Besluit van 12 juni 1998 tot wijziging van het Besluit van 20 juni 1962, houdende regelen ten aanzien van de verplichting tot herbeplanting, bedoeld in artikel 3 van de Boswet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 16 april 1998, No. J.983765, Directie Juridische Zaken;

Gelet op artikel 3, derde lid, van de Boswet;

De Raad van State gehoord (advies van 8 mei 1998);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 5 juni 1998, No. J.984776, Directie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit van 20 juni 1962, houdende regelen ten aanzien van de verplichting tot herbeplanting, bedoeld in artikel 3 van de Boswet1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, eerste en derde lid, wordt «de directeur» vervangen door: Onze Minister.

B

In artikel 2, tweede lid, wordt «De directeur» vervangen door: Onze Minister.

ARTIKEL II

Besluiten die in de periode vanaf 1 januari 1998 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn genomen door de directeur Staatsbosbeheer op basis van artikel 2 van het Besluit van 20 juni 1962, houdende regelen ten aanzien van de verplichting tot herbeplanting, bedoeld in artikel 3 van de Boswet, worden aangemerkt als een besluit van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 12 juni 1998

Beatrix

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de vijfentwintigste juni 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Op 1 januari 1998 is de Wet tot verzelfstandiging van Staatsbosbeheer (Stb. 1997, 514) in werking getreden. Bij die wet is onder meer artikel 3 van de Boswet (Stb. 1961, 256, laatstelijk gewijzigd bij wet van 17 december 1997, Stb. 710) gewijzigd in die zin dat niet meer de directeur Staatsbosbeheer, maar de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bevoegd is tot het afgeven van verklaringen die inhouden dat de door de eigenaar voorgestelde herbeplanting voldoet aan de regels die zijn gesteld in het Besluit van 20 juni 1962, houdende regelen ten aanzien van de verplichting tot herbeplanting, bedoeld in artikel 3 van de Boswet.

In artikel 2 van voornoemd Besluit werd echter nog bepaald dat de directeur Staatsbosbeheer toestemming geeft voor het herbeplanten van andere grond dan de grond waarop zich de gevelde houtopstand bevond.

Met de thans doorgevoerde wijziging wordt de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ook in artikel 2 van voornoemd Besluit als bevoegd orgaan aangewezen.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Stb. 1962, 220; gewijzigd bij besluit van 17 december 1993 (Stb. 697).

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven