Besluit van 24 maart 1998, houdende het Warenwetbesluit Gereserveerde aanduidingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 september 1997, nr. GZB/VVB/975144, gedaan in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Gelet op artikel 8, onder b, en artikel 12 van de Warenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 18 november 1997, no. W13.97.0626);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 maart 1998 met nummer GZB/VVB/98814, uitgebracht in overeenstemming met Onze Ministers van Economische Zaken en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

  • 1. In dit besluit wordt verstaan onder druiven: vruchten van Vitis Vinifera L.

  • 2. Dit besluit is niet van toepassing op een eet- of drinkwaar die met een in dit besluit bedoelde aanduiding rechtmatig in het verkeer is gebracht in een andere lid-staat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, voor zover die aanduiding vergezeld gaat van beschrijvende vermeldingen die dicht bij die aanduiding staan, zodat de koper in staat is de aldus geëtiketteerde waar te onderscheiden van in Nederland in het verkeer gebrachte waren waarvoor die aanduiding uitsluitend gebezigd mag worden.

Artikel 2

Het is verboden met gebruikmaking van de bij dit besluit aangegeven aanduidingen andere waren te verhandelen dan die waaraan die aanduidingen bij dit besluit zijn voorbehouden.

Artikel 3

De aanduiding azijn mag uitsluitend worden gebezigd voor een vloeibare waar die azijnzuur als kenmerkend bestanddeel bevat, met dien verstande dat het gehalte aan azijnzuur van de waar ten minste 4 gram per 100 ml bedraagt.

Artikel 4

De aanduiding mayonaise mag uitsluitend worden gebezigd voor een eetwaar bestaande uit een emulsie van het type olie in water, die ten minste 70% vet en ten minste 5% eigeel bevat.

Artikel 5

De aanduiding vruchtenwijn mag uitsluitend worden gebezigd voor een gegiste drank die is bereid uit het sap van ander fruit dan druiven, met een alcoholgehalte van ten minste 8,5 volumeprocenten bij 20°C.

Artikel 6

De aanduiding roomijs mag uitsluitend worden gebezigd voor consumptie-ijs dat bestemd is om in bevroren toestand te worden genuttigd, en dat:

– geen ander vet bevat dan melkvet;

– een melkvetgehalte heeft van ten minste 8%; en

– geen ander eiwit bevat dan melkeiwitten.

Artikel 7

De aanduiding mosterd mag uitsluitend worden gebezigd voor een eetwaar die ten minste is samengesteld uit mosterdzaad of mosterdmeel, en azijn of een azijnzuurhoudende vloeistof, voor zover het gehalte aan droge stof ten minste 20%, en het gehalte aan mosterdolie ten minste 20% van de keukenzoutvrije droge stof bedraagt.

Artikel 8

Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend zijn voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de bij dit besluit gestelde regels, worden aangewezen chromatografische en andere scheidingsmethoden, organoleptische bepalingsmethoden en detectiemethoden, alsmede de daartoe door een andere lid-staat van de Europese Unie aangewezen methoden.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 1998, met uitzondering van artikel 6 en artikel 7, die in werking treden met ingang van 1 mei 1998.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Warenwetbesluit Gereserveerde aanduidingen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 24 maart 1998

Beatrix

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra

Uitgegeven de eenendertigste maart 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op advies van de in het kader van het project Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit ingestelde werkgroep en met instemming van de Tweede Kamer heeft de regering besloten de levensmiddelenwetgeving te vereenvoudigen (Kamerstukken II 1996–1997, 24 036, nrs. 24, 31 en 38). In dit kader zijn verschillende besluiten getoetst op noodzaak tot handhaving. Uit die toetsing is gebleken dat geen bezwaar bestaat tegen intrekking van onder andere het Azijnbesluit (Warenwet), het Mayonaise- en slasausbesluit (Warenwet), het Wijnbesluit (Warenwet), het Consumptie-ijsbesluit (Warenwet) 1978, en het Mosterdbesluit (Warenwet). Azijn, mayonaise, vruchtenwijn, roomijs en mosterd zijn echter in brede kring geconsumeerde waren, waarbij sprake is van een bestaande sterke verwachting van de consument. In overeenstemming met bovengenoemd advies aan en besluit van de regering, dient te worden zekergesteld dat het gebruik van die aanduidingen de consument niet kan misleiden, met andere woorden dat aan de verwachting van de consument wordt voldaan wanneer hij een als zodanig aangeduide waar aanschaft. Hierbij is van belang dat ten aanzien van deze waren geen kwantitatieve ingrediëntendeclaratie verplicht is, terwijl alleen voor een als mayonaise aangeduide waar een kwalitatieve vermelding van de ingrediënten vereist is.

