Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatsblad 1998, 321AMvB

Besluit van 20 mei 1998, houdende regels ter invulling van hoofdstuk 4A van de Huursubsidiewet (Besluit vangnetregeling huursubsidie)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 april 1998, nr. MJZ98035960, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 26a, derde en vierde lid, 26b, vijfde lid, 26c, zevende lid, juncto artikel 28, derde lid, en artikel 29, eerste lid, 26d, eerste lid, 26f, vijfde lid, en 46 van de Huursubsidiewet;

De Raad van State gehoord (advies van 23 april 1998, nr. W08.98.0139.);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 mei 1998, nr. MJZ 98045794, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder wet: Huursubsidiewet.

Artikel 2

Burgemeester en wethouders stellen bij de aanvraag tot toekenning van een bijzondere bijdrage in de huurlasten de identiteit van de huurder vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en nemen de aard en het nummer daarvan op in de administratie, bedoeld in artikel 26f, vierde lid, van de wet.

HOOFDSTUK 2 VASTSTELLING BIJZONDERE BIJDRAGE IN DE HUURLASTEN

§ 1. Vaststelling actueel inkomen

Artikel 3

  • 1. Het actueel inkomen, bedoeld in artikel 26a, eerste lid, onder a, van de wet, wordt vastgesteld aan de hand van door de huurder en de medebewoners over te leggen stukken die naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor een deugdelijke onderbouwing van dat inkomen noodzakelijk zijn.

  • 2. Voor het vaststellen van het recht op een bijzondere bijdrage in de huurlasten stellen burgemeester en wethouders het actueel inkomen forfaitair vast aan de hand van het inkomen over een langere periode dan over de eerste kalendermaand van het betreffende RBH-subsidietijdvak, voorzover het patroon van de inkomensverwerving of de hoogte van het inkomen over een langere periode daartoe aanleiding geeft.

  • 3. Voor de toepassing van artikel 26a, eerste lid, onder a, van de wet worden inkomsten aangemerkt als te zijn genoten op het tijdstip, bedoeld in artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

§ 2. Vaststelling overige van belang zijnde feiten en omstandigheden

Artikel 4

Burgemeester en wethouders stellen, aan de hand van een door de verhuurder gedane opgave, de rekenhuur vast.

§ 3. Nadere regels voor onderzoek door gemeenten

Artikel 5

Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot het onderzoek door burgemeester en wethouders van de aanvragen om een bijzondere bijdrage in de huurlasten.

§ 4. Gevallen waarin geen bijzondere bijdrage in de huurlasten wordt toegekend of deze bijdrage niet nader wordt vastgesteld

Artikel 6

  • 1. Indien blijkt dat het verschil tussen het actueel inkomen en het rekeninkomen ten minste gelijk is aan het verschil, genoemd in artikel 26b, eerste lid, van de wet, maar deze omstandigheid niet of nauwelijks tot een daling van het netto inkomen heeft geleid, is artikel 26b, eerste lid, van de wet niet van toepassing.

  • 2. Een wijziging van feiten en omstandigheden die van belang is voor de vaststelling van het actueel inkomen en zich gedurende het betreffende RBH-subsidietijdvak voordoet, kan eerst voor het daaropvolgende tijdvak in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het recht op een bijzondere bijdrage in de huurlasten.

  • 3. Artikel 26b, eerste lid, van de wet is niet van toepassing indien de inkomensdaling een vrijwillig karakter heeft.

HOOFDSTUK 3 FINANCIËLE AFWIKKELING GEMEENTEN – RIJK

§ 1. Voorschotverlening

Artikel 7

  • 1. Voorschotverlening door Onze Minister aan burgemeester en wethouders, als bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet, heeft zowel betrekking op de vergoeding van de uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en de voorschotten daarop als op de vergoeding van de uitvoeringskosten van de gemeente.

  • 2. Een aanvraag tot het verlenen van een voorschot wordt ingediend na afloop van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.

  • 3. Het aanvragen van een voorschot vindt plaats overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen model.

  • 4. Burgemeester en wethouders verstrekken bij de aanvraag tot het verlenen van een voorschot de volgende gegevens:

    a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de voorschotten op de vergoeding van de uitvoeringskosten;

    b. het totaalbedrag aan betaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;

    c. de in de maand waarop de voorschotaanvraag betrekking heeft van de huurder terugontvangen bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;

    d. een verklaring van burgemeester en wethouders omtrent de getrouwheid van de verstrekte gegevens.

  • 5. Het totaal aan voorschotverlening voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:

    a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: f 1 000,–;

    b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: f 500,–,

    een en ander met dien verstande dat per subsidiejaar het voorschot per huishouden ten hoogste f 1 000,– bedraagt.

  • 6. Onze Minister onderzoekt of aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk vier weken na ontvangst van een aanvraag om voorschotverlening over tot het betaalbaar stellen van het voorschot.

  • 7. Indien niet aan de in het tweede tot en met vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, kan Onze Minister de voorschotverlening opschorten.

§ 2. Einddeclaratie

Artikel 8

  • 1. De einddeclaratie van de kosten, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, vindt plaats overeenkomstig een door Onze Minister vast te stellen model.

  • 2. Burgemeester en wethouders verstrekken bij de einddeclaratie de volgende gegevens:

    a. de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de vergoeding van de uitvoeringskosten;

    b. het totaalbedrag aan uitbetaalde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop;

    c. het totaal aan betaalbaar gestelde voorschotbedragen, bedoeld in artikel 26f, tweede lid, van de wet, over de maanden in het subsidiejaar onderverdeeld naar verstrekte bijzondere bijdrage in de huurlasten en naar de vergoeding van de uitvoeringskosten;

    d. de ontvangsten van de van de huurder teruggevorderde bijzondere bijdragen in de huurlasten en voorschotten daarop in het betreffende subsidiejaar;

    e. een uiteenzetting over het beleid dat de gemeente heeft gevoerd ten aanzien van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bijzondere bijdrage in de huurlasten;

    f. de verklaring, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet.

  • 3. De totale vergoeding voor de uitvoeringskosten per huishouden in het subsidiejaar bedraagt:

    a. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een toekenning: f 1 000,–;

    b. voor de behandeling van een aanvraag die resulteert in een afwijzing: f 500,–,

    een en ander met dien verstande dat per subsidiejaar de vergoeding per huishouden ten hoogste f 1 000,– bedraagt.

  • 4. Onze Minister vergoedt uitsluitend de kosten voorzover deze door een in het tweede lid, onder f, bedoelde verklaring met een goedkeurende strekking zijn gedekt.

  • 5. Onze Minister onderzoekt of aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan en gaat uiterlijk acht weken na ontvangst van de einddeclaratie over tot vaststelling van de vergoeding van de kosten.

  • 6. Indien niet aan de in het eerste, tweede en vierde lid gestelde voorwaarden is voldaan, stelt Onze Minister burgemeester en wethouders in de gelegenheid om alsnog binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn aan de voorwaarden te voldoen. Onze Minister kan de vaststelling van de vergoeding opschorten tot uiterlijk acht weken na het verstrijken van deze termijn.

Artikel 9

  • 1. De verklaring, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, dient ter vaststelling van de naleving van de in artikel 8 aan burgemeester en wethouders gestelde voorwaarden, ter vaststelling van de uitvoeringskosten en ter vaststelling van de deugdelijkheid van de door burgemeester en wethouders verstrekte gegevens.

  • 2. De verklaring wordt opgesteld met inachtneming van het in de bijlage opgenomen protocol en overeenkomstig het in de bijlage opgenomen model.

  • 3. De verklaring dient in ieder geval betrekking te hebben op:

    a. de naleving door burgemeester en wethouders van de in de wet en de daarop berustende bepalingen gestelde voorwaarden en

    b. de getrouwheid van de door burgemeester en wethouders in het betreffende subsidiejaar gedeclareerde kosten.

  • 4. De verklaring heeft een goedkeurende strekking indien, naar het oordeel van de deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, de som van de fouten bij de toekenningen niet meer bedraagt dan één procent van het totale bedrag van de toegekende bijzondere bijdragen in de huurlasten.

  • 5. De deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, stelt een rapport van bevindingen bij de verklaring op, waarin hij zijn oordeel geeft over de wijze waarop burgemeester en wethouders de juistheid en volledigheid van de bij de aanvragen verstrekte gegevens hebben onderzocht en over het verdere gevoerde beleid op het terrein van misbruik en oneigenlijk gebruik.

HOOFDSTUK 4 TERUGVORDERING EN VERREKENING

Artikel 10

Burgemeester en wethouders verrekenen of vorderen geheel of gedeeltelijk de bijzondere bijdrage in de huurlasten, dan wel het daarop verstrekte voorschot terug, indien deze ten onrechte is verstrekt doordat:

a. de huurder of de medebewoners een onjuiste opgave hebben gedaan van het rekeninkomen of het netto inkomen;

b. het rekenvermogen meer bedraagt dan het toepasselijke bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, van de wet;

c. de huurder een onjuiste opgave van de huurprijs heeft gedaan of

d. de huurder een onjuiste opgave van de samenstelling van het huishouden, aanwezige medebewoners of onderhuurders heeft gedaan.

HOOFDSTUK 5 WIJZIGING VAN HET HUURSUBSIDIEBESLUIT

Artikel 11

Artikel 7 van het Huursubsidiebesluit wordt als volgt gewijzigd1:

1. Na het eerste lid, onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Voor de uitvoering van hoofdstuk 4A van de wet worden als personen en instanties die kosteloos aan burgemeester en wethouders gegevens en afschriften van stukken verstrekken, bovendien aangewezen:

    a. burgemeester en wethouders van andere gemeenten;

    b. bedrijfspensioenfondsen, ondernemingspensioenfondsen, risicofondsen, stichtingen tot uitvoering van een regeling inzake vervroegd uittreden en andere organen, belast met het doen van uitkeringen of verstrekkingen die bij of krachtens artikel 7 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als inkomen worden aangemerkt;

    c. het College van toezicht sociale verzekeringen;

    d. de Sociale Verzekeringsbank;

    e. het Landelijk instituut sociale verzekeringen;

    f. de uitvoeringsinstellingen, bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

    g. de sectorraden, bedoeld in artikel 56 van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997.

2. In het derde lid (nieuw) wordt «bedoeld in het eerste lid» vervangen door: bedoeld in het eerste en tweede lid.

3. Na het derde lid (nieuw) wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De in het eerste en tweede lid bedoelde opgaven en inlichtingen worden schriftelijk of, desgevraagd, in een andere vorm die redelijkerwijs kan worden verlangd, en zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen vier weken na ontvangst van het verzoek hiertoe, verstrekt.

HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1998.

Artikel 13

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vangnetregeling huursubsidie.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 20 mei 1998

Beatrix

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

D. K. J. Tommel

Uitgegeven de negende juni 1998

De Minister van Justitie a.i.,

H. F. Dijkstal

BIJLAGE Bijlage bij artikel 9, tweede lid, van het besluit vangnetregeling huursubsidie

ACCOUNTANTSVERKLARING

In het kader van de controle, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de Huursubsidiewet hebben wij de aldaar bedoelde einddeclaratie over het subsidiejaar ... van de gemeente (naam) van (datum) gecontroleerd met inachtneming van het protocol, opgenomen in de bijlage bij het Besluit vangnetregeling huursubsidie

Bij onze controle hebben wij nagegaan of de einddeclaratie voldoet aan de volgende eisen:

– dat de in de einddeclaratie opgenomen gegevens juist en volledig zijn weergegeven en

– uitvoering is gegeven aan de Huursubsidiewet, het Besluit vangnetregeling huursubsidie en de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde nadere regelgeving.

Onze controle is verricht overeenkomstig algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controle-opdrachten. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de einddeclaratie geen onjuistheden van materieel belang bevat. Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Wij zijn van oordeel dat de in de bijlage opgenomen declaratie voldoet aan de hierboven omschreven eisen.

