de uitgaven die worden gedekt door ontvangsten op grond van een besluit als bedoeld in artikel 140, zesde lid, tweede volzin, en de uitgaven voor de voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school op grond van de regeling, bedoeld in artikel 141, eerste lid, een aanvraag bij de gemeente kon indienen en wel gedurende de periode waarvoor een dergelijke aanvraag kon worden gedaan. Bij het vaststellen van de bedragen, bedoeld in het eerste lid onder a, b, c en h, blijven de uitgaven ten behoeve van een basisschool buiten beschouwing tot het bedrag dat de gemeente voor die school overdraagt op grond van artikel 118 en de geldswaarde die overeenkomt met het aantal formatierekeneenheden dat de gemeente voor die school overdraagt op grond van artikel 124 of artikel 125.

    4a. Bij het vaststellen van de bedragen bedoeld in het eerste lid, onder c, mogen voorzieningen die volgens de desbetreffende Rijksvergoeding een afschrijvingstermijn van ten minste 20 jaar hebben, over ten hoogste 20 jaar worden aangemerkt als jaarlijkse uitgaven op grond van rente op basis van een fictieve lening met een looptijd van ten hoogste 20 jaar en een lineaire aflossing.

  • 5. Indien de gemeente een deel van de vergoeding voor niet verbruikte formatierekeneenheden overdraagt aan een ander bevoegd gezag, wordt dat deel aangemerkt als een uitgave als bedoeld in het eerste lid onder a 2°. Indien door een ander bevoegd gezag een deel van de vergoeding voor niet verbruikte formatierekeneenheden aan de gemeente wordt overgedragen, wordt dat deel aangemerkt als een ontvangst als bedoeld in het eerste lid onder d 2° en e.

  • 6. Om de vijf jaar stelt de gemeenteraad voorlopig vast het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in de voorafgaande vijf kalenderjaren, zoals in het eerste tot en met vijfde lid is aangegeven. Indien de uitgaven hoger zijn dan de ontvangsten, bepaalt de gemeenteraad tevens het bedrag van de overschrijding. Indien een gemeente vanaf een tijdstip binnen een periode van vijf jaar als bedoeld in de eerste volzin geen school in stand houdt, stelt de gemeenteraad in afwijking van die volzin zo spoedig mogelijk na dat tijdstip voorlopig vast het totaal van de vastgestelde uitgaven en ontvangsten in het aan dat tijdstip voorafgaande deel van de periode van vijf jaar, zoals in het eerste tot en met vijfde lid is aangegeven.

  • 7. Na sluiting van de rekening van de gemeente stelt de gemeenteraad de in het eerste en zesde lid bedoelde bedragen, zo nodig gewijzigd, vast. In het geval, bedoeld in het zesde lid, tweede volzin, drukt de gemeenteraad vervolgens het bedrag van de overschrijding uit in een percentage van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid onder d tot en met g en i. Het percentage wordt afgerond tot twee decimalen. Afronding naar beneden vindt plaats indien de derde decimaal kleiner is dan 5, en naar boven indien deze decimaal ten minste 5 bedraagt.

Artikel 145. Vaststelling overschrijdingsbedrag voor een niet door de gemeente in stand gehouden school
  • 1. In het jaar volgend op de definitieve vaststelling, bedoeld in artikel 144, zevende lid, wordt het overschrijdingsbedrag vastgesteld waarop het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school, die gedurende een of meer jaren van het desbetreffende tijdvak in de gemeente was gevestigd, aanspraak heeft. Dit overschrijdingsbedrag wordt vastgesteld door het percentage, bedoeld in artikel 144, zevende lid, te vermenigvuldigen met het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat is gebaseerd op de bedragen die krachtens de artikelen 113 en 137 voor het desbetreffende tijdvak zijn vastgesteld, met dien verstande dat bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in voorgaande volzin, buiten beschouwing blijven de ontvangsten op grond van de programma's van eisen voor administratie, beheer en bestuur, bedoeld in artikel 114, onder e, voor de materiële instandhouding van het onderwijs in lichamelijke oefening en in verband met de toepassing van artikel 166, eerste lid, dan wel artikel 171, eerste lid.

  • 2. Indien aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school een deel van de vergoeding voor niet verbruikte formatierekeneenheden is overgedragen door een ander bevoegd gezag, wordt bij het vaststellen van het totaal van de ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, dat deel bij genoemde school wel en bij de school van laatstgenoemd bevoegd gezag niet aangemerkt als ontvangsten.

  • 3. Indien een gemeente voor een niet door de gemeente in stand gehouden school het deel van de materiële instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 114, onder a, b en c, betrekking hebben, geheel of gedeeltelijk verzorgt, wordt een overeenkomstig deel van de ontvangsten in mindering gebracht op het totaal van de ontvangsten voor de betrokken school waarover ingevolge het eerste lid het overschrijdingsbedrag wordt vastgesteld.

  • 4. Indien een gemeente gedurende een gedeelte van het desbetreffende tijdvak een of meer basisscholen onderscheidenlijk speciale scholen voor basisonderwijs in stand houdt, wordt voor het vaststellen van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van het totaal van de ontvangsten van een niet door de gemeente in stand gehouden school over een overeenkomstig gedeelte van het desbetreffende tijdvak.

Artikel 146. Uitkering overschrijdingsbedrag aan een niet door de gemeente in stand gehouden school

Na de definitieve vaststelling van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 144, zevende lid, keren burgemeester en wethouders aan het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat op grond van artikel 145, eerste lid, aanspraak heeft op een uitkering, het vastgestelde overschrijdingsbedrag uit, na aftrek van de verstrekte voorschotten. Indien de som van de voorschotten, bedoeld in artikel 143, hoger is dan het vastgestelde overschrijdingsbedrag voor de desbetreffende school, stort het bevoegd gezag van die school het verschil terug in de gemeentekas.

Artikel 147. Mededeling en beroep

Aan het bevoegd gezag van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen wordt een afschrift gezonden van de besluiten van de gemeenteraad tot vaststelling van de mate waarin meer dan wel minder uitgaven worden gedaan, bedoeld in artikel 143, eerste lid, tot verstrekking van het voorschot, bedoeld in artikel 143, tweede of derde lid, en tot voorlopige en definitieve vaststelling van het overschrijdingsbedrag, bedoeld in artikel 144, zesde en zevende lid. Daarbij is opgenomen een staat van voorzieningen als bedoeld in artikel 144, eerste lid onder j, waarin per kalenderjaar wordt aangegeven het verloop van de toevoegingen en de onttrekkingen aan de voorzieningen. De toezending geschiedt binnen 2 weken na de dag waarop de gemeenteraad een besluit als bedoeld in de eerste volzin heeft genomen. Het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school kan tegen een besluit als bedoeld in de eerste volzin administratief beroep instellen bij gedeputeerde staten.

§ 6. Bestedingsmogelijkheden
Artikel 148. Besteding vergoeding
  • 1. Het bevoegd gezag van een school besteedt de door het Rijk toegekende vergoedingen, voor zover het niet betreft de vergoedingen bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van die school met inachtneming van het bepaalde in artikel 149 en het zorgplan.

  • 2. Het bevoegd gezag van een school besteedt de door het Rijk toegekende vergoedingen, bedoeld in artikel 134, ten behoeve van de scholen van dat bevoegd gezag. Onder scholen als bedoeld in de vorige volzin, worden verstaan scholen in de zin van deze wet, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 149. Besteding vergoeding voor personeel
  • 1. De vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid onder a, wordt besteed aan de kosten van het personeel dat is aangesteld ten laste van het formatiebudget.

  • 2. De vergoeding, bedoeld in artikel 137, eerste lid onder b, wordt besteed aan personele uitgaven.

Artikel 150. Besteding gemeentelijke vergoeding
  • 1. De op grond van artikel 140 of artikel 141 toegekende vergoedingen worden besteed aan het doel waarvoor zij zijn verstrekt.

  • 2. De toegekende overschrijdingsbedragen worden besteed ten behoeve van de scholen van een bevoegd gezag.

AFDELING 9. BEËINDIGING VAN DE BEKOSTIGING
§ 1. Basisscholen
Artikel 151. Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt onder «school» verstaan: basisschool.

Artikel 152. Grondslag berekening aantal leerlingen

Waar in deze paragraaf sprake is van een aantal leerlingen, is dat het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober, verhoogd met het krachtens artikel 121, eerste lid, bepaalde percentage van dat aantal leerlingen.

Artikel 153. Einde bekostiging bijzondere school en opheffing openbare school
  • 1. De bekostiging van een bijzondere school wordt beëindigd en een openbare school wordt opgeheven indien het aantal leerlingen, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of in het eerste en het derde schooljaar van 3 achtereenvolgende schooljaren telkens minder heeft bedragen dan de opheffingsnorm die, berekend overeenkomstig de artikelen 154 en 155, geldt voor de gemeente of voor het deel van de gemeente waarin de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, is gelegen. De eerste volzin is niet van toepassing zolang gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van een school het aantal leerlingen van de school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, niet heeft voldaan aan de stichtingsnorm die werd vastgesteld met toepassing van artikel 77, tweede lid, en op grond waarvan de school voor bekostiging in aanmerking werd genomen. De tweede volzin is niet van toepassing op scholen als bedoeld in artikel 84.

  • 2. De opheffingsnormen, berekend op grond van artikel 154, zijn voor de eerste maal opgenomen in de bij deze wet behorende bijlage. Deze normen zijn tot en met 31 juli 1998 van kracht. Deze normen worden met ingang van 1 augustus 1998 telkens voor een tijdvak van 5 jaar bij ministeriële regeling aangepast op basis van de gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek betreffende 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn. De ministeriële regeling, bedoeld in de derde volzin, wordt, te zamen met bij die regeling op grond van artikel 155 vastgestelde normen voor delen van gemeenten, voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het laatste jaar waarin de opheffingsnormen van kracht zijn, bekendgemaakt in het officiële publikatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 3. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren onderscheidenlijk met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere school of de opheffing van een openbare school ten aanzien waarvan gedurende de eerste 5 schooljaren van de bekostiging van de school het eerste lid, tweede volzin, toepassing diende te vinden, geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op die 5 schooljaren.

  • 4. Indien het aantal leerlingen van een bijzondere school of een openbare school, voor zover het niet betreft het aantal leerlingen van een nevenvestiging, in het tweede schooljaar van de 2 achtereenvolgende schooljaren onderscheidenlijk in het derde schooljaar van de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid, gelijk is aan of meer bedraagt dan 50 en de school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, binnen een straal van 5 km de laatste school van de richting is onderscheidenlijk de laatste openbare school is, wordt de bekostiging van de bijzondere school niet beëindigd of de openbare school niet opgeheven op grond van dit artikel, mits het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan.

  • 5. Indien binnen 10 km van een school waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, over de weg gemeten geen school aanwezig is waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, wordt de eerstgenoemde school niet opgeheven op grond van dit artikel.

Artikel 154. Opheffingsnorm

Voor iedere gemeente wordt, op basis van de leerlingdichtheid in die gemeente, een opheffingsnorm vastgesteld aan de hand van de formule:

Opheffingsnorm = 0,6 x (leerlingdichtheid : (0,15 + 0,0027 x leerlingdichtheid))

De uitkomst van de berekening wordt afgerond, waarbij de decimalen worden verwaarloosd indien het eerste cijfer achter de komma kleiner is dan 5 en waarbij de decimalen worden verwaarloosd en het getal verhoogd met 1 indien het eerste cijfer achter de komma gelijk is aan of groter is dan 5. De opheffingsnorm bedraagt minimaal 23 en maximaal 200. De leerlingdichtheid is de uitkomst van het aantal inwoners van 4 tot en met 11 jaar in die gemeente gedeeld door het aantal km2 grondoppervlakte van die gemeente. Indien het aantal km2 van de gemeente minder bedraagt dan 10 km2, wordt voor de berekening van de leerlingdichtheid uitgegaan van 10 km2. De leerlingdichtheid bedraagt maximaal 500.

Artikel 155. Splitsing van de gemeente
  • 1. De gemeenteraad kan, indien elk bevoegd gezag dat een of meer scholen in de gemeente in stand houdt schriftelijk heeft verklaard daarmee in te stemmen, besluiten dat het grondgebied van de gemeente in twee bij dat besluit vastgestelde delen wordt gesplitst in verband met aanzienlijke verschillen in bebouwingskarakter en bevolkingsdichtheid tussen die delen. De grenzen van de delen van de gemeente die zijn ontstaan als gevolg van toepassing van het eerste lid, vallen samen met grenzen van gebieden in die gemeente die zijn opgenomen in de jaarlijkse publikatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek «De landelijke wijk- en buurtindeling». Het besluit wordt genomen uiterlijk 2 jaar voor het verstrijken van de periode tot en met 31 juli 1998 of een 5-jaarlijkse periode als bedoeld in artikel 153, tweede lid. Het besluit is gedurende 20 jaar van kracht behoudens het gestelde in het vijfde lid.

  • 2. Burgemeester en wethouders brengen Onze minister binnen 1 maand na het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid, op de hoogte van dat besluit, waarbij tevens mededeling wordt gedaan van de begrenzing van de beide gebiedsdelen, de oppervlakte daarvan en het aantal 4- tot en met 11-jarigen dat daarbinnen woonachtig is. Na ontvangst van een mededeling als bedoeld in de eerste volzin wordt bij ministeriële regeling voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vastgesteld. De opheffingsnorm voor elk deel wordt vastgesteld op de wijze als aangegeven in artikel 154, met dien verstande dat bij het bepalen van de leerlingdichtheid wordt uitgegaan van het aantal km2 grondoppervlakte van het desbetreffende deel en dat de vijfde volzin van artikel 154 niet van toepassing is. De ministeriële regeling wordt overeenkomstig artikel 153, tweede lid, bekendgemaakt en is voor de eerste maal van toepassing op het eerstvolgende tijdvak van 5 jaar, volgend op die bekendmaking.

  • 3. Indien niet elk bevoegd gezag een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid eerste volzin wenst te verstrekken, kan de gemeenteraad Onze minister verzoeken een besluit tot splitsing als bedoeld in het eerste lid te nemen. Het besluit tot het doen van een zodanig verzoek wordt genomen uiterlijk 2 jaar voor het verstrijken van de periode tot en met 31 juli 1998, of een 5-jaarlijkse periode als bedoeld in artikel 153, tweede lid. Met betrekking tot het verzoek is het tweede lid eerste volzin van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat burgemeester en wethouders eveneens de ontvangen instemmende verklaringen overleggen, alsmede een opgave van de scholen waarvan het bevoegd gezag geen instemmende verklaring wenste te verstrekken. Alvorens een besluit te nemen, stelt Onze minister het bevoegd gezag dat geen instemmende verklaring wenste te verstrekken in de gelegenheid om zijn zienswijze naar voren te brengen. Indien Onze minister tot splitsing van de gemeente besluit, wordt dit besluit genomen uiterlijk 1 jaar voor het verstrijken van de periode tot en met 31 juli 1998, of de 5-jaarlijkse periode waarin het verzoek werd gedaan en zijn op dit besluit de tweede tot en met vierde volzin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Met een weigering om tot splitsing van de gemeente over te gaan, wordt gelijk gesteld het niet nemen van een besluit met betrekking tot splitsing binnen 6 maanden na verzending van de laatste instemmende verklaring van de bevoegde gezagsorganen, bedoeld in het eerste lid. Met een weigering om een verzoek tot splitsing bij Onze minister in te dienen, wordt gelijkgesteld het niet nemen van een besluit binnen 6 maanden na verzending van een verzoek daartoe aan de gemeenteraad door een bevoegd gezag dat een of meer scholen in de gemeente in stand houdt.

  • 5. Op grond van bijzondere omstandigheden die voortvloeien uit de ruimtelijke ordening en die op het moment dat het besluit tot splitsing als bedoeld in het eerste of derde lid werd genomen niet voorzienbaar waren, kan de gemeenteraad binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 20 jaar een besluit nemen tot wijziging of beëindiging van de splitsing. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Een besluit van de gemeenteraad tot wijziging of beëindiging van de splitsing behoeft de goedkeuring van Onze minister.

Artikel 156. Opheffingsnormen bij wijziging van de gemeentelijke indeling en bij grenscorrecties
  • 1. In het geval van een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in artikel 283 van de Gemeentewet, stelt Onze minister op de wijze als aangegeven in artikel 154 en artikel 155, tweede lid, de nieuwe opheffingsnormen voor de betrokken gemeenten onderscheidenlijk delen van gemeenten vast, voor zover deze afwijken van de op grond van artikel 153, tweede lid, en artikel 155 bepaalde opheffingsnormen.

  • 2. Indien de gemeenteraad binnen 3 maanden na de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet algemene regels herindeling, een besluit neemt tot splitsing van de gemeente, stelt Onze minister voor de beide gebiedsdelen een afzonderlijke opheffingsnorm vast. Artikel 155, eerste lid eerste, tweede en vierde volzin en tweede lid eerste en derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Artikel 155, derde lid, eerste, derde en vierde volzin, en vierde lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in het vierde lid voor «6 maanden» wordt gelezen: 3 maanden.

  • 4. De ingevolge het eerste en tweede lid vastgestelde opheffingsnormen treden in de plaats van de op grond van artikel 153, tweede lid, en artikel 155 bepaalde opheffingsnormen en treden in werking met ingang van 1 januari volgend op de datum van herindeling, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Wet algemene regels herindeling. Tot en met 31 december volgend op de datum van herindeling blijven op de scholen in de gemeenten die bij de wijziging van de gemeentelijke indeling of de grenscorrectie zijn betrokken, de opheffingsnormen van toepassing die golden op de dag voorafgaande aan de datum van herindeling.

Artikel 157. Gemiddelde schoolgrootte; samenwerkingsovereenkomst
  • 1. Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in uitsluitend 1 gemeente of, ingeval voor die gemeente op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, in uitsluitend 1 deel van die gemeente, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt, de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel van de gemeente geldende opheffingsnorm, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan.

  • 2. Indien een bevoegd gezag scholen in stand houdt in meer dan 1 gemeente, of in meer dan 1 deel van een gemeente waarvoor op grond van artikel 155 opheffingsnormen zijn vastgesteld, wordt, in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school niet beëindigd en een openbare school niet opgeheven op grond van artikel 153 indien de school ten minste 23 leerlingen telt en de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen van dat bevoegd gezag ten minste 10/6x het gewogen gemiddelde van de voor elk van die gemeenten en delen van gemeenten geldende opheffingsnormen, dan wel ten minste 290 bedraagt en het bevoegd gezag tijdig de in artikel 160, tweede lid, bedoelde mededeling heeft gedaan. Het gewogen gemiddelde, bedoeld in de eerste volzin, wordt vastgesteld door het aantal scholen van het bevoegd gezag in elke gemeente of elk deel van een gemeente te vermenigvuldigen met de voor die gemeente onderscheidenlijk dat deel geldende opheffingsnorm en de som van de verkregen uitkomsten te delen door het totale aantal scholen van het bevoegd gezag.

  • 3. Behoudens het bepaalde in het vierde lid zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing indien een bevoegd gezag met ten minste 1 ander bevoegd gezag een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, waarbij voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    a. alle scholen van elk bevoegd gezag dat aan de overeenkomst deelneemt, bevinden zich in een gebied van aan elkaar grenzende gemeenten, dan wel delen van gemeenten als bedoeld in artikel 155;

    b. de overeenkomst is langer dan 1 jaar voor het niet meer voldoen van een der scholen aan de voor die school geldende opheffingsnorm gesloten en is aangegaan voor een termijn van ten minste 10 jaren en

    c. in de overeenkomst is in elk geval opgenomen de verplichting voor elk bevoegd gezag om geen personeel te benoemen met voorbijgaan van personeel van een der scholen waarvan het bevoegd gezag aan de overeenkomst deelneemt en dat

    1°. werkzaam is met gebruikmaking van formatie die is toegekend op grond van artikel 120, derde lid, wegens samenvoeging van scholen,

    2°. voor zover zich geen geval voordoet als bedoeld onder 1° gebruik maakt van de krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering, dan wel

    3°. voor zover zich geen geval voordoet als bedoeld onder 1° en 2° in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag.

  • 4. Met toepassing van het derde lid juncto het tweede lid kan in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, de bekostiging van een bijzondere school slechts worden voortgezet of een openbare school slechts in stand worden gehouden, indien zich binnen een straal van 2,5 km van de desbetreffende school geen andere school van dezelfde richting, dan wel, indien het openbaar onderwijs betreft geen andere school met openbaar onderwijs bevindt.

  • 5. De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, kan bepalen dat geen verplichting als bedoeld in het derde lid onder c 3° bestaat in gevallen, genoemd in de ministeriële regeling bedoeld in artikel 138, vijfde lid, en in gevallen waarin Onze minister op grond van artikel 138, zesde lid, heeft beslist dat de vermindering van de vergoeding, bedoeld in artikel 138, eerste lid en tweede lid onder a, niet zal plaatsvinden.

  • 6. Indien de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in het derde lid, voor afloop van de termijn bedoeld in het derde lid onder b door een bevoegd gezag wordt beëindigd, wordt de bekostiging van een bijzondere school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, werd bekostigd, beëindigd, dan wel een openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst in afwijking van artikel 153, eerste tot en met derde lid, in stand werd gehouden, opgeheven overeenkomstig artikel 153 met dien verstande dat de bekostiging niet wordt beëindigd onderscheidenlijk de school niet wordt opgeheven voor 1 augustus volgend op de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst. Bij een beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst voor afloop van de termijn bedoeld in het derde lid onder b, wordt op de vergoeding van het Rijk voor de school of scholen van elk bevoegd gezag dat aan de samenwerkingsovereenkomst deelnam een bedrag ingehouden, waarvan de hoogte door middel van een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regeling wordt bepaald.

  • 7. Een bevoegd gezag kan slechts deelnemen aan 1 samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid. Bij deelname aan meer dan 1 samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in het derde lid, is voor de toepassing van dit artikel uitsluitend de eerst gesloten samenwerkingsovereenkomst van belang.

Artikel 158. Beëindiging bekostiging of opheffing nevenvestiging
  • 1. De bekostiging van een bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of een openbare nevenvestiging wordt opgeheven indien de nevenvestiging gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of in het eerste en het derde schooljaar van 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de volgende voorwaarden:

    a. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 2 km bevindt zich geen school,

    b. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 50 en binnen een straal van 3 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting of richtingen onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,

    c. het aantal leerlingen van de nevenvestiging bedraagt ten minste 23 en binnen een straal van 5 km bevindt zich geen school waar onderwijs wordt gegeven van dezelfde richting of richtingen onderscheidenlijk waar openbaar onderwijs wordt gegeven,

    d. binnen 10 km van de openbare nevenvestiging over de weg gemeten, is geen andere school aanwezig waarbinnen openbaar onderwijs wordt gegeven, of

    e. bij het gelijkstellen van de nevenvestiging met een zelfstandige school zou deze met toepassing van artikel 157 en onder vervanging van het getal 290 in dat artikel door 260, voor bekostiging in aanmerking komen.

  • 2. De beëindiging van de bekostiging van een bijzondere nevenvestiging of de opheffing van een openbare nevenvestiging geschiedt met ingang van 1 augustus volgend op de 2 achtereenvolgende schooljaren, onderscheidenlijk met ingang van 1 augustus volgend op de 3 achtereenvolgende schooljaren, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Indien het bevoegd gezag van oordeel is dat op de teldatum 1 oktober wordt voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid en het de nevenvestiging in het op die datum volgende schooljaar wil handhaven, deelt het dit voor 1 februari voorafgaand aan dat schooljaar onder de gemotiveerde vermelding van de voorwaarde die het betreft schriftelijk mede aan Onze minister. Indien deze mededeling niet tijdig wordt gedaan, wordt de nevenvestiging geacht gedurende het desbetreffende schooljaar niet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid te voldoen, tenzij het eerste lid, onder d, van toepassing is.

  • 4. Onze minister deelt voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het derde lid, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school schriftelijk mede dat

    a. de nevenvestiging naar zijn oordeel gedurende 2 achtereenvolgende schooljaren of in het eerste en het derde schooljaar van 3 achtereenvolgende schooljaren op de teldatum 1 oktober niet heeft voldaan of geacht wordt niet te hebben voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid zodat de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt beëindigd of de openbare nevenvestiging dient te worden opgeheven,

    b. de nevenvestiging naar zijn oordeel niet voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid maar, gelet op het eerste lid, de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging in stand kan worden gehouden, of

    c. de nevenvestiging naar zijn oordeel voldoet aan een van de voorwaarden genoemd in het eerste lid, zodat de bekostiging van de bijzondere nevenvestiging wordt voortgezet of de openbare nevenvestiging in stand kan, dan wel dient te worden gehouden.

Artikel 159. Vermindering aantal openbare scholen en nevenvestigingen

De gemeenteraad kan besluiten tot vermindering van het aantal openbare scholen en nevenvestigingen. In afwijking van de eerste volzin vindt opheffing van een openbare school of nevenvestiging niet plaats in de gevallen bedoeld in artikel 153, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 158, eerste lid onder d.

Artikel 160. Mededelingen over beëindiging bekostiging school en opheffing school
  • 1. Indien naar het oordeel van Onze minister de bekostiging van een bijzondere school dient te worden beëindigd of een openbare school dient te worden opgeheven, deelt Onze minister dit voor 1 januari voorafgaand aan de datum van beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk opheffing van de school schriftelijk mee aan het bevoegd gezag.

  • 2. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 153, vierde of vijfde lid, dan wel artikel 157, deelt het bevoegd gezag dit voor 1 februari voorafgaand aan de datum voor de beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing schriftelijk mede aan Onze minister. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke gegevens bij deze mededeling worden overgelegd.

  • 3. Voor zover Onze minister niet reeds heeft meegedeeld dat hij de mededeling, bedoeld in het tweede lid, buiten behandeling laat wegens het niet verstrekken van de voorgeschreven gegevens, deelt hij voor

    1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het tweede lid, aan het bevoegd gezag van de desbetreffende school schriftelijk mede dat:

    a. naar zijn oordeel geen sprake is van een van de uitzonderingssituaties, bedoeld in het tweede lid, en dat met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school wordt beëindigd dan wel de openbare school dient te worden opgeheven, of

    b. met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school wordt voortgezet of de openbare school in stand dient te worden gehouden.

