Besluit van 12 mei 1998, houdende regels voor het verstrekken door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van instrumenten gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid of indiensttreding van werkzoekende arbeidsgehandicapten (Besluit reïntegratie-instrumenten arbeidsgehandicapten Arbeidsvoorziening)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 februari 1998, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/98/432;

Gelet op de artikelen 4, tweede lid, en 81a, derde lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996;

De Raad van State gehoord (advies van 16 maart 1998, No. W12.98.0071);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 april 1998, Directie Arbeidsmarkt, nr. AM/ARV/98/ 1198;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de Arbeidsvoorzieningswet 1996;

b. arbeidsgehandicapte: de arbeidsgehandicapte werkzoekende, bedoeld in artikel 13 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

Artikel 2. Voorzieningen voor arbeidsgehandicapten

  • 1. Ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van de wet kan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op aanvraag of ambtshalve aan de arbeidsgehandicapte in ieder geval toekennen:

    a. scholing of opleiding;

    b. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen volgen van scholing of opleiding als bedoeld in onderdeel a;

    c. voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het kunnen deelnemen aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor de inschakeling in de arbeid;

    d. vervoersvoorzieningen die strekken tot verbetering van de leefomstandigheden van de arbeidsgehandicapte en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in de onderdelen b en c.

  • 2. Ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, onderdeel b, van de wet kan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gedurende maximaal één jaar op aanvraag of ambtshalve aan de arbeidsgehandicapte die in dienstbetrekking gaat werken, toekennen:

    a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de arbeidsgehandicapte zijn werkplek kan bereiken;

    b. noodzakelijke persoonlijke ondersteuning van de arbeidsgehandicapte bij het verrichten van de hem opgedragen taken, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor specifiek met de handicap samenhangende beperkingen;

    c. communicatievoorzieningen voor doven;

    d. vervoersvoorzieningen die strekken tot verbetering van de leefomstandigheden van de arbeidsgehandicapte en die deel uitmaken van dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in onderdeel a.

  • 3. De voorzieningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden niet toegekend, indien deze voorzieningen:

    a. algemeen gebruikelijk zijn;

    b. een waarde hebben, die minder bedraagt dan 1,85 maal het minimumloon per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; of

    c. aan de arbeidsgehandicapte kunnen worden toegekend door de gemeente op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of door het Landelijk instituut sociale verzekeringen op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

  • 4. Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in onderdeel d van het eerste en van het tweede lid, wordt slechts verleend indien daarmee de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of verminderd.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor het toekennen van de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en d, en het tweede lid, onderdelen a en d, in verband met het inkomen van de arbeidsgehandicapte.

Artikel 3. Persoonsgebonden reïntegratiebudget

  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld op grond waarvan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van de wet aan de arbeidsgehandicapte in plaats van de voorzieningen, bedoeld in artikel 2, een subsidie verstrekt in de vorm van een op de arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden reïntegratiebudget. In deze regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en omvang van de activiteiten en de aan die subsidie te verbinden verplichtingen.

  • 2. Het tweede en derde lid van artikel 33 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten zijn op deze ministeriële regeling van toepassing.

Artikel 4. Persoonlijke ondersteuning

  • 1. Een voorziening in de vorm van persoonlijke ondersteuning kan uitsluitend worden toegekend op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b. Het toekennen van deze voorziening kan bestaan uit het beschikbaar stellen van persoonlijke ondersteuning of uit een vergoeding voor de kosten van persoonlijke ondersteuning.

  • 2. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien:

    a. de persoonlijke ondersteuning bestaat uit een individueel trainings- of inwerkprogramma op de werkplek en een systematische begeleiding van de arbeidsgehandicapte werknemer gericht op het behouden van de arbeidsplaats;

    b. de arbeidsgehandicapte werknemer zonder een systematische begeleiding niet in staat zou zijn de hem opgedragen werkzaamheden te verrichten;

    c. de persoonlijke ondersteuning wordt verzorgd door een persoon die verbonden is aan een rechtspersoon die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als persoonlijke ondersteuning als bedoeld in onderdeel a.

  • 3. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt in het eerste jaar ten hoogste toegekend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15% van het aantal door de arbeidsgehandicapte werknemer te werken uren per kalenderjaar.

  • 4. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan van het percentage, genoemd in het derde lid, afwijken voorzover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dat geval meldt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dit aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.

Artikel 5. Communicatievoorzieningen voor doven

  • 1. Onder een communicatievoorziening voor doven als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, wordt uitsluitend verstaan een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker die is erkend door het Landelijk instituut sociale verzekeringen. De toekenning van een voorziening als bedoeld in de eerste zin, kan bestaan uit het beschikbaar stellen van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker of uit een vergoeding van de kosten voor het gebruik van een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker.

  • 2. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt ten hoogste toegekend voor het aantal uren dat overeenkomt met 15% van het aantal door de arbeidsgehandicapte werknemer te werken uren per kalenderjaar.

  • 3. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan van het percentage, genoemd in het tweede lid, afwijken voorzover toepassing daarvan gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dat geval meldt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dit aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen.

Artikel 6. Overname vervoersvoorzieningen die geen subsidie zijn

  • 1. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan indien een of meer feiten op grond waarvan een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 2 is toegekend, zodanig wijzigen dat de toekenning van de voorziening niet langer is aangewezen, of indien een met betrekking tot een voorziening afgesloten bruikleencontract afloopt, een belanghebbende de niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleende voorziening doen behouden of doen kopen, voor een prijs die de op dat moment in het maatschappelijke verkeer geldende waarde van een dergelijke voorziening niet te boven gaat.

  • 2. Indien de voorziening, bedoeld in het eerste lid, een vervoermiddel betreft, wordt bij het bepalen van de prijs, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van de voorziening zonder specifieke aanpassingen.

Artikel 7. Werkgeverssubsidie in de vorm van plaatsingsbudget

  • 1. De hoogte van de subsidie aan de werkgever, bedoeld in artikel 81a, eerste lid, van de wet bedraagt bij een dienstbetrekking die voor onbepaalde tijd is aangegaan f 12 000,– voor het eerste jaar, f 8000,– voor het tweede jaar, en f 4000,– voor het derde jaar van de dienstbetrekking.

  • 2. Indien de indienstneming, bedoeld in het eerste lid, voor bepaalde tijd is of voor een geringer aantal uren dan het aantal uren dat voor een voltijdsdienstverband in de desbetreffende sector van het bedrijfs- en beroepsleven gebruikelijk is, worden de subsidiebedragen, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid met de arbeidsduur en rekening houdend met de verdeling van de subsidiebedragen in het eerste lid verlaagd.

  • 3. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan de subsidie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk weigeren, indien de subsidie wordt aangevraagd voor een arbeidsgehandicapte voor wie reeds eerder aan de werkgever subsidie op grond van artikel 15, 16, 17 of 18 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, artikel 13b van de Wet inschakeling werkzoekenden of artikel 81a van de wet is verstrekt.

  • 4. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie trekt de subsidie, bedoeld in het eerste lid, in of wijzigt die, indien de dienstbetrekking eindigt of de arbeid in de dienstbetrekking geheel of ten dele niet langer wordt verricht, binnen de periode waarvoor de subsidie is verstrekt, tenzij de werkgever aannemelijk maakt dat de kosten die hij heeft gemaakt ten behoeve van het verrichten van arbeid door de arbeidsgehandicapte werknemer ten minste gelijk zijn aan het bedrag van de verstrekte subsidie.

  • 5. Indien de kosten van de werkgever, bedoeld in het vierde lid, lager zijn dan het bedrag van de verstrekte subsidie wijzigt de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij toepassing van het vierde lid, het subsidiebedrag zodanig, dat dit bedrag gelijk is aan de som van:

    a. het bedrag van de subsidie verstrekt voor dat jaar verminderd naar evenredigheid met het aantal zo nodig herleide volledige werkdagen, waarop door de arbeidsgehandicapte in dat jaar arbeid in de dienstbetrekking is verricht;

    b. voorzover over een eerder jaar subsidie is verleend, het subsidiebedrag voor dat eerdere jaar; en

    c. die kosten van de werkgever,

    voorzover die som niet hoger is dan het bedrag van de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verstrekte subsidie aan die werkgever in verband met de dienstbetrekking met die arbeidsgehandicapte tot en met dat jaar.

Artikel 8. Werkgeverssubsidie in de vorm van een pakket op maat

  • 1. De subsidie in de vorm van een pakket op maat, bedoeld in artikel 81a, tweede lid, van de wet, kan bestaan uit:

    a. een loonkostensubsidie ten bedrage van ten hoogste 33 ⅓% van het overeengekomen bruto-loon per jaar, gedurende maximaal 3 jaar;

    b. een eenmalige trainings- en begeleidingssubsidie van ten hoogste f 4000,–;

    c. een subsidie voor kosten van scholing;

    d. een subsidie voor kosten, die voortvloeien uit noodzakelijke aanpassingen van de samenstelling en toewijzing van arbeid, de inrichting van arbeidsplaatsen, de productie- en werkmethoden en de bij arbeid te gebruiken hulpmiddelen, alsmede voor de kosten die voortvloeien uit de aanpassing van de inrichting van het bedrijf, voorzover de behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming van de arbeidsgehandicapte aan de werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het bedrijf;

    e. een subsidie voor kosten van andere voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid dan voorzieningen als bedoeld in de onderdelen b, c en d.

  • 2. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan aan een werkgever ten behoeve van een persoon die niet meer als arbeidsgehandicapte werknemer kan worden beschouwd omdat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, subsidies verstrekken als bedoeld in het eerste lid, onderdelen c, d en e, ten behoeve van de voortzetting van een voorziening waarvoor reeds een subsidie is verleend, indien de werknemer de inkomensvormende arbeid ten behoeve waarvan de voorziening laatstelijk is gesubsidieerd nog in ongeveer gelijke mate verricht.

  • 3. Indien aan een werkgever voor het aangaan van de dienstbetrekking met de arbeidsgehandicapte een subsidie als bedoeld in artikel 81a, eerste lid, van de wet en artikel 7, is verstrekt en die werkgever voor dezelfde arbeidsgehandicapte een subsidie als bedoeld in het eerste lid aanvraagt, wordt die laatste subsidie in de vorm van een pakket op maat slechts verstrekt indien de aanvraag daarvoor wordt ingediend uiterlijk 13 weken na verstrekking van de eerstgenoemde subsidie en onder verrekening van die subsidie.

  • 4. Als tegemoetkoming in de kosten verband houdende met voorzieningen als bedoeld in de onderdelen c, d en e, van het eerste lid, kan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een subsidie verstrekken ter hoogte van die kosten, tenzij daarvan op grond van een regeling van het Centraal Bestuur kan worden afgeweken.

Artikel 9. Regels CBA

  • 1. Het Centraal Bestuur stelt een regeling vast voor de subsidieverstrekking, bedoeld in artikel 7 en 8. Deze regeling regelt in elk geval de hoogte van de subsidie bij toepassing van artikel 8, bij wie de aanvraag moet worden ingediend en hoe deze subsidieverstrekking overigens wordt uitgevoerd.

  • 2. De regeling op grond van het eerste lid wordt in de Staatscourant geplaatst.

  • 3. Voor het toekennen van voorzieningen in de vorm van het verstrekken van subsidie aan de arbeidsgehandicapte op grond van artikel 4, tweede lid, van de wet en artikel 3 zijn de regelingen, bedoeld in artikel 81 en 82 van de wet niet van toepassing.

Artikel 10. Overgangsbepaling werkgeverssubsidies

De Arbeidsvoorzieningsorganisatie verstrekt geen subsidie op grond van artikel 81a van de wet en artikel 7 en 8, aan een werkgever, indien de dienstbetrekking met de arbeidsgehandicapte is aangevangen of aangegaan voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Indien het bij koninklijke boodschap van 1 september 1997 ingediende voorstel van wet tot vaststelling van nieuwe regels met betrekking tot de (re)integratie van arbeidsgehandicapten, 25 478, (Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten) tot wet wordt verheven, treedt dit besluit in werking op het tijdstip waarop artikel 63 van die wet in werking treedt.

Artikel 12. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit reïntegratie-instrumenten arbeidsgehandicapten Arbeidsvoorziening.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 12 mei 1998

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Uitgegeven de zesentwintigste mei 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit geeft nader inhoud aan de instrumenten die de Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan aanwenden voor de arbeidsgehandicapten, die tot de verantwoordelijkheid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie behoren. In paragraaf 2 van deze nota van toelichting wordt uiteengezet wie in de zin van dit besluit beschouwd worden als arbeidsgehandicapten. Het gaat bij de uitvoering van deze taak door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie enerzijds om voorzieningen voor arbeidsgehandicapten zelf, waarvoor artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (de wet) het kader bevat en anderzijds om werkgeverssubsidies, die in artikel 81a van de wet worden geregeld.

De nadere regeling in dit besluit heeft vooral tot doel de inhoud van de instrumenten af te stemmen op de gelijke instrumenten, die het Landelijk instituut sociale verzekeringen op grond van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) ter beschikking staan. Voorts wordt hiermee bewerkstelligd, dat de uitvoering ten opzichte van de belanghebbenden in ieder geval op die punten gelijk kan plaatsvinden, waar dat uit oogpunt van rechtszekerheid voor de belanghebbende van belang is.

In verband met de voorbereiding van de inwerkingtreding van de Wet REA vindt intensief overleg plaats tussen de betrokken uitvoeringsinstanties: de uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen (uvi's), het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), de gemeenten (via de VNG) en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Met signalen over de uitvoerbaarheid van het wettelijk instrumentarium door de Arbeidsvoorzienings-organisatie en over de noodzaak de procedures op elkaar af te stemmen is bij de tot standkoming van dit besluit rekening gehouden.

2. Arbeidsgehandicapte

Op grond van artikel 13 van de Wet REA heeft de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de taak instrumenten in te zetten ter bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces van arbeidsgehandicapten die uitsluitend recht hebben op een Algemene nabestaandenuitkering (ANW) en arbeidsgehandicapten, die geen uitkering ontvangen en geen werkgever hebben, indien zij als werkzoekenden zijn geregistreerd. Zouden ze wel een andere uitkering ontvangen dan een ANW-uitkering, dan behoort het verstrekken van de reïntegratie-instrumenten tot de taak van het Landelijk instituut sociale verzekeringen of de gemeenten. Op grond van artikel 2 en 3 van de Wet REA wordt bepaald, wie als arbeidsgehandicapte wordt beschouwd. Arbeidsgehandicapte is op grond van artikel 2 Wet REA onder meer de persoon:

a. die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) doch van wie deze uitkering is ingetrokken in verband met vermindering van de arbeidsongeschiktheid;

b. aan wie op grond van een wettelijk voorschrift in verband met ziekte of gebrek een voorziening is toegekend, die strekt tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid (waaronder scholing), of aan wie een voorziening is verstrekt voor aanpassing van de werkplek of terzake vervoer naar het werk;

c. die geïndiceerd voor een arbeidsplaats op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW), doch (nog) geen een WSW-dienstbetrekking heeft en de persoon die WSW-werkzaamheden heeft verricht, doch na herindicatie niet meer WSW-geïndiceerd is. De persoon met een WSW-dienstbetrekking behoort niet tot de doelgroep arbeidsgehandicapte. Op deze persoon is de WSW van toepassing;

d. ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is vastgesteld, dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid.

Voor de onder a t/m c genoemde personen geldt dat zij voor een periode tot vijf jaar na de beëindiging van de uitkering, de scholing, de voorziening of de (her)indicatie als arbeidsgehandicapte worden beschouwd. De persoon genoemd onder d blijft eveneens gedurende een periode van vijf jaar na de vaststelling van de arbeidshandicap als arbeidsgehandicapte aangemerkt. Na afloop van deze termijn wordt opnieuw vastgesteld of de persoon nog als arbeidsgehandicapte kan worden aangemerkt.

Arbeidsgehandicapten genoemd onder a t/m c zijn relatief eenvoudig te indiceren, omdat dit gebeurt op grond van objectieve criteria. In artikel 3, derde lid, Wet REA is bepaald, dat de vaststelling of een persoon waarvoor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie op grond van artikel 13 Wet REA verantwoordelijk is, arbeidsgehandicapte is, geschiedt door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Voor de vaststelling zullen in een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2, zesde lid, van de Wet REA, nadere regels worden gesteld. Daarmee gelden voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dezelfde regels als voor het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de gemeenten. Het staat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie vrij te bepalen op welke wijze zij zich laat adviseren bij die vaststelling. Samenwerking met de gemeenten en de uitvoeringsinstellingen sociale verzekeringen (uvi's) ligt daarbij voor de hand. Dit zou kunnen worden bewerkstelligd door naast het aanwenden van de bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met de overkomst van het personeel van GAK Arbeidsintegratie al aanwezige kennis, kennis bij een uvi, een arbodienst, of een gemeentelijke gezondheidsdienst in te huren.