Dit besluit stelt de ter zake noodzakelijk geachte regels vast. In tegenstelling tot hetgeen tot de intrekking van bovengenoemde besluiten het geval was, gaat het daarbij niet meer om het moeten gebruiken van de aanduidingen azijn, mayonaise, vruchtenwijn, roomijs en mosterd voor bepaalde waren, maar om de voorwaarden waaronder die aanduidingen desgewenst gebezigd mogen worden voor bepaalde categorieën waren. Anders gezegd: er is geen sprake meer van verplichte aanduidingen (artikel 4, eerste lid, aanhef, eerste zin, van het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen, verder: WEL), maar van beschermde of voorbehouden aanduidingen (artikel 4, eerste lid, onder a, van het WEL).

Het voorgaande heeft bijkomende voordelen voor de vermelding van deze waren als ingrediënt in andere levensmiddelen, en voor de voorlichting inzake voeding. Beschermde aanduidingen leggen de samenstelling van de als zodanig aangeduide waren immers op hoofdlijnen vast.

Artikelgewijs

De clausule van wederzijdse erkenning in artikel 1, tweede lid, is in overeenstemming met artikel 5, eerste lid, onder b, tweede alinea, van richtlijn nr. 79/112/EEG van de Raad 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PbEG 1979, L 33) (verder: richtlijn 79/112/EEG).

Artikel 3 is opgenomen teneinde duidelijk te maken dat een als azijn aangeduide waar vervaardigd kan zijn door zowel gisting van landbouwproducten (wijn, alcohol, cider, perenwijn, bier, mout en andere gegiste vruchtenmost), als door het aanlengen met water van in chemische bedrijven vervaardigd synthetisch azijnzuur.

In artikel 4 is aansluiting gezocht bij de laatste ontwikkelingen ter zake in de codex alimentarius van de Food and Agriculture Organization van de Verenigde Naties (verder: FAO) en de World Health Organization (verder: WHO). De ten minste vereiste percentages van vet en eigeel zijn, ten opzichte van het Mayonaise- en slasausbesluit (Warenwet), daarom verlaagd van 80% naar 70% onderscheidenlijk van 6% naar 5%.

Artikel 5 maakt duidelijk dat het woord wijn onderdeel mag uitmaken van de aanduiding vruchtenwijn, voor een gegiste drank die niet is bereid uit het sap van druiven, maar uit het sap van andere vruchten.

Artikel 6 bepaalt onder andere dat een als roomijs aangeduide waar een melkvetgehalte van ten minste 8% dient te hebben, een gehalte dat internationaal steeds meer geaccepteerd wordt.

Artikel 9 stelt vast dat dit besluit in werking treedt met ingang van 1 april 1998, aangezien op dat moment het Azijnbesluit (Warenwet), het Mayonaise- en slasausbesluit (Warenwet), en het Wijnbesluit (Warenwet) worden ingetrokken. De artikelen 6 en 7 worden evenwel pas met ingang van 1 mei 1998 van kracht, aangezien op dat tijdstip het Consumptie-ijsbesluit (Warenwet) 1978 en het Mosterdbesluit (Warenwet) worden ingetrokken.

Notificatie

Het ontwerp-besluit is op 6 juni 1997 (artikelen 3 tot en met 5) en op 12 september 1997 (artikelen 6 en 7) gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (verder: de Commissie), ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatie-procedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 109).

Deze notificaties zijn noodzakelijk, aangezien het ontwerp-besluit vermoedelijk technische voorschriften bevat in de zin van richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd. lndicatief kunnen als technische voorschriften worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 7.

Voor zover het ontwerp-besluit kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking bevat, worden deze maatregelen gerechtvaardigd ter bescherming van de consument.

