Besluit van 23 februari 1998, houdende vaststelling van de Penitentiaire maatregel en daarmee verband houdende wijziging van enige andere regelingen (Penitentiaire maatregel)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Onze Minister van Justitie, van 8 juli 1997, nr. 640008/97/6;

Gelet op artikel 89 van de Grondwet, artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht en voorts de artikelen 3, vijfde lid, 4, tweede lid, 7, vierde lid, 32, tweede lid, 41, vierde lid, 42, vijfde lid, 45, derde lid, 59, 61, vierde lid, 65, tweede lid, 67, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet en artikel 40, vierde lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden;

Gezien de adviezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing van 11 november 1996, nr. RA/98/96, 25 maart 1997, nr. RA 20/97 en 6 juni 1997, nr. 631365/97, en het advies van de Registratiekamer van 23 oktober 1996, nr. 96.A.495/1;

De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, No.W03.97 0476);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 16 februari 1998, nr. 680358/98/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de Penitentiaire beginselenwet;

b. reclassering: de stichting alsmede een reclasseringsinstelling als bedoeld in artikel 1, onder b, onderscheidenlijk onder c, van de Reclasseringsregeling 1995;

c. executie-indicator: de aantekening van het openbaar ministerie bij het aanbieden van een vonnis ter executie aan Onze Minister waarin wordt aangegeven dat het openbaar ministerie wil adviseren over te nemen besluiten inzake de verschillende vormen van te verlenen vrijheden aan de betreffende gedetineerde.

HOOFDSTUK 2 OPPERBEHEER INRICHTINGEN EN REGIME

Artikel 2

  • 1. De directeur brengt jaarlijks vóór 1 oktober aan Onze Minister een jaarplan voor het volgende jaar uit. Het jaarplan omvat in ieder geval een begroting van de kosten en opbrengsten voor dat jaar.

  • 2. De directeur brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister een jaarverslag over het voorgaande jaar uit. Bij dit verslag wordt een jaarrekening gevoegd.

  • 3. Onze Minister kan regels stellen aan de vorm en de inhoud van de in het eerste en tweede lid genoemde stukken.

Artikel 3

  • 1. Het dagprogramma voor een inrichting of afdeling wordt bepaald in de huisregels en beslaat de periode tussen uitsluiting van de gedetineerden in de ochtend en de insluiting van de gedetineerden voor de nacht.

  • 2. In het regime van algehele gemeenschap, bedoeld in artikel 20 van de wet, duurt het dagprogramma minimaal 88 uren per week en worden daarin minimaal 48 uren per week aan activiteiten en bezoek geboden.

  • 3. Het regime van beperkte gemeenschap, bedoeld in artikel 21 van de wet, wordt onderscheiden in:

    a. een standaardregime, waarin het dagprogramma minimaal 83 uren per week duurt en daarin minimaal 43 uren per week aan activiteiten en bezoek worden geboden;

    b. een sober regime, waarin het dagprogramma minimaal 56 uren per week duurt en daarin minimaal 38 uren per week aan activiteiten en bezoek worden geboden;

    c. een regime voor extra beveiligde inrichtingen als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder e, van de wet, waarin het dagprogramma minimaal 83 uren per week duurt en daarin minimaal 18 uren per week aan actviteiten en bezoek worden geboden.

  • 4. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de verschillende regimes die in de daarbij aangeduide inrichtingen gelden.

Artikel 4

  • 1. De directeur meldt onttrekkingen aan detentie en andere bijzondere voorvallen aan Onze Minister.

  • 2. De directeur verstrekt Onze Minister te allen tijde alle verlangde inlichtingen.

    Onze Minister kan nadere regels stellen omtrent de inhoud en de wijze van melding.

HOOFDSTUK 3 PENITENTIAIR PROGRAMMA

Artikel 5

  • 1. Een penitentiair programma omvat minimaal 26 uur per week aan activiteiten waaraan door de deelnemer aan dat penitentiair programma wordt deelgenomen.

  • 2. De activiteiten in een penitentiair programma zijn gericht op het aanleren van bepaalde sociale vaardigheden, het vergroten van de kans op arbeid na het einde van de vrijheidsstraf, het bieden van onderwijs, het bieden van bijzondere zorg aan de deelnemer zoals verslavingszorg of geestelijke gezondheidszorg, of geven op andere wijze invulling aan het met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf dienstbaar maken van de tenuitvoerlegging hiervan aan de voorbereiding van de terugkeer in de maatschappij.

  • 3. Van een penitentiair programma wordt een schriftelijke omschrijving gemaakt. Deze omvat in ieder geval een beschrijving van de activiteiten, een regeling van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het programma, de begeleiding van en het toezicht op de deelnemer aan het penitentiair programma, de melding van bijzondere voorvallen en de wijze en de frequentie van rapporteren over de deelnemer aan het penitentiair programma.

  • 4. Onze Minister kan nadere regels stellen over de procedure tot erkenning van een penitentiair programma en over de kwaliteitseisen waaraan een penitentiair programma moet voldoen.

  • 5. De noodzakelijke kosten van bestaan tijdens deelname aan een penitentiair programma komen niet ten laste van Onze Minister.

Artikel 6

Voor deelname aan een penitentiair programma komen niet in aanmerking:

a. tot vrijheidsstraf veroordeelden ten aanzien van wie de einddatum van de detentie nog niet vaststaat;

b. gedetineerden ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een tevens opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege nog moet aanvangen;

c. gedetineerden ten aanzien van wie vaststaat dat zij na de detentie zullen worden uitgezet of uitgeleverd;

d. gedetineerden die in een extra beveiligde inrichting verblijven.

Artikel 7

  • 1. Indien de directeur het verantwoord acht dat een gedetineerde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma doet hij een daartoe strekkende voordracht aan de selectiefunctionaris.

  • 2. De directeur voegt bij zijn voordracht het advies van het openbaar ministerie in de gevallen waarin het openbaar ministerie ten aanzien van de gedetineerde een executie-indicator heeft gegeven. Hij voegt daarbij tevens het advies van de reclassering in het arrondissement waarin het penitentiair programma ten uitvoer wordt gelegd.

  • 3. Bij zijn beslissing om een gedetineerde in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een penitentiair programma betrekt de selectiefunctionaris in ieder geval de volgende aspecten:

    a. de aard, zwaarte en achtergronden van het gepleegde delict;

    b. het huidige detentieverloop, waaronder het gedrag van de gedetineerde, het nakomen van afspraken door de gedetineerde en diens gemotiveerdheid;

    c. het gevaar voor recidive;

    d. de mate waarin de gedetineerde in staat zal zijn de met de grotere vrijheden gepaard gaande verantwoordelijkheid te kunnen dragen;

    e. een aanvaardbaar verblijfadres;

    f. de geschiktheid van de gedetineerde voor een penitentiair programma.

  • 4. De selectiefunctionaris neemt zijn beslissing over deelname aan een penitentiair programma slechts indien de gedetineerde zich bereid heeft verklaard tot deelname aan het programma en de daaraan verbonden voorwaarden.

Artikel 8

  • 1. De algemene verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van een penitentiair programma ligt bij de directeur van de inrichting of afdeling waarin de deelnemer aan het penitentiair programma is ingeschreven.

  • 2. Degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het programma houdt toezicht op het dagelijkse verloop van het penitentiair programma. Hij beoordeelt in eerste instantie of de activiteiten naar behoren worden verricht en de voorwaarden naar behoren worden nageleefd en kan in dat kader aanwijzingen geven aan de deelnemer. Hij kan ten aanzien van de wijze of het tijdstip waarop de activiteiten binnen het penitentiair programma worden uitgevoerd, wijzigingen aanbrengen. Van deze wijzigingen stelt hij de directeur onverwijld schriftelijk op de hoogte.

Artikel 9

  • 1. Aan een beslissing om een gedetineerde in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een penitentiair programma worden, behoudens nader door de directeur te stellen bijzondere voorwaarden, de volgende algemene voorwaarden verbonden:

    a. de deelnemer aan het penitentiair programma gedraagt zich overeenkomstig de aanwijzingen van degene die is belast met zijn begeleiding en toezicht en zal aan deze alle verlangde inlichtingen verschaffen;

    b. hij doet tevoren melding aan de directeur van een verandering van betrekking of woonplaats;

    c. hij maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

  • 2. Ingeval een deelnemer aan een penitentiair programma door ziekte of een andere oorzaak niet in staat is de activiteiten van het penitentiair programma te volgen, wordt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf geschorst.

  • 3. Bij overtreding van de voorwaarden kan de directeur, afhankelijk van de ernst van de overtreding, beslissen tot:

    a. het geven van een waarschuwing aan de deelnemer aan het penitentiair programma;

    b. wijziging of aanvulling van de bijzondere voorwaarden gesteld aan deelname aan een penitentiair programma;

    c. het adviseren van de selectiefunctionaris de deelname aan het penitentiair programma te beëindigen.

    Hij neemt een dergelijke beslissing niet dan nadat hij advies heeft ingewonnen bij degene die belast is met het toezicht op de tenuitvoerlegging van het penitentiair programma. Deze kan ook ongevraagd aan de directeur advies geven tot het nemen van een van de in dit lid genoemde beslissingen.

  • 4. De directeur geeft de deelnemer aan een penitentiair programma van een beslissing als bedoeld in het derde lid onverwijld schriftelijk en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling.

  • 5. Van het stellen van bijzondere voorwaarden, de overtreding van de voorwaarden en een beslissing als bedoeld in het derde lid doet de directeur mededeling aan de selectiefunctionaris.

Artikel 10

  • 1. De deelnemer aan een penitentiair programma kan bij de beklagcommissie bij de inrichting of afdeling waarin hij is ingeschreven een klacht indienen over de beslissingen, bedoeld in artikel 9, derde lid.

  • 2. De artikelen 60, tweede en derde lid, 61, 62, 63, 64, 65, 67, met uitzondering van het derde lid, het vijfde lid, tweede volzin, en het zesde lid, 68, 69, 70 en 71 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 4 COMMISSIE VAN TOEZICHT EN BEKLAGCOMMISSIE

Artikel 11

  • 1. Bij elke inrichting of afdeling is een commissie van toezicht, waarvan de leden worden benoemd voor de tijd van vijf jaren. Zij kunnen tweemaal voor herbenoeming in aanmerking komen.

  • 2. De commissie bestaat uit ten minste zes en ten hoogste een door Onze Minister vast te stellen aantal leden.

  • 3. De commissie van toezicht is zo breed mogelijk samengesteld. Van elke commissie maken in elk geval deel uit:

    a. een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht;

    b. een advocaat;

    c. een medicus;

    d. een deskundige uit de kring van het maatschappelijk werk.

Artikel 12

  • 1. De leden van de commissie van toezicht worden door Onze Minister benoemd. Onze Minister wijst uit de leden een voorzitter aan.

  • 2. Aan de commissie is een secretaris verbonden. Deze is geen lid van de commissie. De secretaris wordt door Onze Minister benoemd en ontslagen. De secretaris van de commissie van toezicht is tevens secretaris van de beklagcommissie.

  • 3. De commissie kan uit haar midden een of meer plaatsvervangende secretarissen aanwijzen om, in overleg met de secretaris, bepaalde secretariaatswerkzaamheden te verrichten en de secretaris bij diens afwezigheid te vervangen. Onze Minister kan aan een commissie van toezicht een of meer plaatsvervangende secretarissen toevoegen die geen lid zijn van de commissie.

  • 4. Onze Minister beslist binnen drie maanden op een verzoek tot benoeming als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid.

Artikel 13

Voor benoeming als lid, secretaris of plaatsvervangend secretaris komen niet in aanmerking:

a. ambtenaren of andere personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, niet zijnde ambtenaren bij het openbaar ministerie;

b. personeelsleden of medewerkers, werkzaam bij een inrichting;

c. personen, werkzaam bij een door Onze Minister gesubsidieerde instelling die werkzaam is op het terrein van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen, indien zij in het kader van de uitoefening van hun functie te maken hebben met de personen, ingesloten in de inrichting waarbij de commissie van toezicht is ingesteld;

d. personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van Onze Minister, indien hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid hetzij door hun positie, hetzij door de aard van hun werkzaamheden in het geding zou kunnen komen;

e. personen tegen wie bezwaren bestaan tegen de vervulling van de functie die blijken uit de algemene documentatieregisters als bedoeld in het Besluit inlichtingen justitiële documentatie of de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters. De bezwaren hebben betrekking op het vertrouwelijk karakter van de functie alsmede de aan de functie verbonden bevoegdheden.

Artikel 14

  • 1. Een lid van de commissie van toezicht wordt door Onze Minister tussentijds ontslagen:

    a. op eigen verzoek;

    b. bij de aanvaarding van een ambt of betrekking dat onverenigbaar is met het lidmaatschap van een commissie van toezicht;

    c. wanneer hij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel hem bij zulk een uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;

    d. wanneer hij naar het oordeel van Onze Minister door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem te stellen vertrouwen.

  • 2. Aan een lid kan door Onze Minister tussentijds ontslag worden verleend bij het verlies van de hoedanigheid of beëindiging van de ambtsvervulling in verband waarmede de benoeming heeft plaatsgevonden.

  • 3. Hangende de procedure voor ontslag kan Onze Minister het lid in de uitoefening van zijn functie schorsen.

Artikel 15

  • 1. De leden van de commissie van toezicht hebben te allen tijde toegang tot alle plaatsen in de inrichting en tot alle plaatsen waar de gedetineerden of deelnemers aan een penitentiair programma verblijven.

  • 2. De leden van de commissie van toezicht ontvangen van de directeur en de ambtenaren of medewerkers bij de inrichting of afdeling of het penitentiair programma alle door hen gewenste inlichtingen ten aanzien van de gedetineerden onderscheidenlijk deelnemers aan een penitentiair programma en kunnen alle op de wijze van tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen betrekking hebbende stukken inzien. Zij zijn tot geheimhouding verplicht behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot bekendmaking verplicht of in verband met de tenuitvoerlegging van hun taak de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. Dossiers die gedetineerden dan wel deelnemers aan een penitentiair programma betreffen kunnen worden ingezien, tenzij de betrokkene bezwaar maakt.

  • 3. De directeur brengt alle voor de uitoefening van de taak der commissie belangrijke feiten en omstandigheden ter kennis van de commissie.

Artikel 16

  • 1. De commissie van toezicht vergadert, zo mogelijk, eenmaal in de maand.

  • 2. De directeur woont de vergaderingen van de commissie van toezicht bij. Hij brengt op iedere vergadering een algemeen verslag uit over hetgeen sedert de vorige vergadering in de inrichting of afdeling is geschied.

  • 3. De commissie kan besluiten buiten tegenwoordigheid van de directeur te vergaderen.

  • 4. Onze Minister is bevoegd vergaderingen van de commissie van toezicht door een door hem aan te wijzen ambtenaar van zijn ministerie te doen bijwonen.

  • 5. In iedere vergadering van de commissie van toezicht wordt mededeling gedaan van de grieven terzake waarvan werd bemiddeld, de door de beklagcommissie behandelde klaagschriften, en de bijzondere opmerkingen waartoe zij aanleiding geven.

Artikel 17

  • 1. De maandcommissaris, bedoeld in artikel 7, derde lid, tweede volzin, van de wet houdt tenminste eenmaal per maand in de inrichting of afdeling spreekuur. Dit spreekuur wordt tijdig bekend gemaakt en kan worden bezocht door elke gedetineerde of deelnemer aan een penitentiair programma die de wens daartoe te kennen geeft.

  • 2. De maandcommissaris doet van zijn werkzaamheden verslag aan de commissie van toezicht en informeert tevens de directeur hiervan.

Artikel 18

  • 1. De beklagcommissie, of, indien artikel 62, tweede lid, van de wet wordt toegepast, de voorzitter dan wel de door hem aangewezen persoon, houdt zitting zo dikwijls als een onverwijlde behandeling en afdoening van de klaagschriften dit noodzakelijk maken. Deze wordt bijgestaan door een secretaris.

  • 2. Indien de beklagcommissie zitting houdt treedt bij voorkeur als voorzitter op een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht.

Artikel 19

  • 1. De commissie van toezicht brengt jaarlijks vóór 1 maart aan Onze Minister en aan de sectie gevangeniswezen verslag uit over haar werkzaamheden in het voorgaande jaar.

  • 2. Zij schenkt in haar verslag in het bijzonder aandacht aan de werkzaamheden van de beklagcommissie, onder meer door een overzicht van de klaagschriften en de daarop genomen beslissingen. Onze Minister kan een model vaststellen omtrent de inrichting van het verslag.

Artikel 20

  • 1. De kosten van de commissie van toezicht worden door de Staat gedragen.

  • 2. De leden van de commissie van toezicht genieten vergoeding van reis- en verblijfskosten en een vacatiegeld met betrekking tot hun werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld.

  • 3. Voor zover de secretaris of de plaatsvervangend secretaris geen ambtenaar is geniet deze tevens de in het tweede lid bedoelde vergoeding.

HOOFDSTUK 5 GEDWONGEN GENEESKUNDIGE HANDELINGEN

Artikel 21

  • 1. Voordat de directeur beslist dat de door de arts noodzakelijk geachte geneeskundige handeling onder dwang zal worden toegepast, pleegt de directeur overleg met die arts en met het hoofd van de afdeling waar de gedetineerde verblijft. Indien de handeling door een andere arts wordt verricht, wordt bovendien met hem overlegd.

  • 2. Indien de toepassing van een geneeskundige handeling onder dwang noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de gedetineerde, pleegt de aan de inrichting verbonden arts overleg met een psychiater.

  • 3. In het in het eerste en tweede lid bedoelde overleg wordt nagegaan of het ernstige gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de gedetineerde of van anderen niet op een andere wijze kan worden afgewend. Bij de keuze voor een bepaalde geneeskundige handeling wordt steeds gekozen voor de voor de gedetineerde minst ingrijpende handeling.

  • 4. De verantwoordelijke arts draagt zorg dat de melding van de toepassing van artikel 32 van de wet, de resultaten van het overleg alsmede de afspraken die daarbij zijn gemaakt worden geregistreerd in het medische dossier.

Artikel 22

  • 1. De gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast in een daartoe geschikte ruimte, onder verantwoordelijkheid van de arts.

  • 2. Van de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling wordt onverwijld melding gedaan aan Onze Minister en de commissie van toezicht. Indien de geneeskundige handeling wordt toegepast ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens van de gedetineerde wordt tevens onverwijld melding gedaan aan de bevoegde regionale inspecteur voor de gezondheidszorg.

  • 3. De gedetineerde wordt gedurende de periode die volgt op de gedwongen geneeskundige handeling zo vaak als nodig is bezocht door een arts dan wel in diens opdracht door een verpleegkundige. Het verslag van diens bevindingen wordt opgenomen in het medische dossier.

Artikel 23

  • 1. Zo spoedig mogelijk na de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling wordt door of onder verantwoordelijkheid van de aan de inrichting verbonden arts een plan opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de gedetineerde dat de toepassing van de gedwongen geneeskundige handeling kan worden beëindigd. Dit plan wordt opgenomen in het medische dossier.

  • 2. Indien de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling als bedoeld in artikel 21, tweede lid, de duur van twee weken te boven gaat wordt door de directeur een commissie samengesteld bestaande uit ten minste een afdelingshoofd, een arts of een psychiater en een psycholoog.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde commissie brengt binnen twee dagen na de in het tweede lid bedoelde termijn en, indien de gedwongen geneeskundige handeling langer wordt voortgezet, om de twee weken, advies uit aan de directeur over de voortzetting van de gedwongen geneeskundige handeling.

HOOFDSTUK 6 GEESTELIJKE VERZORGING

Artikel 24

Aan een inrichting zijn geestelijke verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval geestelijke verzorgers van protestantse en rooms-katholieke gezindte en geestelijke verzorgers behorend tot het humanistisch verbond.

Artikel 25

  • 1. Bij het Ministerie van Justitie zijn een hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistisch geestelijke verzorging aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.

  • 2. De hoofden, genoemd in het eerste lid, zijn in ieder geval belast met het doen van voordrachten voor aanstelling van geestelijke verzorgers behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.

Artikel 26

De aanstelling van een geestelijke verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijke verzorger behorend tot het humanistisch verbond bij een inrichting geschiedt door of vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 25, eerste lid.

Artikel 27

  • 1. Een geestelijke verzorger van een andere dan de in artikel 24 genoemde gezindte of levensovertuiging kan door de directeur aan een inrichting worden verbonden anders dan bij wijze van een aanstelling. De directeur neemt deze beslissing niet dan na overleg met de reeds aan de inrichting verbonden geestelijke verzorgers.

  • 2. Onze Minister kan functievereisten vaststellen ten aanzien van geestelijke verzorgers als bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.

  • 3. Een geestelijke verzorger die aan de inrichting is verbonden anders dan bij wijze van aanstelling, ontvangt een bij regeling van Onze Minister vast te stellen vergoeding voor zijn werkzaamheden en de door hem gemaakte kosten.

