Wet van 26 maart 1998, houdende nieuwe bepalingen inzake De Nederlandsche Bank N.V. in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (Bankwet 1998)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de doelstellingen, taken en werkzaamheden van De Nederlandsche Bank N.V. opnieuw te regelen in verband met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de in dat Verdrag voorziene oprichting van een Europees Stelsel van Centrale Banken waarvan De Nederlandsche Bank N.V. met betrekking tot de taken en plichten die bij het Verdrag aan dat Stelsel zijn opgedragen een integrerend onderdeel vormt;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

  • 1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    a. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

    b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

    c. het Verdrag: het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

    d. de Europese Centrale Bank: de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4A van het Verdrag;

    e. het Europees Stelsel van Centrale Banken: het Europees Stelsel van Centrale Banken, bedoeld in artikel 4A van het Verdrag;

    f. de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken: de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4A van het Verdrag.

  • 2. De Bank vormt een integrerend onderdeel van het Europees Stelsel van Centrale Banken met betrekking tot de taken en plichten die het Verdrag aan dat Stelsel opdraagt.

HOOFDSTUK II. DOELSTELLINGEN, TAKEN EN WERKZAAMHEDEN VAN DE BANK

§ 1. Doelstellingen en taken

Artikel 2

  • 1. Ter uitvoering van het Verdrag heeft de Bank als doelstelling het handhaven van prijsstabiliteit.

  • 2. Ter uitvoering van het Verdrag ondersteunt de Bank, onverminderd het doel van prijsstabiliteit, het algemene economische beleid in de Europese Gemeenschap teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van het Verdrag omschreven doelstellingen van de Gemeenschap.

  • 3. De Bank handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 3 A van het Verdrag.

  • 4. De Bank heeft voorts als doelstelling het uitvoeren van taken, anders dan die bedoeld in artikel 3, voorzover deze haar bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

Artikel 3

  • 1. Ter uitvoering van het Verdrag heeft de Bank in het kader van het Europees Stelsel van Centrale Banken de volgende taken:

    a. het medebepalen van het monetaire beleid en het ten uitvoer leggen van dat beleid;

    b. het verrichten van valutamarktoperaties in overeenstemming met artikel 109 van het Verdrag;

    c. het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves;

    d. het verzorgen van de geldsomloop voorzover deze uit bankbiljetten bestaat;

    e. het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer.

  • 2. Ter uitvoering van het Verdrag draagt de Bank in het kader van het Europees Stelsel van Centrale Banken bij tot een goede beleidsvoering van de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

  • 3. Ter uitvoering van het Verdrag is het de Bank toegestaan bij de uitoefening van haar taken en plichten ingevolge het eerste en tweede lid instructies te vragen aan en te aanvaarden van uitsluitend de Europese Centrale Bank.

Artikel 4

  • 1. De Bank heeft tot taak het uitoefenen van toezicht op financiële instellingen op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

  • 2. De Bank heeft tot taak het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer.

  • 3. De Bank heeft tot taak het verzamelen van statistische gegevens en het vervaardigen van statistieken op de voet van de daarvoor geldende wettelijke regelingen.

  • 4. De Bank kan, na toestemming bij koninklijk besluit, in het algemeen belang andere taken uitvoeren dan de in deze wet genoemde.

§ 2. Werkzaamheden

Artikel 5

De Bank is bevoegd die werkzaamheden te verrichten die nodig zijn ter uitvoering van de in artikel 3 en artikel 4 genoemde taken, waaronder met name de werkzaamheden die in deze paragraaf zijn genoemd. De Bank verricht deze werkzaamheden in overeenstemming met het Verdrag.

Artikel 6

De Bank is bevoegd tot het uitgeven van bankbiljetten.

Artikel 7

De Bank is bevoegd de Europese Centrale Bank bij te staan bij het verzamelen van gegevens op de voet van artikel 5 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken.

Artikel 8

  • 1. De Bank is bevoegd tot het verrichten van transacties in de financiële markten, daaronder het ontvangen van gelden in rekening-courant van rekeninghouders, het in bewaring nemen van effecten en andere voorwerpen van waarde en het verrichten van krediettransacties voorzover deze gedekt zijn door toereikend onderpand.

  • 2. Op verzoek van Onze Minister verricht de Bank de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden ten behoeve van de Staat en ten behoeve van instellingen die bij wet of bij koninklijk besluit in het leven zijn geroepen.

