Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 1998, 394Wet

Wet van 11 juni 1998, houdende regels ter afwending van de gevaren van infectieziekten (Infectieziektenwet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het vanuit het oogpunt van de volksgezondheid noodzakelijk is voorzieningen te treffen ter afwending van de gevaren die voortvloeien uit het optreden van infectieziekten bij mensen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. hoofdinspecteur: de geneeskundig hoofdinspecteur voor de gezondheidszorg;

c. directeur: de directeur van de gemeentelijke gezondheidsdienst of, indien deze geen arts is, een door de directeur aangewezen arts die in dienst is van de gemeentelijke gezondheidsdienst;

d. laboratorium: een laboratorium waar van het menselijk lichaam afgescheiden stoffen worden onderzocht ten behoeve van de diagnostiek van infectieziekten;

e. gebouw: elk bouwwerk, vaar- of voertuig, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, met uitzondering van bouwwerken ten behoeve van de belijdenis van godsdienst of levensovertuiging;

f. waren: eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, drinkwaren alsmede andere roerende zaken, voorzover gebruikt in de sfeer van de particuliere huishouding of van een krachtens de Warenwet daarmee gelijkgestelde andere huishouding;

g. infectieziekten: de infectieziekten, genoemd in artikel 2;

h. groep A: de infectieziekten, genoemd in artikel 2, onder a;

i. groep B: de infectieziekten, genoemd in artikel 2, onder b;

j. groep C: de infectieziekten, genoemd in artikel 2, onder c.

Artikel 2

Deze wet is van toepassing op de navolgende infectieziekten:

a. kinderverlamming;

b. bacillaire dysenterie; botulisme; buiktyfus; cholera; difterie; febris recurrens; hepatitis A, B en C; hondsdolheid; kinkhoest; mazelen; meningokokkose; paratyfus A, B en C; pest; tuberculose; virale hemorrhagische koorts; vlektyfus; acute voedselvergiftiging of voedselinfectie, voor zover vastgesteld:

1°. bij een persoon, werkzaam in de levensmiddelen- of horecasector, dan wel bij een persoon, beroepsmatig betrokken bij de behandeling, verpleging of verzorging van andere personen of

2°. door één arts bij twee of meer personen die binnen een tijdvak van 24 uur hetzelfde gegeten of gedronken hebben;

c. brucellose; gele koorts; legionellose; leptospirose; malaria; miltvuur; ornithose/psittacose; O-koorts; rodehond en trichinose.

Artikel 3

  • 1. Indien het belang van de volksgezondheid zulks vordert, kan Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, deze wet van toepassing verklaren op:

    a. een infectieziekte die niet is opgenomen in artikel 2;

    b. een ziektebeeld met een volgens de stand van de wetenschap onbekende oorzaak, waarvan aannemelijk is dat deze een epidemisch karakter zal hebben.

  • 2. Indien het belang van de volksgezondheid zulks vordert, kan Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, een infectieziekte uit groep B verplaatsen naar groep A of een infectieziekte uit groep C verplaatsen naar groep B.

  • 3. Na het tot stand komen van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde ministeriële regeling wordt binnen acht weken een voorstel van wet tot goedkeuring van die ministeriële regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of door een der Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken.

HOOFDSTUK II. MELDING

Artikel 4

  • 1. De arts die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte uit groep A vermoedt of vaststelt, meldt dit zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 24 uur, aan de directeur.

  • 2. De arts die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte uit groep B vaststelt, meldt dit binnen 24 uur aan de directeur.

  • 3. De arts die gegronde redenen heeft om bij een persoon een infectieziekte uit groep B te vermoeden, meldt dat vermoeden binnen 24 uur aan de directeur, indien

    a. die persoon weigert het onderzoek te ondergaan dat noodzakelijk is ter vaststelling van die ziekte en

    b. daardoor ernstig gevaar voor de volksgezondheid door de verspreiding van die infectieziekte kan ontstaan.

  • 4. De arts doet de in de voorgaande drie leden bedoelde meldingen aan de directeur van de gemeente waarin hij zijn praktijk heeft.

  • 5. Indien de melding betrekking heeft op een persoon die zijn verblijfplaats heeft in een andere gemeente, geeft de directeur deze melding terstond door aan de directeur van de verblijfplaats van de betrokkene.