HOOFDSTUK 7 BEROEP TEGEN MEDISCH HANDELEN

Artikel 28

  • 1. Een gedetineerde kan een beroepschrift indienen tegen het medisch handelen van de inrichtingsarts. Met de inrichtingsarts wordt in dit hoofdstuk gelijkgesteld de verpleegkundige dan wel andere hulpverleners die door de inrichtingsarts bij de zorg aan gedetineerden zijn betrokken.

  • 2. Onder medisch handelen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    a. enig handelen in het kader van of nalaten in strijd met de zorg die de in het eerste lid bedoelde personen in die hoedanigheid behoren te betrachten ten opzichte van de gedetineerde, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand zij bijstand verlenen of hun bijstand is ingeroepen;

    b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Artikel 29

  • 1. Alvorens een beroepschrift in te dienen doet de gedetineerde een schriftelijk verzoek aan de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Justitie om te bemiddelen terzake van de klacht. Dit verzoek dient uiterlijk op de veertiende dag na die waarop het medisch handelen waartegen de klacht zich richt heeft plaatsgevonden te worden ingediend.

  • 2. De Medisch Adviseur stelt de betrokkene in de gelegenheid de klacht schriftelijk of mondeling toe te lichten, tenzij hij het aanstonds duidelijk acht dat de klacht zich niet voor bemiddeling leent. Hij kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen.

  • 3. De Medisch Adviseur is ten behoeve van de bemiddeling bevoegd het medisch dossier van de gedetineerde in te zien.

  • 4. De Medisch Adviseur streeft ernaar binnen vier weken een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te bereiken.

  • 5. De Medisch Adviseur sluit de bemiddeling af met een mededeling van zijn bevindingen aan de gedetineerde en de arts. De gedetineerde wordt gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een beroepschrift alsmede de termijn waarbinnen en de wijze waarop dit gedaan moet worden.

  • 6. Een afschrift van de mededeling zendt de Medisch Adviseur aan de directeur van de inrichting waaraan de arts tegen wiens medisch handelen de klacht zich richt is verbonden.

  • 7. De Medisch Adviseur is bevoegd een klacht door te verwijzen naar de beklagcommissie. Hij zendt van de doorverwijzing van een klacht een bericht aan de klager.

Artikel 30

  • 1. Het beroepschrift wordt ingediend bij en behandeld door een door de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing benoemde commissie van drie leden, bestaande uit één jurist en twee artsen, die wordt bijgestaan door een secretaris.

  • 2. Het met redenen omklede beroepschrift wordt uiterlijk op de zevende dag na die van de ontvangst van het afschrift van de mededeling van de Medisch Adviseur ingediend. De directeur draagt zorg dat een gedetineerde die beroep wenst in te stellen daartoe zo spoedig mogelijk in de gelegenheid wordt gesteld.

  • 3. De indiening van het beroepschrift kan door tussenkomst van de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft geschieden. De directeur draagt in dat geval zorg dat het beroepschrift, of, indien het beroepschrift zich in een envelop bevindt, de envelop, van een dagtekening wordt voorzien, welke geldt als dag van indiening.

  • 4. Het beroepschrift vermeldt zo nauwkeurig mogelijk het medisch handelen waarover wordt geklaagd en de redenen van het beroep.

  • 5. Indien de gedetineerde de Nederlandse taal niet voldoende beheerst kan hij het beroepschrift in een andere taal indienen. De voorzitter van de beroepscommissie kan bepalen dat het beroepschrift in de Nederlandse taal wordt vertaald. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 45.

Artikel 31

  • 1. De beroepscommissie en de secretaris zijn ten behoeve van de behandeling van het beroepschrift bevoegd het medisch dossier van de klager in te zien.

  • 2. De behandeling van het beroepschrift vindt niet in het openbaar plaats, behoudens ingeval de beroepscommissie van oordeel is dat de niet openbare behandeling niet verenigbaar is met enige een ieder verbindende bepaling van een in Nederland geldend verdrag.

  • 3. De secretaris van de beroepscommissie zendt de arts een afschrift van het beroepschrift toe en vraagt het verslag van de bemiddeling op bij de Medisch Adviseur.

  • 4. De beroepscommissie stelt de klager en de arts in de gelegenheid omtrent het beroepschrift mondeling of schriftelijk opmerkingen te maken, tenzij zij het beroep aanstonds kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht. De beroepscommissie kan bepalen dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de commissie, bedoeld in het derde lid, kunnen worden gemaakt.

  • 5. De klager en de arts kunnen de voorzitter van de beroepscommissie de vragen opgeven die zij aan elkaar gesteld wensen te zien.

  • 6. De beroepscommissie kan de arts en de klager buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de beroepscommissie aan de klager onderscheidenlijk de arts mondeling medegedeeld.

  • 7. De beroepscommissie kan ook bij andere personen mondeling of schriftelijk inlichtingen inwinnen. Indien mondeling inlichtingen worden ingewonnen, zijn het vijfde en zesde lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing. De beroepscommissie kan bepalen dat ingeval bij een andere persoon mondeling inlichtingen worden ingewonnen, de betrokkenen uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk de vragen op te geven die zij aan die persoon gesteld wensen te zien.

  • 8. De klager heeft het recht zich te doen bijstaan door een rechtsbijstandverlener of een andere vertrouwenspersoon die daartoe van de beroepscommissie toestemming heeft gekregen. Indien aan de klager een advocaat is toegevoegd, geschieden diens beloning en de vergoeding van de door hem gemaakte kosten volgens regelen te stellen bij algemene maatregel van bestuur.

  • 9. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, draagt de voorzitter zorg voor de bijstand van een tolk. De beloning van de tolk en de vergoeding van de door de tolk gemaakte kosten geschieden met overeenkomstige toepassing van artikel 45.

  • 10. Tijdens de beroepsprocedure staat de beroepscommissie aan de klager op diens verzoek toe van de gedingstukken kennis te nemen.

Artikel 32

  • 1. De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak. De uitspraak is met redenen omkleed en gedagtekend. Zij wordt door de voorzitter, alsmede door de secretaris ondertekend. Bij verhindering van één van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld. Aan de klager en de arts wordt onverwijld en kosteloos een afschrift van de beslissing van de beroepscommissie toegezonden of uitgereikt.

  • 2. Indien de klager de Nederlandse taal niet voldoende beheerst en niet op andere wijze in een vertaling kan worden voorzien, draagt de voorzitter van de beroepscommissie zorg voor een vertaling van de uitspraak, bedoeld in het eerste lid. De vergoeding van de voor de vertaling gemaakte kosten geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 45.

  • 3. De secretaris zendt van alle uitspraken van de beroepscommissie een afschrift naar Onze Minister. Een ieder heeft recht op kennisneming van deze uitspraken en het ontvangen van een afschrift daarvan. Onze Minister draagt zorg dat dit afschrift geen gegevens bevat waaruit de identiteit van de gedetineerde kan worden afgeleid. Met betrekking tot de kosten van het ontvangen van een afschrift is het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

Artikel 33

  • 1. De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:

    a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;

    b. ongegrondverklaring van het beroep;

    c. gegrondverklaring van het beroep.

  • 2. Indien de klacht door de beroepscommissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt geacht bepaalt de beroepscommissie of enige tegemoetkoming aan de klager geboden is. Zij stelt de tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, vast.

Artikel 34

  • 1. De in de artikelen 28 tot en met 31 aan de gedetineerde toegekende rechten kunnen, behoudens ingeval de Medisch Adviseur of de beroepscommissie van oordeel is dat zwaarwegende belangen van de gedetineerde zich daartegen verzetten, mede worden uitgeoefend door:

    a. de curator, indien de gedetineerde onder curatele is gesteld;

    b. de mentor, indien ten behoeve van de gedetineerde een mentorschap is ingesteld;

    c. de ouders of voogd, indien de gedetineerde minderjarig is.

  • 2. De directeur draagt zorg dat de in het eerste lid genoemde personen op deze rechten opmerkzaam worden gemaakt.

HOOFDSTUK 8 DOSSIERS

Artikel 35

Met uitzondering van personen in vreemdelingenbewaring wordt van iedere gedetineerde en deelnemer aan een penitentiair programma een penitentiair dossier aangelegd.

Artikel 36

  • 1. Het penitentiair dossier wordt op zorgvuldige wijze volgens een vaste standaardindeling opgebouwd. In de navolgende volgorde worden in het penitentiair dossier opgenomen:

    a. een overzicht van de periodes en inrichtingen van verblijf;

    b. selectie- en plaatsingsvoorstellen;

    c. registratiekaarten;

    d. de in artikel 37 genoemde bescheiden, gerangschikt per inrichting.

  • 2. Het dossier wordt in een afsluitbare ruimte in de inrichting bewaard.

Artikel 37

  • 1. In het penitentiair dossier worden tevens opgenomen:

    a. een eindrapportage van de inrichting bij invrijheidstelling van de gedetineerde dan wel een eindrapportage van het penitentiair programma bij invrijheidstelling vanuit het penitentiair programma van de deelnemer daaraan;

    b. een kopie van een selectieadvies onderscheidenlijk een overplaatsingsvoorstel onderscheidenlijk een voorstel tot deelname aan een penitentiair programma of de beëindiging daarvan met de daarbij behorende adviezen;

    c. de meest recente registratiekaart;

    d. andere belangrijke justitiële documenten, waaronder:

    1° het extract van het vonnis;

    2° formulieren betreffende verlof en de daarop genomen beslissing;

    3° verzoeken onderscheidenlijk machtigingen tot plaatsing en overplaatsing en deelname aan een penitentiair programma;

    4° gratieverzoeken en de daarop genomen beslissing;

    5° verzoeken om strafonderbreking en de daarop genomen beslissing;

    6° mededelingen omtrent de vervroegde invrijheidstelling.

    e. uitslagen van urinecontroles, dan wel een samenvattend overzicht daarvan;

    f. kopieën van strafrapporten, meldingen van bijzondere voorvallen en interne meldingen;

    g. documenten betreffende beklagzaken en beroepszaken;

    h. kopieën van correspondentie van de inrichting over de gedetineerde;

    i. een kopie van het intakeformulier per inrichting van verblijf;

    j. samenvattingen van periodieke besprekingen over de gedetineerde in inrichtingsoverleggen.

  • 2. De overige op de gedetineerde betrekking hebbende stukken worden verzameld in een inrichtingsdossier. Zij worden gerangschikt naar onderwerp in chronologische volgorde.

Artikel 38

  • 1. Indien de directeur een voorstel tot selectie van een gedetineerde doet, zendt hij daarbij het penitentiair dossier mee aan de selectiefunctionaris.

  • 2. De directeur zendt het penitentiair dossier gelijktijdig met de formele overplaatsing van de gedetineerde aan de directeur van de inrichting of afdeling waar de gedetineerde verder zal verblijven.

  • 3. Indien een gedetineerde in de gelegenheid wordt gesteld deel te nemen aan een penitentiair programma zendt de directeur het penitentiair dossier aan de directeur bedoeld in artikel 8, eerste lid.

  • 4. Bij invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden van een gedetineerde zendt de directeur het penitentiair dossier naar Onze Minister.

Artikel 39

  • 1. Onze Minister bewaart het penitentiair dossier gedurende een termijn van tien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van ontvangst van het dossier.

  • 2. Na de in het eerste lid genoemde termijn worden de bescheiden, opgenomen in het penitentiair dossier, vernietigd, ofwel zodanig bewerkt dat deze niet meer tot de gedetineerde kunnen worden herleid, tenzij dit in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de gedetineerde.

  • 3. Indien de gedetineerde vóór de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn opnieuw wordt gedetineerd vervalt de bewaartermijn.

  • 4. Het inrichtingsdossier, bedoeld in artikel 37, tweede lid, wordt zes maanden na beëindiging van het verblijf van de gedetineerde in de inrichting vernietigd. Indien de gedetineerde vóór de afloop van deze termijn opnieuw in die inrichting wordt gedetineerd vervalt de bewaartermijn.

Artikel 40

  • 1. De directeur kan, in geval van weigering van inzage door de gedetineerde van diens dossier op een van de gronden van artikel 30 van de Wet persoonsregistraties, een door de gedetineerde gemachtigd lid van de commissie van toezicht doen kennis nemen van de gegevens waarvan de kennisneming aan de gedetineerde onthouden wordt. De artikelen 57 en 58 van de wet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Aan Onze Minister en de door deze aan te wijzen ambtenaren of medewerkers kunnen gegevens uit het dossier worden verstrekt voor zover dat noodzakelijk is voor:

    a. de behandeling van verzoeken de gedetineerde betreffende;

    b. de behandeling van procedures de gedetineerde betreffende;

    c. het beheer van de dossiers;

    d. de behandeling van overige beslissingen de gedetineerde betreffende.

    Hetzelfde geldt voor de selectiefunctionaris, de directeur en de door hen aangewezen ambtenaren of medewerkers.

HOOFDSTUK 9 BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT VEROORDEELDEN TOT EEN VRIJHEIDSSTRAF TEN AANZIEN VAN WIE ARTIKEL 13 OF 19 VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT IS TOEGEPAST

Artikel 41

De tot gevangenisstraf, hechtenis of vervangende hechtenis veroordeelde kan met toepassing van artikel 13 of 19 van het Wetboek van Strafrecht ter observatie, ter tenuitvoerlegging, dan wel ter verdere tenuitvoerlegging van de straf in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden worden geplaatst.

Artikel 42

  • 1. De plaatsing, bedoeld in artikel 41, geschiedt op last van Onze Minister op voorstel van de selectiefunctionaris.

  • 2. Bij het voorstel tot plaatsing in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden wordt overgelegd een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – die de betrokkene hebben onderzocht. Zodanig advies dient door de gedragsdeskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk te zijn uitgebracht.

Artikel 43

Het verblijf in de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden kan door Onze Minister worden beëindigd, indien het hoofd van de inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden waarin de betrokkene is geplaatst Onze Minister tot plaatsing in een gevangenis adviseert.

Artikel 44

Aan de gedetineerde wordt van de beslissing van Onze Minister tot plaatsing in een inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden en tot beëindiging van zijn verblijf in die inrichting onverwijld schriftelijk en zo veel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondergetekende mededeling gedaan. Daarbij wordt de gedetineerde gewezen op de mogelijkheid van het instellen van beroep, bedoeld in hoofdstuk XVI van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, en de wijze waarop en de termijn waarbinnen zulks dient te geschieden.

HOOFDSTUK 10 VERGOEDINGEN BEKLAG- EN BEROEPSPROCEDURES

Artikel 45

  • 1. De beloning van de tolk of de vertaler en de vergoeding van de door hen gemaakte kosten, bedoeld in artikel 61, vierde lid, 65, tweede lid, en 67, vierde lid, van de wet geschieden volgens het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

  • 2. De secretaris van de beklag- of beroepscommissie stelt op basis van de in het eerste lid bedoelde bepalingen de hoogte van de beloning en vergoeding vast. Met de uitbetaling is de directeur belast.

HOOFDSTUK 11 KOSTEN EN AANSPRAKELIJKHEID DIRECTEUR

Artikel 46

De gedetineerde ontvangt bij invrijheidstelling reisgeld voor een reis of reisgelegenheid naar zijn woon- of verblijfplaats binnen Nederland.

Artikel 47

Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Algemene wet bijzondere ziektekosten komen ten laste van de Staat de kosten van geneeskundige verzorging van de gedetineerde die in een inrichting gevangenisstraf of hechtenis ondergaat, voor zover de gedetineerde niet als verplicht verzekerde aanspraak kan maken op verstrekkingen krachtens de Ziekenfondswet.

Artikel 48

Bij overlijden van een gedetineerde komen de kosten van begrafenis of crematie, voor zover die redelijkerwijs noodzakelijk kunnen worden geacht, ten laste van de Staat.

Artikel 49

Buiten geval van opzet of bewuste roekeloosheid is de aansprakelijkheid van de directeur voor voorwerpen die een gedetineerde ingevolge artikel 45, tweede lid, van de wet onder zich heeft, beperkt tot duizend gulden per voorwerp, inclusief eventuele gevolgschade.

HOOFDSTUK 12 WIJZIGING ANDERE REGELGEVING

Artikel 50

Artikel 14, eerste lid, van het Besluit politieregisters1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel g wordt «artikel 6 van de Beginselenwet gevangeniswezen» vervangen door: artikel 1, onder b, van de Penitentiaire beginselenwet.

2. Onderdeel h komt te luiden:

h. Onze Minister van Justitie, voor zover dit in het kader van de benoeming, de herbenoeming of het ontslag van de leden van de commissies van toezicht bij de inrichtingen, genoemd onder g, noodzakelijk is teneinde na te gaan of er bezwaren bestaan tegen benoeming van de betrokkene;.

Artikel 51

In onderdeel Z.080 van de bijlage bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 19942 wordt «Beginselenwet gevangeniswezen» vervangen door: Penitentiaire beginselenwet.

Artikel 52

Artikel 7 van het Besluit buitengewoon strafrecht3 vervalt.

Artikel 53

In artikel 2 van het Besluit van 9 juni 1982,4 omtrent het regiem voor militairen die in het huis van bewaring en de gevangenis van het Militair Penitentiair Centrum «Nieuwersluis» voorlopig arrest, respectievelijk gevangenisstraf, hechtenis of militaire detentie ondergaan wordt «Gevangenismaatregel» vervangen door: Penitentiaire beginselenwet en de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

Artikel 54

In artikel 2 van het Besluit van 22 februari 18965 tot invoering van signalementkaarten wordt «de strafgevangenissen, in de huizen van bewaring door den Minister van Justitie aan te wijzen, in de rijkswerkinrichtingen» vervangen door: de gevangenissen, in de huizen van bewaring door de Minister van Justitie aan te wijzen.

Artikel 55

Artikel 15, tweede lid, onder c, van het Dienstplichtbesluit6 komt te luiden:

c. is opgenomen in een inrichting voor justitiële kinderbescherming of een inrichting in de zin van de Penitentiaire beginselenwet;.

Artikel 56

De artikelen 36 tot en met 39 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden7 komen te luiden:

Artikel 36

Aan een inrichting zijn geestelijke verzorgers van verschillende godsdiensten of levensovertuigingen verbonden, doch in elk geval geestelijke verzorgers van protestantse en rooms-katholieke gezindte en geestelijke verzorgers behorend tot het humanistisch verbond.

Artikel 37

  • 1. Bij het Ministerie van Justitie zijn een hoofdpredikant, een hoofdaalmoezenier en een hoofd humanistisch geestelijke verzorging aangesteld. Zij treden op als vertegenwoordiging van de zendende instanties en dienen Onze Minister gevraagd en ongevraagd van advies omtrent de geestelijke verzorging in de inrichtingen.

  • 2. De hoofden, genoemd in het eerste lid, zijn in ieder geval belast met het doen van voordrachten voor aanstelling van geestelijke verzorgers bij de rijksinrichtingen behorende tot hun gezindte of levensovertuiging.

Artikel 38

  • 1. De aanstelling van een geestelijke verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijke verzorger behorend tot het humanistisch verbond bij een rijksinrichting geschiedt door of vanwege Onze Minister op voordracht van de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 37, eerste lid.

  • 2. De aanstelling van een geestelijke verzorger van protestantse of rooms-katholieke gezindte of een geestelijke verzorger behorend tot het humanistisch verbond bij een justitiële particuliere inrichting geschiedt door of vanwege het bestuur van de inrichting gehoord de betrokken hoofdgeestelijke, genoemd in artikel 37, eerste lid.

Artikel 39

  • 1. Een geestelijke verzorger van een andere dan de in artikel 36 genoemde gezindte of levensovertuiging kan door het hoofd van de rijksinrichting aan diens inrichting worden verbonden anders dan bij wijze van een aanstelling. Het hoofd van de rijksinrichting neemt deze beslissing niet dan na overleg met de reeds aan de inrichting verbonden geestelijke verzorgers.

  • 2. Onze Minister kan functievereisten vaststellen ten aanzien van geestelijk verzorgers zoals bedoeld in de eerste volzin van het eerste lid.

  • 3. Een geestelijke verzorger die aan een rijksinrichting is verbonden anders dan bij wijze van aanstelling, ontvangt een bij regeling van Onze Minister vast te stellen vergoeding voor zijn werkzaamheden en de door hem gemaakte kosten.

Artikel 57

Artikel 1.4, eerste lid, onder c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit8 komt te luiden:

c. justitiële inrichting: een gevangenis of huis van bewaring als bedoeld in de Penitentiaire beginselenwet, een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden of een rijksinrichting voor justitiële kinderbescherming als bedoeld in de Wet op de Jeugdhulpverlening.

HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALINGEN

Artikel 58

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de wet en dit besluit en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift terzake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit besluit de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 59

De Gevangenismaatregel wordt ingetrokken.

Artikel 60

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 61

Dit besluit wordt aangehaald als: Penitentiaire maatregel.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 23 februari 1998

Beatrix

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de vijfde maart 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

INHOUDSOPGAVE

  
HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN1
  
HOOFDSTUK 2 OPPERBEHEER INRICHTINGEN EN REGIME2
  
HOOFDSTUK 3 PENITENTIAIR PROGRAMMA2
  
HOOFDSTUK 4 COMMISSIE VAN TOEZICHT EN BEKLAGCOMMISSIE5
  
HOOFDSTUK 5 GEDWONGEN GENEESKUNDIGE HANDELINGEN7
  
HOOFDSTUK 6 GEESTELIJKE VERZORGING8
  
HOOFDSTUK 7 BEROEP TEGEN MEDISCH HANDELEN9
  
HOOFDSTUK 8 DOSSIERS12
  
HOOFDSTUK 9 BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT VEROORDEELDEN TOT EEN VRIJHEIDSSTRAF TEN AANZIEN VAN WIE ARTIKEL 13 OF 19 VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT IS TOEGEPAST13
  
HOOFDSTUK 10 VERGOEDINGEN BEKLAG- EN BEROEPSPROCEDURES14
  
HOOFDSTUK 11 KOSTEN EN AANSPRAKELIJKHEID DIRECTEUR14
  
HOOFDSTUK 12 WIJZIGING ANDERE REGELGEVING15
  
HOOFDSTUK 13 SLOTBEPALINGEN17

NOTA VAN TOELICHTING

1. Algemeen

Dit besluit geeft de regels die voortvloeien uit de Penitentiaire beginselenwet (PBW). In de memorie van toelichting bij dit voorstel van wet werd ingegaan op het niveau van regelgeving.1 Hierin werd de Penitentiaire maatregel aangekondigd.

De in dit besluit opgenomen bepalingen vormen deels nadere regelgeving van onderwerpen die tevens in de PBW zijn opgenomen. Het gaat hierbij om het opperbeheer van de inrichtingen, het penitentiair programma en de gedwongen geneeskundige handelingen. Voor een ander deel zijn het onderwerpen ten aanzien waarvan in de PBW werd aangekondigd dat daar op dit niveau regels voor gegeven zouden worden. Deze regels betreffen de commissie van toezicht en de beklagcommissie, de dossiers en vergoedingen in verband met beklag- en beroepsprocedures. De regels, gesteld in hoofdstuk 9 inzake de plaatsing en overplaatsing van tot vrijheidsstraf veroordeelden in een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden, zijn gebaseerd op artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht.

Het ontwerp-besluit is voor advies voorgelegd aan de Vereniging van directeuren van penitentiaire inrichtingen, de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, de Stichting Reclassering Nederland, het openbaar ministerie, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Registratiekamer. De bepalingen over geestelijke verzorging zijn tevens voorgelegd aan het Rooms-Katholieke Kerkgenootschap, de Interkerkelijke Commissie voor de Geestelijke Verzorging in de Inrichtingen van Justitie en het Humanistisch Verbond. De opmerkingen in de gegeven adviezen zijn zo veel mogelijk verwerkt. Zo nodig wordt in de toelichting nader ingegaan op deze adviezen.

2. De commissies van toezicht en de Algemene wet bestuursrecht

In de memorie van toelichting bij de PBW (kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, blz. 9–10) werd reeds ingegaan op de niet-toepasselijkheid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. Artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb bepaalt dat die wet niet van toepassing is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. In de toelichting bij de PBW werd geconcludeerd dat de Awb op het handelen van bij de tenuitvoerlegging van de detentie betrokken bestuursorganen niet van toepassing is.

In hoofdstuk 4 van deze Penitentiaire maatregel worden onder andere regels gegeven omtrent de benoeming, herbenoeming en ontslag van de leden, voorzitter en secretaris van de commissie van toezicht. Deze beslissingen worden door de Minister van Justitie genomen. Een dergelijke beslissing strekt evenwel niet ter uitvoering van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Ten aanzien van deze beslissingen dient derhalve de conclusie te zijn dat de uitzonderingsbepaling van artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb niet van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat de bepalingen van de Awb betreffende de voorbereiding en het nemen van besluiten op de beslissingen van de minister tot benoeming, herbenoeming en ontslag van leden, voorzitter en secretaris van toepassing zijn (hoofdstukken 2 en 3 Awb). Tegen een beslissing tot benoeming als bedoeld in artikel 8:4, onder d, Awb, staat evenwel in het stelsel van de Awb geen beroep open bij de rechtbank. Voor die gevallen kan de belanghebbende zich zo nodig tot de civiele rechter wenden.

3. Differentiatie naar strafduur of strafrestant

In de PBW wordt in Hoofdstuk III de mogelijke differentiatie van de penitentiaire inrichtingen geregeld. Het betreft het onderscheiden van inrichtingen of afdelingen daarvan in huis van bewaring en gevangenis (artikelen 9 en 10), inrichtingen voor vrouwen en mannen (artikel 11), inrichtingen van verschillende beveiligingsniveaus (artikel 13) en inrichtingen voor gedetineerden die een bijzondere opvang behoeven (artikel 14). Artikel 10, derde lid, PBW bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de gevangenissen kunnen worden onderscheiden naar de lengte van de straf of het strafrestant van de daarin op te nemen tot vrijheidsstraf veroordeelden. In de memorie van toelichting bij de PBW ging ik in op de differentiatie van gevangenissen naar strafduur of strafrestant.1 Ik gaf aan dat met name het begrip strafrestant een belangrijke rol speelt bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Naarmate het strafrestant korter wordt, wordt de opdracht van het gevangeniswezen om de gedetineerde voor te bereiden op diens terugkeer in de samenleving meer pregnant en neemt de noodzaak van beveiligingsvoorzieningen af.

Het beleid op het terrein van de selectie van gedetineerden is de laatste jaren volop in beweging geweest. Het indienen van de PBW bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1 augustus 1995), met daarin de voorstellen voor een nieuw differentiatiestelsel, heeft dit proces nog eens versneld. In de nota naar aanleiding van het verslag noemde ik al de totstandkoming van het Risicoprofiel Gedetineerden.2 Inmiddels wordt dit risicoprofiel in ruime mate toegepast. Op basis van onder andere dit profiel wordt bepaald wat het beveiligingsniveau dient te zijn van de inrichting waarin de betrokken gedetineerde wordt geplaatst. Ook op het gebied van de zogenoemde detentieplanning zijn de nodige ontwikkelingen gaande. Bij aanvang van de vrijheidsstraf wordt van de meeste gedetineerden een mogelijk detentietraject opgesteld. Aspecten als detentiefasering en de daaraan verbonden regionalisering spelen hierbij een zeer belangrijke rol. Steeds minder van belang hierbij is het huidige onderscheid tussen kort- en langgestraften. Van de huidige grens van zes maanden werkelijke straftijd, zoals aangegeven in de artikelen 17 en 18 van de Beginselenwet gevangeniswezen, staat al enige tijd vast dat die geen wezenlijk doel meer dient. De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing heeft in het verleden gepleit voor een driedeling naar strafduur. Bij het zoeken naar een zinvol onderscheid bleek mij echter dat het geven van een dergelijke grens bij de capaciteitsbenutting alleen maar belemmerend werkt. Aspecten die de plaatsing van een gedetineerde bepalen zijn gelegen in het beveiligingsniveau dat die gedetineerde behoeft en het regime waarvoor de gedetineerde geschikt is (beperkte of algehele gemeenschap) of waaraan hij behoefte heeft (bijzondere opvang). Deze aspecten zijn reeds in de PBW zelf neergelegd. Het, gegeven deze criteria, handhaven van een statische grens tussen kort- en langgestraften die op zichzelf geen regimesinhoudelijke consequenties heeft, betekent dan slechts een ongewilde complicering van het differentiatiestelsel, in termen van selectie en, in nauwe samenhang daarmee, van maximale en optimale capaciteitsbenutting.

Ik ben dan ook van mening dat op dit moment volstaan kan worden met de in de PBW gegeven vormen van differentiatie. Van de mogelijkheid geboden door artikel 10, derde lid, PBW, om op het niveau van de Penitentiaire maatregel de gesloten gevangenissen naar strafduur of strafrestant verder te onderscheiden, zal ik thans dus geen gebruik maken. Dit daargelaten de differentiatie naar strafrestant die ligt besloten in artikel 9, tweede lid, onder b, PBW waarin is aangegeven dat gedetineerden van wie het strafrestant bij het onherroepelijk worden van de veroordeling niet meer dan drie maanden bedraagt, in een huis van bewaring verblijven.

In de ministeriële regeling waarin de selectiecriteria zullen worden vastgesteld (ingevolge de artikelen 13, derde lid, en 14, derde lid, PBW) zullen grenzen worden gesteld aan de verblijfsduur in de verschillende inrichtingen. Bij de criteria voor plaatsing in een inrichting met een zeer beperkt beveiligingsniveau (de huidige penitentiaire open inrichtingen) kan worden bepaald dat slechts gedetineerden met een bepaald strafrestant in die inrichtingen kunnen worden geplaatst. Op deze wijze beoog ik tegemoet te komen aan de bezwaren van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing. Die adviseerde primair in de wet zelf, doch in ieder geval in de Penitentiaire maatregel, differentiatie naar strafduur c.q. strafrestant op te nemen.

4. Penitentiair programma

In de artikelen 5 tot en met 10 worden de kaders gegeven waarbinnen deelname van gedetineerden aan een penitentiair programma kan plaatsvinden. Het penitentiair programma is een wijze van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf waarbij de gedetineerde zijn hoofdverblijfplaats niet meer in een inrichting heeft. De deelnemer aan een penitentiair programma dient een samenstel van activiteiten te verrichten dat tevoren voor hem is vastgesteld, en waaraan hij heeft aangegeven daarmee in te stemmen. Met tenuitvoerlegging in de vorm van een penitentiair programma wordt bijgedragen aan de terugkeer van de gedetineerde in de samenleving.

Een afgestrafte valt ook tijdens zijn deelname aan een penitentiair programma onder de verantwoordelijkheid van het gevangeniswezen. De bevoegdheid voor de plaatsing in een penitentiair programma ligt bij de selectiefunctionaris. Die beslist op grond van een voordracht van de directeur van de inrichting en op advies van de reclassering. De directeur kan ook advies vragen aan het openbaar ministerie en hij is daartoe verplicht indien het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven.

De algemene verantwoordelijkheid voor een penitentiair programma ligt bij de directeur van de penitentiaire inrichting of afdeling waarin de deelnemer aan het penitentiair programma is ingeschreven. Hiermee is het gevangeniswezen eindverantwoordelijke voor (plaatsing in en beëindiging van) het penitentiair programma van een deelnemer. Aan de directeur moet worden onder meer worden gerapporteerd over de voortgang van een deelnemer aan het programma. De directeur kan bij overtreding van de voorwaarden die aan het programma zijn verbonden de deelnemer waarschuwen, bijzondere voorwaarden stellen aan de deelname of adviseren de deelname aan het programma te beëindigen.

Degene die is belast met de feitelijke begeleiding van en het toezicht op de deelnemer aan het penitentiair programma kan per programma verschillen. De reclassering zal echter een belangrijke functie kunnen vervullen bij het begeleiden van de veroordeelde gedurende diens deelname aan een penitentiair programma. Ook de ontwikkeling van programma's is in beginsel een taak van de reclassering. Maar ook anderen dan de reclassering moeten in bijzondere gevallen penitentiaire programma's kunnen aanbieden. Zij leggen dan voor het aanbod en de uitvoering (inclusief toezicht) rechtstreeks verantwoording af aan de directeur van de inrichting.

Voor de situatie dat de reclassering geen uitvoerder of aanbieder van een penitentiair programma is wijs ik nog op artikel 11 van de Reclasseringsregeling 1995, waarin staat dat de reclassering ten aanzien van de gedetineerden de taak heeft deze de nodige hulp en steun te verlenen bij hun terugkeer in de samenleving. Wanneer het penitentiair programma feitelijk door de reclassering wordt begeleid of deze een rol heeft in het toezicht zal aan deze bepaling inhoud zijn gegeven. Bij penitentiaire programma's waarbij de reclassering niet of slechts in beperkte mate is betrokken, acht ik het gewenst dat in de omschrijving van het penitentiair programma nadrukkelijk aandacht aan deze rol van de reclassering wordt besteed.

Er wordt met deze modaliteit een wettelijke basis geboden voor experimenten die onder artikel 47 Beginselenwet gevangeniswezen vallen en voor de door het gevangeniswezen ontwikkelde experimenten rond dagdetentie, REtour en elektronisch toezicht. Deze voorlopers zullen allen worden bezien op een mogelijke erkenning als penitentiair programma.

Door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en de Stichting Reclassering Nederland (SRN) worden momenteel ook kaders voor nieuwe penitentiaire programmas ontwikkeld. Reeds begin 1997 heeft de SRN daartoe een Plan van aanpak opgesteld. Voorts is een projectorganisatie opgesteld waarin beide organisaties zijn vertegenwoordigd en die nadere uitwerking geven aan de ontwikkeling van nieuwe penitentiaire programma's. De kosten die hiermee gemoeid zijn worden, afgezien van extra geld voor de ontwikkelingsfase, binnen de bestaande financiële middelen opgevangen. Ik verwacht dat bij de evaluatie van de Penitentiaire beginselenwet de experimentele fase van de nieuwe penitentiaire programma's zal zijn geëindigd.

Het openbaar ministerie en de SRN achten de positie van de selectiefunctionaris en de directeur van de inrichting onduidelijk ten opzichte van elkaar. De systematiek van de PBW met betrekking tot plaatsing en beëindiging van een plaatsing en het feit dat een gedetineerde die deelneemt aan een programma onder de verantwoordelijkheid van de directeur blijft vallen, brengt echter de geschetste positie van beide functionarissen met zich mee. Ik acht deze posities vanuit een oogpunt van juiste toedeling van verantwoordelijkheden helder.

Deze instanties stellen zich verder op het standpunt dat een systeem van belonen en waarschuwen, verlenen of intrekken van vrijheden en het geven van een advies om te stoppen een integraal onderdeel dient te zijn van de inhoud van een programma. Zij willen voorkomen dat in de dagelijkse praktijk de reclassering met lege handen tegenover de deelnemer komt te staan. Zij wijzen onder andere op de ervaringen bij de uitvoering van taakstraffen. Ik onderschrijf de wenselijkheid dat de reclassering en eventuele andere uitvoerders van penitentiaire programma's bij de uitoefening van hun begeleiding en toezicht voldoende ruimte hebben om, bij voorbeeld voorafgaand aan het geven van een schriftelijke aanwijzing door de directeur, zo nodig corrigerend, alsmede effectief en efficiënt op te treden naar de deelnemer. Dit laat onverlet dat de directeur (anders dan bij de executie van taak-straffen) de algemene verantwoordelijkheid die hij draagt voor (de deelnemer in) het penitentiair programma moet kunnen waarmaken. Ik ga ervan uit dat – naast hetgeen hierover in de toelichting bij artikel 9 is vermeld – bij een gebleken behoefte aan aanvulling hierop in de praktijk, samenwerkingsafspraken tussen gevangeniswezen en reclassering voor – aanvullende – duidelijkheid zullen kunnen zorgen. Ook de ervaringen op dit onderdeel bij het experiment elektronisch toezicht kunnen hier mogelijk van nut zijn. Tussen de DJI en de SRN zal binnenkort een samenwerkingsprotocol worden afgesloten waarin een aantal van deze afspraken zijn neergelegd.

5. Artikelsgewijze toelichting

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

Vrijwel alle begrippen die in dit besluit voorkomen zijn reeds toegelicht in de PBW. De aldaar in artikel 1 gegeven definities zijn tevens op dit besluit van toepassing.

Met de term reclassering wordt blijkens onderdeel b van dit artikel gedoeld op de stichting en de daaronder functionerende onderdelen en de reclasseringsinstellingen zoals die zijn gedefinieerd in de Reclasseringsregeling 1995. Als reclasseringsinstelling zijn momenteel erkend de Nederlandse Vereniging van Instellingen voor Verslavingszorg (NeVIV) en de afdeling Reclassering Leger des Heils van de Stichting Welzijns- en Gezondheidszorg.

Onderdeel c geeft een definitie van het begrip executie-indicator. Deze indicator (ofwel oormerk) wordt door of namens de officier van justitie geplaatst op het door hem in te vullen zogenoemde risico-analyse-formulier. Dit formulier vormt mede de basis voor het risicoprofiel dat van elke gedetineerde wordt opgesteld. Met het plaatsen van de executie-indicator maakt het openbaar ministerie aan de administratie duidelijk dat het ten aanzien van die bepaalde gedetineerde wil adviseren wanneer er beslissingen worden genomen waarbij periodiek verlof (AVG-verlof of regimair verlof) wordt toegekend. De aspecten die aan de orde komen bij de bepaling van het risicoprofiel van de gedetineerde zullen in de ministeriële regeling ter uitvoering van artikel 15, zesde lid, PBW, omtrent de procedure tot plaatsing, overplaatsing en overbrenging, worden neergelegd. Thans zijn deze bij circulaire bepaald. Daarbij zal ik tevens aandacht besteden aan de door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak gegeven suggestie om een bandbreedte vast te stellen waarbinnen consultatie van het openbaar ministerie niet verplicht is (de werkgroep die het advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak voorbereidde dacht aan onvoorwaardelijke gevangenisstraffen vanaf 9 maanden).

Deze handelwijze past goed in de nieuwe formulering van artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering, waarin is aangeven dat de tenuitvoerlegging geschiedt door het openbaar ministerie of op voordracht van deze door Onze Minister. Hetzelfde geldt ten opzichte van artikel 15, vierde lid, PBW, waarin is aangegeven dat de selectiefunctionaris bij zijn (over)plaatsingsbeslissingen de aanwijzingen van onder andere het openbaar ministerie in aanmerking neemt. Een en ander betekent wel dat het openbaar ministerie niet meer op basis van regelgeving bij de tenuitvoerlegging betrokken is (vergelijk het oude artikel 116 van de Gevangenismaatregel, waarin het openbaar ministerie in beroep kon gaan tegen een (over)plaatsingsbeslissing van de minister), maar dat het zelf bepaalt in welke gevallen het bij de tenuitvoerlegging betrokken wil worden. Overigens kan de administratie ook buiten deze gevallen desgewenst advies vragen aan het openbaar ministerie.

HOOFDSTUK 2. OPPERBEHEER INRICHTINGEN

Artikel 2

In dit artikel wordt een aantal aspecten geregeld in verband met de verhouding tussen de Minister van Justitie als opperbeheerder van de penitentiaire inrichtingen en de directeur van een inrichting.

Op 1 januari 1995 is de toenmalige directie Delinquentenzorg en Jeugdinrichtingen van het Ministerie van Justitie verzelfstandigd tot het huidige agentschap Dienst Justitiële Inrichtingen. Het snel groeiende en in professionaliteit toenemende penitentiaire veld vereist een wijze van besturing die meer op afstand staat. Het wordt steeds meer noodzakelijk om de sturing tot de hoofdlijnen te beperken en uitvoeringsbevoegdheden te deconcentreren. Met de instelling van de DJI is de afstand tussen de minister en de directeuren van de inrichtingen vergroot. De minister blijft echter verantwoordelijk voor hetgeen zich in de DJI en de daaronder ressorterende inrichtingen afspeelt. Met deze ontwikkeling is vorm gegeven aan de modernisering van de justitiële organisatie zoals werd aangekondigd in het beleidsplan voor justitie «Recht in beweging» uit 1990.

De minister (i.c. zal dit steeds het Hoofd DJI zijn) maakt in zijn bestuurlijke relatie tot de directeur van de inrichting, voor zover het gaat om de bedrijfsvoering, gebruik van het zogenoemde planning en control-instrument. Een dergelijk instrument wordt eveneens voor de justitiële inrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden en de justitiële jeugdinrichtingen gehanteerd.

Het planning en control-instrument kent een cyclisch verloop. De belangrijkste elementen uit deze cyclus vormen de jaarplannen, de jaarafspraken en de jaarverslagen van de inrichtingen. Een recente ontwikkeling is de totstandkoming van meerjarenbeleidsplannen. Dergelijke plannen geven voor meerdere (doorgaans vijf) jaren aan welk beleid in de betreffende inrichting zal worden gevoerd. Hierdoor ontstaat tevens inzicht in de globale kosten en opbrengsten voor die jaren. In de begroting bij een jaarplan, dat de inrichting voor 1 oktober van het voorgaande jaar moet indienen, geeft de inrichting onder meer aan welke kosten en opbrengsten in het komende jaar verwacht worden. Op basis van de begroting stelt de minister het budget vast en worden beleidsmatige afspraken gemaakt. Deze zaken worden vervolgens schriftelijk vastgelegd in de zogenoemde jaarafspraken. Bij onvoorziene omstandigheden kunnen lopende het (begrotings)jaar aanpassingen worden aangebracht in de jaarafspraken. Een inrichting kan extra geld krijgen maar kan, na een besluit van de regering of de minister tot bezuinigingen, ook gekort worden. In het jaarverslag, dat voor 1 maart aan de minister moet worden aangeboden, wordt onder meer verantwoording afgelegd van het gevoerde beleid over het voorgaande jaar. De controlfunctie behelst dat de minister decharge verleent aan de directeur.

Een deel van die verantwoording vindt plaats door het aangeven van scores op kengetallen uit het planning en control-instrument. Kengetallen zijn feitelijk graadmeters die vanuit de bestuurlijke relatie tussen de minister en de inrichtingen relevant zijn. Zo worden thans zaken die de gedetineerden betreffen, opgegeven, zoals het aantal verleende verloven, het aantal ontvluchtingen en overige onttrekkingen aan de detentie, het aantal klachten en de uitspraak daarop. Ook worden gegevens betreffende het personeel vermeld, zoals ziekteverzuim.

In dit artikel zijn de kernelementen van het planning en control-instrument opgenomen, alsmede de bepaling dat de minister nadere regels kan stellen. Hiermee wordt gedoeld op voornoemd instrument.

Artikel 3

In deze bepaling wordt nadere invulling gegeven aan de verschillende soorten regimes die in de inrichtingen worden gevoerd. De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing adviseerde deze bepalingen op het niveau van de Penitentiaire maatregel neer te leggen. De Raad van State onderschreef dit advies. De invulling van de uitgangspunten voor regimes vormt een essentieel onderdeel van het penitentiaire beleid. Het gevoerde regime is in belangrijke mate bepalend voor de wijze waarop de vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd. De hoofdlijnen van de gevoerde regimes en de absolute minima waar de gedetineerden recht op hebben zijn op het niveau van de PBW gegeven. Artikel 3 voegt daar de duur van het dagprogramma en de duur van de daarbinnen geboden activiteiten en het bezoek voor de hoofdregimesvormen aan toe. Met het dagprogramma wordt de periode bedoeld die ligt tussen het ontsluiten van de cellen van de gedetineerden in de ochtend en het weer insluiten van de gedetineerden voor de nacht. In de tussenliggende tijd kunnen activiteiten aan de gedetineerden worden aangeboden. De resterende uren van het dagprogramma zijn onder andere bedoeld voor persoonlijke verzorging en het nuttigen van de maaltijden. De gedetineerden kunnen ook gedurende het dagprogramma in hun cel worden ingesloten waarbij het feitelijk aantal uren afhankelijk is van het soort regime. De in dit artikel genoemde uren zijn getotaliseerd per week. Dit geeft de inrichtingen de mogelijkheid om zelf nadere invulling te geven aan het dagprogramma. Dit kan voor gedetineerden verschillend zijn. Zo kan de ene afdeling op woensdag geen avondprogramma hebben, terwijl dat voor een andere afdeling op een andere dag is. Uit het dagprogramma voor de inrichting c.q. afdeling moet dit duidelijk worden. In ieder geval dienen de activiteiten op evenwichtige wijze te worden gespreid, in acht nemende dat het weekeind-programma doorgaans korter duurt dan het dagprogramma op werkdagen.

Ten aanzien van een aantal regimesvormen (zoals voor bijzondere zorg) bestaat de behoefte om die op centraal niveau nader aan te kunnen geven. Aangezien het hier gaat om een onderwerp waarbij snel moet kunnen worden ingespeeld op de behoeften van de gedetineerden of zich wijzigende omstandigheden acht ik het passend deze nadere invulling in een ministeriële regeling op te nemen. Het vierde lid van dit artikel geeft daarvoor de basis. De directeur in wiens inrichting de betrokken gedetineerden verblijven zal dit onderdeel van de ministeriële regeling in de huisregels moeten opnemen. De Centrale Raad verwijst in haar advies terecht naar regimes die speciaal inspelen op de gedragskarakteristieken van een bepaalde categorie gedetineerden (bijzondere zorg).

Artikel 4

In verband met de eindverantwoordelijkheid ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen alsmede de politieke verantwoordelijkheid die hiermee gepaard gaat, is het noodzakelijk dat de minister op de hoogte wordt gesteld van alle onttrekkingen aan de detentie (waaronder de ontvluchtingen). Tevens impliceert het goed kunnen dragen van deze verantwoordelijkheid dat de inrichting alle inlichtingen verstrekt die door de minister gevraagd worden.

HOOFDSTUK 3. PENITENTIAIR PROGRAMMA

Voor de bepalingen van dit hoofdstuk geldt, ingevolge artikel 4, vierde lid, van de PBW een zogenoemde voorhangprocedure. Het gaat hier om de vorm van gecontroleerde delegatie, waarbij de hier gegeven regels niet eerder in werking treden dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit is geplaatst. Van deze plaatsing is onverwijld melding gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 5

In het eerste lid wordt bepaald dat een penitentiair programma minimaal 26 uur van een week omvat. Met dit aantal uren is aangesloten bij de gemiddelde arbeidsduur zoals die binnen een penitentiaire inrichting ingevolge de Nota Werkzame Detentie1 gebruikelijk is. Bij de bestaande experimenten met elektronisch toezicht voor gedetineerden in de laatste fase van de detentie wordt een programma van activiteiten vastgesteld dat ook zo veel mogelijk aan deze norm van 26 uur voldoet. Door een minimumgrens te stellen aan het aantal uren dat een penitentiair programma moet beslaan wordt mede inhoud gegeven aan het strafkarakter van het penitentiaire programma. Het strafkarakter van het penitentiair programma wordt primair bepaald door de aard van de activiteiten, de verplichting tot deelname en de controle daarop.

In het tweede lid worden de activiteiten genoemd die in het kader van een penitentiair programma kunnen worden geboden. De activiteiten dienen gericht te zijn op onderwijs, arbeid of arbeidstoeleiding of het aanleren van sociale vaardigheden en zijn daarmee nadrukkelijk gericht op resocialisatie. Penitentiaire programma's kunnen ook gericht zijn op groepen van gedetineerden die bijzondere zorg behoeven. Hiertoe wordt in het tweede lid tevens aangegeven dat een penitentiair programma ook op deze zorg betrekking kan hebben. Voorbeelden hiervan zijn speciale programma's voor (drugs)verslaafden of geestelijk gestoorden. Met name bij deze programma's ligt het overigens voor de hand dat zij volgen op een verblijf in een inrichting of afdeling voor bijzondere zorg als bedoeld in artikel 14 van de PBW. De laatste zinsnede van het tweede lid laat open dat nog andere programma's dan de daarvoor genoemde kunnen worden erkend. Te denken valt bij voorbeeld aan de experimenten die thans met elektronisch toezicht worden gehouden. Over de mogelijkheden van elektronisch toezicht in het kader van penitentiair programma's wordt verder verwezen naar de brief van 30 oktober 1997 aan de Tweede Kamer.1

Een gedetineerde heeft geen recht op deelname aan een penitentiair programma. Het is een gunst die hij door zijn gedrag kan verdienen dan wel hem op grond van een bijzondere zorgbehoefte geboden wordt. Een gedetineerde heeft evenmin recht op een penitentiair programma van een bepaalde duur. Het is dus niet zo dat een gedetineerde die in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, aanspraak kan maken op een programma met een duur van bij voorbeeld één jaar.

Ingevolge het vierde lid kunnen nadere regels worden gesteld over de procedure die gevolgd moet worden voordat een penitentiair programma door de minister erkend kan worden. Conform het advies van de Raad van State zal in de procedure voor erkenning betrokkenheid van het openbaar ministerie en de zittende magistratuur worden opgenomen. Tevens kunnen kwaliteitseisen worden gesteld. In ieder geval zal bij ieder penitentiair programma duidelijk moeten zijn uit welke activiteiten het programma bestaat, wie de uitvoeringsverantwoordelijkheid draagt, wie binnen het programma het feitelijk toezicht uitoefent, wie is belast met de begeleiding van de deelnemer, op welke wijze melding wordt gemaakt van bijzondere voorvallen die zich gedurende het penitentiair programma voordoen, alsmede de wijze waarop over de deelnemer wordt gerapporteerd en de frequentie daarvan (zie het derde lid). Doorgaans zal degene die het penitentiair programma aanbiedt – en daarvoor de uitvoeringsverantwoordelijkheid draagt – degene zijn die het toezicht uitoefent. De daadwerkelijke begeleiding van de deelnemer kan ook door een ander worden geboden. Aangezien de penitentiaire programma's nogal van aard en duur kunnen verschillen is het niet zinvol hier op het niveau van de Penitentiaire maatregel regels over te stellen. Deze kunnen per programma bij de erkenning worden vastgesteld.

In het vijfde lid is bepaald dat de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud van de deelnemer aan een penitentiair programma niet voor rekening van het Ministerie van Justitie komen. Een deelnemer aan een penitentiair programma zal wanneer hij inkomen uit arbeid ontvangt gedurende dit programma deze kosten zelf kunnen dragen. Deelnemers aan een penitentiair programma die niet kunnen voorzien in hun onderhoud kunnen een beroep doen op de Algemene bijstandswet. Dit is bij circulaire van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 april 1997, nr. BZ/VOL/97/7012, bekendgemaakt. Voorts is een wetsvoorstel in voorbereiding tot wijziging van – onder andere – de Algemene bijstandswet waardoor wettelijk wordt vastgelegd dat deelnemers aan een penitentiair programma een beroep kunnen doen op deze wet. Dit wetsvoorstel zal binnenkort bij de Tweede Kamer worden ingediend. Onder de noodzakelijke kosten van bestaan vallen tevens kosten van medische zorg. De deelnemer zal zich daarvoor kunnen verzekeren, dan wel onder de criteria van het ziekenfonds vallen.

Artikel 6

De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf in de vorm van een penitentiair programma wordt gehanteerd in het kader van de detentiefasering. Zie hiervoor de criteria gegeven in artikel 4, tweede lid, van de PBW. Tenuitvoerlegging in de vorm van een penitentiair programma wanneer het gaat om veroordeelde gedetineerden kan slechts onder de daar genoemde omstandigheden plaatsvinden. In de eerste plaats wordt bepaald dat alleen gedetineerden met een straf van meer dan één jaar in aanmerking komen (onderdeel a). Het gaat hier om de totale opgelegde straf, hetgeen betekent dat het ook om meer vonnissen met een totaal van meer dan één jaar kan gaan. Veroordeelde gedetineerden met een kortere straf komen dus niet in aanmerking voor deelname aan een penitentiair programma. De reden hiervoor is de volgende. Wanneer de rechter een vrijheidsstraf van niet meer dan zes maanden overweegt kan hij in plaats daarvan een werkstraf opleggen. In het binnenkort te verwachten voorstel van wet waarbij de bepalingen van de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte worden herzien, zal er voor de rechter een combinatiemogelijkheid worden geïntroduceerd om naast een vrijheidsstraf van zes maanden een taakstraf op te leggen. Deze modaliteit beoogt een alternatief te bieden voor vrijheidsstraffen tot en met één jaar. Om ongewenste samenloop tussen deze vorm en tenuitvoerlegging van een deel van de vrijheidsstraf in de vorm van een penitentiair programma te voorkomen wordt voor de laatste een grens betrokken bij één jaar vrijheidsstraf.

Onderdeel b van het tweede lid van artikel 4 van de PBW bepaalt dat een gedetineerde pas in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma wanneer deze de helft van de totale opgelegde straf heeft ondergaan. Het gaat hier om de door de rechter opgelegde straf, zonder rekening te houden met de vervroegde invrijheidstelling. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag bij de PBW werd uiteengezet1, acht ik dit moment het meest voor de hand liggend om een grens te leggen. Een vrijheidsstraf beoogt enerzijds de veroordeelde te bestraffen. Anderzijds dient het gevangeniswezen – in samenwerking met de reclassering – invulling te geven aan de resocialisatie-opdracht. Op het laatste aspect is het penitentiair programma voornamelijk gericht. Alhoewel er vanzelfsprekend geen exact omslagpunt is aan te geven, moge het duidelijk zijn dat naarmate de executie van de straf vordert, het strafkarakter versoepeld kan worden ten gunste van de resocialisatieopdracht.

Gelet op de ervaringen met de extramurale executievormen vind ik het eveneens zinvol een maximumduur aan het penitentiair programma te verbinden. In artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van de PBW is daartoe aangegeven dat een penitentiair programma niet langer mag duren dan één jaar. Deze termijn moet als een maximum worden gezien. Zeker niet alle penitentiaire programma's die bestaan of worden ontwikkeld zullen zo lang duren. Ervaringen bij de taakstraffen en bij elektronisch toezicht geven aan dat de kans op slagen kleiner wordt naarmate de periode waarover deze modaliteiten zich uitstrekken langer duurt. Met name bij aanvang van de toepassing van tenuitvoerlegging als penitentiair programma zullen deze maximaal zes maanden duren. Bij goede ervaringen bestaat er een uitloopmogelijkheid naar maximaal één jaar. In voornoemd onderdeel wordt tevens de minimumduur van een penitentiair programma vastgesteld op zes weken. Dit is, gelet op de ervaringen met de inrichtingen voor dagdetentie, de kortste periode waarbinnen zinvolle activiteiten voor gedetineerden kunnen worden geboden.

In artikel 6 van de Penitentiaire maatregel wordt, in aanvulling op de hiervoor aangehaalde bepaling van de PBW, een aantal groepen gedetineerden uitgesloten van deelname aan een penitentiair programma. Het gaat in de eerste plaats om gedetineerden van wie de einddatum van detentie nog niet vaststaat. Hierbij moet gedacht worden aan gedetineerden die nog in andere strafrechtelijke procedures verwikkeld zijn waarbij een vrijheidsstraf is gevorderd. Als de VI-datum niet vaststaat kan moeilijk worden begonnen met de invulling van het detentiefaseringstraject en kan ook niet met zekerheid worden vastgesteld of de gedetineerde voldoet aan de in het eerste lid gestelde criteria. In de tweede plaats komen gedetineerden die aansluitend aan hun vrijheidsstraf nog de maatregel van TBS met bevel tot verpleging moeten ondergaan niet voor deelname aan een penitentiair programma in aanmerking. Ook gedetineerde vreemdelingen waarvan vaststaat dat zij na de detentie zullen worden uitgezet of uitgeleverd, komen niet in aanmerking. Deze wijze van tenuitvoerlegging zou immers in strijd zijn met het feit dat zij Nederland dienen te verlaten. Ten slotte komen gedetineerden die in een extra beveiligde inrichting verblijven niet in aanmerking. Ook deze beperking ligt voor de hand, nu bij deze gedetineerden sprake is van extreem vluchtgevaar.

Artikel 7

In dit artikel wordt bepaald dat de directeur van de inrichting of afdeling waar de gedetineerde verblijft een voordracht kan doen aan de selectiefunctionaris als hij van mening is dat het verantwoord is dat een gedetineerde deelneemt aan een penitentiair programma. Ingevolge artikel 18 van de PBW heeft de gedetineerde het recht een verzoek in te dienen strekkende tot deelname aan een penitentiair programma.

In het tweede lid is bepaald dat de directeur, bij de totstandkoming van zijn voordracht aan de selectiefunctionaris om een gedetineerde in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan een penitentiair programma, advies kan vragen aan het openbaar ministerie. De directeur is dit verplicht ten aanzien van de gedetineerde waaraan het openbaar ministerie een executie-indicator heeft gegeven. Het begrip executie-indicator is gedefinieerd in artikel 1, onderdeel c. De directeur vraagt tevens advies aan de reclassering in het arrondissement waar het penitentiair programma wordt ten uitvoer gelegd alvorens een voorstel tot plaatsing te doen. De reclassering zal veelal betrokken zijn bij de penitentiair programma's en daardoor deskundig advies kunnen geven over de geschiktheid van het programma voor de gedetineerde. De gegeven adviezen dienen integraal met de voordracht van de directeur aan de selectiefunctionaris te worden meegezonden. De verantwoordelijkheid voor de indiening van een afgewogen selectievoordracht ligt primair bij de directeur. Van hem mag worden verwacht dat hij zich in voorkomende gevallen verstaat met het openbaar ministerie of de reclassering. De kwaliteit van de inhoud van de voordracht en de daarop betrekking hebbende adviezen zullen voor de selectiefunctionaris in eerste instantie maatgevend zijn bij het nemen van diens beslissing. Slechts indien hij daartoe aanleiding vindt, zal hij zich voor nader overleg verstaan met het openbaar ministerie of de reclassering. Op grond van deze in het gevangeniswezen geldende besluitvormingsstructuur acht ik het opnemen in deze regeling van een gezamenlijke inspanningsverplichting voor een adequate voordracht van de directeur van de inrichting, het openbaar ministerie en de reclassering – zoals deze twee laatstgenoemde instanties in hun advies aan mij voorlegden – niet mogelijk.

In het derde lid zijn enkele aan de gedetineerde en zijn gedrag verbonden criteria opgenomen. Aspecten waaraan de gedetineerde voor deelname aan een penitentiair programma in ieder geval wordt getoetst zijn in de onderdelen a tot en met f genoemd.

Onderdeel e geeft aan dat de deelnemer een aanvaardbaar verblijfadres moet hebben. Het uitgangspunt bij plaatsing in een penitentiair programma is dat dit zoveel mogelijk wordt uitgevoerd in de regio waar de deelnemer woonachtig is dan wel gaat wonen.

Onderdeel f noemt de geschiktheid van de gedetineerde voor een bepaald programma. Hiermee wordt niet alleen bedoeld dat de gedetineerde bij voorbeeld fysiek in staat moet zijn de activiteiten die worden gesteld te volbrengen. Het geeft tevens aan dat er een relatie kan zijn tussen het programma en de specifieke problematiek van de gedetineerde. Hierbij kan gedacht worden aan een programma dat zich richt op verslaafde gedetineerden. In het vierde lid is bepaald dat de gedetineerde zich bereid moet verklaren aan het voor hem geselecteerde penitentiair programma deel te nemen. Aangezien deelname aan een penitentiair programma een gunst is, kan deze eis gesteld worden. Ik zie ervan af om – zoals het openbaar ministerie en de Stichting Reclassering Nederland adviseerden – motivatie als criterium op te nemen. Motivatie omvat meer dan bereidverklaring. Het is voorstelbaar dat er programma's worden ontwikkeld gericht op het motiveren van de deelnemer tot bij voorbeeld afkicken of tot een attitudewijziging. Een gedetineerde die aangeeft bereid te zijn zich te onderwerpen aan de inspanningen gericht op motivering is wellicht wel bereid tot deelname aan het penitentiair programma, maar daarmee nog niet gemotiveerd.

Artikel 8

In het eerste lid van deze bepaling is vastgelegd dat de directeur in algemene zin verantwoordelijk is voor het penitentiair programma. Deze verantwoordelijkheid uit zich op een aantal wijzen. Zo is het de directeur waaraan over de voortgang van een deelnemer aan een penitentiair programma wordt gerapporteerd en heeft de directeur een aantal bevoegdheden ten aanzien van de deelnemer (zie artikel 9). Met de directeur wordt hier bedoeld de directeur onder wiens verantwoordelijkheid het penitentiair programma wordt geboden. In diens inrichting zal de deelnemer aan het programma dan ook worden ingeschreven. Het betreft hier dus niet de directeur van de inrichting van waaruit de gedetineerde geselecteerd wordt voor een bepaald penitentiair programma (dit natuurlijk tenzij de gedetineerde bij dezelfde inrichting als van waaruit hij wordt voorgedragen een penitentiair programma gaat volgen).

Aangezien het penitentiair programma een wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf is, valt een afgestrafte ook tijdens zijn deelname aan het programma onder de verantwoordelijkheid van het gevangeniswezen. Dit brengt met zich mee dat de bevoegdheid voor de plaatsing in een penitentiair programma, net zoals dat geldt voor de plaatsing in een inrichting, bij de selectiefunctionaris berust. De selectiefunctionaris beoordeelt met de nodige distantie, maar op basis van een advies van de directeur die de gedetineerde goed kent, of deelname aan een penitentiair programma op zijn plaats is. Gedurende deelname aan het penitentiair programma ligt de algemene verantwoordelijkheid bij de directeur, als bedoeld in deze bepaling, waarmee de verantwoordelijkheid van het gevangeniswezen ook in deze fase tot uitdrukking komt. Het feit dat de deelnemer aan het penitentiair programma zijn hoofdverblijf niet in een inrichting heeft, en het contact tussen de directeur en de deelnemer derhalve vaak gering zal zijn, brengt met zich, dat de feitelijke begeleiding en het toezicht op de dagelijkse deelneming aan het programma zullen worden opgedragen aan de uitvoerder van het penitentiair programma (zie het tweede lid). De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing adviseerde om hierove meer duidelijkheid te scheppen. De Raad van State ondersteunde dit advies.

Wie belast is met de feitelijke begeleiding van en het toezicht op de deelnemer aan het penitentiair programma kan per programma verschillen. Ik acht het zinvol om, nu de ontwikkelingen omtrent de inhoud en mogelijk andere aanbieders dan de reclassering van het penitentiaire programma nog volop in beweging zijn, op dit punt in deze Penitentiaire maatregel de reclassering niet als enige feitelijke begeleider en toezichthouder (ook wel trajectbegeleider) aan te wijzen. De wettelijke regeling van het penitentiair programma beoogt immers enerzijds een wettelijke basis te bieden voor de experimenten die onder artikel 47 BWG functioneerden, zoals dagdetentie, REtour, en elektronisch toezicht. Deze experimenten zijn primair door het gevangeniswezen ontwikkeld en kunnen onder de nieuwe wettelijke regeling als een penitentiair programma worden gezien. Het is met het wettelijk vastleggen van het penitentiair programma anderzijds de bedoeling dat er, naast de hiervoor genoemde experimenten, nieuwe penitentiaire programma's zullen worden ontwikkeld. In de memorie van toelichting bij de PBW wees ik er reeds op dat met name de reclassering een sleutelfunctie zal kunnen vervullen bij de begeleiding van de veroordeelde gedurende diens deelname aan een penitentiair programma. Maar ook de ontwikkeling van programma's zal in beginsel een taak van de reclassering zijn. Ik verwacht dat op termijn de meeste penitentiaire programma's door de reclassering zullen worden uitgevoerd dan wel onder haar (uitvoerings-)

verantwoordelijkheid zullen staan. In bijzondere gevallen zouden ook anderen penitentiaire programma's moeten kunnen aanbieden. Programma's die zich richten op de groep die bijzondere zorg behoeft, kunnen bij voorbeeld door verslavingsklinieken of instellingen op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg worden aangeboden. Bij deze laatste kan gedacht worden aan de dagbehandeling die bij enkele inrichtingen voor ter beschikking gestelden zijn opgericht.

In het tweede lid van dit artikel worden enkele bevoegdheden van de voor de uitvoering van het penitentiair programma verantwoordelijke instantie geregeld. In de eerste plaats wordt aangegeven dat de uitvoeringsverantwoordelijke de dagelijkse gang van zaken rondom het penitentiair programma bepaalt. Deze beoordeelt in eerste instantie of de deelnemer zich aan de hem opgelegde verplichtingen houdt. De uitvoeringsverantwoordelijke kan ook binnen het tevoren vastgestelde programma kleine wijzigingen aanbrengen. Zoals is aangegeven gaat het om wijzigingen in tijdstippen van programma-onderdelen of de wijze waarop bepaalde activiteiten dienen te worden verricht. In de praktijk blijkt aan een dergelijke sturingsmogelijkheid grote behoefte te bestaan. Het kan zich voordoen dat een deelnemer niet in staat is om bijvoorbeeld om 9 uur met zijn werkzaamheden te beginnen, terwijl hij wel om 10 uur aanwezig kan zijn en een uur langer kan werken. Dergelijke aanpassingen brengen geen wijzigingen aan in het karakter van het programma en dienen door degene die de dagelijkse leiding heeft te kunnen worden aangebracht. In verband met de algemene verantwoordelijkheid van de directeur voor het programma, dient de uitvoeringsverantwoordelijke de directeur onverwijld en schriftelijk van deze wijzigingen op de hoogte te stellen.

Artikel 9

Naast het samenstel van activiteiten dat de deelnemer aan een penitentiair programma moet verrichten worden in het eerste lid van deze bepaling enkele algemene voorwaarden gesteld. Tevens wordt hier aangegeven dat de directeur die de algemene verantwoordelijkheid draagt nog bijzondere aanwijzingen kan geven. In onderdeel a is als algemene voorwaarde opgenomen dat de deelnemer zich heeft te houden aan de aanwijzingen van degene die is belast met het begeleiden van de uitvoering van het penitentiair programma alsmede degene die daarop toezicht houdt. Naar analogie van de regeling bij de taakstraffen acht ik het gewenst dat degene die daadwerkelijk belast is met de begeleiding van de deelnemer aan een penitentiair programma hem zo nodig kan corrigeren dan wel kleine aanpassingen binnen het penitentiair programma kan aanbrengen.

In het tweede lid wordt aangegeven dat tijdens ziekte of wanneer vanwege andere oorzaken niet aan het penitentiair programma wordt deelgenomen de duur van de vrijheidsstraf wordt geschorst. Ook bij de verlofregelingen geldt een dergelijke regeling. Indien de deelnemer door zijn ziekte niet meer geschikt is voor het penitentiair programma kan naar een ander programma voor hem gezocht worden, dan wel zou de deelname kunnen worden beëindigd.

Wanneer de deelnemer aan een penitentiair programma de voorwaarden overtreedt kan de directeur, volgens het derde lid, drie dingen doen. Hij kan (onderdeel a) de deelnemer een waarschuwing geven; hij kan (onderdeel b) de voorwaarden die hij krachtens het eerste lid kan stellen wijzigingen of aanvullen, of hij kan de selectiefunctionaris adviseren de deelname aan het penitentiair programma te beëindigen (onderdeel c). Een waarschuwing in de zin van onderdeel a van het derde lid moet gezien worden als een schriftelijke aanzegging dat bij herhaald gedrag de directeur de selectiefunctionaris zal adviseren de deelname aan het penitentiair programma te beëindigen. Dit biedt de uitvoerder van het penitentiair programma de ruimte tot het geven van de noodzakelijke correcties aan een deelnemer die vooraf (zullen) gaan aan het geven van de waarschuwing door de directeur (zie ook artikel 8, tweede lid).

Ingevolge de PBW is de selectiefunctionaris de beslissende autoriteit ten aanzien van beëindiging van het programma. Het openbaar ministerie adviseerde hier ook een bevoegdheid toe te kennen aan de directeur onder wiens verantwoordelijkheid het penitentiair programma functioneert. Om snel op te kunnen treden ga ik ervan uit dat in spoedeisende gevallen het contact tussen directeur en selectiefunctionaris zo snel kan plaatsvinden (bij voorbeeld telefonisch) dat een beslissing in zeer kort tijdsbestek kan worden genomen.

Artikel 10

In deze bepaling is de rechtspositie van de deelnemer aan een penitentiair programma geregeld. Artikel 60 van de PBW is hier niet van toepassing, aangezien de deelnemer aan een penitentiair programma geen gedetineerde is volgens de definitie van artikel 1, onderdeel e, van de PBW. Tegen de beslissingen van de directeur genomen tot waarschuwing of wijziging of aanvulling van de voorwaarden kan de deelnemer aan een penitentiair programma klagen bij de beklagcommissie van de commissie van toezicht bij de inrichting waarin hij formeel staat ingeschreven. Met een dergelijke constructie zijn bij het experiment elektronisch toezicht goede ervaringen opgedaan. De werkwijze van de beklagcommissie is in het tweede lid van overeenkomstige toepassing verklaard, met uitzondering van de schorsingsbevoegdheid door de voorzitter van de beroepscommissie. Het gaat hier niet om zodanig gewichtige beperkingen dat een schorsingsmogelijkheid nodig is.

De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing wees in zijn advies op de mogelijkheid dat een deelnemer aan een penitentiair programma zowel in beklag gaat tegen een advies van de directeur tot beëindiging van een programma als in beroep tegen de beslissing tot beëindiging door de selectiefunctionaris. In de eerste plaats wordt in de PBW bepaald dat slechts geklaagd kan worden tegen beslissingen van de directeur. Een klacht tegen een advies zal daarom niet ontvankelijk zijn. In de tweede plaats is eerder al bij plaatsings- en overplaatsingszaken de jurisprudentie ontstaan dat het beklag tegen de adviezen van de directeur niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat ten aanzien van de eigenlijke beslissing een beroepsgang openstaat. Ik verwacht dat deze lijn in klachten tegen beëindiging van het penitentiair programma zo nodig zal worden overgenomen.

HOOFDSTUK 4. COMMISSIE VAN TOEZICHT EN BEKLAGCOMMISSIE

Artikel 11

De inhoud van dit artikel is ontleend aan de artikelen 8 en 9 GM en bevat geen inhoudelijke wijzigingen. Het is, naast de specifieke groepen die in het derde lid zijn aangegeven, gewenst dat de commissie van toezicht een afspiegeling vormt van de samenleving. Hiertoe is in het derde lid bepaald dat de commissie van toezicht zo breed mogelijk is samengesteld. Ik denk hierbij onder andere aan de verhouding mannen en vrouwen, de leeftijdsverdeling en de overige beroepsgroepen. In de praktijk heeft zich een norm ontwikkeld voor de omvang van een (of meer) inrichting(en) waarop een commissie van toezicht toeziet. Het maximum aantal gedetineerden dat een commissie van toezicht kan beslaan is ongeveer 250.

Anders dan in de Gevangenismaatregel wordt thans bepaald dat een lid slechts tweemaal kan worden herbenoemd. Ik acht het wenselijk dat er periodiek enige roulatie plaatsvindt bij de leden van de commissies.

Artikel 12

Dit artikel regelt de benoeming en het ontslag van de voorzitter, leden, secretarissen en zo nodig plaatsvervangende secretarissen. Ten aanzien van deze laatste kan een lid van de commissie door de commissie zelf tevens als plaatsvervangend secretaris worden aangewezen. Het is echter ook mogelijk dat de minister een plaatsvervangend secretaris benoemt (niet zijnde lid). Dit zal bij voorbeeld nodig kunnen zijn in geval van parttime functionarissen, of bij constant hoge werkdruk van de secretaris. Voordrachten voor benoeming worden (behoudens bij nieuwe inrichtingen) gedaan door de voorzitter van de commissie. Een zelfde bepaling was voorheen opgenomen in artikel 9, vierde lid, GM.

In het vierde lid wordt de beslistermijn op een verzoek tot benoeming gesteld op drie maanden. In deze geldt dat de termijn van acht weken die door de Awb wordt gesteld doorgaans te kort zal zijn, aangezien over benoemingsvoorstellen advies wordt gevraagd aan de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing.

Artikel 13

Dit artikel kwam niet voor in de GM, doch de inhoud hiervan is deels bij circulaire van 1 maart 1994 (nr. 423 679/94/DJ) voor de sectoren gevangeniswezen, TBS en justitiële jeugdinrichtingen vastgesteld. In het eerste lid wordt een aantal categorieën van personen genoemd die niet in aanmerking komen voor benoeming in een commissie van toezicht. Het gaat hierbij om personen die in een zodanige verhouding staan tot de Minister van Justitie dat zij niet als voldoende onafhankelijk van dit ministerie of de inrichting of afdeling waarop zij dienen toe te zien, kunnen worden gekwalificeerd.

De categorie in onderdeel a omvat de ambtenaren of andere personen die bij het Ministerie van Justitie werkzaam zijn op het terrein van de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Hierbij wordt gedacht aan de ambtenaren bij de DJI alsmede ambtenaren werkzaam bij de Directie Preventie, Jeugd en Sanctiebeleid. Zij kunnen in hun werk te maken krijgen met zaken die individuele gedetineerden betreffen. Hier kan een oneigenlijke vermenging van belangen plaatsvinden. Officieren van justitie zijn in de laatste zinsnede uitgezonderd. In de verschillende commissies van toezicht heeft veelal een officier van justitie zitting. Dit heeft zijn waarde in de loop der jaren bewezen. Alhoewel de officier van justitie op basis van artikel 553 van het Wetboek van Strafvordering de voordracht tot tenuitvoerlegging geeft acht ik hem niet zodanig met de tenuitvoerlegging betrokken dat hij daardoor onvoldoende onafhankelijk zou zijn. In die gevallen waarin in een beklagzaak een voor de officier van justitie uit een strafzaak bekende gedetineerde is betrokken, neem ik aan dat hij niet in de beklagcommissie zitting zal nemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van advocaten.

Het onder b genoemde spreekt voor zichzelf. Het is onwenselijk dat personeel van een inrichting toezicht houdt op een andere inrichting. Bovendien zou een gedetineerde na overplaatsing geconfronteerd kunnen worden met een uit de vorige inrichting afkomstig personeelslid in de commissie van de inrichting waarin hij thans verblijft. Ook dit is onwenselijk.

Met de onder c genoemde categorie wordt gedoeld op bij voorbeeld de reclassering. De werkzaamheden van een reclasseringswerker kunnen het begeleiden van een gedetineerde inhouden. Het zou niet juist zijn als deze tevens in een commissie van toezicht zou kunnen zitten. Nadrukkelijk is in dit onderdeel aangegeven dat het alleen gaat om die personen die in het kader van hun werk te maken hebben met gedetineerden uit de inrichting waarop zij toe moeten zien. Zo kan bij voorbeeld een directeur van een reclasseringsonderdeel die zelf geen contacten onderhoudt met gedetineerden, of een reclasseringswerker die uitsluitend werkzaam is in andersoortige inrichtingen dan de penitentiaire inrichtingen (bij voorbeeld TBS-inrichtingen) wel in een commissie van toezicht bij een inrichting worden benoemd.

Met de personen onder d wordt gedoeld op de personen die weliswaar niet vallen onder de onder a tot en met c genoemde categorieën, doch die toch in zodanige mate werkzaamheden verrichten bij voorbeeld in een inrichting dat hun onafhankelijkheid of onpartijdigheid in het geding komt. Hierbij kan gedacht worden aan een ambtenaar van het WODC bij het Ministerie van Justitie die onderzoek doet in een van de inrichtingen.

Onderdeel e is nieuw. Aangezien de functie van lid van een commissie van toezicht een vertrouwensfunctie is ligt het voor de hand dat personen ten aanzien van wie uit een antecedentenonderzoek is gebleken dat er bezwaren bestaan niet kunnen worden benoemd. Het is moeilijk een limitatieve opsomming te geven van de bezwaren waar het hier om gaat. Te denken valt aan ex-gedetineerden. Hiermee is overigens niet gezegd dat deze personen in alle gevallen uitgesloten dienen te worden. De bezwaren zullen betrekking dienen te hebben op de vervulling van deze vertrouwelijke functie. De commissie van toezicht kan van de directie vertrouwelijke informatie vernemen die niet aan de gedetineerden mag worden doorgespeeld. Aan de functie is tevens een aantal speciale bevoegdheden verbonden, zoals de vrije toegang tot de inrichting en de gedetineerden.

Artikelen 14, 15 en 16

Deze artikelen stemmen voor het grootste deel overeen met de artikelen 9a, 11, 13 en 13a, vierde lid, GM. Het verplichte ontslag van de leden bij het bereiken van de leeftijd van 70 jaar is komen te vervallen in verband met het tegengaan van leeftijdsdiscriminatie. Onderdelen b, c en d van het eerste lid van artikel 14 zijn als reden voor ontslag toegevoegd. Onderdeel b is het logisch gevolg van het stellen van de benoemingscriteria in artikel 13. Onderdelen c en d spreken voor zich. Op nadrukkelijk verzoek van de directeuren van de penitentiaire inrichtingen wordt in het derde lid van artikel 14 voorzien in de mogelijkheid om een lid, waarvoor een ontslagaanvraag aanhangig is, te kunnen schorsen in de uitoefening van zijn functie. Dit zal met name spelen in de gevallen dat een ontslagverzoek op een van de gronden als weergegeven in artikel 14, eerste lid, onder c of d, is ingediend. Aangezien de minister de instantie is die over benoeming en ontslag beslist is de schorsingsbevoegdheid ook een aangelegenheid van de minister en niet bij voorbeeld van de directeur van een inrichting. Schorsing in de uitoefening van diens functie impliceert in ieder geval dat het lid gedurende deze periode geen recht heeft op deelname aan de vergaderingen en onbeperkte toegang tot de inrichting.

Artikel 17

Dit artikel stemt overeen met artikel 12, tweede lid, GM. Toegevoegd is dat de directeur tevens wordt geïnformeerd over de werkzaamheden van de maandcommissaris. De directeur kan zich dan beter voorbereiden voor de vergadering van de commissie van toezicht, waarin deze zaken aan de orde komen.

Artikel 18

Dit artikel stemt overeen met de artikelen 13a, derde lid, tweede en derde volzin, en 13b, eerste lid, GM.

Artikel 19

Dit artikel komt overeen met artikel 14, eerste lid, GM.

Artikel 20

Ten aanzien van de vergoeding van de kosten die de commissie van toezicht maakt en de beloning van leden is geen wijziging aangebracht. Deze regeling was opgenomen in artikel 15 GM.

Anders dan in artikel 15 GM wordt thans in het derde lid uitsluitend voor de secretarissen die niet tevens ambtenaar zijn een vergoeding voor hun werkzaamheden vastgesteld. Doorgaans zijn de secretarissen van de commissie van toezicht tevens gerechtssecretaris. Onderdeel van hun taak is het zo nodig verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een commissie van toezicht. Een nadere beloning voor deze werkzaamheden is dan niet aan de orde.

HOOFDSTUK 5. GEDWONGEN GENEESKUNDIGE HANDELINGEN

Artikelen 21 tot en met 23

In het tweede lid van artikel 32 en de memorie van toelichting bij PBW (blz. 53) werden nadere regels aangekondigd over de beslissing van de directeur om de gedetineerde te verplichten te gedogen dat ten aanzien van hem een geneeskundige handeling wordt toegepast. Deze nadere regels worden gevormd door de artikelen 21, 22 en 23. Voor deze bepalingen geldt, ingevolge artikel 32, derde lid, laatste volzin, van de PBW een zogenoemde voorhangprocedure. Het gaat hier om de vorm van gecontroleerde delegatie, waarbij de hier gegeven regels niet eerder in werking treden dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit is geplaatst. Van deze plaatsing is onverwijld melding gedaan aan beide kamers der Staten-Generaal.

Ook in deze nadere regeling van artikel 32 PBW staat voorop dat de verantwoordelijkheid voor de geneeskundige handeling ligt bij de arts. Of, en zo ja, welk medisch ingrijpen is geïndiceerd dient deze volgens zijn professionele maatstaf te beoordelen. De directeur kan slechts verplichten dat de gedetineerde gedoogt dat de geïndiceerde handeling op hem wordt toegepast. Een gedwongen geneeskundige handeling kan, volgens genoemd artikel 32, slechts plaatsvinden indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de gedetineerde of van anderen. Deze bepalingen bieden derhalve geen mogelijkheid voor de directeur om op deze wijze beheersproblemen in zijn inrichting op te lossen.

Gedwongen geneeskundige handelingen kunnen worden onderscheiden in somatische geneeskundige handelingen en psychiatrische geneeskundige handelingen. Bij de eerste soort handelingen kan bij voorbeeld gedacht worden aan operaties, röntgenonderzoek, leegpompen van de maag, etc. Bij de tweede soort zal het voornamelijk gaan om het eventueel onder dwang toedienen van medicijnen ter afwending van gevaar voortkomende uit de psychiatrische stoornis.

Het gevangeniswezen heeft als opdracht de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer te leggen. In het kader daarvan heeft het gevangeniswezen ook de zorg, waaronder de medische zorg, voor de gedetineerden. Indien de gedetineerde instemt met een bepaalde geneeskundige behandeling kan deze plaatsvinden. De regels aangaande de behandelingsovereenkomst uit het Burgerlijk Wetboek zijn hier van toepassing. In de vrije samenleving geldt geen specifieke regeling voor het onder dwang verrichten van somatische geneeskundige handelingen. Vanwege de hiervoor vermelde zorg die het gevangeniswezen draagt voor de gedetineerde kan dit hier echter wel in sommige gevallen noodzakelijk zijn. Artikel 32 PBW en de hier gegeven regels voorzien daarin.

Behandeling vanwege een psychiatrische stoornis vindt in het gevangeniswezen in beginsel niet plaats. Een dergelijke behandeling vindt alleen plaats in psychiatrische ziekenhuizen en in de inrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden. Indien de noodzaak bestaat dat er een bepaalde behandeling ten aanzien van een gedetineerde plaatsvindt zou in de eerste plaats bezien kunnen worden of de betreffende gedetineerde (tijdelijk) naar een dergelijke inrichting kan worden overgeplaatst. In sommige gevallen zal er echter niet kunnen worden overgegaan tot plaatsing in of overplaatsing naar een van deze inrichtingen. In incidentele gevallen is dat zelfs niet nodig. In spoedeisende gevallen kan een overplaatsing naar bij voorbeeld een algemeen psychiatrisch ziekenhuis bovendien vaak niet gerealiseerd worden. In die gevallen moeten ook binnen het gevangeniswezen de nodige maatregelen getroffen kunnen worden. Ik denk hierbij voornamelijk aan die gevallen waarin de geneeskundige handeling bestaat uit het toedienen van medicijnen onder dwang. Voor de psychiatrische crisisopvang is binnen het gevangeniswezen de Forensische Observatieen Begeleidingsafdeling (FOBA) van huis van bewaring het Veer (penitentiair complex Over-Amstel) speciaal bestemd.

Artikel 21

In dit artikel wordt de procedure beschreven die minimaal gevolgd moet worden voordat een geneeskundige handeling tegen de wil van de gedetineerde kan worden toegepast. Indien het gaat om een gedwongen (somatische) geneeskundige handeling dienen in ieder geval de arts die de noodzaak van de geneeskundige handeling vaststelde (doorgaans de inrichtingsarts) en het afdelingshoofd bij deze beslissing betrokken te worden. Indien de gedwongen geneeskundige handeling niet in de inrichting uitgevoerd kan worden, maar bij voorbeeld in een ziekenhuis zal plaatsvinden, acht ik het gewenst dat ook de arts die de handeling zal verrichten bij deze beslissing wordt betrokken.

Het tweede lid geeft een aanvulling voor de gevallen waarin de gedwongen geneeskundige handeling noodzakelijk wordt geacht ter voorkoming van ernstig gevaar veroorzaakt door de gedetineerde en dit gevaar voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens. In een aantal gevallen zal de betreffende gedetineerde de geneeskundige handeling weigeren vanwege die stoornis en geen reëel inzicht in de geneeskundige handeling hebben. Het zal hier in de meeste gevallen gaan om het eventueel onder dwang toedienen van medicijnen ter afwending van gevaar voortkomende uit de psychische stoornis. In die gevallen dient door de inrichtingsarts naast de hiervoor genoemde personen tevens een psychiater bij de beslissing betrokken te worden. Ook in deze nadere regeling van artikel 32 van de PBW staat voorop dat de verantwoordelijkheid voor de geneeskundige handeling ligt bij de arts. Of, en zo ja, welk medisch ingrijpen is geïndiceerd dient deze volgens zijn professionele maatstaf te beoordelen. De directeur kan slechts verplichten dat de gedetineerde gedoogt dat de geïndiceerde handeling op hem wordt toegepast. Een gedwongen geneeskundige handeling kan, volgens genoemd artikel 32, slechts plaatsvinden indien dit noodzakelijk is ter afwending van ernstig gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de gedetineerde of van anderen. Deze bepalingen bieden derhalve geen mogelijkheid voor de directeur om op deze wijze beheersproblemen in zijn inrichting op te lossen.

Volgens het bepaalde in het derde lid moet voordat de beslissing wordt genomen steeds worden overwogen of niet op een andere wijze het ernstige gevaar kan worden afgewend. Bij voorbeeld kan hierbij gedacht worden aan afzondering al dan niet gecombineerd met het bevestigen van mechanische middelen. In zijn algemeenheid kan geen rangorde in ingrijpendheid worden aangebracht tussen maatregelen als afzondering, fixatie of toepassing van dwangmedicatie. Dit kan, afhankelijk van de stoornis van de geestvermogens van de gedetineerde, verschillen. De ene gedetineerde zal meer baat hebben bij plaatsing in een isoleercel omdat hij bij voorbeeld een prikkelarme omgeving nodig heeft. De andere gedetineerde kan bij voorbeeld wegens hevige verlatingsangst beter niet in een isoleercel worden geplaatst.

Binnen de neuroleptische medicijnen kan een onderscheid worden aangebracht in medicatie met een lange en korte werking. De eerste wordt veelal aangeduid met depotmedicatie. Ook indien de keuze wordt gemaakt om een gedetineerde onder dwang medicijnen toe te dienen, dient te worden gekeken wat voor de gedetineerde het minst ingrijpende middel is. In het algemeen zullen medicijnen met een kortdurende werking voor de gedetineerde als minder ingrijpend worden ervaren. Uitzonderingen zijn echter denkbaar. Met name in regelmatig terugkerende situaties waarbij ernstig gevaar voor de gedetineerde dan wel voor anderen bestaat kan het minder ingrijpend zijn om éénmaal een langer werkend medicijn toe te dienen dan meerdere malen medicijnen met een kortdurende werking. In sommige gevallen kan het meermalen toedienen van medicijnen met een kortdurende werking zelfs een (blijvende) achteruitgang in de psychische toestand van de gedetineerde tot gevolg hebben. Zeker in deze gevallen zal de voorkeur uit dienen te gaan naar toediening van depotmedicatie.

Het vierde lid bepaalt dat de voor de behandeling verantwoordelijke arts/psychiater ervoor zorg draagt dat de beslissing en de daarbij gemaakte afspraken worden neergelegd in het medische dossier van de gedetineerde.

Artikel 22

In dit artikel worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gedwongen geneeskundige handeling ten uitvoer wordt gelegd. Tenzij er sprake van is dat de gedetineerde voor de gedwongen geneeskundige handeling naar een ziekenhuis wordt overgebracht, wordt in het eerste lid bepaald dat de gedwongen geneeskundige handeling in een daartoe geschikte ruimte wordt toegepast. In gevallen waarin bij voorbeeld tot het onder dwang toedienen van medicatie wordt besloten wordt de gedetineerde doorgaans van de afdeling weggehaald en in een afzonderingscel geplaatst. Daar worden dan de medicijnen toegediend.

In het tweede lid wordt de melding van de toepassing van een gedwongen geneeskundige handeling geregeld. In de eerste plaats dient deze handeling aan de minister en aan de commissie van toezicht te worden gemeld. Voorstelbaar is dat door bij voorbeeld de Geneeskundig Inspecteur, of indien deze dat nodig acht de Psychiatrisch Adviseur, bij het ministerie alsdan bezien wordt of deze beslissing onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was. De maandcommissaris kan bezien of een en ander volgens de regels is geschied. Indien de gedwongen geneeskundige handeling wordt toegepast ter afwending van ernstig gevaar dat voortvloeit uit een stoornis van de geestvermogens zal dit bovendien gemeld moeten worden bij de regionale inspecteur voor de gezondheidszorg, analoog aan de meldingsplicht in dergelijke gevallen in de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Ik ga ervan uit dat hij zo nodig een onderzoek instelt. De inspectie is ook binnen het gevangeniswezen bevoegd haar taak uit te oefenen. Zie hiervoor artikel 63 Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, waarin is bepaald dat de inspectie toeziet op de verantwoorde behandeling, verpleging, verzorging en bejegening van alle personen wier geestvermogens zijn gestoord. De minister kan een model vaststellen dat bij de melding van de gedwongen geneeskundige handeling moet worden gebruikt.

De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing stelde voor, niet van de «toepassing» van een gedwongen geneeskundige handeling te spreken, maar van de «aanvang en de beëindiging» daarvan. Evenwel zal een gedwongen geneeskundige handeling in veel gevallen bestaan uit het toedienen van (depot)medicijnen, waarbij het moment van aanvang en beëindiging samenvallen. Wanneer bij voorbeeld een volgende injectie noodzakelijk is, is er sprake van een nieuwe beslissing in de zin van artikel 32 PBW. Voor het geval de Centrale Raad hiermee bedoelde dat van de aanvang van de geneeskundige behandeling melding wordt gemaakt alsmede van het einde van die behandeling, meen ik dat de huidige regeling een betere rechtsbescherming biedt doordat iedere handeling een nieuwe beslissing inhoudt en derhalve moet worden gemeld. Bovendien kan in het gevangeniswezen geen gedwongen behandeling plaatsvinden.

De hiervoor omschreven meldingen en mogelijkheden voor toetsing van de genomen beslissing laten vanzelfsprekend onverlet de mogelijkheid van de gedetineerde om op grond van artikel 60, eerste lid, van de PBW beklag in te stellen bij de beklagcommissie over deze beslissing. Ook de artikelen 57 en 58 van de PBW waarin de hoorplicht en de schriftelijke mededeling zijn weergegeven zijn van toepassing. De hiervoor omschreven procedure beoogt extra rechtsbescherming te bieden in deze uitzonderlijke situaties.

Het derde lid bepaalt dat de gedetineerde zo vaak als dat gelet op de verrichtte handeling nodig is wordt bezocht door een arts (dat kan een psychiater zijn) of in diens opdracht een verpleegkundige gedurende de periode die volgt op de toegepaste gedwongen geneeskundige handeling. De suggestie van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing om toe te voegen «zo lang» als dat nodig is heb ik niet overgenomen, aangezien dit mijns inziens aan de huidige formulering niets toevoegt.

Artikel 23

In dit artikel wordt geregeld wat er dient te gebeuren nadat de gedwongen geneeskundige handeling is toegepast. Volgens het eerste lid dient een plan te worden opgesteld gericht op een zodanige verbetering van de toestand van de gedetineerde dat het tegen de wil toepassen van gedwongen geneeskundige handelingen niet meer nodig is. Een dergelijk plan is binnen de geestelijke volksgezondheid wettelijk vereist.

Het kan voorkomen dat een gedwongen geneeskundige handeling enige tijd duurt. In dit verband kan gedacht worden aan de toepassing van depotmedicatie onder dwang die een werking heeft van enkele weken. Volgens het tweede lid moet, indien de duur van twee weken wordt overschreden, een (ad hoc) commissie worden ingesteld die de directeur adviseert over de noodzaak van verdere toepassing van toediening van medicijnen onder dwang. Een dergelijke commissie komt eveneens voor bij de TBS-inrichtingen en is in het Reglement verpleging ter beschikking gestelden voorgeschreven. De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing adviseerde in plaats van een multidisciplinaire commissie een onafhankelijke psychiater de directeur te laten adviseren. Met een onafhankelijke psychiater bedoelt de Raad een niet aan de inrichting verbonden of bij de behandeling van de gedetineerde betrokken psychiater. Ik acht het evenwel van groot belang dat niet alleen de psychiatrische discipline in dezen vertegenwoordigd is doch ook andere disciplines. De kans dat het raadplegen van een niet binnen de inrichting beschikbare persoon telefonisch zal gaan plaatsvinden acht ik groot. De commissie bestaat uit personen die doorgaans beschikbaar zijn binnen de inrichting. Een afweging door personen die direct zicht hebben op het functioneren van de gedetineerde acht ik meer recht doen aan de taak die hier wordt opgedragen. De Centrale Raad adviseerde tevens dat de consultatie na één week zou plaatsvinden. De medicijnen die bij de gedwongen geneeskundige handeling worden toegediend, werken weliswaar al binnen korte tijd (dit is ook vereist in verband met het doorgaans acute karakter van de situatie), maar gezien het feit dat het ook depotmedicatie kan betreffen, zal het medicijn in die gevallen niet binnen één week uitgewerkt zijn, zodat de grens bij twee weken meer voor de hand ligt.

De in het tweede lid bedoelde duur van twee weken kan op verschillende manieren worden bereikt. Ten eerste indien bij voorbeeld medicijnen met kortdurende werking tegen de wil van de gedetineerde een aantal malen achter elkaar worden toegepast waardoor dit langer duurt dan twee weken. Na twee weken zal de commissie bijeen komen en de directeur adviseren, conform het bepaalde in het derde lid. Ten tweede kan bij de eerste beslissing worden gekozen voor toediening van medicijnen die een langere werking hebben dan twee weken. In dat geval zal de commissie bij aanvang van de gedwongen geneeskundige handeling een advies geven aan de directeur.

Van de commissie maken in ieder geval deel uit een afdelingshoofd, een arts of – als het gaat om een psychiatrische stoornis – een psychiater en een psycholoog. In de meeste inrichtingen fungeert het medisch sociaal team (MST) waarin deze disciplines zijn vertegenwoordigd en kan dit team derhalve als een dergelijke commissie fungeren. Het heeft de voorkeur dat niet al deze personen direct bij de behandeling van de betreffende gedetineerde zijn betrokken, teneinde enige afstandelijkheid van de situatie te creëren. Indien dit gerealiseerd kan worden is het ook denkbaar dat in de commissie een lid zitting neemt die in het geheel niet aan de inrichting is verbonden.

In het derde lid is bepaald dat de commissie binnen twee dagen na de in het tweede lid bedoelde termijn advies uitbrengt. Daarnaast zal de commissie, indien de gedwongen geneeskundige handeling langer wordt voortgezet, elke twee weken de situatie bekijken en de directeur adviseren over de voortzetting van de gedwongen geneeskundige handeling. Het betreft advisering ten behoeve van de directeur bij diens beslissing of de geneeskundige handeling steeds onder dwang moet worden toegepast. Ook hier blijft natuurlijk evident dat de arts degene is die de indicatie stelt voor de geneeskundige handeling.

HOOFDSTUK 6. GEESTELIJKE VERZORGING

Artikelen 24 tot en met 27

Artikel 41, vierde lid, PBW kondigt nadere regelgeving aan ten aanzien van de geestelijke verzorging. Deze nadere regels worden voor een groot deel gegeven door de artikelen 24 tot en met 27. Een aantal zaken zal op het niveau van de huisregels nader worden bepaald. Het gaat om onderwerpen als het respecteren van de zondagsrust en de feestdagen en het ambtsgeheim van de geestelijke verzorgers.

Geestelijke verzorging omvat in ieder geval het organiseren en bijwonen van in de inrichting gehouden godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten, inclusief de groepsgesprekken, alsmede persoonlijk contact met een geestelijke verzorger (zie artikel 41, derde lid, PBW).

In artikel 41, tweede lid, PBW wordt bepaald dat de directeur ervoor zorg draagt dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging aanwezig is die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de gedetineerden. De directeur zal zich daartoe op de hoogte dienen te stellen van de voorkeuren die hierover leven bij de gedetineerden. In artikel 24 wordt, mede ter uitvoering van voornoemd artikellid, bepaald dat aan een inrichting in ieder geval geestelijke verzorgers van protestantse en rooms-katholieke gezindte en geestelijke verzorgers behorend tot het humanistisch verbond zijn verbonden. Hiermee wordt geestelijke verzorging vanwege deze gezindten of levensovertuiging gegarandeerd. In de praktijk zijn er tevens geestelijke verzorgers van joodse gezindte aangesteld. De verplichting dat er ook geestelijke verzorgers van israëlitische gezindte aan een inrichting verbonden zijn, zoals was bepaald in artikel 63 van de Gevangenismaatregel is komen te vervallen. In de praktijk blijken slechts zeer weinig gedetineerden van deze gezindte te zijn, terwijl zij bovendien over de verschillende inrichtingen verspreid zijn. Het aan iedere inrichting verplicht aanstellen van een rabbijn ligt daarom niet voor de hand.

Artikel 25 bepaalt dat er bij het Ministerie van Justitie hoofdgeestelijken zijn van de protestantse en rooms-katholieke gezindte en van het humanistisch verbond. Deze hoofdgeestelijken fungeren als de vertegenwoordiging van de zendende instanties. Zij geven in dat kader de minister of het hoofd van de Dienst Justitiële Inrichtingen adviezen over de geestelijke verzorging van de gedetineerden en alle aspecten die daarmee samenhangen.

De hoofdgeestelijken stellen voor het inhoudelijke deel van het werk hun eigen taken vast, in overeenstemming met hun zendende instantie. In het licht van de scheiding tussen Kerk en Staat kan de overheid slechts over het ambtelijk functioneren regels stellen. Hoe de geestelijken hun inhoudelijke taak invullen en op welke wijze zij verantwoording afleggen aan hun zendende instantie, dan wel de vertegenwoordiging daarvan is niet aan de Staat om te regelen. Een geestelijke verzorger heeft in feite twee bazen te dienen. Voor het functioneren als ambtenaar binnen de inrichting legt hij verantwoording af aan de directeur van de inrichting. Voor zijn inhoudelijke werk is hij verantwoording schuldig aan de desbetreffende hoofdgeestelijke.

In de huidige situatie wordt door de hoofdgeestelijken op de navolgende wijze invulling gegeven aan hun taak. In de eerste plaats houden de hoofdgeestelijken toezicht op het werk van de geestelijke verzorgers van hun gezindte of levensovertuiging. Daarnaast coördineren zij het werk van de geestelijke verzorgers. Voorts trachten zij te voorzien in het scheppen van goede voorwaarden voor een adequate ambtsuitoefening van de geestelijke verzorgers in de inrichting. De hoofdgeestelijken doen dit in samenspel met de directeur van de inrichting. Bij het functioneren van de geestelijke verzorgers in de inrichting zijn de hoofdgeestelijken voorts betrokken doordat zij werkbezoeken afleggen, met de geestelijke verzorgers functioneringsgesprekken voeren en ook – samen met de directie van de inrichting – beoordelingen opstellen. Tevens zorgen de hoofdgeestelijken voor deskundigheidsbevordering door middel van bij- en nascholing van de geestelijke verzorgers.

Ook bij de aanstelling van de geestelijke verzorgers vervullen de hoofdgeestelijken een grote rol. Alvorens een vacature wordt vervuld wordt er eerst overleg gevoerd met de directeur van de inrichting. Daarna wordt een geschikte kandidaat gezocht. Indien ook de directeur van de inrichting positief tegenover de kandidaat staat wordt deze aan de minister (i.c. hoofd DJI) voorgedragen voor benoeming. Deze rol van de hoofdgeestelijken is neergelegd in het tweede lid van artikel 25.

Artikel 26 regelt de aanstelling van geestelijke verzorgers van de traditionele gezindten en levensovertuigingen. Het gaat hier steeds om een ambtelijke aanstelling. Overigens ben ik voornemens de mogelijkheden te onderzoeken om deze geestelijke verzorgers op contractbasis aan te nemen. Dit artikel beschrijft de wijze van aanstelling bij een inrichting. De aanstelling geschiedt door of vanwege de minister (vooralsnog hoofd DJI). Die ontvangt daartoe – zoals hierboven reeds beschreven – een voordracht van de desbetreffende hoofdgeestelijke. De directeur van de inrichting dient vanzelfsprekend ook met de kandidaat in te stemmen, voordat benoeming plaatsvindt. In deze bepaling is alleen de voordracht bij benoeming geregeld. Vanuit de kerken werd voorgesteld deze rol van overeenkomstige toepassing te laten zijn bij ontslag van de geestelijke verzorger. Het gaat mij te ver dit dwingend in de regelgeving op te nemen. Dat neemt niet weg dat – juist vanwege de hiervoor omschreven werkzaamheden van de hoofdgeestelijken – het voor de hand ligt dat de hoofdgeestelijken ook bij het ontslag van een geestelijke verzorger betrokken zijn. Dit zal voornamelijk zijn in gevallen waarin om inhoudelijke redenen tot ontslag wordt overgegaan.

Artikel 27 regelt de verbinding (anders dan bij wijze van een ambtelijke aanstelling) aan een inrichting van geestelijke verzorgers van andere godsdiensten of levensovertuigingen. Aangezien voor deze gezindten of levensovertuigingen tot op heden geen zendende instanties bestaan is het praktisch niet mogelijk een hoofdgeestelijke te benoemen die als vertegenwoordiging van de denominatie optreedt. Door het ontbreken van een overkoepelende zendende instantie is het tevens niet mogelijk om deze geestelijke verzorgers via een ambtelijke aanstelling aan de inrichting te verbinden. Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken ook opmerkte in een zaak die bij de Nationale ombudsman speelde (zie rapport 11 juni 1996, nr. 96/271, AB 1996, nr. 370) is het bestaan van een representatief samenwerkingsverband (van i.c. de hindoes) een voorwaarde om formatieplaatsen te kunnen bemensen. De overheid kan zich niet mengen in de organisatie van de instellingen op geestelijke grondslag en niet zelf geestelijke verzorgers aanwijzen die in de penitentiaire inrichtingen worden aangesteld als geestelijke verzorger. Dat zou betekenen dat de overheid oordeelt over de geschiktheid van de geestelijke verzorger als zodanig. Daarmee mengt de overheid zich in aangelegenheden die het betrokken (kerk)genootschap betreffen. De totstandkoming van een samenwerkingsverband is een verantwoordelijkheid van de (kerk)genootschappen zelf, waarin de overheid niet kan treden.

Om het toch mogelijk te maken dat geestelijke verzorgers van geloofs- of levensovertuigingen die geen zendende instantie hebben, hun diensten kunnen verlenen in de inrichtingen, is in artikel 27 aangegeven dat deze personen wel als geestelijke verzorger aan een inrichting kunnen worden verbonden, zonder dat zij een ambtelijke aanstelling krijgen. Dit houdt in dat deze geestelijke verzorgers op declaratiebasis hun werk in een inrichting kunnen verrichten. Om enige vorm van toetsing te realiseren is opgenomen dat over deze verbinding aan de inrichting advies zal worden uitgebracht door de reeds aan de inrichting verbonden geestelijke verzorgers.

In het tweede lid wordt bepaald dat deze geestelijke verzorgers dienen te voldoen aan door de minister vast te stellen functievereisten. Het gaat hier om objectieve eisen, voornamelijk ten aanzien van opleiding en ervaring. Het spreekt voor zich dat het hier uitsluitend gaat om eisen die aan de geestelijke verzorger als «werknemer» kunnen worden gesteld. Ten aanzien van de inhoudelijke vervulling van zijn werk kan de Staat immers geen regels stellen. De regels zullen onder andere inhouden dat de geestelijke verzorger in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst en dat ten aanzien van hem een antecedentenonderzoek gedaan kan worden. Tevens zal de geestelijke verzorger moeten kunnen samenwerken. Dit zijn minimale vereisten voor het op zinvolle wijze kunnen functioneren in een inrichting. De geestelijke verzorger die aan een inrichting is verbonden vormt immers een onderdeel van de staf van de inrichting.

De geestelijke verzorger die anders dan bij wijze van aanstelling aan een inrichting is verbonden ontvangt een vergoeding voor zijn werkzaamheden en voor de door hem gemaakte kosten (bij voorbeeld reiskosten). De exacte regeling zal worden neergelegd in een ministeriële regeling (artikel 27, derde lid). Deze ministeriële regeling zal de circulaire van 21 december 1994 (nr. 470183/94/DJI) betreffende geestelijke verzorging moslims en hindoes in justitiële inrichtingen vervangen.

HOOFDSTUK 7. BEROEP TEGEN MEDISCH HANDELEN

Artikelen 28 tot en met 34

Bij nota van wijziging werd aan artikel 42 van de PBW een vijfde lid toegevoegd waarin wordt aangegeven dat er bij algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een klachtprocedure ten aanzien van medische beslissingen. Het bieden van een klachtprocedure voor gedetineerden ten aanzien van de medische zorg was als aanbeveling opgenomen in het rapport van de commissie-Van Dinter. In mijn standpunt op dit rapport heb ik die aanbeveling van de commissie overgenomen.

In de memorie van toelichting bij de PBW (hoofdstuk 21) heb ik aangegeven dat volgens hedendaagse opvattingen het beroepsrecht (i.c. ging het om beroep tegen plaatsing en overplaatsing) dient te worden geregeld bij wet in formele zin. De klachtregeling voor medische zaken leg ik thans op het niveau van een algemene maatregel van bestuur neer. Om lopende de parlementaire behandeling van de PBW deze aan te vullen met de onderhavige klachtregeling zou de behandeling van dit wetsvoorstel te veel vertragen. Nu de aanbevelingen van de commissie-Van Dinter een vlotte uitwerking behoeven acht ik het te rechtvaardigen dat op dit moment in de Penitentiaire maatregel in een klachtprocedure wordt voorzien. Zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag heb aangekondigd zal de PBW (en daarmee ook de onderliggende regelgeving) na twee jaar worden geëvalueerd. De onderhavige medische klachtprocedure zal hierbij tevens aan de orde komen, onder meer vanwege de door de directeuren van de penitentiaire inrichtingen aangegeven bezwaren tegen deze regeling. Na deze evaluatie zal ik de klachtprocedure op wettelijk niveau brengen. Daarbij zal tevens artikel 42, vijfde lid, van de PBW worden betrokken, nu daarin wordt gesproken van «medische beslissingen» en in onderhavige maatregel van «medisch handelen».

Ik kies ervoor om in de penitentiaire regelgeving een eigen regeling te geven voor klachten over medische aangelegenheden. Ook de commissie-Van Dinter sprak haar voorkeur uit voor een klachtregeling waarin ruime deskundigheid op medisch, juridisch en penitentiair terrein aanwezig is. Het van overeenkomstige toepassing verklaren van de Wet klachtrecht cliënten zorgsector zou onvoldoende recht doen aan de specifieke penitentiaire aspecten die bij de meeste klachten van gedetineerden over de inrichtingsarts aanwezig zullen zijn. Ik acht het niet alleen van belang dat medisch deskundigen naar deze klachten kijken, doch ook dat de kennis van het penitentiaire terrein voldoende verzekerd is.

Ingevolge de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg zijn de artsen onderworpen aan het medische tuchtrecht. Dit is voor een inrichtingsarts niet anders. De in dit hoofdstuk gegeven klachtregeling beoogt een laagdrempelige voorziening te zijn die idealiter aan het aanspannen van een tuchtzaak door een gedetineerde vooraf zou moeten gaan. De verhouding van de hier gegeven medische klachtprocedure met het medische tuchtrecht is daarmee vergelijkbaar met de verhouding tussen de voor de gezondheidszorg geldende Wet klachtrecht cliënten zorgsector en het medische tuchtrecht. In het tuchtrecht staat het belang van de samenleving bij een zorgvuldige beroepsuitoefening in de gezondheidszorg centraal. Het ziet toe op de bewaking van de kwaliteit van het professioneel handelen; de rechtspositie van de patiënt speelt hierin een ondergeschikte rol. In de hier geboden procedure ligt – evenals bij de Wet klachtrecht cliënten zorgsector – de nadruk op de individuele rechtsbescherming.

De klachtregeling tegen medisch handelen van de inrichtingsarts voorziet in een procedure bij een speciale beroepscommissie van de Centrale Raad voor Straf- rechtstoepassing. De commissie-Van Dinter adviseerde tot het instellen van een centrale onafhankelijke klachteninstantie. Aan deze vereisten voldoet de hier voorgestelde beroepscommissie. De beroepscommissie is, door de aangegeven samenstelling, bovendien deskundig op de door de commissie-Van Dinter aangegeven terreinen, namelijk het medische, juridische en penitentiaire terrein.

Voorafgaande aan het indienen van een formele klacht ligt het – zoals ook het geval is bij het gehele beklagrecht – mijns inziens voor de hand dat de gedetineerde eerst op informele wijze tracht zijn conflict op te lossen met de betrokkene zelf (i.c. de arts). Zo mogelijk kan daarbij de maandcommissaris als bemiddelaar een waardevolle functie vervullen. Ook in de onderhavige regeling staat bemiddeling voorop. Dit is weergegeven door de gedetineerde te verplichten, voorafgaand aan het indienen van een beroepschrift, een verzoek tot bemiddeling te doen bij de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Justitie. De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en de directeuren van de penitentiaire inrichtingen maakten bezwaar tegen de aanvankelijk voorgestelde regeling, waarin een centrale (tot DJI behorende) medische klachteninstantie, bindende beslissingen zou nemen op klaagschriften over medisch handelen. Een aan het ministerie verbonden klachteninstantie is immers niet onafhankelijk. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen heb ik thans gekozen voor een centrale bemiddelingsprocedure bij de Medisch Adviseur bij het Ministerie van Justitie. Thans vervult de Geneeskundige Inspectie grotendeels deze rol en is op deze wijze in staat een overwegend deel van de klachten binnen een korte tijdsduur tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te brengen. Ik acht het ook een taak van de Medisch Adviseur om kennis te nemen van de problemen die leven rondom de individuele klachten van gedetineerden over de medische diensten bij de inrichtingen. Momenteel zijn er een aantal medische adviseurs verbonden aan het Ministerie van Justitie die deskundig zijn op het terrein van de huisartsenij en de tandheelkunde.

De gedetineerde kan klagen over het medisch handelen van de inrichtingsarts. Onder de inrichtingsarts dient niet alleen de huisarts, maar ook de aan de inrichting verbonden tandarts en psychiater verstaan te worden (zie ook in die zin de memorie van toelichting bij de PBW, hoofdstuk 16, onderdeel b). Onder de verantwoordelijkheid van de inrichtingsarts functioneren binnen de medische diensten van de inrichtingen tevens verpleegkundigen. Medische handelingen die zij onder de verantwoordelijkheid van de inrichtingsarts nemen dienen tevens onder de term «medisch handelen van de inrichtingsarts» te worden begrepen. De klachtregeling omvat daarnaast medisch handelen van verpleegkundigen waartoe zij zelfstandig bevoegd zijn. In de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg is aangegeven om welke handelingen het hierbij gaat. Zie artikel 33 van deze wet. Het betreft handelingen op het gebied van observatie, begeleiding, verpleging en verzorging.

Geklaagd kan worden over het medisch handelen van de arts. Zoals ook in het beklagrecht in de PBW staat geen beklag open tegen feitelijke gedragingen van de arts (of de voor hem werkzame personen). De term medisch handelen wordt in het tweede lid van artikel 28 omschreven en is ontleend aan artikel 47 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

De bemiddeling ten aanzien van de klacht speelt zich af tussen de gedetineerde, de arts en de Medisch Adviseur. Aangezien de directeur van de inrichting voor de organisatie van de medische dienst verantwoordelijk is ligt het voor de hand dat deze een afschrift ontvangt van de beslissingen die dienaangaande zijn genomen (artikel 29, zesde lid).

Voor het geval de gedetineerde niet over medisch handelen klaagt, maar meer een beslissing van de directeur tot de klacht heeft geleid kan de Medisch Adviseur de zaak doorverwijzen naar de gewone beklagcommissie.

Indien bemiddeling niet tot een oplossing leidt kan de gedetineerde beroep instellen bij een speciale beroepscommissie van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing. Ik heb gekozen voor een centrale klachteninstantie zoals ook werd aanbevolen door de commissie-Van Dinter. De directeuren van de penitentiaire inrichtingen adviseerden om regionale commissies in te stellen. Dit zou evenwel niet voldoen aan voornoemde aanbeveling van de commissie-Van Dinter. Met name bij een nieuwe klachtenvoorziening zoals in het onderhavige hoofdstuk wordt geboden acht ik het van belang dat de rechtspraak zich in aanvang concentreert. Indien na evaluatie mocht blijken dat dit niet langer noodzakelijk is, dan wel anderszins blijkt dat (bij voorbeeld vanwege het aantal klachten) dat regionale commissies de voorkeur hebben kan dit in de definitieve regeling worden opgenomen.

De artikelen 30 tot en met 33 regelen de behandeling van het beroepschrift. De procedure is nagenoeg gelijk aan de beroepsprocedure gegeven in de PBW. Op advies van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing is de regeling in dit hoofdstuk geheel uitgeschreven, in plaats van te verwijzen naar de dienaangaande bepalingen in de PBW. Dit komt de duidelijkheid van de regeling ten goede.

In de regeling is opgenomen dat de Medisch Adviseur de leden van de beroepscommissie en de secretaris inzage kunnen hebben in het medisch dossier van de gedetineerde, ten behoeve van de bemiddeling respectievelijk de behandeling van het beroepschrift (artikelen 29, derde lid, en 31, eerste lid). Ingevolge de Ambtenarenwet zijn zij verplicht tot geheimhouding van hetgeen zij in dat verband vernemen. Daarnaast wordt de vertrouwelijkheid van de gegevens gewaarborgd door het medisch beroepsgeheim van deze artsen.

Vanwege de specifieke aard van de klachten is voor de beroepscommissie een vaste samenstelling verplicht (artikel 30, eerste lid). Deze dient te bestaan uit één jurist en twee artsen (bij klachten over de tandarts ligt het voor de hand dat in ieder geval een van deze artsen wordt vervangen door een tandarts; bij klachten over de psychiater zal de arts in de beroepscommissie tevens psychiater moeten zijn). De beroepscommissie toetst achteraf of de gedraging van de arts juist is geweest. De klacht zal getoetst worden aan de gezondheidsregelgeving in combinatie met de penitentiaire wet- en regelgeving. De beroepscommissie kan de arts geen opdracht geven een bepaalde behandeling van de gedetineerde te bieden. Zij oordelen achteraf over het medisch handelen van de arts. Wanneer er een opdracht tot het geven van een bepaalde behandeling zou worden gegeven, zou de medische verantwoordelijkheid voor de behandeling van de betrokken gedetineerde overgaan op de beroepscommissie. Ik acht dit gelet op het voorgaande onjuist. De verantwoordelijkheid voor de medische behandeling van een gedetineerde blijft bij de inrichtingsarts.

Indien de beroepscommissie tot het oordeel komt dat de klacht van de gedetineerde geheel of gedeeltelijk gegrond is kan de beroepscommissie een tegemoetkoming bepalen (artikel 33, tweede lid). Deze regeling is overgenomen uit de PBW.

Artikel 34 geeft aan dat de aan de gedetineerde toekomende rechten ten aanzien van het klagen over medisch handelen in voorkomende gevallen tevens toekomen aan de curator, de mentor, de ouders of de voogd (vergelijk artikel 75 PBW).

HOOFDSTUK 8. DOSSIERS

Artikel 35

In deze bepaling is de verplichting neergelegd om ten aanzien van iedere gedetineerde een penitentiair dossier aan te leggen. Deze verplichting geldt alleen niet voor personen die in het kader van vreemdelingenbewaring in een inrichting zijn ingesloten. Het penitentiair dossier heeft als doel dat de daarin verzamelde informatie gebruikt kan worden bij de monitoring van de gedetineerde gedurende de detentie, of, binnen de in artikel 39 aangegeven termijn, nieuwe detenties. Deze noodzaak is niet aanwezig bij vreemdelingenbewaring, aangezien hun verblijf in beginsel kort van duur is en er geen sprake is van een eventuele volgende detentie. Van deze gedetineerden wordt wel een inrichtingsdossier aangelegd.

Artikel 36

In dit artikel wordt de opbouw van het penitentiair dossier globaal weergegeven. Hierin is bepaald dat deze dossiers volgens een standaardindeling worden ingedeeld. In het eerste lid worden voorts de onderdelen genoemd die in ieder geval in een penitentiair dossier dienen te worden onderscheiden. Met het geven van deze regels vormen de dossiers een persoonsregistratie in de zin van artikel 1 van de Wet op de persoonsregistraties1 (WPR). Een standaardindeling impliceert immers dat de registratie met het oog op een doeltreffende raadpleging systematisch is aangelegd. In het onderhavige besluit worden in aanvulling op de regels uit de WPR nadere regels gesteld.

Het van toepassing zijn van de WPR betekent tevens dat de verplichting bestaat te voorzien in een privacyreglement voor de penitentiaire dossiers. Overigens geldt dit voor alle registraties die in een inrichting worden bijgehouden. De medische dossiers die door de inrichtingsartsen worden bijgehouden vallen niet onder de hier gegeven regeling, maar onder de regels ten aanzien van de behandelingsovereenkomst (artikel 454 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek).

Artikel 37

Het eerste lid van dit artikel noemt de stukken die in het penitentiair dossier dienen te worden opgenomen. Overige stukken die niet in het penitentiair dossier worden opgenomen worden verzameld in het zogenoemde inrichtingsdossier.

Artikel 38

In deze bepaling wordt gesteld dat het penitentiair dossier in geval van formele overplaatsing wordt overgedragen aan de directeur van de inrichting waar de gedetineerde heen gaat. Met de formele overplaatsing wordt gedoeld op de beslissing van de selectiefunctionaris bedoeld in artikel 15 van de PBW. Het moet bovendien gaan om een overplaatsing tussen inrichtingen. Wanneer een gedetineerde wordt geplaatst in een penitentiair programma wordt het penitentiair dossier gezonden naar de directeur van de inrichting of afdeling die ingevolge artikel 8 toezicht houdt op het penitentiaire programma. Tevens dient het penitentiair dossier met een voorstel voor selectie van een gedetineerde te worden meegezonden aan de selectiefunctionaris. In het derde lid is bepaald dat bij invrijheidstelling, overlijden of ontvluchting het penitentiair dossier wordt verzonden aan het ministerie, alwaar het zal worden opgeslagen.

Artikel 39

In dit artikel wordt de bewaartermijn van de penitentiaire dossiers bepaald op tien jaar, nadat de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel is geëindigd. De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing heeft gesuggereerd om de bewaartermijn vast te stellen op tien jaar, tenzij de verjaringstermijn van de executie langer is. Dit zou evenwel betekenen dat voor een deel van de dossiers een specifieke bewaartermijn zou gelden. Dit zou tot praktische problemen leiden bij de bewaring en de vernietiging van de dossiers. Een algemene termijn van tien jaar na het einde van de detentie acht ik voldoende.

Na tien jaar dient het penitentiair dossier in beginsel te worden vernietigd. Indien de gegevens uit een penitentiair dossier, bij voorbeeld in verband met wetenschappelijk onderzoek, bewaard moeten worden, dienen de gegevens zodanig geanonimiseerd te worden dat deze niet meer tot een bepaalde gedetineerde kunnen worden herleid. Het penitentiair dossier kan eveneens bewaard blijven als vernietiging in strijd is met een aanmerkelijk belang van een ander dan de gedetineerde. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in artikel 455 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek1. Gedacht kan hierbij worden aan een situatie waarbij de gedetineerde tegen (een personeelslid van) de inrichting een klacht of schadeclaim heeft ingediend. De gegevens uit het penitentiair dossier zullen in dit verband dan nodig zijn.

De bewaartermijn vervalt indien de betrokkene binnen tien jaar opnieuw wordt gedetineerd, zo wordt bepaald in het derde lid. In die gevallen zijn de gegevens over een vorige detentie vaak van belang. De bewaartermijn van het «oude» dossier volgt dan die van het «nieuwe» dossier.

Het inrichtingsdossier wordt vernietigd zes maanden nadat de gedetineerde de desbetreffende inrichting heeft verlaten. Ook deze bewaartermijn vervalt indien de gedetineerde binnen zes maanden in diezelfde inrichting terugkeert.

Artikel 40

Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt is de WPR van toepassing op de penitentiaire dossiers. Dit houdt in dat ook de bepalingen over inzage uit die wet van toepassing zijn. Voor zover de inzage door een gedetineerde van diens dossier moet worden beperkt zal voornamelijk een beroep worden gedaan op onderdeel e van artikel 30 WPR, waarin het belang van een ander, de houder daaronder begrepen, als inperkingsgrond wordt gegeven. Voor het gevangeniswezen zal onder het belang van de houder doorgaans worden begrepen de handhaving van de orde en veiligheid in de inrichting. Het belang van (de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van) anderen dan de gedetineerden valt eveneens onder genoemd onderdeel e. Het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten is opgenomen in onderdeel b van artikel 30 WPR.

Aanvullend op de WPR is in het eerste lid bepaald dat, wanneer een gedetineerde inzage van diens dossier wordt geweigerd, hij een lid van de commissie van toezicht kan machtigen om het dossier in te zien. Indien de gedetineerde twijfelt over de juistheid van de informatie die in zijn dossier is opgenomen kan hij op deze wijze een onafhankelijke partij dit laten toetsen. Bij weigering van inzage, zijnde een beslissing van de directeur, zal de gedetineerde in beklag kunnen gaan bij de beklagcommissie bij de inrichting. Ingevolge de tweede volzin van het eerste lid zijn de artikelen 57 en 58 van de wet, inzake het horen en het geven van een schriftelijke mededeling, van overeenkomstige toepassing. Naast de beklagprocedure blijft echter tevens de rechtsgang gegeven door de WPR van toepassing.

In het tweede lid is, ter nadere invulling van artikel 6, tweede lid, WPR, bepaald dat verstrekking van gegevens uit het penitentiair dossier slechts is voorbehouden aan de minister, de selectiefunctionaris, de directeur van de inrichting dan wel de door hen aangewezen ambtenaren en medewerkers. Er geldt geen onbeperkte verstrekking van gegevens uit de dossiers. Inzage kan plaatsvinden indien er door een gedetineerde een bepaald verzoek is gedaan. Ook is het denkbaar dat anderen een bepaald verzoek doen, waarbij een gedetineerde is betrokken. Deze gevallen zijn weergegeven in onderdeel a van het tweede lid. Onderdeel b geeft de mogelijkheid van inzage wanneer er een procedure aanhangig is. Het gaat hier niet alleen om gerechtelijke procedures (zoals kort gedingen en andere procedures uit onrechtmatige daad), maar kan ook procedures betreffen die bij voorbeeld bij de Nationale ombudsman of de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens spelen. Vanwege het bepaalde in onderdeel c hebben degenen die belast zijn met het beheer van de dossiers tevens recht op inzage. Ten slotte wordt in onderdeel d bepaald dat tevens inzage kan plaatsvinden wanneer een beslissing ten aanzien van een bepaalde gedetineerde moet worden genomen. Doorgaans worden in de inrichtingen degenen die werkzaam zijn bij het Bureau Sociale Dienstverlening van de inrichting aangewezen als zijnde ambtenaren die tot inzage bevoegd zijn. Dit is noodzakelijk in verband met de taken die deze bureaus binnen de inrichting vervullen, zoals het voorbereiden van verlofbeslissingen, voorstellen tot plaatsing en overplaatsing e.d. Maar ook medewerkers zijn bevoegd tot het hebben van inzage. Te denken valt hierbij aan reclasseringswerkers die gegevens uit het dossier in te zien krijgen ten behoeve van de advisering over deelname van een gedetineerde aan een penitentiair programma.

HOOFDSTUK 9. BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT VEROORDEELDEN TOT EEN VRIJHEIDSSTRAF TEN AANZIEN VAN WIE ARTIKEL 13 OF 19 VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT IS TOEGEPAST

Artikelen 41 tot en met 44

Deze bepalingen komen inhoudelijk overeen met de artikelen 120 tot en met 122a GM.