  • 3. Op verzoek van Onze Minister en in afwijking van het eerste lid verstrekt de Bank aan de Staat, telkens wanneer Onze Minister dit nodig acht voor de ordelijke afwikkeling van betalingen ten laste van de Staat, kredieten in rekening-courant, zonder onderpand en tegen een, tussen Onze Minister en de Bank overeen te komen rentevergoeding. De Staat is verplicht deze kredieten af te lossen op de dag waarop zij zijn verstrekt.

Artikel 9

De Bank kan na toestemming bij koninklijk besluit:

a. deelnemingen houden in het kapitaal van rechtspersonen, van instellingen en van organisaties waarin haar deelname in het kapitaal bij of krachtens het Verdrag of bij wet niet reeds is geregeld;

b. deelnemen aan de werkzaamheden van rechtspersonen, van instellingen en van organisaties waarin haar deelname in de werkzaamheden bij of krachtens het Verdrag of bij wet niet reeds is geregeld;

c. in het algemeen belang andere werkzaamheden verrichten dan bedoeld in deze paragraaf.

HOOFDSTUK III. BEPALINGEN BETREFFENDE DE VENNOOTSCHAP

Artikel 10

Artikel 153 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de Bank.

Artikel 11

Bepalingen van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die bij toepassing op de Bank strijdigheid opleveren met het Verdrag of de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken zijn niet van toepassing op de Bank. Met het oog op de uitvoering van artikel 108 van het Verdrag worden deze bepalingen bij algemene maatregel van bestuur aangewezen.

Artikel 12

  • 1. De directie van de Bank is belast met het besturen van de Bank. De directie bestaat uit een president en tenminste drie en ten hoogste vijf directeuren.

  • 2. De president en de directeuren worden telkens voor een periode van 7 jaar bij koninklijk besluit benoemd. Voor elke benoeming wordt in een gemeenschappelijke vergadering van de directie en de raad van commissarissen een aanbevelingslijst van drie personen opgemaakt.

  • 3. De president en de directeuren kunnen slechts uit hun functie worden geschorst of ontheven indien zij niet meer voldoen aan de eisen voor de uitoefening van hun functie of op ernstige wijze zijn tekortgeschoten.

Artikel 13

  • 1. De raad van commissarissen bestaat uit tenminste negen en ten hoogste twaalf leden.

  • 2. Eén lid van de raad van commissarissen wordt van overheidswege benoemd, telkens voor een periode van vier jaar.

  • 3. De voorzitter alsmede de overige leden van de raad van commissarissen worden telkens voor een periode van vier jaar benoemd door de aandeelhouders uit een voordracht van drie personen voor elke te vervullen plaats, opgemaakt door de raad van commissarissen. Bij afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap bekleed door een daartoe door de vergadering aangewezen lid.

  • 4. De raad van commissarissen ziet toe op het beheer van de Bank en stelt de jaarrekening vast. De vastgestelde jaarrekening behoeft de goedkeuring van de aandeelhouders.

Artikel 14

  • 1. Ten behoeve van Onze Minister kan degene die ingevolge artikel 13, tweede lid, tot lid van de raad van commissarissen is benoemd op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging en met inachtneming van artikel 107 van het Verdrag bij de directie van de Bank gegevens en inlichtingen inwinnen over de wijze waarop de Bank haar taken uitvoert. Hij kan op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging en met inachtneming van artikel 107 van het Verdrag zijn bevindingen aan Onze Minister kenbaar maken.

  • 2. De directie van de Bank is gehouden de in het eerste lid bedoelde persoon telkens op diens aanvraag al die gegevens en inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoorlijke uitoefening van zijn taak als bedoeld in het eerste lid, nodig acht, met uitzondering van gegevens en inlichtingen die ingevolge het Verdrag of de in artikel 4 bedoelde wettelijke regelingen geheim zijn.

Artikel 15

  • 1. Er is een bankraad, bestaande uit tenminste elf en ten hoogste dertien leden, te weten:

    a. het in het tweede lid van artikel 13 bedoelde lid van de raad van commissarissen;

    b. één door de raad van commissarissen uit hun midden aan te wijzen lid;

    c. ten minste negen en ten hoogste elf leden die steeds voor vier jaar worden benoemd door de bankraad.

  • 2. De benoeming van leden, bedoeld in het eerste lid onder c, geschiedt uit een aanbevelingslijst van tenminste twee personen voor elke te vervullen plaats, op te maken door de directie van de Bank, waarbij wordt gestreefd naar representatie van de verschillende maatschappelijke geledingen.

  • 3. De bankraad benoemt uit zijn midden een voorzitter. Bij afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap bekleed door een daartoe door de vergadering aangewezen lid. Het secretariaat wordt vervuld door de Bank.

  • 4. De directie van de Bank en de thesaurier-generaal of zijn plaatsvervanger wonen de vergaderingen van de bankraad bij en kunnen deelnemen aan de beraadslagingen.

  • 5. De president van de Bank brengt aan de bankraad verslag uit over de algemene economische en financiële ontwikkeling en bespreekt met de bankraad de door de Bank gevoerde politiek. Daarnaast wordt beraadslaagd over de onderwerpen, welke door één of meer leden ter tafel worden gebracht in verband met de doelstellingen, taken en werkzaamheden van de Bank.

Artikel 16

  • 1. De Bank stelt, met inachtneming van het Verdrag en na overleg met Onze Minister, interne richtlijnen vast voor het beheer van effecten, geldswaardige papieren en de goud- en deviezenvoorraad die niet is overgedragen aan de Europese Centrale Bank overeenkomstig artikel 30 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken, daarbij op gepaste wijze rekening houdend met de belangen van de Staat.

  • 2. De Bank is bevoegd, met toestemming van Onze Minister, reserves na winstvaststelling te vormen. Stortingen in en onttrekkingen aan deze reserves behoeven de toestemming van Onze Minister.

Artikel 17

  • 1. De artikelen 2:363, zesde lid, 2:380, 2:383, tweede lid, tweede zin, met uitzondering van de openstaande bedragen, alsmede de afdelingen 3 en 4 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de Bank. De Bank mag, mede ter bepaling van het resultaat, de waardering van de beleggingen, effecten en valuta doen berusten op grondslagen die afwijken van het bepaalde in artikel 2:384, eerste lid, tweede zin, of tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek, voorzover dit in overeenstemming is met hetgeen in afdeling 14 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek daaromtrent is bepaald.

  • 2. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wijkt de Bank bovendien af, voorzover die afwijking naar het oordeel van de raad van commissarissen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 2 bedoelde doelstellingen.

  • 3. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wijkt de Bank bovendien af voor zover die afwijking noodzakelijk is om uitvoering te kunnen geven aan instructies, als bedoeld in artikel 3, derde lid. De Bank stelt de raad van commissarissen onverwijld van de afwijking in kennis.

HOOFDSTUK IV. INLICHTINGEN EN GEHEIMHOUDING

Artikel 18

  • 1. Onze Minister is, met inachtneming van artikel 107 van het Verdrag, bevoegd de Bank met betrekking tot de taken en werkzaamheden ter verwezenlijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde doelstelling, gegevens of inlichtingen te vragen die naar zijn oordeel nodig zijn ter bepaling van het financieel-economisch beleid van de regering.

  • 2. De Bank is, met inachtneming van artikel 10.4 en artikel 38 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken, verplicht aan Onze Minister de in het eerste lid bedoelde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

Artikel 19

Met betrekking tot de taken en werkzaamheden ter verwezenlijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde doelstelling kan de president van de Bank, met inachtneming van artikel 107 van het Verdrag en de artikelen 10.4 en 38 van de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken, op verzoek van de Tweede Kamer der Staten-Generaal of op eigen initiatief worden gehoord door de bevoegde commissies van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Artikel 20

Voor zover deze wet strekt ter uitvoering van de handelingen ter verwezenlijking van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde doelstelling, is het aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen die hij bij die taakuitvoering heeft verkregen verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geëist.

HOOFDSTUK VII. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN

Artikel 21

1. De Wet toezicht kredietwezen 19921 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 2, eerste lid, onder a, wordt de zinsnede «haar in artikel 9, eerste lid, van de Bankwet 1948 opgelegd» vervangen door: haar in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Bankwet 1998 opgedragen.

B. In artikel 19, eerste lid, wordt de zinsnede «haar in artikel 9, eerste lid, van de Bankwet 1948 opgelegd» vervangen door: haar in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Bankwet 1998 opgedragen.

C. In artikel 89 wordt de zinsnede «artikel 26 van de Bankwet 1948» vervangen door: artikel 24 van de Bankwet 1998.

2. Op het tijdstip dat de derde fase van de Economische en Monetaire Unie ingaat en indien Nederland op dat tijdstip niet een derogatie heeft als bedoeld in artikel 109 K van het Verdrag, danwel op het tijdstip dat deze derogatie van Nederland wordt ingetrokken na het ingaan van de derde fase, wordt de Wet toezicht kredietwezen 1992 als volgt gewijzigd:

A. Artikel 2, eerste lid, onder a, vervalt.

B. Artikel 19 vervalt.

C. Artikel 89 vervalt.

3. Het in het tweede lid bedoelde tijdstip wordt door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 22

De Noodwet financieel verkeer2 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 14 wordt de zinsnede «artikel 16, eerste lid, van de Bankwet 1948» vervangen door: artikel 8, eerste lid, van de Bankwet 1998.