Artikel 5

De melding, bedoeld in artikel 4, bevat de volgende gegevens:

a. de naam, de voornaam, het adres, de woonplaats, het geslacht, de geboortedatum en de verblijfplaats van de betrokken persoon;

b. de infectieziekte, alsmede de eerste ziektedag, de vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, de mogelijke bron of plaats van besmetting, de datum van vermoeden of vaststelling, de wijze van vaststelling van die infectieziekte en

c. zo nodig of de betrokken persoon dan wel een persoon in zijn directe omgeving beroeps- of bedrijfsmatig betrokken is bij de behandeling van eet- of drinkwaren of bij de behandeling, verpleging of verzorging van andere personen.

Artikel 6

  • 1. Het hoofd van het laboratorium meldt de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte uit groep C aan de directeur van de gemeente waarin de arts die het onderzoek bij het laboratorium heeft aangevraagd, zijn praktijk heeft, onder vermelding van de naam van die arts.

  • 2. Op verzoek van de directeur verstrekt de arts die het onderzoek bij het laboratorium heeft aangevraagd, de volgende gegevens omtrent de persoon en de infectieziekte waarop de laboratoriummelding betrekking heeft:

    a. het geslacht, het geboortejaar en het beroep van de betrokken persoon;

    b. de infectieziekte, de vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe en de mogelijke bron of plaats van besmetting.

  • 3. De arts verstrekt andere gegevens uitsluitend indien de betrokkene daarvoor toestemming geeft.

  • 4. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop en de termijn waarbinnen de melding, bedoeld in het eerste lid, plaatsvindt.

Artikel 7

  • 1. Het hoofd van een instelling waar voor infectieziekten kwetsbare populaties verblijven of samenkomen voor een of meer dagdelen per etmaal stelt de directeur van de gemeente, waarin de instelling gelegen is, op de hoogte van het optreden van een ongewoon aantal zieken met diarree, geelzucht, huidaandoeningen of andere ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectueuze aard in de desbetreffende populatie of bij het begeleidend of verzorgend personeel.

  • 2. Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de wijze waarop en de termijn waarbinnen de berichtgeving plaatsvindt.

Artikel 8

  • 1. De directeur neemt de persoonsgegevens, die ingevolge de artikelen 5, 6 en 13 zijn verkregen, op in een door hem gehouden registratie.

  • 2. De directeur bewaart deze gegevens ten hoogste vijf jaar.

Artikel 9

  • 1. De directeur deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 4 zo spoedig mogelijk mee aan de burgemeester van de gemeente waar de betrokken persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft en aan de hoofdinspecteur.

  • 2. De directeur deelt de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 6 binnen een redelijke termijn mee aan de burgemeester van de gemeente waarin de arts, die het onderzoek heeft aangevraagd, zijn praktijk heeft en aan de hoofdinspecteur.

  • 3. De directeur deelt de ontvangst van een bericht als bedoeld in artikel 7 binnen een redelijke termijn mee aan de burgemeester van de gemeente waarin de instelling gelegen is.

Artikel 10

Na een melding als bedoeld in artikel 4 verstrekt de directeur de volgende gegevens aan de hoofdinspecteur:

a. de infectieziekte, alsmede de eerste ziektedag, de vaccinatietoestand, het gebruik van chemoprofylaxe, de mogelijke bron of plaats van besmetting, zo nodig met inbegrip van de daaruit voortgekomen gevallen, alsmede de datum van vermoeden of vaststelling van die infectieziekte en

b. het geslacht en het geboortejaar van de betrokken persoon.

Artikel 11

De directeur verstrekt de burgemeester de gegevens, bedoeld in artikel 5, die deze nodig heeft voor de uitvoering van de hem bij deze wet toegekende bevoegdheid.

HOOFDSTUK III. MAATREGELEN GERICHT OP HET INDIVIDU

Paragraaf 1. Inleiding

Artikel 12

  • 1. Alvorens de burgemeester een in dit hoofdstuk omschreven maatregel neemt of intrekt, wint hij het advies van de directeur in.

  • 2. De directeur brengt zijn advies schriftelijk uit. In spoedeisende gevallen kan worden volstaan met een mondeling advies, dat zo spoedig mogelijk op schrift wordt gesteld.

Artikel 13

Op verzoek van de burgemeester verstrekt de behandelend arts van een persoon die naar het oordeel van de burgemeester gevaar oplevert voor de overbrenging van een infectieziekte uit groep A of groep B aan de directeur de nadere gegevens die noodzakelijk zijn om de aard en de omvang van het gevaar van verspreiding van die infectieziekte vast te stellen.

