Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 1997, 737Wet

Wet van 18 december 1997 tot wijziging van enkele wetten in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (Invoeringswet bestuurlijke boeten)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele wetten te wijzigen in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Indien het bij koninklijke boodschap van 2 november 1993 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van bestuurlijke boeten en van het fiscale strafrecht (23 470) tot wet wordt verheven, komt die wet als volgt te luiden:

ARTIKEL I

De Algemene wet inzake rijksbelastingen1 wordt als volgt gewijzigd:

A.1. In artikel 1, eerste en derde lid, wordt «administratieve» vervangen door: bestuurlijke.

A.2. Aan het derde lid wordt toegevoegd: In afwijking van de eerste volzin zijn de artikelen 62, 65 en 66 van toepassing met betrekking tot de boeten, bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet.

B. Artikel 5, tweede lid, wordt, onder vernummering van het derde lid in vierde lid, vervangen door:

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het door de inspecteur nemen van een beschikking of het doen van uitspraak strekkende tot – al dan niet nadere – vaststelling van een ingevolge de belastingwet verschuldigd of terug te geven bedrag.

  • 3. De inspecteur vermeldt op het aanslagbiljet of in de kennisgeving van de beschikking of uitspraak in ieder geval de termijn of de termijnen waarbinnen het verschuldigde of terug te geven bedrag moet worden betaald.

C. In artikel 9 vervallen het derde lid, laatste volzin, alsmede het vierde en vijfde lid.

D. Artikel 17 vervalt.

E. Artikel 18 vervalt.

F. Artikel 21 vervalt.

G. Artikel 22 vervalt.

H. Artikel 23 komt te luiden:

Artikel 23. 1. Hij die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, daaronder begrepen bezwaar betreffende de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of tegen een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen voor bezwaar vatbare beschikking, kan een bezwaarschrift indienen.

2. Een bezwaarschrift kan mede worden ingediend door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de in het eerste lid bedoelde belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.

3. De inspecteur stelt de in het tweede lid bedoelde belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belastingaanslag of de beschikking voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht.

I. Artikel 24a komt te luiden:

Artikel 24a. 1. Indien de bedragen van een belastingaanslag en van een of meer voor bezwaar vatbare beschikkingen op één aanslagbiljet zijn vermeld, kunnen de bezwaren worden vervat in één bezwaarschrift.

2. Indien de bedragen van een belastingaanslag en van een voor bezwaar vatbare beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd op één aanslagbiljet zijn vermeld, wordt een bezwaarschrift tegen de belastingaanslag geacht mede te zijn gericht tegen de boete, tenzij uit het bezwaarschrift het tegendeel blijkt.

J. In artikel 25, zevende lid, wordt «kan de inspecteur uitspraak op die bezwaren doen bij gezamenlijke uitspraak» vervangen door: kunnen de uitspraken daarop in één geschrift worden vervat.

K. In artikel 26, tweede lid, wordt «artikel 23, eerste lid, tweede volzin», «van genoemde volzin», onderscheidenlijk «Artikel 23, tweede lid» vervangen door «artikel 23, tweede lid», «van genoemd lid», onderscheidenlijk «Artikel 23, derde lid».

L. Na artikel 28 wordt ingevoegd:

Artikel 28a. Bij het instellen van beroep is artikel 24a van overeenkomstige toepassing.

M.1. Aan artikel 29, eerste lid, wordt een nieuwe volzin toegevoegd, luidende: De vorige volzin vindt geen toepassing voor zover het beroep is gericht tegen een vergrijpboete.

M.2. Na het tweede lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Indien meer dan één beroepschrift is ingediend en het beroep zowel betrekking heeft op een belastingaanslag als op een ingevolge enige bepaling van de belastingwet genomen beschikking en de bedragen daarvan op één aanslagbiljet zijn vermeld, kan de rechter bij één gezamenlijke uitspraak beslissen.

N. Artikel 30e vervalt.

O. In artikel 30f vervalt het vijfde lid en wordt het zesde lid vernummerd tot vijfde lid.

P. In artikel 65, eerste lid, eerste volzin, wordt «belastingaanslag» vervangen door: belastingaanslag of beschikking.

Q. In artikel 66 wordt «Van de in een belastingaanslag begrepen verhoging» vervangen door: Van de bij beschikking opgelegde boete.