Deze verklaring wordt afgegeven ten behoeve van burgemeester en wethouders van de gemeente (naam).

(plaatsnaam, datum) (naam accountant en ondertekening)

ACCOUNTANTSPROTOCOL

1. De accountantsverklaring wordt afgegeven met als doel de vaststelling van de rechtmatige naleving door de gemeente van de voorschriften ingevolge hoofdstuk 4 A van de Huursubsidiewet, de ten laste van de gemeente gebleven kosten en de deugdelijkheid van de door de gemeente verstrekte gegevens.

2. Aan de hand van de einddeclaratie, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de Huursubsidiewet controleert de deskundige, bedoeld in hetzelfde artikellid, daartoe in elk geval of :

a. de toegekende bijdragen en de afgewezen aanvragen in overeenstemming zijn met de gestelde voorwaarden in de Huursubsidiewet, het Besluit vangnetregeling huursubsidie en de door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde nadere regelgeving;

b. de opgave van verstrekte en terugontvangen bijdragen juist en volledig is;

c. de daarmee verband houdende gedeclareerde vergoeding voor de uitvoeringskosten juist en volledig is;

d. de opzet, het bestaan en de werking van de administratieve organisatie en interne controle voldoet aan de gestelde eisen, bedoeld in het Besluit vangnetregeling huursubsidie.

3. Er wordt een rapport van bevindingen opgesteld, waarin de accountant in ieder geval zijn oordeel geeft over het door de gemeente gevoerde beleid op het terrein van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ook worden afwijkingen van het hierboven vermelde in het tweede lid in een rapport bij de accountantsverklaring tot uitdrukking gebracht.

4. Een accountantsverklaring met goedkeurende strekking wordt opgesteld overeenkomstig het toepasselijke bij dit protocol behorende model. Een accountantsverklaring kan slechts een goedkeurende strekking hebben voor zover naar het oordeel van de accountant de som van de fouten bij de toekenningen niet meer bedraagt dan 1% van het totale bedrag van de toegekende bijzondere bijdragen in de huurlasten.

5. Een accountantsverklaring die geen goedkeurende strekking heeft, sluit zo veel mogelijk aan op de in dat model gegeven indeling en wordt ingericht met inachtneming van de door het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants vastgestelde gedrags- en beroepsregels voor registeraccountants, dan wel van de door de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten vastgestelde gedrags- en beroepsregels voor accountants-administratieconsulenten.

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit beoogt een nadere uitwerking en afbakening op hoofdlijnen van enkele begrippen en uitvoeringsaspecten voortvloeiend uit hoofdstuk 4a, bijzondere bijdrage in de huurlasten, van de Huursubsidiewet, de vangnetregeling huursubsidie.

De vangnetregeling huursubsidie wijkt op een tweetal punten af van de Regeling bijdrage huurlasten (RBH) zoals deze oorspronkelijk per 1 juli 1997 was vormgegeven. Aan de ene kant zijn de voorwaarden om voor een bijzondere bijdrage in de huurlasten in aanmerking te komen, oftewel het bereik van de regeling, verruimd; aan de andere kant is de uitvoering van de regeling verplaatst van het rijksloket naar dat van de gemeente.

Bereik en voorwaarden

Huishoudens kunnen op elk moment in het jaar een beroep doen op de vangnetregeling huursubsidie. Om voor een bijzondere bijdrage in de huurlasten in aanmerking te komen moet men aan de volgende criteria voldoen:

1. het rekeninkomen moet ten opzichte van het actuele inkomen ten minste 20% hoger zijn;

2. het actuele inkomen mag niet hoger zijn dan het maximum inkomen in de huursubsidie.

De eis zoals aanvankelijk gold in de RBH dat het actuele inkomen op of onder het minimum moest zijn gekomen, geldt niet voor de vangnetregeling huursubsidie. De regeling is hierdoor bereikbaar geworden voor alle huishoudens voorzover vallend binnen de grenzen van de Huursubsidiewet, die een aanzienlijke daling in het actuele inkomen ondervinden.