Paragraaf 2. Opneming ter isolatie en geneeskundig onderzoek

Artikel 14

  • 1. De burgemeester kan een persoon terstond ter isolatie in een ziekenhuis doen opnemen, indien:

    a. 1°. hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A,

    2°. ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel 4, derde lid, heeft plaatsgevonden, of

    3°. de betrokkene lijdt aan een infectieziekte uit groep A of groep B;

    b. ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte;

    c. dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend en

    d. de betrokkene niet tot opneming ter isolatie bereid is.

  • 2. Dit artikel wordt niet toegepast ten aanzien van de navolgende infectieziekten: bacillaire dysenterie; botulisme; buiktyfus; cholera; hepatitis A, B, of C; kinkhoest; mazelen; meningokokkose; paratyfus A, B of C; voedselvergiftiging; voedselinfectie; brucellose; gele koorts; legionellose; leptospirose; malaria; miltvuur; ornithose/psittacose; O-koorts; rodehond of trichinose.

Artikel 15

  • 1. De burgemeester doet de beschikking tot opneming ter isolatie aan de betrokkene uitreiken.

  • 2. De beschikking wordt niet uitgereikt dan nadat de burgemeester voorzien heeft in bijstand van de betrokkene door een raadsman, tenzij de betrokkene daartegen bedenkingen heeft.

  • 3. De burgemeester draagt de tenuitvoerlegging van de beschikking op aan ter zake deskundige personen in dienst van de gemeentelijke gezondheidsdienst. Zij kunnen daartoe elke plaats betreden waar de betrokkene zich bevindt, zo nodig met behulp van de sterke arm.

  • 4. In zijn beschikking geeft de burgemeester aan in welk ziekenhuis de opneming ter isolatie ten uitvoer wordt gelegd.

    Het ziekenhuis neemt de betrokkene terstond op.

  • 5. Wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gevaar, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onder b, is geweken of op minder ingrijpende wijze kan worden afgewend, heft de burgemeester de opneming ter isolatie terstond op.

Artikel 16

  • 1. De burgemeester kan een ter isolatie opgenomen persoon door een arts doen onderzoeken indien:

    a. ten gevolge van de infectieziekte onmiddellijk gevaar dreigt voor de gezondheid van derden,

    b. de aard en de omvang van dit gevaar niet op andere wijze dan door onderzoek kunnen worden vastgesteld,

    c. de uitkomst van het onderzoek noodzakelijk is om dit gevaar effectief te kunnen afwenden en

    d. de betrokkene niet bereid is het onderzoek te ondergaan.

  • 2. Het onderzoek omvat niet meer dan nodig is ter afwending van het gevaar voor derden.

  • 3. Onderzoek in het lichaam wordt slechts verricht nadat de rechter daartoe een machtiging heeft verleend.

Artikel 17

  • 1. De burgemeester doet de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 16, aan de betrokkene uitreiken.

  • 2. In zijn beschikking geeft de burgemeester aan waaruit het onderzoek bestaat, welke arts het onderzoek verricht en binnen welke termijn het onderzoek plaatsvindt.

Artikel 18

  • 1. De opneming ter isolatie wordt ten uitvoer gelegd in een gesloten afdeling van een door Onze Minister aangewezen ziekenhuis.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld waaraan de opneming ter isolatie en het onderzoek moeten voldoen.

Paragraaf 3. Rechterlijke toetsing

Artikel 19

  • 1. De burgemeester stelt de officier van justitie terstond op de hoogte van de beschikking tot opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 14, en van de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 16, derde lid. Bevoegd is de rechter van de plaats waar het aangewezen ziekenhuis is gelegen.

  • 2. Zo spoedig mogelijk nadat de beschikking is gegeven, doch in elk geval niet later dan de volgende dag, zendt de burgemeester de officier van justitie een afschrift van de beschikking.

Artikel 20

  • 1. Indien de officier van justitie van oordeel is dat aan de voorwaarden voor de opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 14, of het onderzoek, bedoeld in artikel 16, derde lid, is voldaan, stelt hij uiterlijk op de dag na de datum van ontvangst van de beschikking een vordering in voor een machtiging tot voortzetting van de isolatie of tot het onderzoek.