B. Artikel 15 vervalt.

C. Artikel 16 vervalt.

Artikel 23

Aan artikel 6 van de Muntwet 19873 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde opdracht wordt verleend met inachtneming van artikel 105A, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

HOOFDSTUK VIII. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

  • 1. Tot het tijdstip dat de Europese Centrale Bank en het Europees Stelsel van Centrale Banken worden opgericht overeenkomstig artikel 109 L, eerste lid, van het Verdrag, gelden de volgende leden.

  • 2. In de gevallen, waarin Onze Minister zulks ter coördinatie van de monetaire en financiële politiek van de Regering en de politiek van de Bank noodzakelijk acht, geeft hij, de bankraad gehoord, aan de directie de ter bereiking van dat doel nodige aanwijzingen. Behoudens het bepaalde in het volgende lid, is de directie gehouden die aanwijzingen op te volgen.

  • 3. De directie kan tegen het opvolgen van een aanwijzing als in het tweede lid bedoeld bezwaar maken. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift drie dagen. De artikelen 7:2 tot en met 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing. Onze Minister beslist op het bezwaar in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad.

  • 4. Indien de beslissing van Onze Minister overeenkomstig het derde lid ertoe leidt dat de aanwijzingen zullen worden opgevolgd, wordt, indien het landsbelang zich hiertegen naar het oordeel van de ministerraad niet verzet, van het bezwaar van de directie en de beslissing van Onze Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 5. Het in het eerste lid bedoelde tijdstip wordt door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 25

1. Aan de Bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht4 wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

I. Ministerie van Financiën

1. Artikel 24, tweede en derde lid van de Bankwet 1998

2. Onderdeel I.1. van de Bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt op het tijdstip, bedoeld in artikel 24, eerste lid.

Artikel 26

Tot het tijdstip dat de derde fase van de Economische en Monetaire Unie ingaat, danwel indien Nederland op het tijdstip dat de derde fase van de Economische en Monetaire Unie ingaat een derogatie heeft als bedoeld in artikel 109 K van het Verdrag, tot het tijdstip dat deze derogatie wordt ingetrokken, gelden in plaats van de artikelen 1, 2, 3, 14 en 17 de volgende artikelen:

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de Bank: De Nederlandsche Bank N.V.;

b. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;

c. het Verdrag: het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

d. de Europese Centrale Bank: de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4A van het Verdrag;

e. het Europees Stelsel van Centrale Banken: het Europees Stelsel van Centrale Banken, bedoeld in artikel 4A van het Verdrag;

f. de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken: de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4A van het Verdrag.

Artikel 2

  • 1. De Bank heeft als doelstelling het handhaven van prijsstabiliteit.

  • 2. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit ondersteunt de Bank het algemene economische beleid van de regering.

  • 3. De Bank handelt in overeenstemming met het beginsel van een open markteconomie met vrije mededinging, waarbij een doelmatige allocatie van middelen wordt bevorderd, en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in artikel 3 A van het Verdrag.

  • 4. De Bank heeft voorts tot doel het uitvoeren van taken die haar bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

Artikel 3

De Bank heeft ter verwezenlijking van de in artikel 2, eerste lid, genoemde doelstelling tot taak:

a. het bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid;

b. het verrichten van valutamarktoperaties;

c. het aanhouden en beheren van de officiële externe reserves;

d. het verzorgen van de geldsomloop in Nederland, voorzover deze uit bankbiljetten bestaat;

e. het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer.

Artikel 14

  • 1. Ten behoeve van Onze Minister kan degene die ingevolge artikel 13, tweede lid, tot lid van de raad van commissarissen is benoemd op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging bij de directie van de Bank gegevens en inlichtingen inwinnen over de wijze waarop de Bank haar taken uitvoert. Hij kan op verzoek van Onze Minister of uit eigen beweging zijn bevindingen aan Onze Minister kenbaar maken.

  • 2. De directie van de Bank is gehouden de in het eerste lid bedoelde persoon telkens op diens aanvraag al die gegevens en inlichtingen te verstrekken, welke hij tot behoorlijke uitoefening van zijn taak als bedoeld in het eerste lid, nodig acht, met uitzondering van gegevens en inlichtingen die ingevolge het Verdrag of de in artikel 4 bedoelde wettelijke regelingen geheim zijn.