Uitvoering

Wat de uitvoering betreft is, vanwege eenduidige verantwoordelijkheidsverdeling en efficiënte uitvoering, gekozen voor een volledige uitvoering door de gemeenten. De gemeenten dragen zorg voor de aanvraagbehandeling en de controle. Zij hebben met ingang van 1 juli 1998 de beschikkingsbevoegdheid voor zowel de toekenning, de terugvordering als de verrekening en zorgen voor de afhandeling van bezwaar- en beroepschriften. De afrekening met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vindt plaats via (periodieke) declaraties.

Artikelgewijs

Artikel 2

Om de controle op de uitvoering mogelijk te maken en ten behoeve van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik, dient de huurder zich te legitimeren bij de aanvraag van een bijzondere bijdrage in de huurlasten.

Artikel 3

Om vast te stellen of een huurder in aanmerking komt voor een bijzondere bijdrage in de huurlasten dient te worden bepaald of hij voldoet aan de inkomensvereisten.

Hiervoor is het nodig om het rekeninkomen te vergelijken met het actueel inkomen. Aangezien het actueel inkomen direct gerelateerd is aan het netto inkomen in de eerste maand van het RBH-subsidietijdvak waarover een bijzondere bijdrage in de huurlasten wordt aangevraagd, wordt eerst het netto inkomen vastgesteld. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de actuele draagkracht van de huurder en de medebewoners. De draagkracht moet echter ook controleerbaar zijn en eenvormig vast te stellen door burgemeester en wethouders.

Burgemeester en wethouders dienen bij de beoordeling van de aanvraag om een bijzondere bijdrage in de huurlasten over voldoende stukken te beschikken om met een redelijke mate van nauwkeurigheid het actueel inkomen vast te stellen. De stukken dienen deugdelijk te zijn, dat wil in de regel zeggen niet een kopie en niet van veranderingen voorzien.

Normaal gesproken zal het om inkomensspecificaties van de werkgever of de uitkerende instantie gaan en, als de huurder of de medebewoner een freelancer of een kleine zelfstandige is, om stukken die door een erkende accountant zijn gewaarmerkt. Burgemeester en wethouders dienen, voor de vaststelling van de vereiste inkomensdaling, ook het rekeninkomen vast te stellen. Hiervoor dient de huurder de nodige gegevens te verstrekken. In de regel zal dat een IB-60 formulier zijn van het inkomen over het peiljaar.

Als de huurder of de medebewoner een sterk fluctuerend inkomen heeft, bijvoorbeeld omdat hij werkzaam is als kermis-exploitant of freelancer of de uitbater van een strandpaviljoen is, dan kunnen inkomensdalen gecompenseerd worden met inkomenspieken. Deze huurder heeft geen bijzondere bijdrage in de huurlasten nodig. Om te voorkomen dat deze huurder door een inkomensdaling toch voor een bijzondere bijdrage in de huurlasten in aanmerking komt, kan de gemeente in dergelijke gevallen een forfaitair inkomen vaststellen aan de hand van het patroon over een aantal aan het RBH-subsidietijdvak voorafgaande maanden of over een heel jaar.

Zowel voor wat betreft de bronnen als voor wat betreft het moment van genieten, is bij de vaststelling van het netto inkomen aansluiting gezocht bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964.

Voorkomen dient te worden dat gelden waar de huurder recht op kan doen gelden maar die nog niet aan hem zijn uitbetaald, buiten beschouwing blijven bij de vaststelling van het netto inkomen. Derhalve is gekozen voor het transactiestelsel (wat heeft men van debiteuren tegoed) en niet voor het kasstelsel (wat heeft men daadwerkelijk ontvangen). Het is de verantwoordelijkheid van de huurder om zijn vorderingen te innen. Het ligt in de verantwoordelijkheid van de huurder om de benodigde stukken ter beschikking van de gemeente te stellen.

Artikel 4

Aangezien de hoogte van de bijzondere bijdrage in de huurlasten mede afhankelijk is van de hoogte van de rekenhuur, is het van belang dat burgemeester en wethouders de rekenhuur vaststellen. Deze wordt in de regel vastgesteld aan de hand van de opgave van de verhuurder. De verhuurder is de aangewezen verschaffer van gegevens over de huurprijs, de aanwezigheid van een garage, de hoogte van de servicekosten en de overige noodzakelijke gegevens die in artikel 5 van de wet worden genoemd. De primaire verantwoordelijkheid voor het ter beschikking van de gemeente stellen van de benodigde stukken ligt bij de huurder.

Artikel 5

Ten aanzien van de artikelen 3 en 4, kan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, blijkens artikel 26c, zevende lid, juncto artikel 29, eerste lid, van de wet, meer gedetailleerde voorschriften geven met betrekking tot de wijze waarop de aanvragen om een bijzondere bijdrage in de huurlasten worden behandeld. Deze voorschriften zullen een gelijkenis tonen met de werkinstructies voor de behandeling van aanvragen voor de huursubsidie en zullen bijdragen tot een uniforme behandeling van de aanvragen om een bijzondere bijdrage in de huurlasten door de diverse gemeenten.

Artikel 6

Het kan voorkomen dat een daling van het belastbaar inkomen niet of nauwelijks effect heeft op het netto inkomen. Een dergelijke situatie kan zich voordoen bij de overgang van 64 jaar naar 65 jaar, en de daarmee gepaard gaande verschillen in fiscale behandeling. Om te voorkomen dat huurders die een dergelijke achteruitgang van het rekeninkomen ondervinden zonder dat die achteruitgang gepaard gaat met een vergelijkbare daling van het netto inkomen toch voor een bijdrage in aanmerking kunnen komen, is het eerste lid van artikel 6 in het besluit opgenomen.

Om te voorkomen dat de huurder bij een verdere inkomensverslechtering of een andere gewijzigde omstandigheid gedurende een subsidietijdvak opnieuw een beroep doet op de vangnetregeling huursubsidie voor een hogere bijzondere bijdrage in de huurlasten, is het tweede lid van artikel 6 opgenomen. Gelet op de beperkte duur van een subsidietijdvak van slechts drie maanden en de relatief hoge kosten verbonden met de uitvoering, is dit een redelijk uitgangspunt. Overigens kunnen burgemeester en wethouders voor een kortere periode dan drie maanden een bijzondere bijdrage in de huurlasten toekennen, indien te voorzien is dat van belang zijnde feiten en omstandigheden zullen veranderen. Aangezien in de wijziging van andere dan financiële feiten en omstandigheden al door artikel 26c, zevende lid, van de wet is voorzien als grondslag voor een al dan niet hernieuwde toekenning gedurende het RBH-subsidietijdvak, voorziet dit artikel, als aanvulling, uitsluitend in de gevallen waar sprake van een inkomenswijziging. Een inkomenswijziging is dus uitgesloten als grondslag voor een hernieuwde toekenning. Inkomenswijzigingen gedurende het subsidietijdvak spelen bij de vaststelling van reguliere huursubsidie geen rol omdat bij de uitvoering daarvan wordt uitgegaan van het (vaststaand) rekeninkomen.

Bij het derde lid van dit artikel moet gedacht worden aan situaties waarbij duidelijk sprake is van een vooropgezette constructie teneinde voor een bijzondere bijdrage in de huurlasten in aanmerking te komen. De bepaling is niet bedoeld om toegepast te worden in geval van een wettelijk geregelde loopbaanonderbreking.

Artikel 7

Ter regulering van het proces van voorschotaanvragen door burgemeester en wethouders bevat dit artikel een aantal voorschriften en wordt een aantal gegevens genoemd dat in ieder geval bij de voorschotaanvragen dient te worden overhandigd. Behalve dat de gegevens dienen te worden verstrekt op traditionele formulieren, biedt het besluit de mogelijkheid om de gegevens waarnaar in dit en het volgende artikel gevraagd wordt, te verstrekken door middel van diskettes, internet-verbindingen of andere media waarvoor de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een model ter beschikking stelt.