R. Na artikel 67 wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK VIIIA Bestuurlijke boeten

AFDELING 1 Beboetbare feiten

Paragraaf 1 Verzuimboeten

Artikel 67a. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, gestelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete van ten hoogste f 2500 kan opleggen.

Artikel 67b. 1. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de aangifte voor een belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de in artikel 10 bedoelde termijn heeft gedaan, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste f 250 kan opleggen.

2. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van een jaar na het einde van de termijn waarbinnen de aangifte had moeten worden gedaan.

Artikel 67c. 1. Indien de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste f 10 000 kan opleggen.

2. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.

3. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig betalen vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

Paragraaf 2 Vergrijpboeten

Artikel 67d. 1. Indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven, de aangifte niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door:

a. het bedrag van de aanslag, dan wel

b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de aanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen;

een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.

3. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen aanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van de termijn die geldt voor het vaststellen van de aanslag, die zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden zijn genomen.

Artikel 67e. 1. Indien het met betrekking tot een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door:

a. het bedrag van de navorderingsaanslag, dan wel

b. indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen, het bedrag waarop de navorderingsaanslag zou zijn berekend zonder rekening te houden met die verliezen;

een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige niet zou zijn geheven.

3. De inspecteur kan, in afwijking van het eerste lid, binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag, een boete opleggen indien de feiten of omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend worden op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden vóór de afloop van de in artikel 16 bedoelde termijnen, en er tevens aanwijzingen bestaan dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Alsdan doet de inspecteur gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mededeling aan de belastingplichtige dat wordt onderzocht of in verband met de navordering het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.

4. Indien verliezen in aanmerking zijn of worden genomen en als gevolg daarvan geen navorderingsaanslag kan worden vastgesteld, kan de inspecteur de boete, bedoeld in het eerste lid, niettemin opleggen. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van de termijn die geldt voor het vaststellen van de navorderingsaanslag, die zou kunnen zijn vastgesteld indien geen verliezen in aanmerking zouden zijn genomen.

Artikel 67f. 1. Indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de in het tweede lid omschreven grondslag voor de boete.

2. De grondslag voor de boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet of de grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet of niet tijdig is betaald.

3. Bij niet of gedeeltelijk niet betalen legt de inspecteur de boete op, gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag.

4. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete wegens niet tijdig betalen, vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.

5. Artikel 67e, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

6. Artikel 20, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 2 Voorschriften inzake het opleggen van bestuurlijke boeten

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 67g. 1. De inspecteur legt de boete op bij voor bezwaar vatbare beschikking.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 67k stelt de inspecteur de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige, uiterlijk bij de in het eerste lid bedoelde beschikking, in kennis van de gronden waarop de oplegging van de boete berust.

3. Op verzoek van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige die de kennisgeving wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de inspecteur er zoveel mogelijk zorg voor dat de in die kennisgeving vermelde gronden aan de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige worden medegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal.

4. Indien een boete gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van een belastingaanslag, wordt het bedrag van de boete afzonderlijk op het aanslagbiljet vermeld.

Artikel 67h. Indien de grondslag voor een boete wordt gevormd door het bedrag van de belasting, wordt de opgelegde boete naar evenredigheid verlaagd bij vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding van belasting, voor zover deze vermindering, teruggaaf, terugbetaling of kwijtschelding het bedrag betreft waarover de boete is berekend.

Artikel 67i. 1. Geen boete wordt opgelegd aan de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige die is overleden.

2. Indien een boete op het tijdstip van het overlijden van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige niet onherroepelijk vaststaat, vernietigt de inspecteur de beschikking waarbij de boete is opgelegd op verzoek van een belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3. Indien een boete op het tijdstip van het overlijden van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige onherroepelijk vaststaat, maar nog niet of niet volledig is betaald, verlaagt de inspecteur op verzoek van een belanghebbende de boete tot het op dat tijdstip betaalde bedrag bij voor bezwaar vatbare beschikking.

4. Het verzoek, bedoeld in het tweede, onderscheidenlijk derde lid, wordt ingediend binnen vijf jaren nadat de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is overleden.

Artikel 67j. Indien de inspecteur jegens de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is, voor zoveel nodig in afwijking van hoofdstuk VIII, afdeling 2, de belastingplichtige onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige niet langer verplicht ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen voorzover het betreft de boete-oplegging.

Artikel 67k. 1. Alvorens een vergrijpboete op te leggen, stelt de inspecteur de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige in kennis van zijn voornemen daartoe, onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust.

2. De inspecteur stelt de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige in de gelegenheid binnen een door hem te stellen termijn de in die kennisgeving vermelde gronden gemotiveerd te betwisten.

Artikel 67l. 1. De inspecteur kan de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige ten aanzien van wie de redelijke verwachting bestaat dat hem een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, oproepen voor een verhoor. In deze oproep deelt de inspecteur hem mede dat hij zich desgewenst kan doen bijstaan.

2. Voordat het verhoor aanvangt, deelt de inspecteur de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

3. Op verzoek van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige die de Nederlandse taal onvoldoende begrijpt, draagt de inspecteur er zorg voor dat een tolk wordt benoemd die de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige tijdens het verhoor kan bijstaan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat; aan de tolk wordt ten laste van het Rijk een vergoeding toegekend ingevolge de Wet tarieven in strafzaken.

Artikel 67m. De inspecteur stelt de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige op diens verzoek in de gelegenheid inzage te nemen in, dan wel kopieën, leesbare afdrukken of uittreksels te vervaardigen van de gegevensdragers waarop het voornemen tot het opleggen, dan wel het opleggen van een bestuurlijke boete berust.

Artikel 67n. Een vergrijpboete wordt niet opgelegd aan de belastingplichtige die alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

Artikel 67o. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt indien ter zake van het feit op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 76 van deze wet of artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 67p. Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van anderen dan de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige aan wie ingevolge de belastingwet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

Paragraaf 2 Bijzondere bepalingen (douane)

Artikel 67q. Bij het opleggen van de bestuurlijke boeten bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet blijft artikel 67n buiten toepassing.

S. Artikel 68 komt te luiden:

Artikel 68. 1. Degene die niet voldoet aan de verplichting hem opgelegd bij of krachtens:

a. de artikelen 6, derde lid, 43, 44, 49, tweede lid, en 50, eerste lid;

b. artikel 7, tweede lid, van de Wet op de kansspelbelasting;

c. de artikelen 28, aanhef en onderdelen a, b, d en e, en 29 van de Wet op de loonbelasting 1964;

d. artikel 9, eerste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965;

e. artikel 35, eerste, tweede en derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968;

wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

2. Degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot:

a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;

b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet voor dit doel beschikbaar stelt;

c. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt;

d. het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, en een zodanige administratie niet voert;

e. het bewaren van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, en deze niet bewaart;

f. het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 52, zesde lid, en deze niet verleent;

g. het uitreiken van een factuur of nota, en een onjuiste of onvolledige factuur of nota verstrekt;

wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

3. Niet strafbaar is degene die de in artikel 47a bedoelde verplichting niet nakomt ten gevolge van een voor het niet binnen het Rijk gevestigde lichaam of de niet binnen het Rijk wonende natuurlijke persoon geldend wettelijk of rechterlijk verbod tot het verlenen van medewerking aan de verstrekking van de verlangde gegevens of inlichtingen of het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, dan wel ten gevolge van een hem niet toe te rekenen weigering van het niet binnen het Rijk gevestigde lichaam of de niet binnen het Rijk wonende natuurlijke persoon de verlangde gegevens of inlichtingen te verstrekken of boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen.

T. Artikel 69 komt te luiden:

Artikel 69. 1. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel een der feiten begaat, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel a, b, d, e, f of g, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

2. Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, dan wel het feit begaat, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel c, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

3. Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten.

5. Artikel 68, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

U. Na artikel 69 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 69a. Het recht tot strafvervolging op de voet van artikel 69 met betrekking tot een vergrijp als bedoeld in artikel 67d of 67e vervalt, indien de inspecteur aan een belastingplichtige ter zake reeds een boete heeft opgelegd.

ARTIKEL II

De Invorderingswet 19902 wordt als volgt gewijzigd:

A.1. Artikel 2, eerste lid, onderdeel g, komt te luiden:

g. bestuurlijke boeten: de verzuimboeten en de vergrijpboeten, bedoeld in hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dan wel in enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen;.

A.2. In onderdeel l vervalt «(Stb. 521)».

A.3. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel m door een punt, vervalt onderdeel n.

A.4. In het tweede lid, onderdeel a, wordt «administratieve» vervangen door: bestuurlijke.

A.5. Onderdeel b komt te luiden:

b. wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen: de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van de Douanewet, voor zover deze betrekking hebben op de heffing van rijksbelastingen;.

A.6. Onderdeel c komt te luiden:

c. belastingaanslag: een ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen of enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen vastgestelde beschikking of uitspraak strekkende tot – al dan niet nadere – vaststelling van een ingevolge die regelingen verschuldigd of terug te geven bedrag;.

A.7. Onderdeel d komt te luiden:

d. aanslagbiljet: de kennisgeving van de beschikking of de uitspraak, bedoeld in onderdeel c;.

A.8. Het derde lid wordt vervangen door:

  • 3. Voor de toepassing van deze wet geldt, in afwijking in zoverre van het eerste en het tweede lid en behoudens voor zover daarvan moet worden afgeweken ingevolge het elders in deze wet bepaalde, als belastingaanslag:

    a. de belastingaanslag na toepassing van de ingevolge de Algemene wet inzake rijksbelastingen of enige andere wettelijke regeling betreffende de heffing van rijksbelastingen voorziene verrekeningen;

    b. ingeval een aanslagbiljet naast een of meer belastingaanslagen als bedoeld in onderdeel a een of meer ingevolge het tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen omvat: het gezamenlijke bedrag van de ingevolge de op het aanslagbiljet vermelde belastingaanslagen in te vorderen bedragen.

  • 4. Ingeval het derde lid, aanhef en onderdeel b, toepassing vindt, worden de op het aanslagbiljet vermelde bestanddelen – wat belasting betreft na de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde verrekening – tot een negatief bedrag geacht naar evenredigheid te zijn verrekend met de bestanddelen tot een positief bedrag en omgekeerd.

B. In artikel 7, tweede lid, wordt «Toerekening van betalingen op een belastingaanslag geschiedt naar evenredigheid aan de enkelvoudige belasting, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende interesten, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de administratieve boete, aan de toeslagen, aan de opcenten en aan de in de belasting begrepen verhogingen» vervangen door: Toerekening van betalingen op een belastingaanslag geschiedt, behoudens voorzover daarvan moet worden afgeweken ingevolge het elders in deze wet bepaalde, naar evenredigheid aan de belasting, aan de heffingsrente, aan de revisierente, aan de compenserende interesten, aan de kosten van ambtelijke werkzaamheden, aan de bestuurlijke boeten, aan de toeslagen en aan de opcenten.

C.1. Artikel 9, eerste tot en met derde lid, komt te luiden:

  • 1. Een belastingaanslag is invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is een navorderingsaanslag, onderscheidenlijk een naheffingsaanslag invorderbaar één maand, onderscheidenlijk veertien dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 3. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van een belastingaanslag als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor die belastingaanslag. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake heffings- of revisierente is invorderbaar overeenkomstig de bepalingen die gelden voor de belastingaanslag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel m, waarop de heffings- of revisierente betrekking heeft.

C.2. In het vierde lid wordt «artikel 2, derde lid,» vervangen door «artikel 2, tweede lid, onderdeel c,» en wordt «een administratieve boete» vervangen door «een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet».

C.3. In het zesde lid wordt «het derde lid» vervangen door: het tweede lid.

C.4. In het achtste lid vervalt «(Stb. 1964, 314)».

D. In artikel 10, derde lid, wordt «artikel 2, derde lid,» vervangen door «artikel 2, tweede lid, onderdeel c,» en wordt «een administratieve boete» vervangen door «een bestuurlijke boete als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet».

E. In artikel 22, derde lid, wordt «ingevolge artikel 2, derde lid, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen inzake compenserende interesten, inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden of inzake administratieve boeten» vervangen door: ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikkingen inzake heffingsrente, inzake bestuurlijke boeten die worden opgelegd in verband met vorenbedoelde naheffingsaanslagen, inzake bestuurlijke boeten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Douanewet, inzake compenserende interesten of inzake kosten van ambtelijke werkzaamheden.

F. Artikel 32, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. De bepalingen van dit hoofdstuk strekken zich mede uit tot in te vorderen bedragen die verband houden met de belasting waarvoor de aansprakelijkheid geldt, een en ander voor zover het belopen daarvan aan de aansprakelijke is te wijten.

G.1. Aan artikel 35, eerste lid, wordt toegevoegd: In afwijking in zoverre van artikel 32, tweede lid, is de aannemer niet aansprakelijk voor de in verband met de heffing van loonbelasting opgelegde bestuurlijke boete.

G.2. In het derde lid wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel c vervangen door een punt en vervalt onderdeel d.

G.3. In het vijfde lid vervalt «(Stb. 1992, 722)».

H. Aan artikel 49, eerste lid, wordt toegevoegd: Voor zover de aansprakelijkstelling betrekking heeft op een bestuurlijke boete, geschiedt zij met overeenkomstige toepassing van hoofdstuk VIIIA, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

I. Artikel 64 komt te luiden:

Artikel 64. 1. Degene die niet voldoet aan de verplichtingen hem bij artikel 60, tweede lid, opgelegd, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie.

2. Degene die ingevolge deze wet verplicht is tot:

a. het verstrekken van inlichtingen of gegevens, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;

b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet voor dit doel beschikbaar stelt;

c. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stelt;

wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

J. Artikel 65 komt te luiden:

Artikel 65. 1. Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in artikel 64, tweede lid, onderdeel a of b, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig ingevorderde belasting.

2. Degene die opzettelijk het feit begaat, omschreven in artikel 64, tweede lid, onderdeel c, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt ingevorderd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig ingevorderde belasting.

3. Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog juiste en volledige inlichtingen of gegevens verstrekt voordat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen of een of meer ambtenaren van de rijksbelastingdienst de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden, mits het niet tijdig verstrekken van de gevraagde inlichtingen of gegevens niet van invloed is geweest op de verhaalsmogelijkheden met betrekking tot de belastingschuld.

4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de strafbepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten.

K. Na artikel 65 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 65a. De in deze wet strafbaar gestelde feiten waarop gevangenisstraf is gesteld, zijn misdrijven. De overige bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot aangiften en betalingen die betrekking hebben op tijdvakken of tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na de datum van inwerkingtreding. Voor aangiften vermogensbelasting vindt deze wet voor het eerst toepassing met betrekking tot aangiften die betrekking hebben op het tijdvak dat volgt op het in de vorige volzin bedoelde tijdvak.

ARTIKEL II

De Douanewet3 wordt gewijzigd als volgt:

A. Hoofdstuk 5 komt te luiden:

HOOFDSTUK 5. BESTUURLIJKE BOETEN

Artikel 37

  • 1. Indien voor goederen in tijdelijke opslag waarvoor een summiere aangifte is gedaan de formaliteiten welke nodig zijn om deze goederen een douanebestemming te geven niet worden vervuld binnen de ingevolge artikel 49 van het Communautair douanewetboek geldende termijn, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die de formaliteiten binnen deze termijn dient te vervullen en degene door wiens toedoen de formaliteiten niet binnen deze termijn worden vervuld ieder een boete van ten hoogste f 200 kan opleggen.

  • 2. Indien het niet vervullen van de in het eerste lid bedoelde formaliteiten binnen de ingevolge artikel 49 van het Communautair douanewetboek geldende termijn, een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan f 200, terwijl het niet vervullen van die formaliteiten binnen die termijn is te wijten aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen, bedoeld in het eerste lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de rechten kan opleggen.

Artikel 38

  • 1. Indien voor goederen welke zijn geplaatst onder de douaneregeling douanevervoer, actieve veredeling (systeem inzake schorsing), behandeling onder douanetoezicht of tijdelijke invoer, de formaliteiten ter beëindiging van die regeling in strijd met wettelijke bepalingen niet of niet tijdig worden vervuld, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene die die formaliteiten dient te vervullen en degene door wiens toedoen die formaliteiten niet of niet tijdig worden vervuld een boete van ten hoogste f 200 kan opleggen.

  • 2. Indien het in strijd met wettelijke bepalingen niet of niet tijdig vervullen van de in het eerste lid bedoelde formaliteiten een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan f 200, terwijl het in strijd met wettelijke bepalingen niet of niet tijdig vervullen van die formaliteiten is te wijten aan opzet of grove schuld van één of meer van degenen, bedoeld in het eerste lid, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem, onderscheidenlijk ieder van hen, een boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de rechten kan opleggen.

Artikel 39

  • 1. Indien in een douane-entrepot of in een vrij entrepot een vermis wordt bevonden, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de operateur, een boete van ten hoogste f 200 kan opleggen.

  • 2. Indien het in het eerste lid bedoelde vermis een douaneschuld doet ontstaan en het daaruit voortvloeiende bedrag aan rechten bij invoer hoger is dan f 200, terwijl dat vermis is te wijten aan opzet of grove schuld van de entreposeur, de entrepositaris, onderscheidenlijk de operateur, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan de inspecteur hem een boete van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de rechten kan opleggen.

Artikel 40

Het overtreden van een krachtens wettelijke bepalingen vastgestelde algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan bij die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling worden aangemerkt als een verzuim ter zake waarvan de inspecteur degene aan wie het verzuim te wijten is een boete kan opleggen van ten hoogste het in die algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling te vermelden bedrag. Dat bedrag beloopt ten hoogste f 200 indien het verzuim betrekking heeft op een algemene maatregel van bestuur, en beloopt ten hoogste f 100 indien het verzuim betrekking heeft op een ministeriële regeling.

Artikel 41

De bevoegdheid tot het opleggen van de boeten, bedoeld in dit hoofdstuk, vervalt door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop het verzuim of het vergrijp waarop de boete betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.

B. In artikel 44, eerste en tweede lid, artikel 46, eerste en tweede lid, artikel 47, eerste en tweede lid, en artikel 51, tweede lid, wordt «of, indien dit hoger is» vervangen door: of, indien dit bedrag hoger is.

C. Artikel 48, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in het eerste lid, onderdeel b, onder 1°, 2°, 4°, 5° of 6°, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten.

  • 3. Degene die opzettelijk een der feiten begaat, omschreven in het eerste lid, onderdeel a of b, onder 3°, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig rechten bij invoer worden geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven rechten.

  • 4. Indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het tweede of het derde lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, uitgesloten.

D. Na artikel 51 wordt ingevoegd:

Artikel 51a

Het recht tot strafvervolging op de voet van dit hoofdstuk, of ingevolge de artikelen 70 en 71 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met betrekking tot een verzuim of een vergrijp als bedoeld in hoofdstuk 5 van deze wet, vervalt ten aanzien van degene aan wie de inspecteur ter zake van dat verzuim of dat vergrijp reeds een bestuurlijke boete heeft opgelegd.

ARTIKEL III

Artikel 27, negende lid, van de Wet op de loonbelasting4 1964 komt te luiden:

  • 9. Indien het tweede lid en artikel 67b, 67c of 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen beide toepassing vinden, wordt respectievelijk artikel 67b, artikel 67c of artikel 67f van die wet eenmaal toegepast, met dien verstande dat in het tweede lid van artikel 67f van die wet voor «het bedrag van de belasting» wordt gelezen: het gezamenlijke bedrag van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen.

ARTIKEL IV

De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen5 wordt gewijzigd als volgt:

A. In het opschrift van hoofdstuk IX wordt «Administratieve» vervangen door: Bestuurlijke.

B. In artikel 29 vervallen het eerste, derde, vierde en vijfde lid, alsmede de aanduiding «2.».

ARTIKEL V

De Wet op de inkomstenbelasting 19646 wordt gewijzigd als volgt:

A. Artikel 62, tweede lid, tweede volzin, komt te luiden: In dat geval wordt, indien artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen toepassing vindt, die bepaling eenmaal toegepast.

B. In artikel 63, eerste en tweede lid, vervalt telkens: , met uitsluiting van de bij naheffing toegepaste verhoging.

C. Artikel 65, tweede lid, vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

D. In artikel 66a, zesde lid, vervalt de laatste volzin.

ARTIKEL VI

In artikel 25 van de Wet op de vennootschapsbelasting 19697 vervalt: , met uitsluiting van de bij naheffing toegepaste verhoging.

ARTIKEL VII

De Wet op de omzetbelasting 19688 wordt gewijzigd als volgt:

A. In het opschrift van hoofdstuk VII wordt «Administratieve» vervangen door: Bestuurlijke.

B. Artikel 40, tweede lid, vervalt, onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.

C. In artikel 42 wordt «niet voldoet aan een hem bij artikel 37a opgelegde verplichting of een in artikel 38 vervat verbod» vervangen door: het in artikel 38 vervatte verbod.

ARTIKEL VIII

De Wet op de motorrijtuigenbelasting 19949 wordt gewijzigd als volgt:

A. Artikel 37 komt te luiden:

Artikel 37

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 33, 34, 35 en 36, is artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.

B. Artikel 54 komt te luiden:

Artikel 54

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 52 en 53, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

C. Artikel 61 komt te luiden:

Artikel 61

In het geval, bedoeld in artikel 60, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

D. Artikel 70 komt te luiden:

Artikel 70

In het geval, bedoeld in artikel 69, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

E. Artikel 77 komt te luiden:

Artikel 77

In het geval, bedoeld in artikel 76, is artikel 37 van overeenkomstige toepassing.

F. In artikel 82 wordt «alsmede de in de naheffingsaanslag begrepen verhoging worden» vervangen door: wordt.

ARTIKEL IX

Artikel 17a van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 199210 komt te luiden:

Artikel 17a

  • 1. Indien een of meer personen worden vervoerd in de laadruimte van een bestelauto, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur aan degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft een boete van ten hoogste f 1000 kan opleggen.

  • 2. De bevoegdheid tot het opleggen van de boete vervalt door verloop van een jaar na het constateren van het in het eerste lid bedoelde verzuim.

ARTIKEL X

De Wet op de accijns11 wordt gewijzigd als volgt:

A. Artikel 97 komt te luiden:

Artikel 97

Degene die opzettelijk een in artikel 5 opgenomen verbod overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven accijns.

B. Artikel 98 komt te luiden:

Artikel 98

Degene die opzettelijk een accijnsgoed waarvoor vrijstelling of teruggaaf van accijns is verleend een bestemming geeft waarvoor geen vrijstelling of teruggaaf van accijns zou zijn verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven accijns.

ARTIKEL XI

De Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten12 wordt gewijzigd als volgt:

A. Artikel 41 komt te luiden:

Artikel 41

Degene die opzettelijk een in artikel 39 opgenomen verbod overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

B. Artikel 42 komt te luiden:

Artikel 42

Degene die opzettelijk alcoholvrije dranken, pruimtabak of snuiftabak waarvoor vrijstelling of teruggaaf van belasting is verleend een bestemming geeft waarvoor geen vrijstelling of teruggaaf van belasting zou zijn verleend, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.

ARTIKEL XII

In artikel 52 van de Successiewet 195613 vervalt het tweede lid, alsmede de aanduiding «1» voor het eerste lid.

ARTIKEL XIII

De Gemeentewet14 wordt gewijzigd als volgt:

A. Artikel 234, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. De artikelen 67b, 67c en 67f van de Algemene wet blijven buiten toepassing.

B. In artikel 238, eerste lid, wordt «artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin» vervangen door: artikel 9, eerste en derde lid.

C. Artikel 240 vervalt.

D. In artikel 249 wordt «9, eerste, tweede, derde en vijfde lid» vervangen door: 9, eerste tot en met zevende lid.

E. Artikel 250, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is invorderbaar:

    a. indien het een boete betreft als bedoeld in artikel 67b, 67c of 67f van de Algemene wet: met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdeel a;

    b. indien het een boete betreft als bedoeld in artikel 67a, 67d of 67e van de Algemene wet: met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdeel b.

  • 3. De belastingverordening kan van het bepaalde in de voorgaande leden afwijkende regels inhouden.

ARTIKEL XIV

De Waterschapswet15 wordt gewijzigd als volgt:

A. In artikel 128, eerste lid, wordt «artikel 9, eerste lid en derde lid, eerste volzin» vervangen door: artikel 9, eerste en derde lid.

B. Artikel 130 vervalt.

C. In artikel 138, eerste lid, wordt «9, eerste, tweede, derde en vijfde lid» vervangen door: 9, eerste tot en met zevende lid.

D. Artikel 139, tweede lid, wordt vervangen door:

  • 2. Een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is invorderbaar:

    a. indien het een boete betreft als bedoeld in artikel 67b, 67c of 67f van de Algemene wet: met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdeel a;

    b. indien het een boete betreft als bedoeld in artikel 67a, 67d of 67e van de Algemene wet: met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, onderdeel b.

  • 3. De belastingverordening kan van het bepaalde in de voorgaande leden afwijkende regels inhouden.

ARTIKEL XV

Artikel 13, elfde lid, van de Meststoffenwet16 vervalt, onder vernummering van het twaalfde tot en met zeventiende lid tot elfde tot en met zestiende lid.

ARTIKEL XVI

In artikel 9 van de Natuurschoonwet 192817 vervalt het tweede lid, alsmede de aanduiding «1» voor het eerste lid.

ARTIKEL XVII

De Wet belasting zware motorrijtuigen18 wordt gewijzigd als volgt:

A.1. Artikel 13, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting niet, niet tijdig of niet geheel is betaald, vormt dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur, in afwijking van de artikelen 67b, 67c en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, een boete van ten hoogste f 10 000 kan opleggen aan de houder.