Artikel 17

  • 1. De artikelen 2:363, zesde lid, 2:380, 2:383, tweede lid, tweede zin, met uitzondering van de openstaande bedragen, alsmede de afdelingen 3 en 4 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op de Bank. De Bank mag, mede ter bepaling van het resultaat, de waardering van de beleggingen, effecten en valuta doen berusten op grondslagen die afwijken van het bepaalde in artikel 2:384, eerste lid, tweede zin, of, tweede lid, tweede zin, van het Burgerlijk Wetboek, voorzover dit in overeenstemming is met hetgeen in afdeling 14 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek daaromtrent is bepaald.

  • 2. Van de bepalingen van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wijkt de Bank bovendien af, voorzover die afwijking naar het oordeel van de raad van commissarissen noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de in artikel 2 bedoelde doelstellingen.

  • 3. De Bank is bevoegd haar maatschappelijk kapitaal en haar reserves te beleggen. De vruchten, verkregen uit bedoelde belegging, worden onder de winsten van de Bank opgenomen. Voor- of achteruitgang van de waarde van de bezittingen, waarin het maatschappelijk kapitaal en de reserves zijn belegd, worden ten bate of ten laste gebracht van die reserves.

Artikel 27

  • 1. De door de Bank uitgegeven bankbiljetten luidend in guldens hebben de hoedanigheid van wettig betaalmiddel.

  • 2. De artikelen 229i-k van het Wetboek van Koophandel zijn niet van toepassing op bankbiljetten.

  • 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de verwisseling, intrekking en aftekening van bankbiljetten door de Bank, en de door de Bank aan het publiek te verstrekken informatie hieromtrent.

  • 4. Dit artikel of een onderdeel ervan vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 28

Na inwerkingtreding van artikel 12 van deze wet berusten de koninklijk besluiten die op grond van artikel 23, leden 1 en 2, van de Bankwet 1948 van kracht zijn, op artikel 12, lid 2, van deze wet.

Artikel 29

  • 1. De benoeming voor de eerste maal van de leden van de raad van commissarissen, bedoeld in artikel 13, derde lid, geschiedt door de aandeelhouders binnen 8 weken na inwerkingtreding van deze wet. Op dat tijdstip treden de commissarissen, benoemd overeenkomstig artikel 27 van de Bankwet 1948, af.

  • 2. De voor de eerste maal benoemde leden van de raad van commissarissen, bedoeld in artikel 13, derde lid, hebben, in afwijking van artikel 13, derde lid, zitting voor de tijd van één tot vier jaren volgens een door de raad van commissarissen op te stellen rooster.

Artikel 30

  • 1. De benoeming voor de eerste maal van de leden van de bankraad, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder c, geschiedt door de Bank binnen 8 weken na inwerkingtreding van deze wet. Op dat tijdstip treden de leden van de bankraad, benoemd overeenkomstig artikel 32 van de Bankwet 1948, af.

  • 2. De overeenkomstig het eerste lid benoemde leden hebben zitting voor de tijd van één tot vier jaren, volgens een door de bankraad op te stellen rooster.

Artikel 31

Na de inwerkingtreding van artikel 9 van deze Wet berusten de koninklijke besluiten die op grond van artikel 21 van de Bankwet 1948 van kracht zijn, op artikel 9 van deze wet.

Artikel 32

De Bankwet 1948 wordt ingetrokken.

Artikel 33

De wet van 11 januari 1956 houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 17 van de Bankwet 1948, wordt ingetrokken.

Artikel 34

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 35

Deze wet wordt aangehaald als: Bankwet 1998.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 26 maart 1998

Beatrix

De Minister van Financiën,

G. Zalm

Uitgegeven de negende april 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1992, 722, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

XNoot
2

Stb. 1978, 348, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 3 april 1996, Stb. 366.

XNoot
3

Stb. 1987, 451, gewijzigd bij de wet van 27 april 1994, Stb. 336.

XNoot
4

Stb. 1998, 1, gewijzigd bij de wet van 26 maart 1997, Stb. 184.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1997/98, 25 719.

Handelingen II 1997/98, blz. 4097–4113; 4127.

Kamerstukken I 1997/98, 25 719 (255, 255a, 255b, 255c).

Handelingen I 1997/98, zie vergadering d.d. 24 maart 1998.

Naar boven