De gegevens waar de Minister over dient te beschikken met betrekking tot de uitvoeringskosten betreft het aantal aanvragen waarbij voor de desbetreffende huishoudens een bijzondere bijdrage in de huurlasten

– voor de eerste maal in die maand is toegekend zonder dat een aanvraag in het betreffende subsidiejaar is afgewezen;

– voor de eerste maal in die maand is toegekend nadat een aanvraag in het betreffende subsidiejaar is afgewezen;

– in die maand is afgewezen zonder dat een aanvraag in het betreffende subsidiejaar is toegekend.

Bij de vergoedingen is een onderscheid gemaakt naar afwijzingen en toekenningen. Voor een toekenning wordt, gelet op het grotere aantal daarmee gepaard gaande administratieve handelingen, een hoger voorschot gegeven. De hoogte van de vergoeding is gelimiteerd tot f 1 000,– per huishouden per subsidiejaar. Bij afwijzingen wordt f 500,– per afwijzing voorgeschoten, zodat per jaar twee keer een bedrag voor een afwijzing kan worden voorgeschoten. Bij toekenningen wordt in één keer het hoogste bedrag van f 1 000,– voorgeschoten.

Artikel 8

De bepalingen in dit artikel beogen een zorgvuldige en rechtmatige financiële afwikkeling van de uitvoering van de vangnetregeling huursubsidie door burgemeester en wethouders en het Rijk. Het derde lid regelt de hoogte van de door de minister op declaratie-basis aan burgemeester en wethouders uit te keren vergoedingen voor de uitvoeringskosten van de vangnetregeling huursubsidie.

De gegevens waar de Minister over dient te beschikken met betrekking tot de uitvoeringskosten zijn de gegevens met betrekking tot het aantal aanvragen in het betreffende subsidiejaar waarbij een bijzondere bijdrage in de huurlasten voor de desbetreffende huishoudens

– voor de eerste maal is toegekend zonder dat een aanvraag in het betreffende subsidiejaar is afgewezen;

– voor de eerste maal is toegekend nadat een aanvraag in het betreffende subsidiejaar is afgewezen;

– is afgewezen zonder dat een aanvraag in het betreffende subsidiejaar is toegekend.

Bij de vergoedingen is een onderscheid gemaakt naar afwijzingen en toekenningen. Voor een toekenning wordt, gelet op het grotere aantal daarmee gepaard gaande administratieve handelingen, een hogere vergoeding gegeven. De hoogte van de vergoeding is gelimiteerd per huishouden per subsidiejaar: voor afwijzingen f 500,– en voor toekenningen f 1 000,–. Bij twee of meer afwijzingen of toekenningen binnen hetzelfde subsidiejaar voor het zelfde huishouden bedraagt de vergoeding mitsdien f 1 000,–.

Artikel 9

Voor de eindcontrole van de minister op de zorgvuldige en rechtmatige uitvoering van de vangnetregeling huursubsidie is het noodzakelijk dat de deskundige, bedoeld in artikel 26f, derde lid, van de wet, de declaratie van een oordeel heeft voorzien. Hiermee wordt tevens beoogd onenigheid over het gedeclareerde bedrag te voorkomen.

Artikel 10

Onder meer naar aanleiding van de nacontrole die voortvloeit uit de toepassing van artikel 26 d, vierde lid, van de wet, zal aan het licht komen dat in een aantal gevallen ten onrechte een bijzondere bijdrage in de huurlasten is verstrekt. De bijzondere bijdrage in de huurlasten wordt dan teruggevorderd. Voor de bewaking van de eenvormige uitvoering van het terug- en invorderingsbeleid wordt aangegeven in welke gevallen in ieder geval tot terugvordering overgegaan dient te worden. Vermeden moet worden dat burgemeester en wethouders in sommige gemeenten afzien van terugvorderingen, ten nadele van 's-Rijks kas, terwijl andere gemeenten wel in de regel overgaan tot terugvordering van ten onrechte verstrekte bijdragen. Dit zou landelijk tot rechtsongelijkheid kunnen leiden.