  • 2. De officier van justitie deelt aan de betrokkene, de burgemeester en het ziekenhuis, schriftelijk mede dat hij de vordering heeft ingesteld of dat hij heeft besloten geen vordering in te stellen.

  • 3. Het besluit geen vordering in te stellen neemt de officier van justitie niet dan nadat hij het advies van de hoofdinspecteur heeft ingewonnen.

  • 4. Met het besluit geen vordering in te stellen, vervalt de beschikking tot opneming ter isolatie, bedoeld in artikel 14, of de beschikking tot onderzoek, bedoeld in artikel 16, derde lid, van rechtswege.

Artikel 21

  • 1. Alvorens op de vordering van de officier van justitie te beschikken, hoort de rechter degene ten aanzien van wie de maatregel is gevorderd.

  • 2. De rechter hoort de betrokkene te zijner verblijfplaats.

  • 3. De rechter kan zich laten voorlichten, getuigen en deskundigen oproepen en onderzoek door deskundigen bevelen.

  • 4. De rechter stelt de raadsman in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken.

  • 5. De rechter beslist binnen drie dagen, te rekenen vanaf de dag na die van het instellen van de vordering.

  • 6. Tegen de beschikking staat geen voorziening open.

Artikel 22

  • 1. De ter isolatie opgenomen persoon kan de rechter verzoeken de maatregel op te heffen. In het geval de betrokkene buiten staat is dit verzoek te doen, komt gelijke bevoegdheid toe aan diens raadsman.

  • 2. Artikel 21, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De rechter kan het verzoek zonder toepassing van artikel 21 afwijzen, indien geen nieuwe feiten of omstandigheden worden aangevoerd.

Artikel 23

  • 1. Degene ten aanzien van wie een beschikking tot opneming ter isolatie als bedoeld in artikel 14 of tot onderzoek als bedoeld in artikel 16 is genomen, kan de rechter bij een verweerschrift als bedoeld in artikel 429h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene, dan wel, indien de officier van justitie geen vordering als bedoeld in artikel 20, eerste lid, instelt, bij een afzonderlijk verzoekschrift, verzoeken een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe te kennen op de grond dat de beschikking van de burgemeester onrechtmatig was.

    2. Het verzoek wordt behandeld als een zelfstandig verzoek in die zin dat artikel 429f, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarop van toepassing is.

Artikel 24

  • 1. Indien degene ten aanzien van wie een beschikking tot opneming ter isolatie als bedoeld in artikel 14 of tot onderzoek als bedoeld in artikel 16 is genomen nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen vervat in dit hoofdstuk niet in acht heeft genomen, kent de rechter deze op diens verzoek een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten laste van de Staat.

  • 2. Het verzoek kan worden ingediend bij een verweerschrift als bedoeld in artikel 429h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, of bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene, dan wel bij een afzonderlijk verzoekschrift, binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene redelijkerwijs bekend kon zijn met de schending van het voorschrift waarop zijn verzoek betrekking heeft.

  • 3. Het verzoek wordt behandeld als een zelfstandig verzoek in die zin dat artikel 429f, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering daarop van toepassing is.

Paragraaf 4. Verbod en beperking van de beroeps- of bedrijfsuitoefening

Artikel 25

  • 1. De burgemeester kan een persoon die gevaar oplevert voor de verspreiding van een infectieziekte uit groep A of groep B, het verbod opleggen beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten, die een ernstig risico inhouden voor de verspreiding van die infectieziekte.

  • 2. Alvorens een besluit als bedoeld in het eerste lid te nemen hoort de burgemeester de werkgever van de betrokkene, tenzij betrokkene hiertegen bezwaar maakt.

  • 3. De burgemeester heft de maatregel op als het gevaar is geweken.

HOOFDSTUK IV. OVERIGE MAATREGELEN

Artikel 26

  • 1. Indien ernstig gevaar dreigt voor de verspreiding van een infectieziekte, kan de burgemeester, om dit gevaar af te wenden, de volgende maatregelen nemen:

    a. het sluiten van gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan;

    b. het uitvaardigen van een verbod tot het betreden van gebouwen of terreinen dan wel gedeelten daarvan;

    c. het doen ontsmetten van gebouwen dan wel gedeelten daarvan;

    d. het doen ontsmetten of vernietigen van waren;

    e. het geven van voorschriften van technisch-hygiënische aard.