HOOFDSTUK 10. VERGOEDINGEN BEKLAG- EN BEROEPSPROCEDURES

Artikel 45

In dit artikel worden de beloning van de tolk of vertaler en de vergoeding van de door hem gemaakte kosten in verband met een beklag- of beroepszaak geregeld. Hierbij werd in het verleden en wordt ook thans aangeknoopt bij de vergoeding die deze personen genieten volgens de regels gegeven in de Wet tarieven in strafzaken1 en het gelijknamige besluit2 en de Ministeriële voorschriften tarieven in strafzaken3.

Bij circulaire van 26 augustus 1992 (nr. 227 010/92/DJ) werd in dit verband de volgende procedure voorgeschreven. Van elke toepassing maakt de voorzitter van de beklagcommissie een kennisgeving. De secretaris gaat na hoeveel tijd de werkzaamheden van de tolk of vertaler hebben gevergd. Op de kennisgeving tekent hij aan de door de tolk of vertaler bestede tijd, verklaart hij zich schriftelijk akkoord en voorziet de kennisgeving, na deze van een dagtekening te hebben voorzien, van zijn handtekening. Direct na de beklagzitting stelt de secretaris de kennisgeving in handen van het hoofd van de inrichting. Deze zorgt voor de uitbetaling. Eenzelfde procedure is van toepassing in beroepszaken. Deze regeling is thans weergegeven in het tweede lid.

HOOFDSTUK 11. KOSTEN EN AANSPRAKELIJKHEID DIRECTEUR

Artikel 46

Dit artikel stemt overeen met artikel 33 GM. De PBW geeft voor deze regeling geen grondslag. In de aanhef van het besluit wordt daarom verwezen naar artikel 89 van de Grondwet. Na de reeds eerder genoemde evaluatie van de PBW zal in een grondslag in deze wet worden voorzien.

Artikel 47

Dit artikel stemt overeen met artikel 48a, eerste lid, GM. Aangezien in deze bepaling de term «gedetineerde» wordt gebruikt, omvat het niet de deelnemers aan een penitentiair programma. Omdat de deelnemer aan een penitentiair programma zijn hoofdverblijf niet meer in een inrichting heeft zou het onjuist zijn dat deze kosten voor rekening van de Staat komen. De deelnemer dient zich, zoals de vrije burger, te verzekeren tegen ziektekosten e.d. Zie in dit verband ook het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, en de toelichting daarbij.

Artikel 48

Dit artikel stemt overeen met artikel 94 GM. De PBW geeft voor deze regeling geen grondslag. In de aanhef van het besluit wordt daarom verwezen naar artikel 89 van de Grondwet. Na de reeds eerder genoemde evaluatie van de PBW zal in een grondslag in deze wet worden voorzien.

Artikel 49

In deze bepaling wordt de aansprakelijkheid van de directeur voor schade aan of vermissing van voorwerpen die een gedetineerde onder zich mag hebben beperkt tot duizend gulden per voorwerp. Alleen buiten de gevallen waarin sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid wordt de aansprakelijkheid van de directeur beperkt. Artikel 45, derde lid, PBW geeft de mogelijkheid om in de Penitentiaire maatregel een grens te stellen aan de aansprakelijkheid. Ik realiseer mij dat het beperken van de aansprakelijkheid van de inrichting vragen oproept. Zowel de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak als de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing betwijfelden of de aan hen voorgelegde bepaling de toets van de civiele rechter zou kunnen doorstaan. Ik meen toch gebruik te moeten maken van de mogelijkheid gegeven door voornoemde bepaling van de PBW. Door deze regel te stellen voorkom ik namelijk dat de directeuren zich genoodzaakt zien duurdere voorwerpen in zijn geheel binnen de inrichting te verbieden, op grond van het bepaalde in artikel 45, eerste lid, PBW. Ten opzichte van de voor advies voorgelegde bepaling is de huidige tekst aangescherpt. Overigens laat deze, zoals de Raad van State terecht opmerkte, onverlet dat de gedetineerden zich in een civiele procedure tot de Staat kunnen wenden om deze volledig aansprakelijk te stellen op grond van een actie uit onrechtmatige daad.

Bij onder andere verplaatsing van gedetineerden van de ene afdeling naar een andere of bij invoer van goederen in een inrichting kunnen voorwerpen die de gedetineerde toebehoren beschadigen dan wel zoek raken. Niet in alle gevallen is duidelijk om welke goederen het dan precies gaat en welke waarde deze vertegenwoordigen. Eveneens is vaak onduidelijk wie er voor de beschadiging c.q. het kwijtraken verantwoordelijk is, de gedetineerde zelf of de inrichting. Gedetineerden hebben vaak goederen onder zich van aanzienlijke waarde (of beweren deze althans te hebben). Van de inrichting mag overigens worden verwacht dat de nodige zorgvuldigheid in acht wordt genomen. Dat geldt zowel voor het goed registreren van zaken die door een gedetineerde in de inrichting worden ingevoerd, als voor de wijze waarop bij voorbeeld een celinspectie wordt uitgevoerd. Aan de andere kant mag van de gedetineerde worden verwacht dat hij de schade op deugdelijke wijze kan aantonen en deze ook terstond na constatering aan de inrichting meldt.

HOOFDSTUK 12. WIJZIGING ANDERE REGELGEVING

Artikel 50

In deze bepaling wordt een basis gelegd in het Besluit politieregisters voor de screening van personen die in een commissie van toezicht worden benoemd. De mogelijkheid van raadpleging van de politieregisters omvat de situaties van de benoeming, de herbenoeming en het ontslag van de leden.

Artikelen 51 tot en met 55 en 57 en 58

Deze wijzigen betreffen aanpassingen op de nieuwe terminologie van de PBW.

Artikel 56

In dit artikel wordt het tot nu toe gereserveerde hoofdstuk over de geestelijke verzorging in het Reglement verpleging ter beschikking gestelden ingevuld. In de toelichting bij dit Reglement werd aangegeven dat op dat moment – vanwege een reorganisatie – de nadere regels nog niet konden worden gesteld. Thans is dit wel het geval.

Artikel 40, vierde lid, Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden kondigt nadere regelgeving aan ten aanzien van de geestelijke verzorging. Deze nadere regels worden voor een groot deel gegeven door de artikelen 36 tot en met 39 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden. Een aantal zaken zal op het niveau van de huisregels nader worden bepaald. Het gaat om onderwerpen als het respecteren van de zondagsrust en de feestdagen en het ambtsgeheim van de geestelijke verzorgers.

Geestelijke verzorging omvat in ieder geval het organiseren en bijwonen van in de inrichting gehouden godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten, inclusief de groepsgesprekken, alsmede persoonlijk contact met een geestelijke verzorger (zie artikel 40, derde lid, Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden).

In artikel 40, tweede lid, Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt bepaald dat het hoofd van de inrichting ervoor zorg draagt dat in de inrichting voldoende geestelijke verzorging aanwezig is die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de verpleegden. Het hoofd van de inrichting zal zich daartoe op de hoogte dienen te stellen van de voorkeuren die hierover leven bij de verpleegden. In artikel 36 wordt, mede ter uitvoering van voornoemd artikellid, bepaald dat aan een inrichting in ieder geval geestelijke verzorgers van protestantse en rooms-katholieke gezindte en geestelijke verzorgers behorend tot het humanistisch verbond zijn verbonden. Hiermee wordt geestelijke verzorging vanwege deze gezindten of levensovertuiging gegarandeerd. In de praktijk zijn er tevens geestelijke verzorgers van joodse gezindte aangesteld. De verplichting voor rijksinrichtingen dat er ook geestelijke verzorgers van israëlitische gezindte aan een inrichting verbonden zijn, zoals was bepaald in artikel 63 van de Gevangenismaatregel is komen te vervallen. In de praktijk blijken slechts zeer weinig gedetineerden van deze gezindte te zijn terwijl zij bovendien over de verschillende inrichtingen verspreid zijn. Het aan iedere inrichting verplicht aanstellen van een rabbijn ligt daarom niet voor de hand.

Artikel 37 bepaalt dat er bij het Ministerie van Justitie hoofdgeestelijken zijn van de protestantse en rooms-katholieke gezindte en van het humanistisch verbond. Deze hoofdgeestelijken fungeren als de vertegenwoordiging van de zendende instanties. Zij geven in dat kader de minister of het hoofd van de Dienst Justitiële Inrichtingen adviezen over de geestelijke verzorging van de verpleegden en alle aspecten die daarmee samenhangen.

De hoofdgeestelijken stellen voor het inhoudelijke deel van het werk hun eigen taken vast, in overeenstemming met hun zendende instantie. In het licht van de scheiding tussen Kerk en Staat kan de overheid slechts over het ambtelijk functioneren regels stellen. Hoe de geestelijken hun inhoudelijke taak invullen en op welke wijze zij verantwoording afleggen aan hun zendende instantie, dan wel de vertegenwoordiging daarvan is niet aan de Staat om te regelen. Een geestelijke verzorger heeft in feite twee bazen te dienen. Voor het functioneren als ambtenaar binnen de rijksinrichting legt hij verantwoording af aan het hoofd van de inrichting. Voor zijn inhoudelijke werk is hij verantwoording schuldig aan de desbetreffende hoofdgeestelijke.

In de huidige situatie wordt door de hoofdgeestelijken op de navolgende wijze invulling gegeven aan hun taak. In de eerste plaats houden de hoofdgeestelijken toezicht op het werk van de geestelijke verzorgers bij de rijksinrichtingen van hun gezindte of levensovertuiging. Daarnaast coördineren zij het werk van deze geestelijke verzorgers. Voorts trachten zij te voorzien in het scheppen van goede voorwaarden voor een adequate ambtsuitoefening van de geestelijke verzorgers in de rijksinrichtingen. De hoofdgeestelijken doen dit in samenspel met het hoofd van de rijksinrichting. Bij het functioneren van de geestelijke verzorgers in de rijksinrichting zijn de hoofdgeestelijken voorts betrokken doordat zij werkbezoeken afleggen, met de geestelijke verzorgers functioneringsgesprekken voeren en ook – samen met het hoofd van de rijksinrichting – beoordelingen opstellen. Tevens zorgen de hoofdgeestelijken voor deskundigheidsbevordering door middel van bij- en nascholing van de geestelijke verzorgers.

Ook bij de aanstelling van de geestelijke verzorgers bij de rijksinrichtingen vervullen de hoofdgeestelijken een grote rol. Alvorens een vacature wordt vervuld wordt er eerst overleg gevoerd met het hoofd van de rijksinrichting. Daarna wordt een geschikte kandidaat gezocht. Indien ook het hoofd van de rijksinrichting positief tegenover de kandidaat staat wordt deze aan de minister (i.c. hoofd DJI) voorgedragen voor benoeming. Deze rol van de hoofdgeestelijken is neergelegd in het tweede lid van artikel 37.

Artikel 38 regelt de aanstelling van geestelijke verzorgers van de traditionele gezindten en levensovertuigingen. Het gaat hier steeds om een ambtelijke aanstelling dan wel indiensttreding. Overigens ben ik voornemens voor rijksinrichtingen de mogelijkheden te onderzoeken om deze geestelijke verzorgers op contractbasis aan te nemen. Het eerste lid van dit artikel beschrijft de wijze van aanstelling bij een rijksinrichting. De aanstelling geschiedt door de minister (vooralsnog hoofd DJI). Die ontvangt daartoe – zoals hierboven reeds beschreven – een voordracht van de desbetreffende hoofdgeestelijke. Het hoofd van de rijksinrichting dient vanzelfsprekend ook met de kandidaat in te stemmen voordat benoeming plaatsvindt. Het tweede lid beschrijft de aanstelling bij een justitiële particuliere inrichting. Deze geschiedt door het bestuur dan wel het hoofd van de inrichting, nadat deze over de kandidaat de desbetreffende hoofdgeestelijke heeft gehoord. Tot op heden bestond er geen bemoeienis van de hoofdgeestelijken met de geestelijke verzorging in de justitiële particuliere inrichtingen. Met de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden wordt mede getracht het onderscheid in rechtspositie van de verpleegden verblijvend in een rijksinrichting of een justitiële particuliere inrichting te doen verdwijnen. De bepaling betreffende de geestelijke verzorging in deze Beginselenwet is immers in alle justitiële inrichtingen gelijkelijk van toepassing. Het ligt daarmee in de rede dat de taken van de hoofdgeestelijken, zoals die in het verleden golden voor de rijksinrichtingen, uit te breiden naar de justitiële particuliere inrichtingen, vanzelfsprekend met inachtneming van het particuliere karakter van deze inrichtingen. Zo kan het niet zijn dat vanwege de minister geestelijk verzorgers bij deze inrichtingen worden aangesteld. Wel acht ik het zinvol dat bij de aanstelling van geestelijke verzorgers bij de justitiële particuliere inrichtingen de visie van de desbetreffende hoofdgeestelijke daarover wordt gevraagd. Dit zal de kwaliteit van de geestelijke verzorging slechts ten goede kunnen komen.

Het hoofd van de rijksinrichting dient vanzelfsprekend ook met de kandidaat in te stemmen, voordat benoeming plaatsvindt. In deze bepaling is alleen de voordracht bij benoeming geregeld. Vanuit de kerken werd voorgesteld deze rol van overeenkomstige toepassing te laten zijn bij ontslag van de geestelijke verzorger. Het gaat mij te ver dit dwingend in de regelgeving op te nemen. Dat neemt niet weg dat – juist vanwege de hiervoor omschreven werkzaamheden van de hoofdgeestelijken – het voor de hand ligt dat de hoofdgeestelijken in voorkomende gevallen ook bij het ontslag van een geestelijk verzorger betrokken zijn. Dit zal voornamelijk zijn in gevallen waarin om inhoudelijke redenen tot ontslag wordt overgegaan.

Artikel 39 regelt de verbinding (anders dan bij wijze van een ambtelijke aanstelling) aan een rijksinrichting van geestelijke verzorgers van andere godsdiensten of levensovertuigingen. Aangezien voor deze gezindten of levensovertuigingen tot op heden geen overkoepelende zendende instanties bestaan is het praktisch niet mogelijk een hoofdgeestelijke te benoemen die als vertegenwoordiging van de denominatie optreedt. Door het ontbreken van een zendende instantie is het tevens niet mogelijk om deze geestelijke verzorgers via een ambtelijke aanstelling aan de rijksinrichting te verbinden. Zoals de Minister van Binnenlandse Zaken ook opmerkte in een zaak die bij de Nationale ombudsman speelde (zie rapport 11 juni 1996, nr. 96/271, AB 1996, nr. 370) is het bestaan van een representatief samenwerkingsverband (van i.c. de hindoes) een voorwaarde om formatieplaatsen te kunnen bemensen. De overheid kan zich niet mengen in de organisatie van de instellingen op geestelijke grondslag en niet zelf geestelijke verzorgers aanwijzen die in de penitentiaire inrichtingen worden aangesteld als geestelijke verzorger. Dat zou betekenen dat de overheid oordeelt over de geschiktheid van de geestelijke verzorger als zodanig. Daarmee mengt de overheid zich in aangelegenheden die het betrokken (kerk)genootschap betreffen. De totstandkoming van een samenwerkingsverband is een verantwoordelijkheid van de (kerk)genootschappen zelf, waarin de overheid niet kan treden.

Om het toch mogelijk te maken dat geestelijke verzorgers van geloofs- of levensovertuigingen die geen zendende instantie hebben, hun diensten kunnen verlenen in de rijksinrichtingen, is in artikel 39 aangeven dat deze personen wel als geestelijke verzorger aan een rijksinrichting kunnen worden verbonden, zonder dat zij een ambtelijke aanstelling krijgen. Dit houdt in dat deze geestelijke verzorgers op declaratiebasis hun werk in een rijksinrichting kunnen verrichten. Om enige vorm van toetsing te realiseren is opgenomen dat over deze verbinding aan de rijksinrichting advies zal worden uitgebracht door de reeds aan die inrichting verbonden geestelijke verzorgers.

Deze bepaling is niet van toepassing op de justitiële particuliere inrichtingen. Het stellen van deze regels zou een te grote inbreuk op het particuliere karakter van die inrichtingen betekenen. Dat neemt niet weg dat indien er vanuit de verpleegden wordt aangegeven dat er behoefte bestaat aan geestelijke verzorging door bij voorbeeld een imam of een pandit, de inrichting daarvoor zorg dient te dragen. Dit vloeit immers voort uit artikel 40, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden.

In het tweede lid van artikel 39 wordt bepaald dat de hier bedoelde geestelijke verzorgers dienen te voldoen aan door de minister vast te stellen functievereisten. Het gaat hier om objectieve eisen, voornamelijk ten aanzien van opleiding en ervaring. Het spreekt voor zich dat het hier uitsluitend gaat om eisen die aan de geestelijke verzorger als «werknemer» kunnen worden gesteld. Ten aanzien van de inhoudelijke vervulling van zijn werk kan de Staat immers geen regels stellen. De regels zullen onder andere inhouden dat de geestelijke verzorger in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst en dat ten aanzien van hem een antecedentenonderzoek gedaan kan worden. Tevens zal de geestelijk verzorger moeten kunnen samenwerken. Dit zijn minimale vereisten voor het op zinvolle wijze kunnen functioneren in een inrichting. De geestelijke verzorger die aan een inrichting is verbonden vormt immers een onderdeel van de staf van de inrichting.

De geestelijke verzorger die anders dan bij wijze van aanstelling aan een inrichting is verbonden ontvangt een vergoeding voor zijn werkzaamheden en voor de door hem gemaakte kosten (bij voorbeeld reiskosten). De exacte regeling zal worden neergelegd in een ministeriële regeling (artikel 39, derde lid). Deze ministeriële regeling zal de circulaire van 21 december 1994 (nr. 470183/94/DJI) betreffende geestelijke verzorging moslims en hindoes in justitiële inrichtingen vervangen.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

INHOUDSOPGAVE

1. ALGEMEEN19
  
2. DE COMMISSIES VAN TOEZICHT EN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT19
  
3. DIFFERENTIATIE NAAR STRAFDUUR OF STRAFRESTANT20
  
4. PENITENTIAIR PROGRAMMA21
  
5. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING23
  
HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN23
HOOFDSTUK 2. OPPERBEHEER INRICHTINGEN23
HOOFDSTUK 3. PENITENTIAIR PROGRAMMA25
HOOFDSTUK 4. COMMISSIE VAN TOEZICHT EN BEKLAGCOMMISSIE32
HOOFDSTUK 5. GEDWONGEN GENEESKUNDIGE HANDELINGEN34
HOOFDSTUK 6. GEESTELIJKE VERZORGING39
HOOFDSTUK 7. BEROEP TEGEN MEDISCH HANDELEN41
HOOFDSTUK 8. DOSSIERS44
HOOFDSTUK 9. BIJZONDERE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT VEROORDEELDEN TOT EEN VRIJHEIDSSTRAF TEN AANZIEN VAN WIE ARTIKEL 13 OF 19 VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT IS TOEGEPAST47
HOOFDSTUK 10. VERGOEDINGEN BEKLAG- EN BEROEPSPROCEDURES47
HOOFDSTUK 11. KOSTEN EN AANSPRAKELIJKHEID DIRECTEUR47
HOOFDSTUK 12. WIJZIGING ANDERE REGELGEVING48

XNoot
1

Stb. 1991, 56, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 22 december 1997, Stb. 764.

XNoot
2

Stb. 1994, 31, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 24 december 1997, Stb. 796.

XNoot
3

Stb. 1943, D 61, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 juni 1990, Stb. 369.

XNoot
4

Stb. 1982, 334.

XNoot
5

Stb. 1896, 32, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 3 februari 1934, Stb. 38

XNoot
6

Stb. 1956, 542, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 14 september 1994, Stb. 700.

XNoot
7

Stb. 1997, 217.

XNoot
8

Stb. 1997, 63, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 juni 1997, Stb. 339.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 april 1998, nr. 70.

XNoot
1

Kamerstukken II 1993/94, 24 263, nr. 3, paragraaf 3.

XNoot
1

kamerstukken II 1994/95, 24 263, nr. 3, blz. 31–32.

XNoot
2

kamerstukken II 1995/96, 24 263, nr. 6, blz. 21.

XNoot
1

kamerstukken II 1993/94, 22 999, nrs. 10–11.

XNoot
1

kamerstukken II 1997/98, 25 712, nr. 1.

XNoot
1

kamerstukken II 1995/96, 24 263, nr. 6, blz. 11–12.

XNoot
1

Wet van 28 december 1988, Stb. 665.

XNoot
1

Ingevoerd bij wet van 17 november 1994 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en enige andere wetten in verband met de opneming van bepalingen omtrent de overeenkomst tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, Stb. 1994, 837.

XNoot
1

Wet van 28 maart 1963, Stb. 130, laatstelijk gewijzigd bij wet van 9 december 1993, Stb. 725.

XNoot
2

Besluit van 27 november 1963, Stb. 469, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 december 1992, Stb. 706.

XNoot
3

Besluit van 11 december 1981, Stcrt. 246, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 22 december 1993, Stcrt. 250.

Naar boven