3. Voorzieningen voor arbeidsgehandicapten

De voorzieningen

In artikel 4, tweede lid, onder a, van de wet wordt verwezen naar de voorzieningen bedoeld in artikel 22 Wet REA. Deze worden aangeduid in artikel 2, eerste lid, van dit besluit. Het betreft hier voorzieningen die noodzakelijk zijn om de toegang tot het arbeidsproces te bevorderen.

In artikel 4, tweede lid, onder b, van de wet gaat het om de voorzieningen, die rechtstreeks aan de werknemer worden verstrekt bij het aangaan van een dienstbetrekking. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie verstrekt deze voorzieningen gedurende één jaar. Daarna is het Lisv verantwoordelijk voor het toekennen van die voorzieningen. Deze voorzieningen die in artikel 2, tweede lid, van dit besluit worden genoemd zijn ontleend aan artikel 31 Wet REA. Naar dit artikel wordt dan ook verwezen in genoemd artikelonderdeel in de wet.

De opsomming in het eerste en tweede lid van artikel 2 is gelijk aan die in genoemde artikelen op grond van de Wet REA. Dit betekent, dat aan de arbeidsgehandicapten naast vervoersvoorzieningen ook aanvullend leefvervoersvoorzieningen kunnen worden verstrekt. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie zal overigens alleen een dergelijke leefvervoersvoorziening toekennen, indien die belanghebbende al niet via de gemeente op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) leefvervoersvoorzieningen toegekend heeft gekregen.

De werknemersvoorzieningen worden gedurende één jaar verstrekt. Indien de arbeidsgehandicapte langer in dienstbetrekking werkzaam blijft, neemt het Lisv het toekennen van deze voorzieningen over. De regeling in artikel 4 (op het punt van de persoonlijke ondersteuning) en artikel 5 (over de communicatievoorzieningen voor doven) is daarom inhoudelijk gelijk aan die in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA (resp. artikel 11 en 12 van dat besluit). In dat besluit wordt de omvang van de voorziening uitgedrukt in een percentage van het aantal te werken uren per kalenderjaar. Dit percentage loopt af, maar is voor het eerste jaar ten hoogste 15%. Vandaar, dat in dit besluit voor de voorziening, die slechts voor één jaar door de Arbeidsvoorzienings-organisatie wordt verstrekt, uitsluitend het percentage van 15% is opgenomen. Voor het Lisv bestaat de mogelijkheid ingeval van bijzondere hardheid van dit percentage af te wijken. Deze mogelijkheid is hier nu overgenomen (in het derde lid van artikel 4 en het tweede lid van artikel 5). Omdat het Lisv na een jaar verantwoordelijk wordt voor het toekennen van deze voorziening is geregeld, dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de toepassing van deze hardheidsclausule aan het Lisv meldt.

In het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA wordt aan deze voorzieningen nader inhoud gegeven. Het betreft algemene vereisten, die ook zijn opgenomen in dit besluit. Uitgangspunt daarbij is, dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie deze voorzieningen niet hoeft toe te kennen, wanneer het Lisv daartoe ook niet gehouden is of het tot de taak van het Lisv of de gemeente behoort dit te doen, zoals in artikel 2, derde lid, wordt bepaald.

Persoonsgebonden reïntegratiebudget

In artikel 33 van de Wet REA is de mogelijkheid opgenomen voor een experiment met een persoonsgebonden reïntegratiebudget (PRB). Dit betekent, dat aan de arbeidsge-handicapte met name met het oog op de reïntegratie naar werk ter uitvoering van artikel 4, tweede lid, van de wet geen verschillende voorzieningen worden verstrekt, maar een subsidiebedrag, dat de belanghebbende naar eigen inzicht mag besteden aan verschil-lende reïntegratie-activiteiten. Dit experiment zal ook mede uitgevoerd worden door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. In artikel 3 van dit besluit wordt de grondslag gecreëerd voor deze bijzondere experimentele subsidieregeling, die door alle drie bij de uitvoering van de Wet REA betrokken uitvoeringsinstanties zal worden uitgevoerd.

Uitvoering

Deze uitvoering is voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie nieuw. Echter de Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft door de overkomst van de mensen van GAK Arbeidsintegratie wel de deskundigheid in de organisatie gekregen, die o.a. noodzakelijk is voor het toekennen van deze voorzieningen. Inhoudelijk is hierbij immers sprake van voortzetting van het bestaande beleid.

4. Werkgeverssubsidies

De subsidies, die op grond van artikel 81a van de wet aan werkgevers worden verstrekt, indien zij een arbeidsgehandicapte in dienst nemen zijn het plaatsingsbudget of het pakket op maat. In artikel 7 wordt nader inhoud gegeven aan het plaatsingsbudget conform de bepalingen in de Wet REA en artikel 8 bevat de regeling voor het pakket op maat.

Het betreft hier bepalingen over de hoogte van de subsidiebedragen en de voorwaarden voor het verstrekken van de subsidie.

In artikel 9 wordt geregeld, dat het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) voor de verdere gang van zaken bij de subsidieverstrekking regels stelt.

Artikelsgewijs

Artikel 2. Voorzieningen voor arbeidsgehandicapten

Het derde lid is opgenomen in verband met eventuele nadere afstemming met de voorzieningen, die door het Lisv worden verstrekt. Het niet verstrekken van «kruimelvoorzieningen» en de toets op het algemeen gebruikelijk zijn van de voorziening is op gelijke wijze geregeld in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA.