  • 2. Alvorens de burgemeester een dergelijke maatregel neemt, wint hij het advies van de directeur in.

  • 3. De burgemeester heft de maatregel op als het gevaar is geweken.

HOOFDSTUK V. FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 27

  • 1. Het gemeentebestuur draagt de kosten van de maatregelen die krachtens deze wet worden genomen. Ook draagt het gemeentebestuur, onverminderd het tweede lid, de kosten van door hem toegekende tegemoetkomingen aan hen, die door de maatregelen, bedoeld in de artikelen 14, 25 en 26, inkomsten derven.

  • 2. Het gemeentebestuur is bevoegd de kosten verbonden aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 14, 16, 25, en 26, te verhalen op de persoon ten aanzien van wie een maatregel is getroffen. Artikel 229 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28

  • 1. De in artikel 25, eerste lid, onder d, bedoelde waren worden voor vernietiging door de burgemeester gewaardeerd.

  • 2. Het gemeentebestuur keert aan de eigenaar als schadeloosstelling het bedrag uit waarop de waren zijn gewaardeerd.

HOOFDSTUK VI. HANDHAVING

Paragraaf 1. Toezicht

Artikel 29

  • 1. Onverminderd het tweede lid is de hoofdinspecteur belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

  • 2. De directeur is belast met het toezicht op de naleving van de artikelen 4, eerste, tweede en derde lid, 6, eerste lid, en 13.

Artikel 30

Indien een infectieziekte voorkomt of indien een gegrond vermoeden daarvan bestaat, zijn binnen hun ambtsgebied de burgemeester, de directeur en de hoofdinspecteur bevoegd elke plaats te betreden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak op grond van deze wet nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.

Paragraaf 2. Strafbepaling

Artikel 31

  • 1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft degene die zich onttrekt aan de bij de in de artikelen 14, 16, eerste lid, 25, eerste lid en 26, eerste lid, onder a, b, c en e, ten aanzien van hem genomen maatregelen dan wel de in artikel 26, eerste lid, onder d, bedoelde waren onttrekt aan een krachtens dat lid genomen maatregel.

  • 2. De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

Paragraaf 3. Bestuurlijke boete

Artikel 32

  • 1. Aan de arts die handelt in strijd met de artikelen 4, eerste, tweede of derde lid, 6, tweede of derde lid, of 13, kan de burgemeester van de gemeente waarin die arts zijn praktijk heeft, een boete opleggen van 200 gulden.

  • 2. Aan het hoofd van een laboratorium dat handelt in strijd met artikel 6, eerste lid, kan de burgemeester van de gemeente, waarin de arts die het desbetreffende onderzoek bij het laboratorium heeft aangevraagd zijn praktijk heeft, een boete opleggen van 200 gulden.

  • 3. Aan het hoofd van een instelling die handelt in strijd met artikel 7, eerste lid, kan de burgemeester van de gemeente, waarin de instelling gelegen is, een boete opleggen van 200 gulden.

  • 4. De burgemeester legt geen boete op indien de betrokken persoon aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 33

Degene jegens wie een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat hem wegens een overtreding als bedoeld in artikel 32, eerste, tweede of derde lid, een boete zal worden opgelegd, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld voordat hem mondeling om informatie wordt gevraagd.

Artikel 34

  • 1. Indien de directeur vaststelt dat een overtreding als bedoeld in artikel 31, eerste, tweede of derde lid, is begaan, maakt hij daarvan binnen zes weken een rapport op.

  • 2. In het rapport worden in ieder geval vermeld:

    a. de overtreding, alsmede het overtreden wettelijk voorschrift;

    b. een aanduiding van de periode waarin de overtreding is begaan;

    c. de infectieziekte die niet is gemeld.

  • 3. Het rapport wordt toegezonden aan de burgemeester.

  • 4. Een afschrift wordt toegezonden of uitgereikt aan de in artikel 32, eerste, tweede of derde lid bedoelde persoon.

  • 5. Op verzoek van de in artikel 32, eerste, tweede of derde lid bedoelde persoon, die het rapport wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de burgemeester er zoveel mogelijk zorg voor dat de in het rapport vermelde informatie aan die persoon wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

  • 6. In afwijking van afdeling 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht stelt de burgemeester de in artikel 32, eerste, tweede of derde lid bedoelde persoon in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 7. Indien de in het vorige lid bedoelde persoon zijn zienswijze mondeling naar voren brengt, draagt de burgemeester er op verzoek van degene die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de betrokkene bij het horen kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Artikel 35

  • 1. De boete wordt opgelegd bij beschikking van de burgemeester.