  • 4. Indien Onze minister niet voor 1 mei, volgend op de mededeling, bedoeld in het tweede lid, een van de mededelingen, bedoeld in het derde lid, heeft gedaan, wordt met ingang van 1 augustus van het volgende schooljaar de bekostiging van de bijzondere school voortgezet of dient de openbare school met ingang van laatstgenoemde datum in stand te worden gehouden.

Artikel 161. Opgave aantal leerlingen
  • 1. Het bevoegd gezag zendt voor 15 oktober volgend op de teldatum, bedoeld in artikel 152, aan Onze minister een opgave van het aantal leerlingen. Indien deze opgave niet voor die datum wordt gedaan, stelt Onze minister het aantal leerlingen, indien die gegevens voor de voortzetting of beëindiging van de bekostiging onderscheidenlijk de opheffing of instandhouding van een school noodzakelijk zijn, ambtshalve vast. Een opgave van het aantal leerlingen op of na 15 oktober aan Onze minister heeft geen invloed op het ambtshalve vastgestelde aantal leerlingen voor zover het betreft het al of niet beëindigen van de bekostiging van een bijzondere school of nevenvestiging of de opheffing of instandhouding van een openbare school of nevenvestiging.

  • 2. Onze minister wijst het bevoegd gezag voorafgaand aan de teldatum, bedoeld in artikel 152, op de verplichting, bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.

  • 3. Indien de opgave van het aantal leerlingen niet voor 15 oktober aan Onze minister wordt gezonden, vindt voor elke maand, daarbij inbegrepen de maand oktober, dat de opgave van het aantal leerlingen niet is verstrekt, een korting op de rijksvergoeding plaats ter grootte van 2% van 1/12 van de rijksvergoeding over het kalenderjaar waarin die maand valt.

§ 2. Speciale scholen voor basisonderwijs
Artikel 162. Vermindering aantal openbare speciale scholen voor basisonderwijs en nevenvestigingen daarvan

Artikel 159, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing op speciale scholen voor basisonderwijs en nevenvestigingen daarvan, met dien verstande dat voor opheffing van de laatste speciale school voor basisonderwijs van een samenwerkingsverband de in artikel 18, zevende lid, bedoelde goedkeuring van Onze minister is vereist.

§ 3. Overige bepalingen
Artikel 163. Overdracht gebouwen, terreinen en roerende zaken
  • 1. Indien de bekostiging van een bijzondere school of nevenvestiging wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de school of nevenvestiging besluit, dan wel een openbare nevenvestiging ten aanzien waarvan artikel 85, tweede lid, of artikel 89, tweede lid, toepassing heeft gevonden, wordt opgeheven, eindigt het recht op het gebouw en terrein en worden alle roerende zaken, behalve die welke het bevoegd gezag uit eigen middelen heeft aangeschaft, aan de gemeente op wier grondgebied het gebouw en terrein zijn gelegen, overgedragen.

  • 2. Artikel 110, eerste tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in de verklaring ingevolge het eerste lid en de beslissing ingevolge het tweede lid als datum waarop het bevoegd gezag blijvend heeft opgehouden dan wel blijvend zal ophouden het gebouw of terrein voor de school te gebruiken, zal worden genoemd de datum waarop de bekostiging is geëindigd dan wel zal eindigen.

  • 3. Indien de bekostiging van een bijzondere school of nevenvestiging wordt beëindigd of het bevoegd gezag tot de opheffing van de school of nevenvestiging besluit, dan wel een openbare school of nevenvestiging wordt opgeheven, stort het bevoegd gezag niet bestede vergoedingen terug in de desbetreffende overheidskas. In afwijking van de vorige volzin mogen niet bestede vergoedingen voor zover het betreft de vergoedingen, bedoeld in artikel 134, worden aangewend voor een van de andere scholen of instellingen die een bevoegd gezag in stand houdt overeenkomstig deze wet, de Wet op de expertisecentra dan wel de Wet op het voortgezet onderwijs en ontstaat de verplichting van het bevoegd gezag om deze niet bestede vergoedingen terug te storten, eerst indien het betreft de beëindiging van de bekostiging of de opheffing van de laatste school of instelling.

  • 4. In afwijking van het derde lid, eerste volzin, boekt het bevoegd gezag van een in het derde lid, eerste volzin, bedoelde school in geval van samenvoeging van die school met een of meer andere scholen de uit 's Rijks kas ontvangen niet bestede vergoedingen over naar de school of scholen waarvoor met het oog op deze samenvoeging een aanvraag voor faciliteiten in verband met de samenvoeging is ingediend, aan de hand waarvan door Onze minister is vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is van een samenvoeging. Indien sprake is van samenvoeging van scholen van verschillende bevoegde gezagsorganen, kan, in afwijking van de vorige volzin, het bevoegd gezag van de op te heffen school met het bevoegd gezag van de school of scholen die in stand blijft onderscheidenlijk blijven, overeenkomen dat de uit 's Rijks kas ontvangen niet bestede vergoedingen als bedoeld in artikel 134

    a. worden overgeboekt naar de school of scholen die in stand blijft onderscheidenlijk blijven, dan wel

    b. blijven bij het bevoegd gezag van de op te heffen school, ten behoeve van de andere scholen van dat bevoegd gezag.

  • 5. Het vierde lid, eerste volzin, is van overeenkomstige toepassing:

    a. in geval van omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde openbare school of omgekeerd, met dien verstande dat indien na de overboeking van de uit 's Rijks kas ontvangen niet bestede vergoedingen blijkt, dat voor de in het derde lid bedoelde school terugbetaling aan het Rijk dient te geschieden, deze terugbetaling ten laste van de school komt waarnaar de uit 's Rijks kas ontvangen niet bestede vergoedingen zijn overgeboekt, of

    b. indien een bekostigde school met toepassing van artikel 85 of artikel 89 als nevenvestiging in bekostiging wordt genomen.

Artikel 164. Inhouding vergoeding
  • 1. Onze minister kan bepalen dat de vergoedingen geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, indien het bevoegd gezag van een openbare school, onderscheidenlijk het bevoegd gezag van een bijzondere school, de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, onderscheidenlijk gestelde bekostigingsvoorwaarden, niet nakomt.

  • 2. Onze minister kent de vergoedingen wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste lid is vervallen.

AFDELING 10. GEMEENTELIJK ONDERWIJSACHTERSTANDENBELEID
Artikel 165. Landelijk beleidskader
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor een periode van telkens 4 schooljaren een landelijk beleidskader vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in de eerste volzin, wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend. Het bepaalde in de vorige drie volzinnen is niet van toepassing, voorzover het ontwerp van de algemene maatregel van bestuur voordien aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en door of namens een der kamers te kennen is gegeven dat van de procedure, bedoeld in de tweede tot en met vierde volzin, kan worden afgeweken.

  • 2. Het landelijk beleidskader vermeldt de landelijke doelstellingen van het beleid inzake onderwijsachterstandenbestrijding en verstrekt informatie over de voornemens van de rijksoverheid met betrekking tot de landelijke evaluatie van het beleid inzake onderwijsachterstandenbestrijding.

Artikel 166. Onderwijsachterstandenplan
  • 1. De gemeenteraad stelt voor een periode van telkens 4 schooljaren een plan vast, onderwijsachterstandenplan genaamd, ter bestrijding van onderwijsachterstanden. Het plan kan desgewenst tezamen met het plan inzake onderwijs in allochtone levende talen, bedoeld in artikel 171, als één plan worden vastgesteld. Indien het totaal van de voor de bestrijding van onderwijsachterstanden bestemde middelen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en c, tezamen met de voor onderwijs in allochtone levende talen bestemde middelen, bedoeld in artikel 171, derde lid, onderdelen a en c, jaarlijks minder is dan f 250 000,-, kan de gemeenteraad afzien van de vaststelling van het plan. In dat geval besluit de gemeenteraad op andere wijze omtrent de verdeling van de middelen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b, waarbij de gemeenteraad het landelijk beleidskader in acht neemt.

  • 2. Onder onderwijsachterstanden worden verstaan die negatieve effecten op de leer- en ontwikkelingsmogelijkheden van leerlingen, die het gevolg zijn van sociale, economische en culturele omstandigheden.

