Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | Staatsblad 1998, 164 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | Staatsblad 1998, 164 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 mei 1997, nr. HKW/RI 97/5972 Hoofdkantoor van de Waterstaat, Stafafdeling Bestuurlijk-Juridische Zaken;
Gelet op de Rivierenwet;
De Raad van State gehoord (advies van 30 juli 1997, nr. W09.97.0292);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 maart 1998, nr. HKW/RI 1998/49, Hoofdkantoor van de Waterstaat, Stafafdeling Bestuurlijk-Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het koninklijk besluit van de 24ste februari 19161 tot toepassing van de Rivierenwet wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel a vervalt.
2. De onderdelen b en c worden geletterd a en b.
Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel f komt te luiden:
f. de gedeelten van het winterbed van de Maas, die op de bij dit besluit behorende kaarten, bijlagen X tot en met XXXVI, met blauw zijn aangeduid.
2. Onderdeel g vervalt.
3. Onderdeel h wordt geletterd tot g.
Artikel 6 komt te luiden:
Ingevolge artikel 6 der Rivierenwet wordt bepaald, dat artikel 5 dier wet buiten toepassing blijft, voor zoveel betreft het daar bepaalde in § 1 onderdeel d ten aanzien van het winterbed van het Zwartewater, gelegen noord- of benedenwaarts van de in artikel 5 onderdeel e van dit besluit genoemde lijn.
Bijlagen II, III, IIIa, X, XI en XII worden vervangen door de nieuwe bij dit besluit behorende bijlagen X tot en met XXXVI en de op die bijlagen betrekking hebbende overzichtskaart.
1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het wordt geplaatst, behoudens het bepaalde in het tweede lid.
2. Voor hetgeen vóór de in het eerste lid bedoelde datum van inwerkingtreding is verricht of aangevangen, en de uitzondering op de toepasselijkheid van artikel 4 of 5 van de Rivierenwet door dit besluit vervalt, treedt dit besluit in werking twee jaar na die datum.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnootDe Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Uitgegeven de negende april 1998
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Artikel 6 van de Rivierenwet voorziet in de mogelijkheid tot aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur van gedeelten van het zomer- en winterbed van de rivier waar de verbodsbepalingen van de artikelen 4 en 5 geheel of ten dele buiten toepassing blijven op grond van een ruim zomer- of winterbed of van andere omstandigheden. Hieraan is uitvoering gegeven bij Besluit van 24 februari 1916 (Stb. 84). Door de bepalingen van dit besluit en de daarbij behorende kaarten, wordt zichtbaar in welke gedeelten van het winterbed de vergunningplicht voor bepaalde gedragingen, al dan niet gedeeltelijk, buiten toepassing blijft.
Als gevolg van diverse ontwikkelingen komen de begrenzingen van de betrokken gebieden, zoals deze ook zijn aangegeven op de kaarten voor de Maas, niet meer overeen met de fysieke werkelijkheid, waardoor aanpassingen gewenst zijn. Deze aanpassingen spelen voornamelijk bij de onbedijkte Maas in de provincie Limburg. De rivier de Maas kent een onbedijkt en een bedijkt gebied. Bovenstrooms van Mook betreft het onbedijkt gebied. Benedenstrooms van Mook is het bedijkte gebied gelegen.
Er heeft een tweetal ontwikkelingen, van onderscheidene aard, plaatsgevonden die nopen tot een aanpassing van genoemd besluit en de daarbij bijbehorende kaarten.
De eerste ontwikkeling is het volgende. Door veranderingen in de fysieke omgeving in Nederland, België en Frankrijk hebben veranderingen van frequenties van afvoeren plaatsgevonden. Hierdoor komen de op de kaarten uit 1916 aangegeven grenzen niet meer overeen met de huidige situatie.
De tweede ontwikkeling betreft het volgende. Naar aanleiding van het hoogwater van januari 1995 kwam de regering in februari 1995 met een plan voor een aanzienlijke versnelling van het programma van de rivierdijkversterkingen langs de bedijkte grote rivieren, alsmede voor een versnelde uitvoering van de door de Commissie Watersnood Maas (Commissie Boertien II) aanbevolen maatregelen langs de onbedijkte Maas. Deze betreffen in de eerste plaats activiteiten in het gebied van respectievelijk de Grensmaas en de Zandmaas die via activiteiten als winter- en zomerbedverlaging, gecombineerde grindwinning en natuurontwikkeling moeten resulteren in lagere hoogwaterstanden. Daarnaast gaat het om onder meer het treffen van bestuurlijke maatregelen in de sfeer van de ruimtelijke ordening om toekomstige schade te voorkomen, uitgaande van een beschermingsniveau overeenkomend met een kans op wateroverlast van 1:1250 per jaar.