Naar aanleiding van deze notificaties zijn uitvoerig gemotiveerde meningen zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, van richtlijn 83/189/EEG uitgebracht door de Commissie, België, de Bondsrepubliek Duitsland (verder: Duitsland), Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, en opmerkingen gemaakt zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, van richtlijn 83/189/EEG door de Commissie en het Verenigd Koninkrijk. Hieronder volgt per artikel een bespreking van de ontvangen reacties.

Algemeen

De uitvoerig gemotiveerde meningen van de Commissie en van het Verenigd Koninkrijk, inhoudende een verzoek om opname van een zogenaamde clausule van wederzijdse erkenning, hebben geleid tot toevoeging van artikel 1, tweede lid.

Artikel 3

Duitsland constateert dat artikel 3 in strijd is met de Europese Praktijkcode voor azijn uit 1990, de standaard voor azijn van de Codex Alimentarius van de FAO/WHO, en de Interpretatieve mededeling van de Commissie betreffende verkoopbenaming van levensmiddelen (PbEG 1991, C 270). België, Duitsland en Frankrijk hebben bezwaar tegen het feit dat in Nederland ook een door verdunning verkregen waar mag worden aangeduid als azijn. België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk verzoeken Nederland ten slotte het ten minste vereiste gehalte aan azijnzuur van een als azijn aangeduide waar te verhogen van 4 naar 5 gram per 100 ml.

Krachtens artikel 3 mag de aanduiding azijn in Nederland uitsluitend worden gebezigd voor een vloeibare waar die azijnzuur als kenmerkend bestanddeel bevat, met dien verstande dat het gehalte aan azijnzuur van de waar ten minste 4 gram per 100 ml bedraagt. Deze bepaling staat er niet aan in de weg dat andere lid-staten van de Europese Unie bij een uit Nederland afkomstige als azijn aangeduide waar, beschrijvende vermeldingen kunnen eisen op de voet van artikel 5, eerste lid, onder c, van richtlijn 79/112/EEG. Voorts verhindert artikel 3 niet de verhandeling in Nederland van een als azijn aangeduide waar die voldoet aan de desbetreffende Europese Praktijkcode of de in de Codex Alimentarius opgestelde standaard voor azijn. Verder kan gewezen worden op het feit dat door de Commissie in bovengenoemde Interpretatieve mededeling nadrukkelijk mogelijk wordt gesteld dat in een lid-staat producten die zijn verkregen door het aanlengen van azijnzuur met water, onder de aanduiding azijn op wettige wijze worden vervaardigd en op de markt gebracht. Ten slotte is van belang dat de in artikel 3 bedoelde normen reeds sinds 1926 deel uitmaken van de Nederlandse wetgeving. Gezien deze overwegingen is artikel 3 niet aangepast.

Artikel 4

In artikel 4 is op verzoek van het Permanent Comité voor levensmiddelen en de Commissie het voorschrift verwijderd dat bij een als mayonaise aangeduide waar in het gezichtsveld van die aanduiding het oliegehalte van de waar vermeld moet worden.

Artikel 5

De Commissie heeft in haar uitvoerig gemotiveerde mening voorts naar voren gebracht dat artikel 5, waarin de samengestelde aanduiding vruchtenwijn geregeld wordt, in strijd zou zijn met artikel 43, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 2392/89 van de Raad van 24 juli 1989 tot vaststelling van de algemene voorschriften voor de omschrijving en de aanbiedingsvorm van wijn en druivenmost (PbEG L 232). Nederland is het met dat standpunt niet eens, aangezien het gebruik van deze aanduiding niet leidt tot verwarring met de in artikel 43, eerste lid, van de verordening bedoelde aanduidingen (wijn en tafelwijn). Artikel 5 is derhalve niet gewijzigd.

Artikel 6

De Franse regering heeft te kennen gegeven dat artikel 7 te weinig voorwaarden zou stellen aan het mogen bezigen van de aanduiding mosterd. Artikel 7 staat immers toe dat mosterd ook door verdunning verkregen azijn mag bevatten. Deze opvatting heeft niet geleid tot aanpassing van het ontwerp, gezien hetgeen hierboven gesteld is inzake de aanduiding azijn.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven