Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 1998, 112AMvB

Besluit van 5 februari 1998, houdende wijziging van enkele besluiten in verband met regels voor een inhoudingsbedrag, materiële instandhouding, stageduur en symbiose, ambulante begeleiding in hun ontwikkeling bedreigde kleuters en de klassenassistent

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 9 september 1997, nr. 1997/19786 (2541), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 51 en 107d, zesde lid, van de Wet op het basisonderwijs en de artikelen 9, vierde lid, 16, eerste lid, 19a, eerste lid, en artikel 22, zesde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 24 november 1997, nr. W05.97.0588);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 30 januari 1998, nr. 1998/3193 (2541), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 5 wordt een nieuw artikel opgenomen, luidende:

Artikel 5a. Inhoudingsbedrag bij voortijdige beëindiging samenwerkingsovereenkomst

  • 1. Onder het landelijk bedrag voor gemiddelde personeelslasten wordt in dit artikel verstaan: het bedrag dat voor elk schooljaar dat de bijzondere school dan wel openbare school, bedoeld in het derde lid, onder a, werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden op de wijze als aangegeven in de aanhef van het derde lid, in de Memories van Toelichting van de Rijksbegrotingen voor het jaar waarin het eind van de onderscheiden schooljaren viel, is opgenomen voor het aan die begroting voorafgaande jaar voor het basisonderwijs voor personele uitgaven, gedeeld door het in die begroting opgenomen aantal fulltime-equivalenten bekostigd personeel voor het basisonderwijs.

  • 2. Onder het landelijk gemiddeld aantal leerlingen wordt in dit artikel verstaan: het totaal aantal leerlingen in het basisonderwijs in een schooljaar, waarop artikel 15c van het Formatiebesluit WBO 1992 is toegepast, gedeeld door het totaal van het aantal scholen voor basisonderwijs in dat schooljaar. Bij die berekening wordt uitgegaan van de aantallen op de teldata van elk van de schooljaren dat de bijzondere school dan wel openbare school bedoeld in het derde lid, onder a, werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, als bedoeld in het derde lid, onder a.

  • 3. Voor elk schooljaar dat een bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 107d, derde lid, van de wet, in afwijking van artikel 107, eerste tot en met derde lid, van de wet, werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, wordt het bedrag van de kosten hiervan, bedoeld in artikel 107d, zesde lid van de wet, berekend door middel van de formule:

    {(a x y) – (b x y)} + c = z, waarbij

    a = het landelijk bedrag voor gemiddelde personeelslasten van de basisformatie per leerling van de bijzondere dan wel openbare school, die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, waarbij het leerlingenaantal van die school wordt bepaald op basis van de teldatum van elk schooljaar en met dien verstande dat op het aantal leerlingen van de school artikel 15c van het Formatiebesluit WBO 1992 van toepassing is,

    b = het landelijk bedrag voor gemiddelde personeelslasten van de basisformatie per leerling van een school met een leerlingenaantal dat gelijk is aan het leerlingenaantal van een school met een landelijk gemiddeld aantal leerlingen, vermeerderd met het leerlingenaantal van de bijzondere dan wel openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, waarbij het leerlingenaantal van die beide scholen tezamen wordt bepaald op basis van de teldatum van elk schooljaar dat die bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand gehouden, met dien verstande dat op het aantal leerlingen van de school artikel 15c van het Formatiebesluit WBO 1992 van toepassing is,

    c = 1. het bedrag van de vaste voet in de vergoeding voor materiële instandhouding, als bedoeld in de voor elk schooljaar geldende programma's van eisen, zoals die zijn vastgesteld op grond van artikel 92 van de wet, van de bijzondere dan wel openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, voor elk schooljaar tot en met 31 december 1996 gedurende welke de bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, en

    2. het bedrag voor de vergoeding voor materiële instandhouding in verband met de schoolgrootte, bedoeld in artikel 100, vijfde lid, onderdeel a, zesde lid, onderdeel a en zevende lid, onderdeel a, van de wet van de bijzondere dan wel openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand gehouden, voor elk schooljaar vanaf 1 januari 1997 gedurende welke de bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden,

    y = het aantal leerlingen van de school, die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand gehouden en

    z = het inhoudingsbedrag.

  • 4. Indien de uitkomst van {(a x y) – (b x y)} kleiner is dan nul, wordt de uitkomst van dit onderdeel van de formule op nul gesteld.

  • 5. Voor elk schooljaar dat een nevenvestiging van een bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 107d, derde lid, van de wet, in afwijking van artikel 107, eerste tot en met derde lid, van de wet, werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 107d, zesde lid van de wet, berekend door middel van de formule:

    ¾ (d – e) + c = z, waarbij:

    c = het bedrag voor de vergoeding voor materiële instandhouding in verband met de schoolgrootte, bedoeld in artikel 100, vijfde lid, onderdeel a, zesde lid, onderdeel a, en zevende lid, onderdeel a, van de wet, van de nevenvestiging van de bijzondere dan wel openbare school die op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden, voor elk schooljaar vanaf 1 januari 1997 gedurende welke de nevenvestiging van de bijzondere dan wel openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden,

    d = het landelijke bedrag voor gemiddelde personeelslasten van de basisformatie die de school en de nevenvestiging als zelfstandige scholen zouden ontvangen,

    e = het landelijke bedrag voor gemiddelde personeelslasten van de basisformatie die de school en de nevenvestiging zouden ontvangen indien sprake was van één school zonder nevenvestiging en

    z = het inhoudingsbedrag.

  • 6. Het bedrag dat door het Rijk wordt ingehouden op de vergoeding van de school of scholen en nevenvestiging of nevenvestigingen van elk bevoegd gezag dat aan de samenwerkingsovereenkomst deelnam wordt bepaald op de som van de uitkomsten van de toepassing van de formule, genoemd in het derde en vijfde lid, gedeeld door het totaal aantal leerlingen van de school of de scholen en nevenvestiging of nevenvestigingen van de bevoegde gezagsorganen die aan de samenwerkingsovereenkomst deelnamen. De uitkomst van de berekening in de vorige volzin wordt per bevoegd gezag vermenigvuldigd met het aantal leerlingen van de school of scholen en nevenvestiging of nevenvestigingen van dat bevoegd gezag.

B

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid komt de formule te luiden: G=A + ½ (B–A) + C.

2. Aan het eind van het tweede lid wordt de punt vervangen door een puntkomma en wordt toegevoegd:

C = (N x 0,305 x 0,95) / 179,

waarbij N = het feitelijk aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande jaar, verhoogd met 3%. Het bij de berekening van N verkregen getal wordt naar beneden afgerond.

De uitkomst van berekening van C wordt rekenkundig op 2 cijfers achter de komma afgerond.

C

In de inhoudsopgave wordt na de begripsomschrijving van artikel 5 en voor de omschrijving van titel III ingevoegd:

Artikel 5a Inhoudingsbedrag bij voortijdige beëindiging samenwerkingsovereenkomst.

ARTIKEL II

Het Onderwijskundig besluit ISOVSO2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt in de begripsbepaling van «symbiose» «een of meer groepen leerlingen» vervangen door «een leerling of leerlingen» en wordt «ontvangen» vervangen door: ontvangt onderscheidenlijk ontvangen.

B

In artikel 8, eerste lid, wordt «vijftien weken» vervangen door: twintig weken.

C

In artikel 11 wordt na «plaatsheeft,» ingevoegd: volgt de leerling, dan wel.

D

In artikel 12 , tweede lid, wordt «de leerlingen» telkens vervangen door: de leerling, dan wel de leerlingen.

E

Artikel 13 vervalt.

F

In het opschrift van artikel 15 wordt de zinsnede «artikel 2, tweede lid, onderdeel h tot en met m» vervangen door: artikel 2, tweede lid, onderdeel h tot en met m en o.

G

In artikel 15, eerste lid wordt de zinsnede «artikel 2, tweede lid onderdeel h, j, k en m» vervangen door: artikel 2, tweede lid onderdeel h, j, k, m en o.

ARTIKEL III

Het Formatiebesluit ISOVSO 19923 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 11, eerste lid, wordt de zinsnede «h tot en met n» vervangen door: h tot en met o.