  • 3. Het onderwijsachterstandenplan vermeldt in elk geval:

    a. de wijze waarop de doelstellingen, genoemd in het landelijk beleidskader, bedoeld in artikel 165, in kwalitatieve en kwantitatieve zin worden uitgewerkt,

    b. de wijze waarop de voor de bestrijding van onderwijsachterstanden bestemde middelen, anders dan de in onderdeel c genoemde middelen, worden ingezet, alsmede de scholen en instellingen die de daaruit voortvloeiende activiteiten zullen verrichten,

    c. de wijze waarop de scholen de formatie voor speciale doeleinden inzetten, voor zover die is bestemd voor het bestrijden van onderwijsachterstanden met dien verstande dat de scholen de zeggenschap hebben over de wijze waarop dit wordt geoperationaliseerd,

    d. de wijze waarop de scholen verantwoording afleggen over de inzet van de in onderdeel c bedoelde middelen in overeenstemming met het plan, en de wijze waarop de scholen en instellingen rekening en verantwoording afleggen inzake de besteding van de middelen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b,

    e. de procedure met betrekking tot de wijziging van het plan, en

    f. de wijze waarop de gemeenteraad het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid evalueert.

  • 4. Het onderwijsachterstandenplan vermeldt tevens de omvang van de voor de bestrijding van onderwijsachterstanden bestemde middelen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:

    a. de middelen die de gemeente als specifieke uitkering, bedoeld in artikel 168, uit 's Rijks kas ontvangt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden,

    b. de middelen, anders dan bedoeld in onderdeel a, die de gemeenteraad bestemt voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, en

    c. de middelen, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, die de scholen ontvangen.

    De gemeenteraad kan de onderdelen a en c van het plan, voor zover het betreft een aanpassing als gevolg van de wijziging van de omvang van deze middelen, zonder toepassing van het zesde lid wijzigen, indien het voornemen tot wijziging is bekendgemaakt en niet binnen vier weken na de bekendmaking door ten minste een bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen school is verzocht om het op overeenstemming gericht overleg te doen plaatsvinden.

  • 5. Het onderwijsachterstandenplan heeft betrekking op:

    a. basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs,

    b. scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra,

    c. scholen als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, en

    d. andere instellingen.

    Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een school gelijkgesteld een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.

  • 6. Vaststelling en wijziging van het onderwijsachterstandenplan of het nemen van een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan, geschiedt niet dan na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in de gemeente. De gemeenteraad stelt daartoe bij verordening een procedure vast, met dien verstande dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald:

    a. vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies als bedoeld in het tiende lid, uit te brengen,

    b. dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld, en

    c. dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het advies geen besluit neemt.

    Bij het overleg kunnen door het gemeentebestuur andere instellingen worden betrokken.

  • 7. Binnen een jaar na de vaststelling van het landelijk beleidskader, bedoeld in artikel 165, stelt de gemeenteraad het onderwijsachterstandenplan vast.

  • 8. Het onderwijsachterstandenplan kan tussentijds worden gewijzigd.

  • 9. Indien de vaststelling en wijziging van het onderwijsachterstandenplan of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan, leiden tot kosten van uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, komen deze kosten ten laste van het Rijk indien het ontstaan van deze kosten in redelijkheid is toe te rekenen aan het Rijk.

  • 10. Tijdens het in het zesde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van het onderwijsachterstandenplan in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien het bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekendgemaakt tezamen met het plan. Artikel 4:20 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan.

  • 11. Het gemeentebestuur kan een subsidieplafond vaststellen en bepalen hoe het beschikbare bedrag met inachtneming daarvan wordt verdeeld.

Artikel 167. Voorschoolse activiteiten

Voor zover het onderwijsachterstandenplan of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan, daarin voorziet, kunnen activiteiten worden verricht en financiële middelen worden ingezet ten behoeve van kinderen die nog niet tot een school kunnen worden toegelaten en die de leeftijd van 3 jaren hebben bereikt. De activiteiten zijn gericht op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes instromen in het basisonderwijs.

Artikel 168. Gemeentelijke middelen
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een gemeente voor telkens een periode van 4 jaar in aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor het bestrijden van onderwijsachterstanden, alsmede de criteria voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per jaar verstrekt.

  • 2. De gemeente verstrekt de middelen, bedoeld in artikel 166, vierde lid, onderdelen a en b, aan de rechtspersonen die daarvoor in aanmerking komen.

  • 3. Onze minister kan voor bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen of groepen van gevallen tegemoet komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van het eerste lid van dit artikel mochten voordoen.

Artikel 169. Rekening en verantwoording gemeente

Onze minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de rekening van de gemeente, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het gemeentelijk verslag omtrent het financieel beheer, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het verslag van de accountant, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet, dan wel uit een afzonderlijke verantwoording, voorzien van een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeenstemming met de bepalingen van deze wet.

Artikel 170. Inlichtingenplicht en inhouding middelen
  • 1. De bevoegde gezagsorganen van de scholen en andere instellingen die bij de uitvoering van het plan of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van de vaststelling van het plan, betrokken zijn of betrokken worden, zijn gehouden aan de door de gemeenteraad aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te geven en de gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de opstelling van het plan of het in deze volzin bedoelde besluit, voor het toezicht en voor de evaluatie. Het gemeentebestuur is gehouden aan de door Onze minister aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te geven en de gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de evaluatie van de landelijke doelstellingen van het beleid inzake onderwijsachterstandenbestrijding.

  • 2. Indien het bevoegd gezag van een school naar het oordeel van de gemeenteraad de middelen, bedoeld in artikel 166, vierde lid, onderdelen a en b, niet besteedt overeenkomstig het onderwijsachterstandenplan, of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien de gemeenteraad op grond van artikel 166, eerste lid, tweede volzin, heeft afgezien van de vaststelling van het plan, kan de gemeenteraad de middelen geheel of gedeeltelijk inhouden.

  • 3. Indien het bevoegd gezag van een school naar het oordeel van de gemeenteraad de middelen, bedoeld in artikel 166, vierde lid, onderdeel c, niet besteedt overeenkomstig het onderwijsachterstandenplan, maakt de gemeenteraad hiervan melding aan Onze minister.

  • 4. Indien het gemeentebestuur naar het oordeel van Onze minister de voorschriften in deze afdeling niet nakomt, kan Onze minister de uitkering, bedoeld in artikel 168, geheel of gedeeltelijk inhouden.

  • 5. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het vierde lid in verband met een besluit van het gemeentebestuur dat leidt tot kosten van uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel en de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, eerste lid, een verzoek als bedoeld in artikel 138, derde lid, met betrekking tot een niet door de gemeente in stand gehouden school als gevolg van dat besluit van het gemeentebestuur heeft ingewilligd, vergoedt Onze Minister aan deze rechtspersoon de als gevolg van die inwilliging gemaakte kosten van werkloosheidsuitkeringen.

AFDELING 11. ONDERWIJS IN ALLOCHTONE LEVENDE TALEN
Artikel 171. Plan inzake onderwijs in allochtone levende talen
  • 1. Indien een gemeente daartoe middelen als bedoeld in artikel 173 uit 's Rijks kas ontvangt dan wel daartoe middelen ontvangt van een andere gemeente, stelt de gemeenteraad voor een periode van telkens 4 schooljaren een plan vast inzake onderwijs in allochtone levende talen. Het plan kan desgewenst tezamen met het onderwijsachterstandenplan, bedoeld in artikel 166, als één plan worden vastgesteld. Indien het totaal van de voor de bestrijding van onderwijsachterstanden bestemde middelen, bedoeld in artikel 166, vierde lid, onderdelen a en c, tezamen met de voor onderwijs in allochtone levende talen bestemde middelen, bedoeld in het derde lid, onderdelen a en c, jaarlijks minder is dan f 250 000,- kan de gemeenteraad afzien van de vaststelling van het plan. In dat geval besluit de gemeenteraad op andere wijze omtrent de verdeling van de middelen.

  • 2. Het plan inzake onderwijs in allochtone levende talen vermeldt in elk geval:

    a. in welke talen onderwijs in allochtone levende talen wordt aangeboden,

    b. indien de gemeente met toepassing van artikel 173, tweede lid, middelen overdraagt aan een andere gemeente, ten behoeve van welke taal of talen middelen aan een andere gemeente ter beschikking worden gesteld, de naam van de ontvangende gemeente, alsmede de omvang van die middelen,

    c. de procedure met betrekking tot de keuze welke scholen of rechtspersonen als bedoeld in het vierde lid, onder c, de activiteiten zullen verrichten, alsmede de criteria op grond waarvan de keuze wordt gemaakt,

    d. de wijze waarop de scholen en de rechtspersonen, bedoeld in het vierde lid, onder c, rekening en verantwoording afleggen inzake de besteding van de middelen,

    e. de procedure met betrekking tot de wijziging van het plan, en

    f. de wijze waarop de gemeenteraad het gemeentelijke beleid inzake onderwijs in allochtone levende talen evalueert.