Artikel 11

De bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen vraagt de voortdurende aandacht van het kabinet. Bij de opzet van de vangnetregeling huursubsidie is dit niet anders. Gemeenten moeten voldoende uitgerust zijn om misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan. De nadruk van de controle ligt bij de aanvraag-behandeling. De huurder zal op basis van concrete bewijsstukken moeten aantonen hoe hoog zijn belastbaar inkomen en dat van zijn eventuele medebewoners in het peiljaar is. Dit kan door het overleggen van de belastingaanslag. Heeft de huurder hierover nog niet de beschikking dan kan gebruik worden gemaakt van een IB-60 formulier, waarmee van de belastingdienst een voorlopige opgave wordt verkregen van het belastbaar inkomen. Het actuele inkomen van de huurder en de eventuele medebewoners wordt vastgesteld aan de hand van de salaris- of uitkeringsspecificaties. Bij zelfstandigen zal een verklaring van de accountant of het administratiekantoor moeten worden overgelegd. De gemeenten ontvangen voor de uitvoering van de vangnetregeling huursubsidie bovendien een werkinstructie. Deze werkinstructie wordt opgesteld met «fraude-alertheid» als uitgangspunt. De uitvoerende medewerkers worden gewezen op welke gegevens of ontbrekende gegevens men alert moet zijn en in welke situaties gelet moet worden op mogelijke niet (volledig) gemelde inkomens. Jaarlijks zal aan de hand van de bij de belastingdienst bekende gegevens worden gecontroleerd of de huurder de volledige inkomstenbronnen heeft opgegeven. Wordt hierin een hiaat ontdekt dan zal door de gemeente een nader onderzoek worden ingesteld om na te gaan of tot terugvordering moet worden overgegaan. In eerste instantie zal dan de huurder opgeroepen worden om inzicht te geven in zijn inkomenssituatie in de betreffende peilmaand. Verloopt dit niet naar tevredenheid, dan zal de gemeente de bevoegdheid moeten hebben om rechtstreeks bij de bron informatie in te winnen, i.c. de (voormalige) werkgever of de uitkeringsinstantie. De uitbreiding van artikel 7 van het Huursubsidiebesluit beoogt met name om de gemeente de bevoegdheid te geven om bij die instanties die belast zijn met enige vorm van inkomensvoorziening inlichtingen op te vragen over het genoten inkomen van een persoon waarvan het vermoeden bestaat dat deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan een bijzondere bijdrage heeft ontvangen.

Naar verwachting zal deze uitbreiding van artikel 7 van het Huursubsidiebesluit slechts in beperkte mate een belasting vormen voor de betreffende instanties. De nadruk van de controle ligt immers bij de behandeling van de aanvraag. Ook bij de nacontrole zal in eerste instantie getracht worden om de ontbrekende gegevens van de huurder te verkrijgen. Mocht dit niet lukken of mochten er twijfels blijven bestaan aan de juistheid dan zal de uitkerende instantie rechtstreeks worden benaderd door de gemeente. Deze instantie is bekend bij de gemeente door de informatie die van de belastingdienst is verkregen over de opbouw van het belastbaar inkomen. Onder vermelding van het sofinummer zal gevraagd worden naar de hoogte van het netto uitbetaalde bedrag over de betreffende peilmaand waarover het recht op de bijzondere bijdrage is vastgesteld. De belasting van de te bevragen instanties is ook beperkt omdat er ook sprake is van een bepaalde mate van inruil. Een aantal van de huurders die in aanmerking komen voor een bijzondere bijdrage in de huurlasten ontving eerder van de gemeente een woonkostentoeslag op basis van de Algemene bijstandswet. Op basis van artikel 122 van de Algemene bijstandswet is een aantal van deze instanties thans ook reeds informatieplichtig.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

D. K. J. Tommel


XNoot
1

Stb. 1997, Stb. 269.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 juli 1998, nr. 130.