De bepaling in het vierde lid over de leefvervoersvoorzieningen is ontleend aan het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA.

Met de inwerkingtreding van de WVG, per 1 april 1994, is de verantwoordelijkheid voor de verstrekking van leefvoorzieningen bij gemeenten komen te liggen. Om evenwel te voorkomen dat een arbeidsgehandicapte (niet)-werknemer die beperkingen ondervindt bij het verplaatsen buitenshuis bij twee verschillende loketten een vervoersvoorziening zou moeten aanvragen, te weten de gemeente voor de leefvervoersvoorziening en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor een voorziening ten behoeve van het woon-werk/school-verkeer, is bepaald, dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, evenals het Lisv ook leefvervoersvoorzieningen toekent. Behalve dat betrokkenen op deze wijze slechts met één loket worden geconfronteerd, kunnen beide voorzieningen op deze wijze ook optimaal op elkaar worden afgestemd. Een overweging bij de keuze voor het Lisv is geweest dat de beoordeling van de werkcomponent van het vervoer, naar aard op het beleidsterrein van de uitvoeringsinstellingen ligt en de uitvoeringsinstellingen daarnaast voor wat betreft de leefvervoersvoorzieningen, in de aan de WVG voorafgaande jaren reeds de nodige kennis en ervaring hebben opgebouwd. Nu de doelgroep, waarvoor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verantwoordelijk is, ook niet direct in aanmerking zal komen voor voorzieningen van gemeenten, en daarmee een koppeling met de uitvoering van de WVG niet aan de orde is, ligt het voor de hand de Arbeidsvoorzienings-organisatie zoals het Lisv deze voorzieningen te laten toekennen.

Het in het vierde lid, opgenomen criterium is overgenomen uit het Besluit AAW-voorzieningenverstrekking. In de WVG is een overeenkomstige bepaling opgenomen.

De verbinding die in de artikelen 22 en 31 van de Wet REA wordt gelegd tussen de werk- en de leefvoorzieningen duidt er al op dat het bij de verstrekking van leefvoor-zieningen, evenals bij de verstrekking van werkvoorzieningen, zou moeten gaan om voorzieningen die de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen opheffen of verminderen. In het eerste lid van artikel 22 en 31 is immers aangegeven dat de werkvoorzieningen dienen te strekken tot behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid of die arbeidsgeschiktheid dienen te bevorderen. Om te voorkomen dat op dit punt eventueel toch nog misverstanden zouden kunnen ontstaan, is in dit artikelonderdeel nog eens expliciet benadrukt dat leefvervoersvoorzieningen uitsluitend kunnen worden verstrekt indien zij de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen opheffen of verminderen.

Met name de vervoersvoorzieningen behoeven niet te worden toegekend, indien voorzieningen door de belanghebbende zelf kunnen worden gedragen gelet op zijn inkomen. Het gaat dan om de vervoersvoorzieningen in de vorm van een (bruikleen) auto, een kilometervergoeding of een taxikostenvergoeding. In het vijfde lid is bepaald, dat bij ministeriële regeling een inkomensgrens kan worden vastgesteld. Zo'n inkomensgrens zal niet van toepassing zijn op specifieke vervoermiddelen voor gehandicapten zoals een motorinvalidewagen en autoaanpassingen. Omdat het toepassen van dergelijke inkomenscriteria door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie tot uitvoeringsproblemen kan leiden, wordt deze mogelijkheid om bij de subsidieverstrekking rekening te houden met het inkomen nu nog niet in dit besluit geregeld, maar kan deze afhankelijk van de ervaringen in de praktijk later nader in een ministeriële regeling worden ingevuld.

Artikel 3. Persoonsgebonden reïntegratiebudget

Over de wettelijke basis van deze subsidieregeling betreffende het persoonsgebonden reïntegratiebudget kan nog het volgende worden opgemerkt. Artikel 4, tweede lid, van de wet sluit niet uit, dat de daargenoemde voorziening ook in de vorm van een PRB kan worden verstrekt. In geval van subsidieverstrekking door de Arbeidsvoorzienings-organisatie zouden de subsidieregelingen, die voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie gelden op grond van artikel 81 en 82 van de wet van toepassing zijn. In artikel 9, derde lid, van dit besluit wordt echter bepaald, dat deze regelingen niet van toepassing zijn. Daarmee wordt bereikt, dat artikel 4, tweede lid, van de wet de grondslag voor de beschikkingen betreffende subsidieverstrekking is in combinatie met de nadere regels bij of krachtens dit besluit. Op grond van artikel 93 van de wet, zoals dit artikel gewijzigd is bij inwerkingtreding van de Wet REA, staat tegen deze beschikkingen geen beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, maar bij de rechtbank evenals tegen vergelijkbare beschikkingen van het Lisv en de gemeenten.

Artikel 4. Persoonlijke ondersteuning

Bij de persoonlijke ondersteuning is met name het begeleidende aspect van belang. De persoon die de arbeidsgehandicapte ondersteunt is meer dan uitsluitend iemand die belemmeringen op de werkplek voor de arbeidsgehandicapte wegneemt. Hij heeft ook een coachende, c.q. sturende functie voor de arbeidsgehandicapte. De persoonlijke ondersteuning die op grond van artikel 4 kan worden toegekend kan zowel worden uitgevoerd ten behoeve van mensen met een verstandelijke, psychische of lichamelijke handicap. In alle gevallen moet het echter wel gaan om persoonlijke ondersteuning die voldoet aan de criteria zoals deze zijn neergelegd in het tweede lid van dit artikel. Dit betekent onder meer dat een voorlezer van een persoon met een visuele handicap niet op grond van dit artikel kan worden vergoed. In die situatie is er immers geen sprake van een begeleiding zoals hiervoor omschreven. In zon geval zal de vergoeding deel uitmaken van een aan de werkgever van de arbeidsgehandicapte te verstrekken budget.