  • 3. Het plan vermeldt tevens de omvang van de voor onderwijs in allochtone levende talen bestemde middelen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:

    a. de middelen die de gemeente als specifieke uitkering, bedoeld in artikel 173, uit 's Rijks kas ontvangt voor onderwijs in allochtone levende talen,

    b. de middelen die de gemeenteraad bestemt voor onderwijs in allochtone levende talen, en

    c. de middelen die de gemeente ontvangt van een andere gemeente ten behoeve van het onderwijs in een of meer allochtone levende talen.

    De gemeenteraad kan onderdeel a van het plan, voor zover het betreft een aanpassing als gevolg van de wijziging van de omvang van deze middelen, zonder toepassing van het vijfde lid wijzigen, indien het voornemen tot wijziging is bekendgemaakt en niet binnen 4 weken na de bekendmaking door ten minste een bevoegd gezag van een in de gemeente gelegen school is verzocht om het op overeenstemming gericht overleg te doen plaatsvinden.

  • 4. Het plan heeft betrekking op:

    a. basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs,

    b. scholen als bedoeld in de Wet op de expertisecentra en deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, en

    c. rechtspersonen die niet een school als bedoeld onder a of b in stand houden en naar het oordeel van de gemeenteraad in aanmerking komen voor het verzorgen van onderwijs in allochtone levende talen.

    Voor de toepassing van deze afdeling wordt met een school gelijkgesteld een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school waarvan de hoofdvestiging in een andere gemeente is gelegen.

  • 5. De gemeenteraad stelt voorafgaand aan de vaststelling van het plan de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in de gemeente en de allochtone ouders op een door de gemeenteraad vast te stellen wijze in staat hun mening kenbaar te maken over de wijze waarop voorlichting en behoeftepeiling onder de allochtone ouders zullen plaatsvinden. De gemeenteraad kan daarnaast rechtspersonen als bedoeld in het vierde lid, onder c, in staat stellen hun mening kenbaar te maken. De gemeenteraad kan de voorlichting en de behoeftepeiling beperken tot die talen, die naar het oordeel van de gemeenteraad in aanmerking zouden kunnen worden gebracht voor opname in het plan. Vaststelling en wijziging van het plan of het nemen van een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan, geschiedt niet dan na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van alle scholen in de gemeente. De gemeenteraad stelt de allochtone ouders op een door de gemeenteraad te bepalen wijze in staat hun mening kenbaar te maken over de vaststelling en wijziging van het plan of het nemen van een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan. Voor het op overeenstemming gerichte overleg met de bevoegde gezagsorganen stelt de gemeenteraad bij verordening een procedure vast, met dien verstande dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald:

    a. vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies als bedoeld in het achtste lid uit te brengen,

    b. dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld, en

    c. dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het advies geen besluit neemt.

    Bij het overleg kunnen door het gemeentebestuur rechtspersonen als bedoeld in het vierde lid, onder c, worden betrokken.

  • 6. Het plan kan tussentijds worden gewijzigd.

  • 7. Indien de vaststelling en wijziging van het plan of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan, leiden tot kosten van uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, komen deze kosten ten laste van het Rijk indien het ontstaan van deze kosten in redelijkheid is toe te rekenen aan het Rijk. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een besluit, waarbij aan een school op grond van het plan middelen zullen worden verstrekt.

  • 8. Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling of wijziging van het plan in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien het bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen 4 weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het plan. Artikel 4:20 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van vaststelling van het plan.

  • 9. Het gemeentebestuur kan een subsidieplafond vaststellen en bepalen hoe het beschikbare bedrag met inachtneming daarvan wordt verdeeld.

Artikel 172. Onderwijs in allochtone levende talen
  • 1. Tot het onderwijs in een allochtone levende taal op een school die daarvoor in aanmerking is gekomen, worden leerlingen van de school en leerlingen die niet op de school zijn ingeschreven uitsluitend toegelaten indien hun ouders dit wensen. Tot het onderwijs in een allochtone levende taal, verzorgd door een rechtspersoon als bedoeld in artikel 171, vierde lid, onder c, worden leerlingen uitsluitend toegelaten indien hun ouders dat wensen.

  • 2. De tijd die wordt besteed aan onderwijs in allochtone levende talen wordt niet meegeteld voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, ten minste moeten ontvangen en evenmin voor het aantal uren onderwijs dat de leerlingen krachtens artikel 8, zevende lid, ten hoogste per dag mogen ontvangen.

Artikel 173. Gemeentelijke middelen
  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de criteria vastgesteld op grond waarvan een gemeente voor telkens een periode van 4 jaar in aanmerking komt voor een specifieke uitkering ter tegemoetkoming in de kosten voor onderwijs in allochtone levende talen, alsmede de criteria voor de hoogte daarvan. De uitkering wordt per jaar verstrekt.

  • 2. De gemeenteraad kan nadat de allochtone ouders op een door de gemeenteraad te bepalen wijze in staat zijn gesteld hun mening daarover kenbaar te maken, de middelen die de gemeente als specifieke uitkering, bedoeld in het eerste lid, uit s Rijks kas ontvangt voor onderwijs in allochtone levende talen geheel of gedeeltelijk bestemmen voor taalondersteuning van allochtone leerlingen in de eerste vier schooljaren dan wel deze middelen geheel of gedeeltelijk overdragen aan een andere gemeente ten behoeve van onderwijs in een of meer allochtone levende talen in die gemeente. Indien de gemeenteraad besluit de uitkering, bedoeld in het eerste lid, geheel te bestemmen voor taalondersteuning van allochtone leerlingen in de eerste vier schooljaren, is artikel 171 niet van toepassing.

  • 3. De gemeente verstrekt de middelen, bedoeld in artikel 171, derde lid, aan de rechtspersonen die daarvoor in aanmerking komen.

Artikel 174. Rekening en verantwoording gemeente

Onze minister kan de uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de rekening van de gemeente, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het gemeentelijk verslag omtrent het financieel beheer, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, het verslag van de accountant, bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet, dan wel uit een afzonderlijke verantwoording, voorzien van een verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, niet blijkt dat de uitkering is besteed in overeen-stemming met de bepalingen van deze wet. Indien aan een andere gemeente middelen zijn overdragen is bij de documenten, bedoeld in de eerste volzin, een document gevoegd als bedoeld in die volzin van de gemeente die de middelen heeft ontvangen.

Artikel 175. Inlichtingenplicht en inhouding middelen
  • 1. De bevoegde gezagsorganen van de scholen en de rechtspersonen, bedoeld in artikel 171, vierde lid, onder c, die bij de uitvoering van het plan of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van de vaststelling van het plan, betrokken zijn of betrokken worden zijn gehouden aan de door de gemeenteraad aangewezen personen alle gevraagde bescheiden ter inzage te geven en de gevraagde inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor de opstelling van het plan of het in deze volzin bedoelde besluit, voor het toezicht en voor de evaluatie.

  • 2. Indien het bevoegd gezag van een school of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 171, vierde lid, onder c, dan wel een gemeentebestuur waaraan middelen zijn overgedragen, naar het oordeel van de gemeenteraad de middelen, bedoeld in artikel 171, derde lid, niet besteedt overeenkomstig het plan of een besluit omtrent de verdeling van middelen indien wordt afgezien van de vaststelling van het plan, kan de gemeenteraad die middelen geheel of gedeeltelijk inhouden.

  • 3. Indien het gemeentebestuur naar het oordeel van Onze minister de voorschriften in deze afdeling niet nakomt, kan Onze minister de uitkering, bedoeld in artikel 173, geheel of gedeeltelijk inhouden.

  • 4. Indien Onze Minister toepassing geeft aan het derde lid in verband met een besluit van het gemeentebestuur dat leidt tot kosten van uitkeringen krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoek-personeel en de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, eerste lid, een verzoek als bedoeld in artikel 138, derde lid, met betrekking tot een niet door de gemeente in stand gehouden school als gevolg van dat besluit van het gemeentebestuur heeft ingewilligd, vergoedt Onze Minister aan deze rechtspersoon de als gevolg van die inwilliging gemaakte kosten van werkloosheidsuitkeringen.

Artikel 176. Deugdelijkheidsaspecten van en toezicht op onderwijs in allochtone levende talen door rechtspersonen als bedoeld in artikel 171, vierde lid, onder c
  • 1. Indien een rechtspersoon als bedoeld in artikel 171, vierde lid, onder c, op grond van artikel 171 door de gemeente wordt gesubsidieerd voor het geven van onderwijs in allochtone levende talen:

    a. is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3 en 186 van overeenkomstige toepassing;

    b. voert die rechtspersoon met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs een beleid dat erop is gericht ten minste dezelfde kwaliteit te realiseren als redelijkerwijs kan worden verwacht van het onderwijs in allochtone levende talen, verzorgd door scholen.

  • 2. Het toezicht op het door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid verzorgde onderwijs in allochtone levende talen en de deugdelijkheid ervan is opgedragen aan Onze minister. Artikel 5 is van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 12. OVERIGE BEPALINGEN
Artikel 177. Vermindering vergoeding i.v.m. schuld of nalatigheid
  • 1. Onze minister kan bepalen dat geen of slechts een gedeeltelijke vergoeding wordt toegekend voor uitgaven die het gevolg zijn van schuld of nalatigheid van het bevoegd gezag.

  • 2. Indien de uitgaven bedoeld in het eerste lid, voor vergoeding door het Rijk in aanmerking komen, treedt het Rijk op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake tegen derden mocht hebben.

  • 3. Indien de gemeente een collectieve verzekering heeft afgesloten voor de vergoeding van schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school, heeft het bevoegd gezag van de desbetreffende school jegens de gemeente geen aanspraak op vergoeding van dergelijke schade, voor zover die collectieve verzekering de schade dekt.

  • 4. Indien schade, ontstaan aan gebouwen, terreinen of roerende zaken van een niet door de gemeente in stand gehouden school voor vergoeding door de gemeente in aanmerking komt, treedt de gemeente op het moment van een uitdrukkelijk besluit tot vergoeding in alle rechten die het bevoegd gezag ter zake van die schade tegen derden mocht hebben.

Artikel 178. Inlichtingenplicht bevoegd gezag

Het bevoegd gezag en de gemeente zijn verplicht Onze minister en de door hem aangewezen ambtenaren desgevraagd alle inlichtingen te geven die deze in verband met de bekostiging verlangen. Het bevoegd gezag en de gemeente geven desgewenst aan de door Onze minister aangewezen ambtenaren de boeken en bescheiden ter inzage.

Artikel 179. Schoolbegeleiding
  • 1. Het gemeentebestuur draagt al of niet in samenwerking met een of meer andere gemeentebesturen zorg voor de instandhouding van een schoolbegeleidingsdienst.

  • 2. De schoolbegeleidingsdienst gaat uit van een gemeente of een andere rechtspersoon die krachtens de doelstelling en gezien de activiteiten niet het maken van winst beoogt.

  • 3. De schoolbegeleidingsdienst heeft tot taak het ten behoeve van elke school en uitgaande van de in elk van de scholen aanwezige behoeften op verzoek van het bevoegd gezag van die scholen verrichten van begeleidingsactiviteiten, ontwikkelingsactiviteiten, advisering, informatieverstrekking en evaluatie, alsmede van activiteiten die dienen tot bevordering van een optimale schoolloopbaan van leerlingen.

  • 4. De schoolbegeleidingsdienst beschikt in ieder geval over deskundigen op de volgende terreinen: onderwijskunde, pedagogiek, orthopedagogiek, psychologie, organisatiekunde en informatie- en communicatietechnologie.

  • 5. De gemeenteraad stelt jaarlijks vast:

    a. de omvang van de voor schoolbegeleiding bestemde middelen,

    b. welk deel van de voor schoolbegeleiding bestemde middelen wordt besteed aan door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten die aansluiten bij doelstellingen van lokaal onderwijsbeleid, en

    c. de criteria waaraan de scholen moeten voldoen om voor door de schoolbegeleidingsdienst te verrichten activiteiten als bedoeld in onderdeel b in aanmerking te komen, met dien verstande dat de vaststelling van de onderdelen b en c niet geschiedt dan na op overeenstemming gericht overleg met de bevoegde gezagsorganen van alle scholen.

  • 6. De gemeenteraad stelt voor het op overeenstemming gericht overleg bij verordening een procedure vast, met dien verstande dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald:

    a. vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad kan verzoeken een advies als bedoeld in het zesde lid, uit te brengen,

    b. dat de termijn voor het uitbrengen van het advies wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad het gemeentebestuur uitnodigt het verzoek voor het uitbrengen van het advies aan te vullen met de gegevens die de Onderwijsraad nodig heeft voor een goede vervulling van diens taak, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld, en

    c. dat het gemeentebestuur gedurende de termijn voor het uitbrengen van het advies geen besluit neemt.

  • 7. Tijdens het in het vijfde lid bedoelde overleg kan de gemeenteraad de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over de vaststelling van het bepaalde in het vijfde lid, onderdelen b en c, in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting. Het verzoek wordt gedaan indien een bevoegd gezag hierom heeft gevraagd dan wel uit eigen beweging. Het verzoek bevat een omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies wordt binnen vier weken uitgebracht aan de gemeenteraad. Het advies wordt bekend gemaakt tezamen met het besluit, bedoeld in het vijfde lid. Artikel 4:20 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

  • 8. De rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid, en het personeel van de schoolbegeleidingsdienst zijn gehouden aan de inspectie alle gevraagde inlichtingen te geven omtrent de verrichting van de in het derde en vijfde lid, onder b, bedoelde activiteiten ten behoeve van de scholen.

Artikel 180. Subsidiëring landelijke diensten naar richting
  • 1. Scholen kunnen schoolbegeleiding door een landelijke dienst naar richting ontvangen, indien zij op 31 december 1997 met een dergelijke dienst een schoolbegeleidingsovereenkomst hadden als bedoeld in de bij of krachtens hoofdstuk II, titel II, van de Wet op de onderwijsverzorging gegeven voorschriften zoals die op die datum van kracht waren.

  • 2. Onder scholen als bedoeld in het eerste lid, worden mede verstaan scholen die voor het eerst na 31 december 1997 voor bekostiging in aanmerking komen en die in stand worden gehouden door:

    a. een bestuur dat een of meer andere scholen in stand houdt ten aanzien waarvan op die dag reeds een schoolbegeleidingsovereenkomst bestond met een landelijke dienst naar richting, of

    b. een in verband met die aan te vangen bekostiging nieuw in het leven geroepen bestuur, indien ten aanzien van die scholen het bestuur dat deze scholen in stand houdt, een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met het bevoegd gezag van een andere school die reeds schoolbegeleiding als bedoeld in het eerste lid, dit lid, onderdeel a, en artikel B3 van de Wet van 15 mei 1997 (Stb. 252) ontvangt en in de samenwerkingsovereenkomst in elk geval is opgenomen dat:

    1°. de overeenkomst wordt aangegaan voor een termijn van tenminste 10 jaren, en

    2°. voor elk bevoegd gezag de verplichting is opgenomen om geen personeel te benoemen met voorbijgaan van personeel van een der scholen waarvan het bevoegd gezag aan de overeenkomst deelneemt, en dat in het genot is van wachtgeld of van een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag.

    De samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in onderdeel b, kan bepalen dat geen verplichting als bedoeld in dat onderdeel, onder 2°, bestaat in de gevallen, genoemd in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 138, zesde lid, alsmede in de gevallen waarvoor Onze Minister artikel 138, zevende lid, heeft toegepast.

  • 3. Het gemeentebestuur verstrekt ten behoeve van de schoolbegeleiding door de landelijke diensten naar richting, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan deze diensten subsidie, met dien verstande dat deze wordt vastgesteld op ten minste een evenredig deel van de middelen, bedoeld in artikel 179, voor zover het betreft de middelen, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, verminderd met de middelen, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, van dat artikel.

Artikel 181. Schadevergoeding bij termijnoverschrijding
  • 1. Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door het bevoegd gezag wordt overschreden en de gemeente daardoor geen vergoeding van het Rijk dan wel een lagere vergoeding of met ingang van een latere datum een vergoeding van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt het bevoegd gezag de door de gemeente geleden schade.

  • 2. Indien een bij of krachtens de wet gestelde termijn door burgemeester en wethouders wordt overschreden en het bevoegd gezag daardoor geen vergoeding van het Rijk dan wel een lagere vergoeding of met ingang van een latere datum een vergoeding van het Rijk voor de materiële instandhouding ontvangt dan het geval zou zijn geweest indien deze termijn wel in acht was genomen, vergoedt de gemeente de door het bevoegd gezag geleden schade.

  • 3. Burgemeester en wethouders en het bevoegd gezag kunnen in onderling overleg de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting tot schadevergoeding matigen. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, is artikel 109 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Artikel 182. Gebruik ontvangen gelden overeenkomstig bestemming; boekhoudvoorschriften

Het bevoegd gezag van een bijzondere school is verplicht de uit de overheidskassen ontvangen gelden overeenkomstig de bestemming te gebruiken. Van de inkomsten en uitgaven wordt volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven voorschriften nauwkeurig boekgehouden.

Artikel 183. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten vervanging en onvrijwillige taakvermindering
  • 1. Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst voor zover het betreft personeel dat is benoemd op formatie als bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132 is aangesloten bij een door Onze minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor

    a. de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel, en

    b. de kosten voortvloeiend uit rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik maakt van de krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering.

  • 2. Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst voor zover het betreft personeel dat is benoemd op formatie als bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, of artikel 132 is voorts verplicht jaarlijks een door de in het eerste lid bedoelde rechtspersoon te bepalen bijdrage te voldoen aan die rechtspersoon in verband met de kosten voor vervanging.

