Besluit van 19 juni 1998 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 juni 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/2612;

Gelet op artikel 92 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

  • 1. De Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten treedt in werking met ingang van 1 juli 1998, met dien verstande dat onderdeel B, onder tweede, van artikel 66 en de onderdelen E, H, J, K, L en M van artikel 69, alsmede de artikelen 83 en 84, terugwerken tot en met 1 januari 1998.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treden op een later bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking:

    a. artikel 46, zesde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten;

    b. artikel 88 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten voorzover dat betrekking heeft op:

    1°. de verstrekking van een blindengeleidehond op grond artikel 57, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet;

    2°. de voorzieningen, bedoeld in artikel 57, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 19 juni 1998

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Uitgegeven de dertigste juni 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit strekt tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten op 1 juli 1998.

Van die inwerkingtreding is artikel 88 uitgezonderd voorzover dit artikel betrekking heeft op de verstrekking van een blindengeleidehond op grond van artikel 57, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en voorzover dit artikel betrekking heeft op de voorzieningen bedoeld in artikel 57, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. Met deze uitzondering wordt bereikt dat een doventolk voor de leefsfeer of een blindengeleidehond verstrekt kunnen worden door het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Bij koninklijk besluit zal op een later tijdstip worden geregeld dat artikel 57, eerste lid, met betrekking tot de verstrekking van een blindengeleidehond en artikel 57, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet vervallen. Daarna zullen doventolken als leefvoorziening en blindengeleidehonden als werk- of leefvoorziening door de Ziekenfondsraad worden verstrekt.

Artikel 69, onderdelen E en H, betreffen de invoering van de zogenoemde no-risk-polis in de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Deze betreft de indienstneming van arbeidsgehandicapte werknemers die bij indiensttreding niet arbeidsongeschikt zijn in de zin van de WAO, maar dat binnen een periode van zes jaar na indiensttreding wel worden. In dat geval geldt dat de aan hen toe te kennen WAO-uitkering niet voor risico komt van de werkgever, dan wel wordt meegenomen bij de berekening van de gedifferentieerde premie voor de werkgever. Gelet op de samenhang met de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba) is inwerkingtreding per 1 januari 1998 wenselijk. Hiermee hangt tevens samen de inwerkingtreding per 1 januari 1998 van de artikelen 83 en 84 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. Artikel 69, onderdelen J, K, L en M, betreft de premievrijstellings- en kortingsregeling die is ingevoerd bij de Wet Pemba. Omdat deze kortingen het hele jaar 1998 dienen te betreffen, is in het besluit bepaald dat die onderdelen terugwerken tot en met 1 januari 1998.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Naar boven