Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 1997, 762AMvB

Besluit van 17 december 1997 tot vaststelling van regels als bedoeld in artikel 8, elfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Inkomensbesluit Waz)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 november 1997, nr. SV/WV/97/4413;

Gelet op artikel 8, elfde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

De Raad van State gehoord (advies van 5 december 1997, no. W12.97.0713);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 december 1997, nr. SV/WV/97/5234;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1. Algemeen

In dit besluit wordt verstaan onder de Wet: de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

Artikel 2. Winst zelfstandige

  • 1. Voor de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wet worden onder winst mede verstaan:

    a. algemene bijstand als bedoeld in artikel 8 van de Algemene bijstandswet;

    b. bijstand om niet als bedoeld in artikel 8 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen.

  • 2. Onder winst worden niet verstaan de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 57, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Artikel 3. Inkomsten beroepsbeoefenaar

Voor de toepassing van artikel 8, derde lid, van de Wet wordt voor de vaststelling van de grondslag waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, onder inkomsten verstaan alle andere dan uit dienstbetrekking genoten inkomsten en als inkomsten aan te merken voordelen uit tegenwoordige arbeid nadat deze zijn verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid.

Artikel 4. Grondslag bij toepassing artikel 72, derde lid, van de Wet

Zonodig in afwijking van artikel 3 wordt voor de verzekerde, ten aanzien van wie artikel 72, derde lid, van de Wet toepassing heeft gevonden in het kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, de grondslag waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend vastgesteld op het bedrag dat als premie-inkomen in aanmerking is genomen in dat kalenderjaar, onverminderd artikel 8, zevende lid, van de Wet.

Artikel 5. Grondslag meewerkende echtgenoot en echtgenoot/zefstandige

  • 1. Voor de toepassing van artikel 8, vierde lid, van de Wet wordt ter vaststelling van de inkomsten die de meewerkende echtgenoot, bedoeld in artikel 6 van de Wet, geacht kan worden te hebben genoten, de winst van zijn echtgenoot uit de onderneming waarin hij meewerkt, vermenigvuldigd met de factor X/Y, waarbij:

    a. X is het loon van de werknemer, die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als die meewerkende echtgenoot; en

    b. Y is de som van het in onderdeel a bedoelde loon en het loon van de werknemer, die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als zijn echtgenoot.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wet wordt ter vaststelling van de winst van de zelfstandige, bedoeld in artikel 4 van de Wet, die «zijn echtgenoot» is in de zin van het eerste lid, zijn winst vermenigvuldigd met de factor A/B, waarbij:

    a. A is het loon van de werknemer, die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als die zelfstandige; en

    b. B is de som van het in onderdeel a bedoelde loon en het loon van de werknemer, die in dienstbetrekking een gelijkwaardige functie uitoefent als zijn meewerkende echtgenoot die verzekerde is, bedoeld in artikel 6 van de Wet.

Artikel 6. Winst of inkomsten over minder dan één jaar

  • 1. Indien de persoon die recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet voorafgaande aan zijn werkzaamheden als verzekerde arbeid heeft verricht in dienstbetrekking en als gevolg daarvan slechts een gedeelte van het boekjaar of kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als verzekerde werkzaam is geweest worden de winst en de inkomsten die hij als verzekerde heeft verworven in het boekjaar of kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, berekend volgens de volgende formule:

    [ (WWI / AW) / 5 ] x 261; waarbij:

    WWI is het totaal aan werkelijk door de persoon als verzekerde behaalde winst en inkomsten in het desbetreffende boekjaar of kalenderjaar, en

    AW is het aantal weken waarin de persoon als verzekerde arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven heeft verricht gericht op het verwerven van winst of inkomsten in het desbetreffende boekjaar of kalenderjaar.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een persoon in de vier boekjaren of kalenderjaren voorafgaand aan het in het eerste lid bedoelde boekjaar of kalenderjaar gemiddeld per boekjaar of kalenderjaar als verzekerde een gelijk of hoger bedrag aan winst of inkomsten heeft verworven dan de werkelijk door de persoon als verzekerde behaalde winst en inkomsten in het in het eerste lid bedoelde boekjaar of kalenderjaar.

Artikel 7. Gemiddeld per dag genoten winst en inkomsten

  • 1. Het bedrag van de gemiddeld per dag genoten winst of inkomsten wordt, indien artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, onderdeel a, van de Wet toepassing vindt, gevonden door hetgeen de verzekerde in het boekjaar of kalenderjaar, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als verzekerde aan winst of inkomsten heeft genoten te delen door 261.

  • 2. Het bedrag van de gemiddeld per dag genoten winst of inkomsten wordt, indien artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, onderdeel b, van de Wet toepassing vindt, gevonden door hetgeen de verzekerde in de vijf boekjaren of kalenderjaren, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, als verzekerde aan winst of inkomsten heeft genoten te delen door 1305.

Artikel 8. Indexering grondslagbedragen

Bij de toepassing van dit besluit worden de winst en de inkomsten van de verzekerde in elk boekjaar of kalenderjaar, die grondslag vormen voor een uitkering op grond van de Wet, herzien naar de mate waarin herziening van het minimumloon heeft plaatsgevonden vanaf het jaar volgende op het boekjaar of kalenderjaar waarin de desbetreffende winst en inkomsten zijn verworven, tot de datum van ingang van de uitkering.

Artikel 9. Nihilstelling negatieve winst en inkomsten

Indien de totaalsom van de door een verzekerde als zodanig verworven winst en inkomsten, waaronder begrepen de inkomensbestanddelen die op grond van dit besluit mede worden gerekend tot die winst of inkomsten in enig boekjaar of kalenderjaar als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de Wet, leidt tot een negatief bedrag, worden die winst en inkomsten op nihil gesteld.

Artikel 10. Hardheidsclausules

  • 1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan afwijken van artikel 8 van de Wet of dit besluit voor zover de toepassing daarvan, gelet op het tijdstip van verwerving van een bestanddeel van de winst of de inkomsten, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Alsdan bepaalt het Landelijk instituut sociale verzekeringen op welke periode dat bestanddeel betrekking heeft en hoe dit bestanddeel is verdeeld over die periode.

  • 2. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan afwijken van artikel 7 van dit besluit voor zover toepassing daarvan, gelet op de berekening van de gemiddeld per dag genoten winst of inkomsten, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Alsdan bepaalt het Landelijk instituut sociale verzekeringen een ander getal dan het getal, genoemd in artikel 7, eerste of tweede lid.

  • 3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan afwijken van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, onderdeel a, van de Wet of dit besluit voor zover de toepassing daarvan, gelet op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Alsdan bepaalt het Landelijk instituut sociale verzekeringen in plaats van het boekjaar of kalenderjaar een andere aaneengesloten periode van 12 maanden waarover de grondslag van de uitkering wordt berekend, welke periode evenwel ingaat na de dag van ingang van bedoeld boekjaar of kalenderjaar.

  • 4. In het derde lid, tweede zin, wordt in het geval van recht op uitkering in verband met bevalling voor «welke periode evenwel ingaat na de dag van ingang van bedoeld boekjaar of kalenderjaar» gelezen: welke periode evenwel ingaat uiterlijk 12 maanden voor de maand waarin de zwangerschap een aanvang nam.

Artikel 11. Grondslagwijziging amvb in verband met Aanpassingswet

Indien het bij koninklijke boodschap van 21 juni 1997 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van een aantal wetten in verband met de invoering van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen: kamerstuk nr. 25 415) tot wet wordt verheven en in werking treedt, berust dit besluit op artikel 8, achttiende lid, van de Wet.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.

Artikel 13. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Inkomensbesluit Waz.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 17 december 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Uitgegeven de negenentwintigste december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit voorziet in regels ten behoeve van de vaststelling van de hoogte van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz). De totstandkoming van de Waz vloeit voort uit de invoering van premiedifferentiatie en de mogelijkheid van eigenrisicodragen in de WAO. In verband daarmee worden de regelingen inzake langdurige arbeidsongeschiktheid ingrijpend herzien. De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) dekt voortaan het integrale arbeidsongeschiktheidsrisico voor werknemers en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) wordt ingetrokken, omdat zij haar betekenis als volksverzekering verliest. Voor de AAW komen twee afzonderlijke nieuwe regelingen in de plaats, de Waz en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).

Op grond van de Waz is reeds bepaald dat de uitkeringshoogte in alle gevallen wordt gebaseerd op het inkomen dat de verzekerde in de periode, voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid feitelijk als verzekerde heeft genoten. Dit geldt zowel voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering als voor de uitkering in verband met bevalling die op grond van de Waz kan worden verstrekt. Het is derhalve van groot belang dat het inkomen dat in beschouwing wordt genomen, alsmede de periode waarop dat inkomen betrekking heeft duidelijk worden omschreven.

In de artikelen 8 en 24 van de Waz zijn de hoofdlijnen van de regeling neergelegd. Uitgangspunt is steeds het boekjaar of kalenderjaar, onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Wanneer het gemiddeld inkomen echter in de vijf boekjaren of kalenderjaren, onmiddellijk voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid, hoger was dan het inkomen van het laatste boekjaar of kalenderjaar, geldt het gemiddeld inkomen over die jaren als uitgangspunt voor de vaststelling van de uitkering.

Voor de uitkering in verband met bevalling geldt dezelfde regeling, zij het dat dan het boekjaar of kalenderjaar, dan wel de boekjaren of kalenderjaren voor de ingangsdatum van het recht op bevallingsuitkering in aanmerking worden genomen. In alle gevallen wordt voor de vaststelling van de grondslag van de uitkering het inkomen ten hoogste vastgesteld op het minimumloon.

In de Waz zijn voor de diverse categorieën die tot de kring van verzekerden van de Waz behoren bepalingen getroffen omtrent hetgeen onder inkomen moet worden verstaan. Voor zelfstandig ondernemers geldt het winst-inkomen als maatstaf. Voor de beroepsbeoefenaren, waartoe ook directeuren-grootaaandeelhouders behoren, is de maatstaf het inkomen uit tegenwoordige arbeid. Voor meewerkende echtgenoten wordt de maatstaf gevormd door het inkomen dat betrokkene op basis van zijn of haar arbeidsinbreng in de onderneming van de zelfstandige geacht kan worden als inkomen te hebben verworven.

Het is echter noodzakelijk om ter nadere uitwerking van deze bepalingen inzake winst en inkomen aanvullende bepalingen te treffen. Artikel 8, elfde lid, Waz biedt daartoe de ruimte. Het gaat hierbij met name over hetgeen verder onder winst en inkomen moet worden verstaan en de periode die in beschouwing wordt genomen. De daartoe benodigde bepalingen zijn opgenomen in dit besluit.

Ook de AAW kende een Inkomensbesluit, waarin regels waren opgenomen over het in aanmerking te nemen inkomen en de in aanmerking te nemen periode. Tevens kende de AAW een Besluit, waarin het gemiddeld per dag verworven inkomen voor de AAW werd bepaald. Voor dit besluit kan slechts ten dele worden aangesloten bij genoemde besluiten in het kader van de AAW.

Dit houdt met name verband met het feit dat de AAW als volksverzekering betrekking had op alle ingezetenen, terwijl de Waz alleen betrekking heeft op zelfstandigen en daarmee op één lijn gestelde groepen niet-werknemers. In verband daarmee is voor dit besluit een begrensder en toegespitster omschrijving van het inkomensbegrip noodzakelijk. Omdat de kring van verzekerden van de Waz beperkter is, is in dit besluit gekozen voor een opzet die nauw aansluit bij de kring van verzekerden van de Waz. Het gaat louter om de inkomsten die als verzekerde in het kader van de Waz worden genoten. Ook de omstandigheid dat in de Waz het uitgangspunt van feitelijke inkomensderving consequent wordt doorgevoerd heeft tot gevolg dat niet steeds bij genoemde besluiten kon worden aangesloten.

Dit Inkomensbesluit is van belang voor personen die onder het nieuwe regime vallen. De vraag of iemand onder het nieuwe, dan wel onder het oude regime valt, kan worden beantwoord aan de hand van de bepalingen van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen. Het nieuwe regime geldt, wat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft, voor de persoon wiens arbeidsongeschiktheid intreedt op of na de dag van inwerkingtreding van de Waz en, wat het recht op bevallingsuitkering betreft, de vrouwelijke Waz-verzekerde, wier bevalling plaatsvindt op of na de dag van inwerkingtreding van de Waz.

Het Inkomensbesluit AAW en het Besluit gemiddeld per dag verworven inkomen AAW blijven hun betekenis houden voor personen die voor de dag van inwerkingtreding van de Waz arbeidsongeschikt zijn geworden. Ofschoon deze personen vanaf de inwerkingtreding van de Waz een beschikking krijgen gebaseerd op die wet, wordt de inhoud van die beschikking, wat de hoogte van de uitkering betreft, materieel beheerst door de bepalingen van de AAW en de daarop berustende bepalingen.

Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) heeft op 27 augustus 1997 uitvoeringstechnisch commentaar gegeven op het ontwerp-besluit. Het Lisv verzocht het besluit op een aantal onderdelen nader te bezien of aan te passen. Het betrof de volgende punten:

– het indexeren van de winst of het inkomen naar het peil op het moment van de aanvang van de uitkering. In het ontwerp-besluit was hierin niet voorzien. Naar aanleiding van het commentaar van het Lisv is hierin alsnog voorzien (artikel 8).

– het betrekken van de fiscale meewerkaftrek bij het vaststellen van het aandeel van de winst of inkomsten van de meewerkende echtgenoot. Deze aanbeveling van het Lisv is niet gevolgd. Anders dan hetgeen door het Lisv wordt gesteld wordt het bedrag van de meewerkaftrek namelijk niet buiten beschouwing gelaten. In art. 1, onderdeel i, van de Waz is het begrip «winst uit onderneming» gedefinieerd. Hieronder wordt verstaan: winst uit onderneming als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het gaat hierbij om het winst-begrip, vóórdat de meewerkaftrek wordt toegepast. Bij de toerekening van winst aan de meewerkende echtgenoot op grond van artikel 5 van dit besluit wordt de meewerkaftrek dus betrokken.

– bezien of bij de vaststelling van de grondslag van de verzekerde rekening moet worden gehouden met het aandeel van de meewerkende echtgenoot. Naar aanleiding van deze opmerking van het Lisv is artikel 5 van het besluit dienovereenkomstig aangepast. Dit spoort ook met artikel 10 van het huidige Inkomensbesluit AAW, waarbij de toerekening van winst ingeval sprake is van een meewerkende echtgenoot, voor beide echtgenoten geldt.

– de regeling om dagen waarop wegens arbeidsongeschiktheid niet is gewerkt en het buiten beschouwing laten van de inkomsten over deze dagen te laten vervallen. Aanvankelijk was deze regeling wel in het ontwerp-besluit opgenomen, dit overeenkomstig dezelfde regeling die nu geldt in de AAW. Het Lisv heeft erop gewezen dat deze regeling zelden wordt toegepast en bovendien onuitvoerbaar is. Bovendien voorziet de hardheidsclausule (nu opgenomen in artikel 10 van dit besluit) in voorkomende gevallen in een oplossing. Om deze redenen is de aanbeveling van het Lisv gevolgd.

– de hardheidsclausule met betrekking tot het vaststellen van de periode van 12 maanden, voor zover dit betrekking heeft op de bevallingsuitkering, te verruimen. Deze aanbeveling is eveneens gevolgd.

Tot slot kan worden vermeld dat in het op 21 juni 1997 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal aanhangig gemaakte wetsvoorstel Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Kamerstukken II 1996–97, 25 415, nr 2, blz. 28) is voorzien in een wijziging van artikel 8 van de Waz. Het elfde lid van dat artikel wordt daarbij vernummerd tot achttiende lid. Na inwerkingtreding van genoemde Aanpassingswet, met deze wijziging van artikel 8 Waz, zal deze algemene maatregel van bestuur dan ook zijn gebaseerd op artikel 8, achttiende lid, van de Waz.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Algemeen

Dit besluit stelt regels met betrekking tot de berekening van de winst en de inkomsten op grond van de Waz die als grondslag dienen voor de berekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van die wet. Artikel 24, tweede lid, van de Waz bepaalt dat artikel 8 van overeenkomstige toepassing is op de grondslag van de uitkering in verband met bevalling. In verband hiermee is dit besluit tevens van toepassing op de bevallingsuitkering.

Artikel 2. Winst zelfstandige

Wat onder winst wordt verstaan is in artikel 1 van de Wet omschreven. In het eerste lid van dit artikel wordt bepaald dat een aantal verwervingen mede tot de winst wordt gerekend. Deze uitbreiding van het winstbegrip voor de berekening van de uitkeringsgrondslag komt deels overeen met hetgeen ook op basis van het Inkomensbesluit AAW was bepaald, behoudens uiteraard de elementen van het winstbegrip die reeds in de Wet zijn opgenomen. Voorts zijn elementen van het winstbegrip, opgenomen in het Inkomensbesluit AAW, die niet langer geldend zijn, niet overgenomen. De uitzondering op het winstbegrip, neergelegd in het tweede lid van dit artikel, is verder tevens overgenomen uit het Inkomensbesluit AAW.

Artikel 3. Inkomsten beroepsbeoefenaar

Wat de bepaling van de inkomsten van beroepsbeoefenaren betreft wordt aangehaakt bij hetgeen artikel 72, eerste lid, van de Wet als maatstaf voor de premieheffing noemt voor beroepsbeoefenaren en bij hetgeen de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als inkomsten voor deze categorie aanmerkt. Het gaat om de inkomsten uit buiten dienstbetrekking in de zin van de WAO verrichte tegenwoordige arbeid. Deze inkomsten behoren tot de inkomsten als omschreven in artikel 22, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De inkomsten worden verminderd met de aftrekbare kosten die betrekking hebben op de inkomsten uit tegenwoordige arbeid. Wat de inkomsten, genoemd in artikel 22, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 betreft, gaat het om de inkomsten die een persoon uit dienstbetrekking in fiscale zin ontvangt. Voor de toepassing van dit besluit zijn dat dan de inkomsten uit (fiscale) dienstbetrekking, niet zijnde een dienstbetrekking in de zin van de WAO. Dat zijn met name de inkomsten van een directeur-grootaandeelhouder, die een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft, doch geen dienstbetrekking in de zin van de WAO.

Artikel 4. Grondslag bij toepassing artikel 72, derde lid, van de Wet

Dit artikel geeft een regeling voor de vaststelling van de uitkeringsgrondslag voor de beroepsbeoefenaar/ aanmerkelijk belanghouder wanneer in het kader van de premiegrondslag artikel 72, derde lid, van de Wet toepassing heeft gevonden. De toepassing van dat artikellid geldt overigens in het algemeen de directeur-grootaandeelhouder. Op grond van genoemd artikellid wordt de grondslag voor de premieheffing ten minste gesteld op het premie-inkomen dat ten hoogste voor premieheffing in aanmerking wordt genomen, tenzij betrokkene aannemelijk maakt dat voor soortgelijke arbeidsverhoudingen, waarbij aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lagere beloning gebruikelijk is. In dat geval wordt die lagere beloning in aanmerking genomen. Wanneer ten aanzien van deze beroepsbeoefenaar op basis van artikel 72, derde lid, een premiegrondslag in aanmerking wordt genomen, geldt dit bedrag zonder nader onderzoek ook voor de grondslagvaststelling van de uitkering. Uiteraard geldt op grond van artikel 8, zevende lid, van de Wet als maximale uitkeringsgrondslag het minimumloon.

Artikel 5. Grondslag meewerkende echtgenoot en echtgenoot/zefstandige

Aangezien de meewerkende echtgenoot in de zin van de Wet niet zelfstandig inkomsten geniet, maar via arbeidsinbreng bijdraagt aan het totale bedrijfsresultaat van de onderneming waarin hij meewerkt, dient voor de grondslagvaststelling voor deze verzekerde een inkomen te worden berekend. Die berekening vindt plaats op basis van de in dit artikel neergelegde formule. Deze formule is gelijk aan die welke in het Inkomensbesluit AAW werd gehanteerd voor in het bedrijf samenwerkende echtgenoten. Genomen wordt het loon dat een werknemer verdient die een met de werkzaamheden van de meewerkende echtgenoot vergelijkbare dienstbetrekking vervult. Dat loon wordt gedeeld door de som van dat vastgestelde loon plus het loon dat een werknemer verdient die een met de werkzaamheden van de zelfstandige vergelijkbare dienstbetrekking vervult. De uitkomst van deze breuk wordt vervolgens vermenigvuldigd met de totale winst in het boekjaar, of met de gemiddelde boekwinst in de vijf boekjaren, voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid van de meewerkende echtgenoot.

Hoewel uit het eerste lid kan worden afgeleid wat, gelet op de berekening van het eerste lid, de winst is van de zelfstandige met een meewerkende echtgenoot, is voor alle duidelijkheid het tweede lid opgenomen. Dit lid geeft ten aanzien van de echtgenoot/zelfstandige een vergelijkbare formule als in het eerste lid ten aanzien van de meewerkende echtgenoot is bepaald.

Artikel 6. Winst of inkomsten over minder dan één jaar

Het onderhavige artikel vindt alleen toepassing wanneer er sprake is van een continu verloop van de arbeidsinzet, doch niet over de gehele relevante periode als verzekerde. De situatie kan zich voordoen dat een persoon als werknemer werkzaam is geweest en zijn werknemersbestaan inruilt voor een bestaan als verzekerde. Als hij vervolgens binnen een jaar uitvalt wegens arbeidsongeschiktheid is het vanuit de arbeidssituatie van de verzekerde geredeneerd niet redelijk om uitsluitend de winst of de inkomsten over de beperkte periode dat hij als verzekerde werkzaam is geweest in aanmerking te nemen. In deze situatie wordt alsdan het bedrag van de winst of de inkomsten geëxtrapoleerd naar een volledig boekjaar of kalenderjaar. Dit geschiedt door het bedrag van de winst of inkomsten te delen door het aantal weken waarin hij als verzekerde werkzaam is geweest. Het gaat uitdrukkelijk om weken waarin als verzekerde is gewerkt. Het aantal uren/dagen in een week dat is gewerkt doet niet terzake. Zodra in een week werkzaamheden als verzekerde zijn verricht telt die week mee voor de berekening. De uitkomst van genoemde deling (WWI : AW) wordt met een volgende deling door het getal 5 herleid tot een bedrag per dag. Dat bedrag, vermenigvuldigd met 261, leidt vervolgens tot een totaalbedrag aan winst of inkomsten over het boekjaar of kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Met de berekening van de gemiddeld per dag genoten winst en inkomsten op basis van artikel 7 wordt alsdan de grondslag voor de uitkering berekend.

Zoals gesteld vindt dit artikel alleen toepassing wanneer er sprake is van doorlopende arbeidsinzet. Dat betekent dat wanneer een persoon enig moment vanuit een situatie van niet verzekerd zijn op grond van de WAO of enige andere wettelijke regeling inzake geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid start als zelfstandige, beroepsbeoefenaar of meewerkende echtgenoot, geen extrapolatie plaatsvindt. Onder omstandigheden kan er wel aanleiding zijn voor toepassing van een hardheidsclausule als bedoeld in artikel 10. Evenmin vindt extrapolatie plaats als een verzekerde in een of meer eerdere jaren ook als verzekerde werkzaam is geweest en het gemiddelde van de winst of inkomsten over de voorgaande vier boekjaren of kalenderjaren gelijk of hoger is dan de winst of inkomsten over het laatste boekjaar of kalenderjaar.

Artikel 7. Gemiddeld per dag genoten winst en inkomsten

In artikel 8, tweede tot en met vijfde lid, van de Wet, wordt ter bepaling van de grondslag uitgegaan van hetgeen de verzekerde gemiddeld per dag aan winst of inkomsten heeft genoten of wordt geacht te hebben genoten. De bepaling van de winst of inkomsten per dag is van belang vanwege het feit dat de uitkering ook per dag wordt berekend. Wanneer de grondslag wordt vastgesteld over hetgeen in het laatste boekjaar of kalenderjaar voor intreden van de arbeidsongeschiktheid aan winst of inkomsten is genoten, wordt het totaalbedrag van die winst en inkomsten gedeeld door 261.

Wanneer de winst of inkomsten over de laatste vijf boekjaren of kalenderjaren tot een hoger bedrag leiden, dient een gemiddeld bedrag aan winst of inkomsten per dag over die vijf jaar te worden berekend. Alsdan is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, zij het dat het getal van 261 wordt vermenigvuldigd met 5 en dus leidt tot een totaalsom van winst of inkomsten over vijf jaar gedeeld door 1305.

Bij de berekening van de winst of inkomsten per dag vloeit uit hetgeen dit artikel bepaalt voort dat winst en inkomsten worden geacht te zijn verworven over een vijfdaagse werkweek.

Mocht de verzekerde in een periode wegens niet aan hem toe te rekenen omstandigheden niet in staat zijn geweest werkzaamheden uit te oefenen en zijn winst of inkomsten daardoor lager zijn uitgevallen dan wanneer hij het gehele jaar zou hebben gewerkt, dan kan het Lisv met toepassing van de hardheidsclausule (artikel 10) een andere, voor de betrokken verzekerde gunstigere, berekening toepassen, dan in het eerste en tweede lid vermeld.

Artikel 8. Indexering grondslagbedragen

Tijdens de duur van de uitkering voorziet artikel 8, negende lid, van de Wet in een indexering van de uitkering aan de hand van de herziening van het minimumloon. Datzelfde wordt in dit artikel geregeld waar het gaat om bedragen van de winst en de inkomsten die meetellen bij de grondslagvaststelling voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de uitkering in verband met bevalling. Daarbij worden verzekerde winst/inkomsten over een bepaald jaar geïndexeerd aan de hand van de ontwikkeling van het minimumloon over de volgende jaren, tot het moment van ingang van de uitkering.

Artikel 9. Nihilstelling negatieve winst en inkomsten

Dit artikel komt overeen met artikel 6, vierde lid, van het Inkomensbesluit AAW. Met dit artikel wordt geregeld dat negatieve winst en inkomsten op nihil worden gesteld. Deze bepaling is vooral van belang bij middeling van winst en inkomsten over de vijf boekjaren of kalenderjaren voor intreden van de arbeidsongeschiktheid. Voor die middeling betekent het dat het negatieve bedrag van deze winst en inkomsten buiten aanmerking wordt gelaten. In het geval dat een middeling niet aan de orde is, leidt deze bepaling ertoe dat de grondslag voor de uitkering f 0,– bedraagt, hetgeen betekent dat ondanks ingetreden arbeidsongeschiktheid c.q. bestaande zwangerschap en bevalling geen uitkering zal worden verstrekt.

Bij de nihilstelling van winst en inkomsten gaat het voor alle duidelijkheid om de totaalsom van de winst en inkomsten die de verzekerde als verzekerde in een jaar heeft genoten. Aan de hand van het volgende voorbeeld kan dat worden verduidelijkt.

Een verzekerde verdient in een jaar dat meetelt voor zijn grondslagvaststelling f 50 000 als beroepsbeoefenaar. Hij is tevens zelfstandige en heeft in dat jaar een verlies geleden van f 80 000. Op basis van de rekenregel van artikel 9 wordt de totaalsom van zijn verzekerde inkomsten in dat jaar genomen. Deze totaalsom is f 50 000 + (– f 80 000) = – f 30 000. Het verlies van f 80 000 wordt dus niet eerst op nihil gesteld, alvorens de totaalsom van zijn inkomsten wordt genomen.

Artikel 10. Hardheidsclausules

In dit artikel wordt een aantal situaties beschreven waarin kan worden afgeweken van de regels van artikel 8 van de Wet en van dit besluit. Er kan sprake zijn van verwerving van winst of inkomsten op een tijdstip dat buiten de periode valt waarover de grondslag wordt berekend, terwijl die winst of inkomsten redelijkerwijs zouden kunnen worden toegerekend aan die periode. Ook is het mogelijk dat winst of inkomsten worden verworven in een periode, terwijl zij aan een langere of andere periode zouden moeten worden toegerekend. Strikte toepassing van de Wet en dit besluit zou alsdan tot een onbillijkheid van overwegende aard kunnen leiden. Indien dit naar het oordeel van het Lisv het geval is bepaalt het een andere periode van verwerving. Deze eerste situatie komt overeen met hetgeen in artikel 8 en 9, derde lid, van het Inkomensbesluit AAW is bepaald.

Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid voor het Lisv om af te wijken van artikel 7. Dit artikel voorziet in strakke rekenregels voor de berekening van het gemiddeld per dag verworven inkomen. Daarbij kan bijvoorbeeld sprake zijn van een situatie, als gevolg van niet aan de verzekerde toe te rekenen omstandigheden, dat de verzekerde een periode niet heeft kunnen werken en als gevolg daarvan geen winst of inkomsten heeft behaald. In zo'n situatie kan het Lisv afwijken van artikel 7, door bij de berekening niet te delen door het getal 261 (1305), maar door een lager getal, waardoor de grondslag op een hoger niveau uitkomt.

De derde situatie ziet, in geval de grondslag wordt berekend over een boekjaar of kalenderjaar, toe op de vaststelling van een andere 12-maandsperiode dan het in de Wet genoemde boekjaar en kalenderjaar. Zo'n situatie zou zich kunnen voordoen wanneer een verzekerde bijvoorbeeld in de maand december arbeidsongeschikt wordt. Als hij kan aantonen in het jaar voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid een inkomen te hebben behaald ter hoogte van de grondslag van het minimumloon, terwijl hij dat inkomen niet heeft behaald in het boekjaar of kalenderjaar voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid, kan er evenzeer sprake zijn van een kennelijk onredelijk resultaat bij toepassing van de Wet en dit besluit. Indien het Lisv zulks van oordeel is, bepaalt het een andere 12-maandsperiode. Deze periode mag echter niet eerder liggen dan het boekjaar of kalenderjaar voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid.

Zoals gesteld is dit besluit tevens van toepassing op de uitkering in verband met bevalling. De grondslag voor deze uitkering wordt berekend aan de hand van de winst of inkomsten in het boekjaar of kalenderjaar voor ingang van het recht op uitkering. Wat de berekening van de grondslag over het laatste boekjaar/kalenderjaar betreft kan ook hierbij sprake zijn van een onbillijkheid van overwegende aard. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de betrokken verzekerde, zonder arbeidsongeschikt te zijn geweest, tijdens haar zwangerschap bepaalde werkzaamheden met het oog op het goede verloop van die zwangerschap niet heeft uitgeoefend en in die periode minder winst of inkomsten heeft genoten. Teneinde een dergelijke onbillijkheid van overwegende aard te vermijden, is het vierde lid opgenomen. Daarbij kan worden afgeweken van de rekenregels van artikel 7. Als alternatief kan in plaats van het boekjaar of kalenderjaar voor ingang van het recht op uitkering een andere periode van 12 maanden worden genomen. Die periode mag in tijd echter niet verder weg liggen dan 12 maanden voor aanvang van de zwangerschap die uiteindelijk heeft geleid tot de uitkering in verband met bevalling. De aanvang van de zwangerschap kan worden vastgesteld aan de hand van een verklaring van een arts of een verloskundige. Uitdrukkelijk is hierbij gekozen voor een uiterste termijn van 12 maanden voor aanvang van de zwangerschap, omdat een later gelegen termijn per definitie zou zijn gelegen in de periode waarin ook de zwangerschap bestond en er juist rekening moet worden gehouden met het verminderde mogelijkheid tot arbeidsinzet tijdens de periode van zwangerschap.

Artikel 11. Grondslagwijziging amvb in verband met Aanpassingswet

In het wetsvoorstel Aanpassingswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Kamerstukken II 1996/97, 25 415, nr. 2, blz. 28) is een wijziging opgenomen van artikel 8 van de Wet. Deze wijziging heeft betrekking op de grondslagvaststelling in geval van samenloop van rechten uit hoofde van gelijktijdig verrichte werkzaamheden. Als gevolg van deze wijziging wordt artikel 8, elfde lid, vernummerd tot achttiende lid. Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt, dient dit besluit te berusten op artikel 8, achttiende lid, van de Wet. Dit artikel voorziet daarin.

Artikel 12. Inwerkingtreding

De inwerkingtredingsdatum van de Waz is krachtens het koninklijk besluit van 2 september 1997, tot vaststelling van de data van de inwerkingtreding van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb 391), gesteld op 1 januari 1998. Dit besluit zal dan met ingang van dezelfde dag in werking treden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave


XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.