Is voor de persoon met de visuele handicap echter een persoonlijke begeleiding noodzakelijk waarbij het voorlezen een onderdeel daarvan vormt, dan is vergoeding op grond van dit artikel wel aan de orde en maken de kosten van het voorlezen onderdeel uit van de vergoeding voor persoonlijke ondersteuning.

In het tweede lid, onderdeel c, is bepaald dat er uitsluitend een vergoeding voor persoonlijke ondersteuning kan worden toegekend indien deze wordt gegeven door een persoon die verbonden is aan een rechtspersoon die tot doel heeft diensten te verlenen die kunnen worden aangemerkt als persoonlijke ondersteuning als bedoeld in dit artikel bedoeld. In artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening (WSW) wordt dezelfde eis gesteld aan de begeleidingsorganisatie. In het Besluit arbeidsinpassing en begeleiding sociale werkvoorziening, dat op dat artikel van de WSW is gebaseerd, wordt in artikel 6 geregeld, dat de gemeente er op toe moet zien, dat de begeleidingsorganisatie een bepaalde kwaliteit heeft. Deze kwaliteitseisen worden in het eerste lid van genoemd artikel 6 nader aangeduid en zouden ook voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een handvat kunnen bieden bij de toekenning van deze voorziening. Genoemd worden:

– de begeleidingsorganisatie vervult haar taak met inachtneming van de wetenschap en die van de arbeids- en organisatiekunde en beschikt over voldoende adequaat opgeleide deskundigen die de begeleiding op de werkplek verzorgen;

– de dienstverlening wordt uitgevoerd volgens een individueel begeleidingsplan en wordt regelmatig geëvalueerd;

– er dient zorg gedragen te worden voor de continuïteit van de dienstverlening en klachten over de dienstverlening worden adequaat afgehandeld;

Artikel 5. Communicatievoorzieningen voor doven

De communicatievoorzieningen voor doven op grond van dit artikel betreffen het volgende.

De verstrekking van communicatievoorzieningen aan dove werknemers is beperkt tot de verstrekking van een dovengebarentolk, dovenschrijftolk of een notitiemaker. Deze beperking volgt uit de in de Wet REA gekozen structuur om de vergoeding voor voorzieningen die noodzakelijk zijn voor werknemers zoveel mogelijk aan de werkgever te verstrekken en deze op te nemen in een aan de werkgever te verstrekken plaatsingsbudget of pakket op maat. Slechts voor de voorzieningen die zich gezien hun specifieke aard daarvoor minder lenen, waaronder de dovengebarentolk, dovenschrijftolk, of de notitiemaker is een uitzondering gemaakt. Zo zullen andere voorzieningen die voor doven op de werkplek noodzakelijk kunnen zijn, zoals bijvoorbeeld een doventelefoon of een flitsbelsysteem, vergoed kunnen worden aan de werkgever.

Net als bij de persoonlijke ondersteuning kan een arbeidsgehandicapte in aanmerking worden gebracht voor het «gebruik» van een tolk of een «vergoeding» voor het gebruik daarvan. Deze keuzemogelijkheid is opgenomen om de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de mogelijkheid te geven de toekenning van deze voorziening zo optimaal mogelijk te regelen.

Tenslotte is in het eerste lid bepaald dat uitsluitend een dovengebarentolk, een dovenschrijftolk of een notitiemaker beschikbaar kunnen worden gesteld, indien deze is erkend door het Lisv. Hiermee is beoogd te waarborgen dat in dit kader gebruik wordt gemaakt van kwalitatief goede tolken en notitiemakers. Wat betreft de erkenning van de dovengebarentolken bereidt het Lisv momenteel, in samenwerking met de bij de verstrekking van de dovengebarentolken betrokken instanties, de oprichting van een stichting voor die erkenning van dovengebarentolken tot taak zal krijgen. Het lijkt waarschijnlijk dat het Lisv de tolken die door deze stichting zullen worden erkend, bij de toepassing van dit besluit als erkende doventolken zal beschouwen.

Zowel de dovenschrijftolk als de notitiemaker zijn relatief nieuwe voorzieningen. Beide voorzieningen zijn onder meer tot ontwikkeling gekomen omdat zij in sommige situaties geschikter zijn dan een dovengebarentolk. Een andere belangrijke reden van het tot ontwikkeling komen van deze voorzieningen is het tot op heden bestaande tekort aan tolken gebarentaal. Een dovenschrijftolk zet gesproken taal met behulp van een velotype direct om in leesbare taal. De velotype is een typemachine of tekstverwerker met een toetsenbord waarmee lettergrepen kunnen worden aangeslagen waardoor het mogelijk is op spreeksnelheid te typen. Deze vorm van dienstverlening is vooral van belang voor doven die de gebarentaal niet machtig zijn hetgeen veelal voorkomt bij personen die op latere leeftijd doof zijn geworden. De notitiemaker is iemand die bij een college notities maakt en is bedoeld voor doven die onderwijs volgen en kan zonodig ook toepassing vinden op de werkplek, proefplaats of stageplek.

Artikel 6. Overname vervoersvoorzieningen die geen subsidie zijn

De voorzieningen van artikel 2 van dit besluit zullen veelal in natura worden verstrekt. Dit artikel regelt voor de vervoersvoorzieningen de mogelijkheid voor de belanghebbende om de component, die in natura wordt verstrekt over te nemen, al dan niet tegen een vergoeding. Een voorziening zal worden beëindigd indien één of meer feiten op grond waarvan de toekenning van de voorziening is gebaseerd zich zodanig wijzigen dat er geen aanleiding meer bestaat om de voorziening toe te kennen. Hiervan kan sprake zijn als iemand vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd ophoudt met werken en er geen noodzaak meer bestaat voor bijvoorbeeld een vervoersvoorziening naar en van het werk. Ook kan gedacht worden aan de situatie dat de arbeidsgehandicapte op grond van toename van zijn inkomen niet meer voor een vervoersvoorziening in aanmerking kan komen, omdat zijn inkomen boven de voor verstrekking van vervoersvoorzieningen geldende inkomensgrens is komen te liggen. Daarnaast valt te denken aan de overname van de voorziening door de echtgenoot of partner na het overlijden van een arbeidsgehandicapte. Ook kan worden gedacht aan de situatie dat een jongere zijn opleiding heeft afgerond en hij de voorzieningen die hem ten behoeve van het kunnen volgen van de opleiding zijn toegekend, niet meer nodig heeft.

De voorzieningen die aan hem in eigendom zijn verstrekt zal hij gewoon kunnen behouden. Het is evenwel ook mogelijk dat aan hem een voorziening in bruikleen is verstrekt. Behalve dat op grond van de gewijzigde feiten het bruikleencontract kan worden beëindigd kan de beëindiging ook zijn oorzaak vinden in het verstrijken van de looptijd van het tussen de arbeidsgehandicapte en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie afgesloten bruikleencontract, betreffende verstrekking van de desbetreffende voorziening.

Indien de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geen reden aanwezig acht om de voorziening terug te nemen kan de voorziening al dan niet tegen een vergoeding aan de betrokkene in eigendom worden verstrekt. Of er al dan niet een vergoeding moet worden betaald zal onder meer afhankelijk zijn van de resterende marktprijs van de desbetreffende voorziening.

In het eerste lid is bepaald dat de vergoeding die de betrokkene voor de voorziening moet betalen nooit hoger kan zijn dan de waarde die een dergelijke voorziening op dat moment in het maatschappelijk verkeer heeft.

In het tweede lid is voorts bepaald dat indien de voorziening als bedoeld in het eerste lid een vervoermiddel betreft, bij het bepalen van de marktprijs moet worden uitgegaan van de voorziening zonder specifieke aanpassingen.

Als er redelijkerwijs geen vergelijkbaar niet-aangepast vervoermiddel is te duiden zal de feitelijke marktwaarde van het specifieke vervoermiddel als zodanig uitgangspunt moeten zijn bij de bepaling van de overnameprijs.

Hoewel het onderhavige artikellid betrekking heeft op vervoermiddelen in zn algemeenheid, zal dit artikel in de praktijk vooral van betekenis zijn voor de overname van bruikleenautos.

Onder een niet specifiek aangepaste auto wordt verstaan een auto inclusief alle voorzieningen die normaal van fabriekswege geleverd worden, zoals automaat en normale rem- en stuurbekrachtiging, maar exclusief de achteraf specifiek voor de gehandicapte gebruiker aangepaste voorzieningen, zoals bijvoorbeeld handgas. Met deze formulering wordt beoogd enerzijds de belanghebbende een eenvoudig controleerbare referentie te geven aan de hand waarvan deze kan nagaan of de prijs niet te hoog is. Aan de andere kant wordt zo voorkomen dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie wordt belast met het bewijs dat de betreffende individuele auto een bepaalde waarde op de markt zou hebben.

Overigens kan het zo zijn dat ingrijpende aanpassingen de feitelijke marktwaarde van de auto verlagen omdat deze aanpassingen verwijderd moeten worden en dit zeer kostbaar kan zijn. Het wordt niet redelijk geacht dat Arbeidsvoorziening in zo'n geval slechts een onevenredig lage prijs voor de auto zou mogen vragen. Anderzijds hoeft dat evenwel niet te betekenen dat bij de prijsstelling geen rekening zou mogen worden gehouden met het feit dat het vaak de meest economische oplossing is om een vergaand aangepaste auto aan de belanghebbende over te doen. Het gevolg daarvan kan zijn dat de prijs lager is dan een vergelijkbare niet specifiek aangepaste auto op de markt zou hebben opgebracht.

Wat betreft voorzieningen niet zijnde vervoermiddelen – waarbij het ook kan gaan om voorzieningen die op zich specifiek zijn – wordt het aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie overgelaten nadere beleidsregels te stellen over het vaststellen van de marktwaarde daarvan, waarbij het overigens in de rede ligt dat dit beleid, voorzover dat gezien de aard van de voorziening mogelijk is, min of meer overeen stemt met hetgeen geldt voor de overname van vervoermiddelen.

Artikel 7. Werkgeverssubsidie in de vorm van plaatsingsbudget

Ter toelichting op de bepaling van de herziening in het vierde en vijfde lid kan nog het volgende worden gemeld. Het totale plaatsingsbudget van f 24 000,– dient in drie jaartranches van respectievelijk f 12 000,–, f 8 000,– en f 4 000,– aan de werkgever te worden betaald, waarbij het bedrag jaarlijks in één keer ter beschikking wordt gesteld.