Deze bestuurlijke maatregelen zijn uitgewerkt in de beleidslijn «Ruimte voor de Rivier» (Stcrt. 1996, 77). Deze beleidslijn dient als toetsingskader voor het al dan niet door verschillende overheden toestaan van bepaalde activiteiten in het bed van een rivier. Voor de toepassing van de Rivierenwet geldt deze beleidslijn als toetsingskader bij de vergunningverlening. Deze beleidslijn is op 18 december behandeld in de gezamenlijke vergadering van de Vaste Commissies van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Verkeer en Waterstaat. De beleidslijn kreeg brede steun van de verschillende fracties.
De doelstelling van deze beleidslijn is het geven van meer ruimte aan de rivier met het oog op het bieden van bescherming van mens en dier tegen overstroming in het bedijkte gebied en het beperken van materiële schade bij overlast. Dit wordt op hoofdlijnen bereikt door handhaving van de beschikbare ruimte en waar nodig door creëring van meer ruimte voor de rivier, alsmede door het aanhouden van het eerdergenoemde beschermingsniveau van 1:1250. Wil men in de toekomst het overeengekomen veiligheidsniveau in het stroomgebied van de Maas kunnen realiseren dan zal men terughoudend dienen te staan tegenover nieuwe soorten van activiteiten in het rivierbed.
Het past dan in elk geval niet meer om sommige soorten van activiteiten in het bed van de rivier zonder meer uit te zonderen van de vergunningplicht ingevolge de Rivierenwet.
Dit heeft geleid tot in dit besluit opgenomen wijzigingen van de artikelen 4 en 6.
Daarnaast is het vanwege de hierboven geschetste wijzigingen in de fysieke omgeving nodig te komen tot de aanpassing van de begrenzingen van het «Rivierenwetgebied» van de Maas, uitgaande van genoemd beschermingsniveau en de daarbij behorende maatgevende afvoer van 3935 m3/s bij Borgharen. Daartoe is berekend welke gebieden in de nieuwe situatie in het winterbed van de Maas zijn komen te liggen. Om tot een in het veld herkenbare begrenzing te komen zijn vervolgens grenzen gelegd zo dicht mogelijk bij de berekende begrenzing op in het veld herkenbare lijnen, zoals wegen en steilranden. Dit vergroot de duidelijkheid voor belanghebbenden en vergemakkelijkt tevens de handhaving.
Onderdeel A en B: Gezien de veranderde fysieke situatie in het stroomgebied van de onbedijkte Maas kan de aanwijzing van het terrein tot zijdelings afleiding van hoog opperwater op de bij het besluit van 1916 behorende kaart, bijlage II, achterwege blijven. In artikel 2 kan onderdeel b aldus vervallen. Hetzelfde geldt voor de aanwijzing van de hoogwater kerende dijken en hoge gronden, zoals dat heeft plaatsgevonden op de bij het besluit van 1916 behorende kaarten, bijlagen X, XI en XII.
Onderdeel C, D, E en F: door deze wijzigingen wordt de uitzondering van de vergunningplicht voor bepaalde gedragingen in het zomerbed en het winterbed van de Maas opgeheven, en worden de nieuwe kaarten, bijlagen X tot en met XXXVI, alsmede de op die bijlagen betrekking hebbende overzichtskaart, geïntroduceerd.
Deze bepalingen hebben betrekking op het overgangsrecht.
Het eerste lid ziet op een inwerkingtreding op zo kort mogelijke termijn. De onzekerheid die is opgetreden na het hoogwater in het voorjaar van 1995, in het bijzonder voor wat betreft de aan de beleidslijn te verbinden gevolgen voor het onderhavige uitvoeringsbesluit van de Rivierenwet, dient zo kort mogelijk te zijn. Immers is door het meest betrokken uitvoeringsorgaan, de Regionale Directie van de Rijkswaterstaat te Limburg, reeds geanticipeerd op deze wijziging, ook door enige aanpassing van het ambtelijk apparaat dat belast is met de handhaving van de bepalingen van het aldus gewijzigde uitvoeringsbesluit.
In het tweede lid wordt voor een bepaalde categorie een uitzondering gemaakt op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit. Reden hiervoor is dat het opnieuw vastleggen van de juridische begrenzingen van het zomer- en winterbed van de rivier de Maas inhoudt dat plaatselijk nieuwe gebieden onder het vergunningenregime van de Rivierenwet komen te vallen. Als gevolg van die nieuwe begrenzingen zal zich een veelheid van gevallen voordoen waarin een activiteit welke voorheen gesitueerd was in een gebied dat niet bestreken werd door de verbodsbepalingen van de Rivierenwet, vanaf de inwerkingtreding van dit besluit gelegen is in een gebied waar die bepalingen wel van toepassing zijn. Dit laatste zou betekenen dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het besluit met de voortzetting van die activiteit wordt gehandeld zonder vergunning, terwijl redelijkerwijs een vergunning op dat tijdstip nog niet kan zijn aangevraagd en daarover ook nog geen definitieve beslissing kan zijn genomen. Teneinde dat onwenselijk gevolg te ontgaan voorziet het tweede lid voor dit soort gevallen in een opschorting van de inwerkingtreding met een termijn van twee jaar.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink
Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 april 1998, nr. 70.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1998-164.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.