A.2. In het tweede lid wordt «vorige» vervangen door: eerste.

A.3. In het derde lid, tweede volzin, wordt «kalenderjaar» vervangen door: einde van het kalenderjaar.

A.4. Het vierde lid vervalt.

ARTIKEL XVIII

In artikel 17, derde lid, van de Coördinatiewet sociale verzekering19 wordt «verhoging» vervangen door: boete.

ARTIKEL XIX

De Luchtvaartwet20 wordt gewijzigd als volgt:

A. In artikel 37l, tweede lid, wordt «artikelen 9, eerste tot en met vierde lid» vervangen door: artikelen 9, eerste tot en met zevende lid.

B. In artikel 77b, tweede lid, wordt «artikelen 9, eerste tot en met vierde lid» vervangen door: artikelen 9, eerste tot en met zevende lid.

ARTIKEL XX

Artikel 4, eerste lid, eerste volzin, van de Wet temporisering van de uitbetaling van investeringsbijdragen en beëindiging op termijn van de verrekening21 komt te luiden: Bij de berekening van de in de artikelen 67a, 67d en 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bedoelde boeten blijft de in artikel 2 en artikel 3 bedoelde verhoging buiten aanmerking.

ARTIKEL XXI

De Wet van 10 april 1997 tot aanpassing van de belastingbepalingen in de Provinciewet aan bepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet, alsmede wijziging van de formele belastingbepalingen in de Gemeentewet en de Waterschapswet (Stb. 189) wordt gewijzigd als volgt:

In artikel II, onderdeel O, eerste lid, wordt «9, eerste, tweede, derde en vijfde lid» vervangen door: 9, eerste tot en met zevende lid.

In artikel III, onderdeel K, eerste lid, wordt «9, eerste, tweede, derde en vijfde lid» vervangen door: 9, eerste tot en met zevende lid.

ARTIKEL XXII

Indien het onderhavige voorstel van wet tot wet wordt verheven en later in het Staatsblad wordt geplaatst dan het bij koninklijke boodschap van 18 juni 1997 ingediende voorstel van wet tot aanpassing van wetgeving aan de invoering van het geregistreerd partnerschap in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Aanpassingswet geregistreerd partnerschap), indien dit tot wet wordt verheven, worden in eerstgenoemde wet in het in ARTIKEL I opgenomen ARTIKEL II de volgende wijzigingen aangebracht:

a. Onderdeel A.3 komt te luiden:

A.3. Onderdeel n vervalt, onder verlettering van onderdeel o in onderdeel n.

b. In onderdeel A.8 wordt «Het derde lid wordt vervangen door» vervangen door: Het derde lid wordt, onder vernummering van het vierde lid in het vijfde lid, vervangen door.

ARTIKEL XXIII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot aangiften en betalingen die betrekking hebben op tijdvakken of tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na de datum van inwerkingtreding.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 18 december 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Uitgegeven de negenentwintigste december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

1 Stb. 1959, 301, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

2 Stb. 1990, 221, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

3 Stb. 1995, 553, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

4 Stb. 1990, 104, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

5 Stb. 1995, 635, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

6 Stb. 1990, 103, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 736.

7 Stb. 1969, 469, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 736.

8 Stb. 1968, 329, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

9 Stb. 1994, 17, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 737.

10 Stb. 1992, 709, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 732.

11 Stb. 1991, 561, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

12 Stb. 1992, 683, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

13 Stb. 1984, 546, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

14 Stb. 1994, 762, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 730.

15 Stb. 1991, 444, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 1997, Stb. 660.

16 Stb. 1986, 598, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 1997, Stb. 707.

17 Stb. 1989, 252, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 december 1997, Stb. 660.

18 Stb. 1995, 563, gewijzigd bij de wet van 12 juni 1997, Stb. 245.

19 Stb. 1987, 552, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 december 1997, Stb. 735.

20 Stb. 1994, 715, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 oktober 1997, Stb. 500.

21 Stb. 1991, 356, gewijzigd bij de wet van 2 november 1995, Stb. 554.


XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1995/96, 1996/97, 1997/98, 24 800.

Handelingen II 1997/98, blz. 2276; 2393.

Kamerstukken I 1997/98, 24 800 (154).

Handelingen I 1997/98, zie vergadering d.d. 15/16 december 1997.