B

In artikel 11a, eerste lid, wordt de zinsnede «h tot en met n» vervangen door «h tot en met o».

C

In artikel 12, eerste lid, onderdeel n, alsmede in artikel 18, na de tabel, onderdeel n*, wordt het woord «klasse-assistent» vervangen door: klassenassistent.

D

In artikel 17 wordt in de tabel bij onderdeel o in de eerste kolom opgenomen het getal 189.

E

In artikel 23, tweede lid, tweede volzin, wordt na de zinsnede «waarbij de maximumschaal 3 behoort» toegevoegd: alsmede voor de klassenassistent met een functie, waarbij de maximumschaal 3 behoort.

F

1. In artikel 24, derde lid, wordt in de verbruikstabel onder b, onderdeel 5, het woord klasse-assistent vervangen door: klassenassistent.

2. In artikel 24, derde lid, wordt in de verbruikstabel onder b, onderdeel 5, na de functie van klassenassistent, toegevoegd:

5a. klassenassistent 4 144

ARTIKEL IV

Het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel4 wordt als volgt gewijzigd:

In de bijlage S1a, onder 1, wordt onderdeel 5 vervangen door:

5. Klassenassistenta. Verricht werkzaamheden die liggen op het verzorgende terrein.3
 b. Verricht werkzaamheden zoals vermeld onder a, alsmede eenvoudige routinematige onderwijsinhoudelijke taken.4

ARTIKEL V OVERGANGSBEPALING

Tot 1 augustus 1998 wordt «artikel 15c van het Formatiebesluit WBO 1992» in artikel I, onderdeel A, artikel 5a, telkens vervangen door: artikel 7 van het Formatiebesluit WBO 1992.

ARTIKEL VI INWERKINGTREDING

  • 1. De artikelen I, II en V van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Het koninklijk besluit voorziet erin dat artikel I, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 1998 en dat artikel II, onderdelen F en G, terugwerkt tot en met 17 maart 1995. Het koninklijk besluit wordt niet genomen voordat 4 weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat de in de artikelen I, II en V van dit besluit geregelde onderwerpen bij de wet worden geregeld.

  • 2. De artikelen III en IV van dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel III, onderdelen A tot en met C, terugwerkt tot en met 17 maart 1995 en artikel III, onderdelen D tot en met F, en artikel IV terugwerken tot en met 1 augustus 1997.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 5 februari 1998

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos

Uitgegeven de vijfde maart 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Het onderhavige besluit voorziet in de bepaling van een inhoudingsbedrag bij voortijdige beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst. Dit artikel is gebaseerd op artikel 107d, zesde lid van de Wet op het basisonderwijs.

De wijzigingen betreffende stageduur en symbiose respectievelijk ambulante begeleiding van in hun ontwikkeling bedreigde kleuters zijn wijzigingen met een meer technisch karakter, die voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht onderscheidenlijk uit het feit dat de ambulante begeleiding voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters op scholen die niet deelnemen aan een samenwerkingsverband, moet zijn gewaarborgd. Tevens is in verband met de formatietoekenning inzake de groepsgrootteverkleining, een aanpassing van de groepsgebonden financiering van de materiële instandhouding vereist, wordt in het Formatiebesluit ISOVSO 1992 voorzien in een aanpassing betreffende de klassenassistent en wordt voorzien in een aanvulling van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) inzake de functie-inhoud en schaal van de klassenassistent.

Financiële gevolgen

De geraamde uitgaven op het terrein van de groepsafhankelijke materiële instandhouding worden bestreden uit het oorspronkelijk meerjarig vastgestelde budget van 270 miljoen gulden dat in het kader van de «Groepsgrootte Basisonderwijs» aan de begroting is toegevoegd. Dit totaal bedrag komt overeen met het geraamde gemiddelde beslag in de komende jaren. Gegeven de verwachte leerlingstijging in de komende jaren, zullen de feitelijke uitgaven ten behoeve van de klassenverkleining echter een stijgend verloop kennen. Door middel van een budgetverschuiving over de jaren heen is de constante reeks van 270 miljoen gulden inmiddels omgezet in een oplopende reeks, zodat budget en geraamde uitgaven met elkaar overeenstemmen. De reeks heeft de volgende omvang gekregen (bedragen x f 1 miljoen):

19971998199920002001
109,9265,5271,1272,6273,4

Het totale bedrag is opgebouwd uit een drietal componenten, te weten; een formatie- en een huisvestingsaandeel en een aandeel groepsafhankelijke materiële instandhouding. Het onderhavige ontwerp-besluit heeft alleen financiële gevolgen voor het aandeel van de groepsafhankelijke materiële instandhouding. De omvang van het beslag op het onderbouw-budget bedraagt:

1998:16,6 mln gulden
1999:16,8 mln gulden
2000:16,9 mln gulden
2001:16,9 mln gulden

De toename ontstaat – zoals hierboven aangegeven – door de geraamde toename van het aantal leerlingen (en daarmee van het aantal groepen) in het basisonderwijs.

De herwaardering van de functie van klassenassistent kost vanaf 1997 één miljoen gulden oplopend naar 5,8 miljoen structureel vanaf 2005. Deze reeks heeft de volgende omvang gekregen (bedragen x f 1 miljoen):

19971998199920002001200220032004
1,02,63,13,64,14,65,15,6

Vanaf 2005 zullen de kosten structureel 5,8 miljoen gulden bedragen. Deze kosten zullen worden gedekt uit de CAO 1996–1998.

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A (artikel 5a Bekostigingsbesluit WBO/OWBO)

In artikel 107d van de wet is voor een bevoegd gezag onder meer de mogelijkheid geboden om scholen onder de opheffingsnorm in stand te houden door met tenminste één ander bevoegd gezag een samenwerkingsovereenkomst te sluiten, die aan een aantal in de wet genoemde voorwaarden moet voldoen. Eén van deze voorwaarden is dat de overeenkomst voor minimaal 10 jaar wordt aangegaan.

In het zesde lid van 107d is bepaald dat de aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende bevoegde gezagsorganen bij voortijdige beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst aan het Rijk een bij algemene maatregel van bestuur bepaald bedrag moeten vergoeden.

In het onderhavige artikel is hieraan invulling gegeven door, rekening houdend met het gestelde in de memorie van toelichting met betrekking tot artikel 107d, zesde lid van de Wet op het basisonderwijs (WBO), een formule op te nemen. De definitie voor het landelijk bedrag voor gemiddelde personeelslasten ligt ten grondslag aan het kengetal in Hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting, artikelsgewijze toelichting, pagina 37 (Kamerstukken II 1996/97, 25 000, nr. 2, blz. 37) en komt voor het kasjaar 1995 uit op f 78 700. Het bedrag heeft betrekking op het personeel dat door Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) wordt bekostigd. In de Rijksbegroting waarin het eind van het schooljaar valt, wordt gekeken naar de benodigde gegevens in het voorafgaande jaar. Bijvoorbeeld: voor het schooljaar 1996–1997 valt het eind van het schooljaar in 1997 en worden de gegevens gebruikt die behoren bij het in die begroting genoemde voorafgaande jaar, dat wil zeggen, in dit voorbeeld: 1996.

Met deze formule wordt aan de hand van het landelijk bedrag voor gemiddelde personeelslasten, (gpl), het verschil in kosten vastgesteld van de leerlingen van de school die zou zijn opgeheven indien geen sprake was geweest van de samenwerkingsovereenkomst (hieronder kortheidshalve nader genoemd: de school die zou zijn opgeheven), ten opzichte van de kosten die deze leerlingen met zich hadden meegebracht wanneer de school waarop deze leerlingen zitten zou zijn gefuseerd met een school van gemiddelde omvang (beide scholen tezamen worden hieronder nader genoemd: de fusieschool). In de formule wordt slechts gerekend met de basisformatie omdat personele kosten voor schoolleiding in verband met bijvoorbeeld salarisgaranties ook worden gemaakt indien sprake was geweest van fusie.

De omvang van de basisformatie van de school die zou zijn opgeheven wordt vermenigvuldigd met de gpl en vervolgens gedeeld door het aantal leerlingen. Hiermee worden de kosten basisformatie per leerling van de school die zou zijn opgeheven vastgesteld.

Dit wordt vervolgens vergeleken met de op dezelfde wijze vastgestelde personele kosten van de basisformatie per leerling van een school met een gemiddelde omvang waaraan het aantal leerlingen van de op te heffen school is toegevoegd.

Hiermee wordt verkregen het verschil in personele kosten tussen de school die als gevolg van de samenwerkingsovereenkomst bekostigd werd als zelfstandige school en de personele kosten die de school met zich mee zou hebben gebracht indien hij met een school van een gemiddelde omvang zou zijn gefuseerd. Een school met een landelijk gemiddelde omvang wordt berekend door het totaal aantal leerlingen in het basisonderwijs in een schooljaar, te delen door het totaal van het aantal scholen voor basisonderwijs in dat jaar. Het totaal aantal leerlingen in de onderscheiden schooljaren is het aantal van de telgegevens die de scholen op 1 oktober inleveren. Deze gegevens worden jaarlijks ook via een voorlichtingsbrochure bekend gemaakt (kerngegevens primair onderwijs).

Daarbij wordt steeds gekeken naar de aantallen op de teldata van de onderscheiden schooljaren dat de aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende bijzondere of openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden.

Vervolgens wordt hierbij de «vaste voet» in de vergoeding voor materiële instandhouding over het aantal jaren dat de school onder de samenwerkingsovereenkomst in stand bleef onderscheidenlijk werd bekostigd, opgeteld. De vaste voet in de vergoeding voor materiële instandhouding wordt jaarlijks bekend gemaakt in de zogenaamde programma's van eisen. Bij wijze van voorbeeld zij verwezen naar het Supplement van de Nederlandse Staatscourant van 9 oktober 1996, nummer 195, houdende de programma's van eisen met de bijbehorende tabellen voor het jaar 1997, hoofdstuk 2, paragraaf 1, onder A, pagina 16, onderste tabel. De vaste voet is dat deel dat wordt verkregen door van het in de tabel bij het aantal groepen behorend bedrag (bijvoorbeeld 4 groepen =f 42 963) het vaste bedrag dat in de tabel «voor elke groep meer» (f 6 450) is opgenomen, vermenigvuldigd met het aantal groepen (4 x f 6 450 = f 25 800), af te trekken. Het verkregen bedrag (in dit voorbeeld: f 42 963 – f 25 800 = f 17 163) met daarbij opgeteld het bedrag per school (C) bij de leerlingafhankelijke programma's van eisen (genoemd op pagina 17 van het voornoemde supplement bij Stcrt. 195) is het bedrag voor de vaste voet voor materiële instandhouding. In dit voorbeeld is de vaste voet dus f 17 163 + f 14 618,80 = f 31 781,80.

Overigens geldt deze wijze van berekening slechts vanaf het moment dat het Londo-bekostigingssysteem is vereenvoudigd, dat wil zeggen vanaf 1 januari 1997. In de daaraan voorafgaande jaren was ook sprake van een vaste voet, die rechtstreeks kon worden afgeleid uit de programma's van eisen (dit is het bedrag voor materiële instandhouding dat is opgenomen in verband met de schoolgrootte).

Deze exercitie levert uiteindelijk het bedrag van de kosten van instandhouding dan wel bekostiging op grond van de samenwerkingsovereenkomst op dat ingevolge 107d, zesde lid, zal worden ingehouden voor elk schooljaar dat bijzondere of openbare school op grond van de samenwerkingsovereenkomst werd bekostigd onderscheidenlijk in stand werd gehouden.

Indien de kosten van opheffing van de school en de kosten van deze school indien zij was gefuseerd met een school van gemiddelde omvang minder zijn dan nul, resteren ter bepaling van het inhoudingsbedrag de kosten die, door de voortijdige beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, ten onrechte zijn gemaakt voor de materiële instandhouding. Hiervoor wordt, conform de eerdergenoemde memorie van toelichting WBO, slechts rekening gehouden met de vaste voet van de materiële instandhouding.

In het zesde lid wordt vervolgens aangegeven dat de inhoudingsbedragen die met toepassing van de formule per schooljaar zijn berekend, bij elkaar dienen te worden opgeteld. Dat totaalbedrag wordt vervolgens naar rato van het aantal leerlingen over de bevoegde gezagsorganen verdeeld.

Indien sprake is van een nevenvestiging die zou zijn opgeheven indien geen sprake was geweest van de samenwerkingsovereenkomst, is voor de berekening van het inhoudingsbedrag gekozen voor het vergelijken van de kosten van de gemiddelde personeelslast van de basisformatie die de hoofdvestiging en de nevenvestiging als zelfstandige scholen hebben ontvangen en de gemiddelde personeelslast van de basisformatie die zou zijn ontvangen indien sprake zou zijn geweest van één zelfstandige school. Aangezien voor de nevenvestiging de formatie met drievierde van het verschil van de hiervoor genoemde vergelijking wordt verhoogd, wordt dit als inhoudingsbedrag aangemerkt. Ten aanzien van deze berekening dient te worden opgemerkt dat vanaf 1 januari 1997 door de wijziging in het Londo-systeem (voor de betreffende kostenpost wordt de vergoeding voor iedere nevenvestiging alsmede de hoofdvestiging van de school afzonderlijk berekend) voor de nevenvestiging rekening moet worden gehouden met een vaste voet in de vergoeding voor materiële instandhouding. Voor de jaren daarvoor werd voor een nevenvestiging geen extra kosten voor materiële instandhouding gemaakt, die voor de bepaling van het inhoudingsbedrag relevant zijn. Ook hier wordt in het zesde lid vervolgens aangegeven dat de inhoudingsbedragen die met toepassing van de formule per schooljaar zijn berekend, bij elkaar dienen te worden opgeteld. Dat totaalbedrag wordt vervolgens naar rato van het aantal leerlingen over de bevoegde gezagsorganen verdeeld.

De aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende bevoegde gezagsorganen dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het samenwerkingsverband. Het inhoudingsbedrag wordt daarom op alle bevoegde gezagsorganen verhaald. De schuldvraag blijft daarbij buiten beschouwing. Het wordt aan de contractpartners overgelaten of de beantwoording van de schuldvraag leidt tot een onderlinge verrekening van de kosten, omdat zij de omstandigheden die leidden tot het beëindigen van de overeenkomst het best kunnen beoordelen.

Artikel I, onderdeel B

Door de extra formatie die wordt toegekend in verband met de groepsgrootteverkleining ten behoeve van de eerste vier schooljaren van de leerling, zullen er in bepaalde gevallen bij eenzelfde aantal leerlingen meer groepen gevormd kunnen worden. Dat betekent dat er ook meer groepsgebonden vergoeding voor materiële instandhouding beschikbaar moet komen. Het totale leerlingenaantal van de school neemt niet toe. Daarom is er geen reden om ook het totaal van de leerlingafhankelijke vergoeding aan te passen. De huidige groepsgebonden vergoeding is afhankelijk van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen en is geregeld in artikel 14 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO.

Bij de berekening van de materiële instandhouding voor het normatief aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt een letter C toegevoegd. Deze letter staat voor de uitkomst van de formule N x 0,305 x 0,95 / 179.

Met deze formule wordt de toekenning van de extra vergoeding voor materiële instandhouding in verband met de groepsgrootteverkleining in de onderbouw gerealiseerd. Daarbij wordt uitgegaan van het feitelijke aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande jaar, verhoogd met 3% (N). In de formule wordt rekening gehouden met de extra formatie die is toegekend ten behoeve van de groepsgrootteverkleining (0,305 formatierekeneenheid per leerling inclusief arbeidsduurverkorting – ADV –). Omdat echter voor ADV geen extra vergoeding voor materiële instandhouding noodzakelijk is, vindt er een correctie plaats door vermenigvuldiging met 0,95. Tenslotte wordt de uitkomst van de berekening gedeeld door 179, de omrekeningsfactor van formatieplaatsen naar formatierekeneenheden. Het verkregen aantal wordt rekenkundig op 2 cijfers achter de komma afgerond.

Omdat de omvang van de extra formatie voor de groepsgrootteverkleining bij tussentijdse groei niet wordt gewijzigd, wordt ook de vergoeding voor materiële instandhouding, uitgedrukt in C, niet gewijzigd.

Artikel II, onderdelen A tot en met E (artikelen 1, 8, 11, 12 en 13 Onderwijskundig besluit ISOVSO)

De wijziging van de begripsbepaling van symbiose heeft tot doel symbiose ook aan individuele leerlingen plaats te doen hebben. De voorschriften om symbiose in groepsverband te geven waren noodzakelijk in verband met de bekostigingssystematiek van vóór het Formatiebudgetsysteem (FBS). De verrekening van de vergoeding voor symbiose tussen een school voor voortgezet onderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs was destijds normatief en liep via het ministerie. Waar in het kader van het FBS de symbiose wordt vergoed via betaling door de school voor (voortgezet) speciaal onderwijs aan de school voor voortgezet onderwijs na verzilvering van het benodigde bedrag, bestaat er geen aanleiding meer om beperking omtrent de omvang te regelen. In de artikelen 11 en 12 wordt derhalve geregeld dat symbiose vanaf één leerling kan plaatshebben. Artikel 13 kan mede vanuit het oogpunt van deregulering vervallen.

De maximale stageduur in artikel 8, eerste lid, van het Onderwijskundig besluit ISOVSO is ingevolge het besluit van 10 november 1993, houdende aanpassing van een aantal besluiten aan de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1993, 594), gewijzigd van 100 dagen in vijftien weken overeenkomstig het door de Awb gehanteerde systeem, te weten in weken. Daarbij is echter geen rekening gehouden met het feit dat de stagedagen betrekking hebben op schooldagen en dat 100 dagen, de helft van het schooljaar betreft. Om de maximale stageduur van 100 dagen ongewijzigd te laten, worden de vijftien weken gewijzigd in twintig weken. Het is niet noodzakelijk aan deze wijziging terugwerkende kracht te verlenen, omdat op grond van artikel 8, tweede lid, de inspectie ontheffing kon verlenen van die maximale stageduur.

Artikel II, onderdelen F en G (artikel 15 Onderwijskundig besluit ISOVSO) en artikel III, onderdelen A tot en met C (artikelen 11, 11a en 17 Formatiebesluit ISOVSO)

Deze wijzigingen voorzien ook voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters in de mogelijkheid van ambulante begeleiding.

Artikel III, onderdelen D tot en met F (artikelen 12, 23 en 24 Formatiebesluit ISOVSO)

Het woord klasse-assistent wordt aangepast aan de nieuwe spelling. Daarnaast wordt voorzien in de bepaling dat de omrekening van minuten in formatierekeneenheden, voor de klassenassistent met een functie waarbij de maximumschaal 3 behoort, wordt vermenigvuldigd met het getal 144. In de verbruikstabel van artikel 24, derde lid, wordt bovendien een nieuw onderdeel 5a betreffende klassenassistent toegevoegd. Deze wijziging vloeit voort uit een wijziging van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. In dit laatste besluit is voorzien in een aanvulling van de functie klassenassistent. Scholen in het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs worden daardoor in staat gesteld de nieuwe functie in de formatie van de school op te nemen.

Artikel IV

Dit artikel voorziet in een wijziging van de bijlage van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (Rpbo) ten behoeve van de functie van klassenassistent. Het huidige artikel regelt de inhoud van de functie van de klassenassistent op het maximumschaalniveau 3. De functie die nu wordt toegevoegd is die van een klassenassistent die dezelfde functie-inhoud heeft als de klassenassistent met maximumschaal 3, met dien verstande dat de klassenassistent met maximumschaal 4 tevens eenvoudige routinematige onderwijsinhoudelijke taken vervult. De belangrijkste overwegingen die tot dit besluit hebben geleid, zijn: harmonisatie met de bestaande onderwijsassistenten in het basisonderwijs, waardoor uitwisseling van onderwijsondersteunend personeel kan worden bevorderd. Verder voorkomt de ontwikkeling van een normfunctie klassenassistent op schaal 4-niveau uitstroom van gekwalificeerd personeel naar het basisonderwijs. Het is aan het bevoegd gezag om te besluiten of er, gezien de werkzaamheden die in de school verricht moeten worden, sprake is van een normfunctie op schaal 3-niveau. Voor schaal 3 blijft de «oude» functiebeschrijving van toepassing. Het is denkbaar dat binnen één instelling beide functies voorkomen. Voor zover de werkzaamheden van de klassenassistent passen binnen de beschrijving van de normfunctie op schaal 3-niveau, blijft het functieniveau van de klassenassistent ongewijzigd. Kiest het bevoegd gezag voor een nieuwe normfunctie op schaal 4-niveau, dan heeft dit gevolgen voor de klassenassistenten die reeds werkzaam zijn in die functie op schaal 3-niveau. Voor zover de klassenassistent reeds werkzaamheden verricht behorend bij de functie op schaal 4-niveau, is er geen sprake van ontslag uit de oude functie en benoeming in de nieuwe, maar van een herwaardering van de functie. Voor de vaststelling van het salaris op 1 augustus is artikel I-S103, derde lid, van het Rpbo van toepassing. Dit betekent dat met inachtneming van het bepaalde in de artikel I-P7 tot en met I-P11 aan de klassenassistenten voor wie schaal 4 in plaats van schaal 3 als maximumschaal gaat gelden, een bevorderingsperiodiek wordt gegeven. Overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van artikel I-S103 wordt het salaris vastgesteld in de hoogst mogelijk schaal van het carrièrepatroon, behorend bij een functie met maximumschaal 4. Deze wijziging geldt met ingang van 1 augustus 1997.

Artikel V Overgangsbepaling

In verband met het Besluit landelijk beleidskader gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (Stb.1997, 431) wordt per 1 augustus 1998 voor elke leerling bij de toelating tot een school het gewicht vastgesteld ingevolge een nieuw artikel 15c van het Formatiebesluit WBO 1992. Omdat de vaststelling van de gewichten tot 1 augustus 1998 nog is geregeld in artikel 7 van voornoemd besluit, wordt in dit artikel geregeld dat waar het gaat om de berekening van leerlingenaantallen voor de bepaling van het inhoudingsbedrag, tot die datum moet worden gerekend volgens de gewichten in artikel 7.

Artikel VI Inwerkingtreding

Onderdeel B van artikel I is een uitwerking van de eerste fase van de klassenverkleining. In aansluiting op de Londo-bekostigingssystematiek werkt dit onderdeel terug tot en met 1 januari 1998.

Voor de ambulante begeleiding aan in hun ontwikkeling bedreigde kleuters is aan de onderdelen F en G van artikel II en de onderdelen A tot en met C van artikel III ten behoeve van een naadloze aansluiting op de voordien geldende periode terugwerkende kracht verleend tot en met 17 maart 1995. Ook aan artikel III, onderdelen D tot en met F, en aan artikel IV is, conform de in december 1996 door de Minister gemaakte afspraak met de SectorCommissie Onderwijs en Wetenschappen (op verzoek van de onderwijsvakbonden), terugwerkende kracht verleend. Met de laatstgenoemde wijzigingen worden de functies van de klassenassistent in het speciaal onderwijs en de onderwijsassistent in het basisonderwijs geharmoniseerd. Dit bevordert de uitwisseling van het personeel in het basis- en het speciaal onderwijs en voorkomt uitstroom van gekwalificeerd personeel van het speciaal onderwijs naar het basisonderwijs. Deze gewijzigde bepalingen werken terug tot en met 1 augustus 1997.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos


XNoot
1

Stb. 1997, 151, gewijzigd bij besluit van 28 augustus 1997, Stb. 431.

XNoot
2

Stb. 1985, 517, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 februari 1997, Stb. 150.

XNoot
3

Stb. 1992, 127, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 augustus 1997, Stb. 431.

XNoot
4

Stb. 1985, 110, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 juni 1997, Stb. 339.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 april 1998, nr. 70.