  • 3. Van de in het eerste juncto tweede lid bedoelde verplichting kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze minister verleent de ontheffing slechts indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de gevolgen van vervanging bij afwezigheid van personeel en de gevolgen die voortvloeien uit rechtspositionele verplichtingen ten aanzien van personeel dat gebruik maakt van de krachtens artikel 33, tweede lid, vastgestelde regeling voor onvrijwillige taakvermindering. Onze minister beslist binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek als bedoeld in de eerste volzin. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze minister het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

  • 4. De rechtspersoon kan regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.

  • 5. Uit 's Rijks kas wordt jaarlijks een door Onze minister te bepalen bedrag beschikbaar gesteld aan de rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, in verband met de kosten, bedoeld in dat lid onder b.

Artikel 184. Verplichte aansluiting bij rechtspersoon i.v.m. kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid
  • 1. Het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst is aangesloten bij een door Onze Minister aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid ten behoeve van gewezen personeel.

  • 2. Het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst voldoet aan de rechtspersoon jaarlijks een door die rechtspersoon vast te stellen bijdrage in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid.

  • 3. Van de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst ontheffing verlenen op grond van bezwaren van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard. Onze Minister verleent de ontheffing slechts, indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst aantoont dat een afdoende andere voorziening is getroffen met betrekking tot de kosten van werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid. Onze Minister beslist binnen zes maanden na ontvangst van een verzoek. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de verzoeker daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

  • 4. De rechtspersoon stelt regels vast voor de behandeling, beoordeling en beantwoording van een verzoek van het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst als bedoeld in artikel 138, derde lid. Indien het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst zich beroept op overwegingen van godsdienstige of levensbeschouwelijke aard, betrekt de rechtspersoon die overwegingen bij de beoordeling van een in de eerste volzin bedoeld verzoek.

  • 5. Indien de rechtspersoon het in het vierde lid bedoelde verzoek heeft ingewilligd, vergoedt hij aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid verstrekt of heeft verstrekt, de kosten van die werkloosheidsuitkeringen of suppleties inzake arbeidsongeschiktheid.

  • 6. Indien een werkloosheidsuitkering of een suppletie inzake arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel van een school of een centrale dienst voortvloeit uit de inzet of een wijziging van de inzet van de in de artikelen 122, eerste lid onder c, en 132 bedoelde formatie ten opzichte van voorafgaande schooljaren, zijn de bevoegde gezagsorganen van alle scholen van het desbetreffende samenwerkingsverband hoofdelijk aansprakelijk voor het aan de rechtspersoon vergoeden van de kosten van de werkloosheidsuitkering onderscheidenlijk de suppletie inzake arbeidsongeschiktheid.

  • 7. Tegen een besluit van de rechtspersoon kan het bevoegd gezag onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

HOOFDSTUK II. ANDERE VORMEN VAN BASISONDERWIJS

Artikel 185. Scholen voor kinderen trekkende bevolking

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gegeven, onderscheidenlijk voorwaarden gesteld, voor de bekostiging van scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden, naar bij die algemene maatregel van bestuur aan te geven onderscheidingen.

  • 2. Op de scholen bekostigd krachtens het eerste lid, zijn de bepalingen van hoofdstuk I, titel I, van toepassing, tenzij bij de algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald. Bij de algemene maatregel van bestuur kunnen andere bepalingen van deze wet van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Een belanghebbende kan beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een besluit op grond van bepalingen als bedoeld in artikel 71, die bij de algemene maatregel van bestuur ingevolge de vorige volzin van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, dan wel tegen een besluit op grond van bepalingen van de algemene maatregel van bestuur die daarmee overeenkomen.

  • 3. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in het eerste lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Als dan wordt een daartoe strekkend wetsontwerp zo spoedig mogelijk ingediend.

HOOFDSTUK III. SLOTBEPALINGEN

Artikel 186. Bewijzen van bekwaamheid

  • 1. De bewijzen van bekwaamheid tot het geven van het onderwijs bedoeld in artikel 9, eerste lid, aan een school zijn:

    a. het getuigschrift hoger beroepsonderwijs van met goed gevolg afgelegd afsluitend examen in de studierichting die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs;

    b. de akte van bekwaamheid als leidster of hoofdleidster bij het kleuteronderwijs;

    c. de getuigschriften die door Onze minister op grond van artikel 131, vierde lid, van de Kleuteronderwijswet, gelijk zijn gesteld met de akte van bekwaamheid als leidster, onderscheidenlijk als hoofdleidster bij het kleuteronderwijs;

    d. de akte van bekwaamheid als onderwijzer of hoofdonderwijzer;

    e. de akte van bekwaamheid als volledig bevoegd onderwijzer;

    f. het diploma van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer of dat van de applicatiecursus volledig bevoegd onderwijzer voor buitenlandse onderwijsgevenden.

  • 2. Zij die op 31 juli 1985 op grond van artikel 131, vijfde lid, van de Kleuteronderwijswet bevoegd zijn om als leidster, onderscheidenlijk hoofdleidster bij het kleuteronderwijs werkzaam te zijn, zijn met ingang van 1 augustus 1985 bevoegd tot het geven van basisonderwijs. Zij die voor 1 augustus 1985 belast zijn geweest met het onderwijs in het vak zingen bedoeld in artikel 2, eerste lid onder h, van de Lager-onderwijswet 1920 (Stb. 1974, 565), zijn bevoegd tot het geven van onderwijs in de expressie-activiteit muziek. Zij die op 31 juli van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar bevoegd waren tot het geven van het onderwijs in taal en cultuur van het land van oorsprong, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 172, eerste lid. Voor zover aan deze bevoegdheid voorwaarden en beperkingen waren gesteld, blijven deze van kracht.

  • 3. Zij die op 31 juli 1998 bij een school voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs onderwijs geven als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals luidend op die datum en bevoegd zijn op basis van artikel 111, eerste lid onder f of g, van die wet, zijn bevoegd tot het geven van het onderwijs, bedoeld in artikel 9, eerste lid.

  • 4. De akten genoemd in het eerste lid onder a, b, d en e, en de diploma's genoemd in het eerste lid onder f, moeten zijn verkregen aan een van rijkswege bekostigd of aangewezen opleidingsinstituut, dan wel na het afleggen van een staatsexamen.

  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid naast de in het eerste lid genoemde, bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs in een of meer van de in artikel 9, eerste lid, genoemde onderwijsactiviteiten en tevens wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs in de Friese taal.

  • 6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke bewijzen van bekwaamheid bevoegdheid verlenen tot het geven van onderwijs bedoeld in artikel 172, eerste lid.

Artikel 187. Ministeriële bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 183

  • 1. Onze minister is ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 183, bevoegd tot:

    a. goedkeuring van de statuten van de rechtspersoon, alsmede van wijziging van de statuten;

    b. goedkeuring van de bijdrage, bedoeld in artikel 183, tweede lid;

    c. het geven van aanwijzingen aan de rechtspersoon in verband met de minimaal door de rechtspersoon te geven waarborgen, bedoeld in artikel 183, eerste lid, zulks in verband met de goede voortgang van het onderwijs;

    d. het geven van aanwijzingen aan de rechtspersoon met het oog op de afstemming van activiteiten van de rechtspersoon op het algemene beleid inzake preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid;

    e. het geven van aanwijzingen aan de rechtspersoon om de nakoming te verzekeren van verplichtingen die bij deze wet aan de rechtspersoon zijn opgedragen;

    f. het geven van aanwijzingen aan de rechtspersoon om de door Onze minister gewenste inlichtingen te verkrijgen;

    g. het geven van aanwijzingen aan de rechtspersoon in gevallen dat het algemeen belang dit in belangrijke mate vereist;

    h. het uitoefenen van toezicht op de rechtspersoon;

    i. intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon.

  • 2. De rechtspersoon brengt jaarlijks voor 1 april aan Onze minister over het afgelopen jaar verslag uit over zijn werkzaamheden, voortvloeiend uit artikel 183.

  • 3. Onze minister zendt het verslag, bedoeld in het tweede lid, vergezeld van zijn advies daarover, voor 1 mei volgend op de datum, bedoeld in het tweede lid, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

  • 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden en omtrent de gevolgen van intrekking van de aanwijzing van de rechtspersoon.

  • 5. De algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, wordt aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat 4 weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens te kennen wordt gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel 188. Ministeriële bevoegdheden t.a.v. de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184; evaluatie

  • 1. Artikel 187 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184.

  • 2. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de aanwijzing van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 184, en vervolgens telkens na vijf jaar, aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de werkzaamheden van die rechtspersoon.

Artikel 189. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als «Wet op het primair onderwijs».


XNoot
1

Ingevolge artikel XI van de wet van 4 juli 1996, Stb. 1996, 403, treedt het vijfde lid van artikel 135 pas in werking met ingang van de tweede dag na inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, van artikel 135.