  • 2. In de beschikking worden in ieder geval vermeld:

    a. de te betalen geldsom;

    b. de overtreding terzake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden wettelijk voorschrift;

    c. de in artikel 34, tweede lid, onder b en c, bedoelde gegevens.

  • 3. Op verzoek van de persoon, bedoeld in artikel 32, eerste, tweede of derde lid, die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de burgemeester er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die beschikking vermelde informatie aan die persoon wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

  • 4. De beschikking wordt genomen binnen 12 weken, nadat de directeur het rapport, bedoeld in artikel 34, eerste lid, heeft opgemaakt.

  • 5. De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt 1 jaar, nadat een overtreding als bedoeld in artikel 32, eerste, tweede lid of derde lid, is begaan.

  • 6. De werking van een beschikking als bedoeld in het eerste lid wordt opgeschort totdat de bezwaartermijn is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op het bezwaar is beslist.

  • 7. Onze Minister kan in overeenstemming met de Minister van Justitie beleidsregels stellen met betrekking tot de oplegging van boeten.

Artikel 36

  • 1. Een boete wordt betaald binnen zes weken nadat de beschikking waarbij de boete is opgelegd in werking is getreden. Bezwaar en beroep op grond van de Algemene wet bestuursrecht schorst de uitvoering van de beschikking.

  • 2. Indien niet is betaald binnen de in het eerste lid bedoelde termijn wordt degene die de boete is verschuldigd schriftelijk bevolen binnen twee weken alsnog het bedrag van de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, te betalen.

  • 3. Bij gebreke van betaling binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan de burgemeester van de overtreder de verschuldigde boete, verhoogd met de op de aanmaning en invordering betrekking hebbende kosten, invorderen bij dwangbevel.

  • 4. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 5. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat voor de betrokkene verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Staat.

  • 6. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de Staat kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

  • 7. De bevoegdheid tot invordering vervalt binnen een jaar nadat de beschikking inzake oplegging van de boete onherroepelijk is geworden.

HOOFDSTUK VII. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 37

Aan artikel 11 van de Wet hygiëne en veiligheid zwemgelegenheden1 wordt een vijfde lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien vanwege het gevaar voor de verspreiding van een infectieziekte als bedoeld in artikel 2 van de Infectieziektenwet een besluit krachtens het eerste of tweede lid wordt overwogen, wordt voorafgaande aan dat besluit het advies ingewonnen van de desbetreffende directeur als bedoeld in de Infectieziektenwet.

Artikel 38

Artikel 11, derde lid, van de Waterleidingwet2 komt te luiden:

  • 3. Het eerste lid geldt onverminderd artikel 25 van de Infectieziektenwet.

Artikel 39

Onderdeel H van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht3 komt te luiden:

H. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

1. De artikelen 20, eerste lid, 38, 39 en 40 en hoofdstuk IV van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen.

2. De artikelen 14 en 16 van de Infectieziektenwet.

Artikel 40

De Algemene termijnenwet is van toepassing op de artikelen 19, tweede lid, 20, eerste lid, en 21, vijfde lid.

Artikel 41

Op het krachtens artikel 43 vastgestelde tijdstip treedt de Twaalfde Titel van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in werking voor zaken waarin ingevolge het bij deze wet bepaalde de officier van justitie een vordering doet, een verzoekschrift als bedoeld in artikel 22, eerste lid, of 23, eerste lid, wordt ingediend, dan wel een van de daartoe bevoegde personen beroep instelt. Artikel 429d, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 42

De Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken wordt ingetrokken.

Artikel 43

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 44

Deze wet wordt aangehaald als Infectieziektenwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 11 juni 1998

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Uitgegeven de zevende juli 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1982, 494, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

XNoot
2

Stb. 1994, 832, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

XNoot
3

Stb. 1998, 1, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 maart 1998, Stb. 200.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II, 1996/97, 1997/98, 25 336.

Handelingen II, 1997/98, blz. 3363.

Kamerstukken I, 1997/98, 25 336 (292, 292a, 292b).

Handelingen I, 1997/98, zie vergadering d.d. 9 juni 1998.