Indien de dienstbetrekking waarvoor een plaatsingsbudget is verstrekt, binnen de subsidieperiode wordt beëindigd, dan dient de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de verstrekte subsidie in te trekken of te wijzigen. De subsidie die in verband met de voortijdige beëindiging van de dienstbetrekking onverschuldigd is verleend, dient door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van de werkgever te worden teruggevorderd, tenzij deze aannemelijk kan maken dat de kosten die hij heeft gemaakt ten behoeve van de arbeidsgehandicapte ten minste gelijk zijn aan het bedrag van de verstrekte subsidie (het vierde lid). Indien de kosten die de werkgever heeft gemaakt lager zijn dan het bedrag van de verstrekte subsidie dient bij de wijziging de subsidie te worden verminderd. Dit is op grond van het vijfde lid, alleen zo, indien het bedrag van de kosten van de werkgever minder bedraagt dan het bedrag dat zou kunnen worden teruggevorderd. Het vijfde lid regelt op welk bedrag de subsidie dan wordt vastgesteld. Dat is de som van de oorspronkelijk verstrekte subsidie naar rato van het aantal gewerkte dagen en de kosten die de werkgever voor de arbeidsgehandicapte werknemer heeft gemaakt. De subsidie wordt alleen aldus gewijzigd, indien die som niet meer bedraagt dan de oorspronkelijk verstrekte subsidie tot en met het jaar waarin de werkzaamheden zijn beëindigd. Indien de werkzaamheden in het tweede jaar worden beëindigd wordt bij het bepalen van de som uitgegaan van de over het eerste jaar verleende subsidie plus de subsidie waarop de werkgever in het tweede jaar voor het deel van het jaar, dat de werkzaamheden plaatsvonden aanspraak kan maken. Maar ook in dat geval geldt uiteindelijk, dat het terug te vorderen bedrag niet meer kan bedragen dan het bedrag van de totale kosten van de werkgever.

Het volgende voorbeeld dient ter verduidelijking. Indien een werkgever aan wie een plaatsingsbudget voor een jaar is toegekend, na zeven maanden de arbeidsgehandicapte werknemer ontslaat, dan wordt het bedrag van de verstrekte subsidie (f 12 000,–) niet teruggevorderd, als hij aannemelijk kan maken dat de kosten die hij heeft gemaakt ten minste f 12 000,– bedragen.

Als de kosten f 4 000,– bedragen dan wordt de gewijzigde subsidie vastgesteld op f 11 000,–, namelijk f 7 000,– (7/12 van f 12 000,–) plus f 4 000,– aan kosten, en wordt dus een bedrag van f 1 000,–, teruggevorderd. Heeft hij helemaal geen kosten gemaakt dan wordt een bedrag van f 5 000,– teruggevorderd.

Heeft hij meer dan f 5 000,– aan kosten, dan wordt het bedrag van de f 12 000,– weer overschreden en vindt geen wijziging van de subsidie en terugvordering plaats.

Artikel 8. Werkgeverssubsidie in de vorm van een pakket op maat

Het verstrekken van de subsidie in de vorm van het pakket op maat is gerelateerd aan de activiteiten en de werkelijke kosten. Daarvoor behoeft geen speciaal herzieningsartikel te worden opgenomen. In het tweede lid is wel een bijzondere bepaling opgenomen ingeval de werknemer 65 jaar wordt, maar zijn werkzaamheden, waarvoor de aanpassingen noodzakelijk zijn nog wel voortzet. Omdat hij dan op grond van de definitie in artikel 1, onderdeel k, van de wet niet meer in dienstbetrekking werkt (er is geen sprake meer van verzekering op grond van de WAO), zou hij ook geen aanspraak meer kunnen maken op een voorziening die gekoppeld in aan het werken in dienstbetrekking. Vandaar dat in dit artikellid is bepaald, dat de voorziening in de vorm van een pakket op maat wordt voortgezet. Een vergelijkbare bepaling over het voortzetten van voorzieningen bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd is niet opgenomen voor de arbeidsgehandicapte werknemer als bedoeld in artikel 2, omdat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie maar gedurende één jaar deze voorzieningen toekent en het niet waarschijnlijk is, dat die worden toegekend aan een werkzoekende, die bijna 65 jaar is.

Artikel 9. Regels CBA

In de regels van het CBA kan nader geregeld worden of een maximumgrens aan de subsidie in de vorm van een pakket op maat wordt gesteld. Voor de inhoud van deze specifieke bepaling kan aangesloten worden bij de regeling in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA. Het CBA heeft op dit punt echter ook nadere beleidsruimte. Voorts regelt die CBA-regeling de uitvoering door de Algemene Directie en al dan niet in mandaat door de Regionale Besturen. Naast de bijzondere regeling van het vierde en vijfde lid van artikel 7 is voor het overige titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op wijzigen en intrekking van de subsidie en terugvorderen van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen. Evenals in de wet is bepaald voor andere CBA-regels, wordt hier geregeld, dat de CBA-regels in de Staatscourant worden gepubliceerd (het tweede lid).

Bij de uitwerking van de taakverdeling tussen Regionale Besturen en het CBA dient bedacht te worden, dat op grond van artikel 93 van de wet, tegen de besluiten betreffende toekenning van voorzieningen en de werkgeverssubsidies, door een belanghebbende beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank en niet bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, zoals in het algemeen voor besluiten op grond van de wet is bepaald. Dit is zo geregeld om er voor te zorgen, dat eenzelfde rechterlijke college over de besluiten van de verschillende bestuursorganen, die gebaseerd zijn op gelijkluidende artikelen, kan oordelen.

Artikelen 10 en 11. Overgangsbepaling en inwerkingtreding

In artikel 10 is tot slot nog bepaald, dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie geen werkgeverssubsidie behoeft te verstrekken, indien de dienstbetrekking met de arbeidsgehandicapte is aangegaan of aangevangen voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, dat wil zeggen de datum waarop de bepaling van de Wet REA waarin de uitvoering door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is geregeld in werking treedt (artikel 11).

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 juni 1998, nr. 105.

Naar boven