Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van DefensieStaatsblad 1997, 727AMvB

Besluit van 12 december 1997, houdende vaststelling van regels voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen ten behoeve van de krijgsmacht (Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Defensie van 18 september 1997, nr. CWW85/089/97002604, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving;

Gelet op artikel 8 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1997, no. W07.97.0611);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Defensie van 27 november 1997 nr. CWW85/089/97003326, directie juridische zaken, afdeling wet- en regelgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. wet: Wet vervoer gevaarlijke stoffen;

b. ontplofbare stoffen en voorwerpen: ontplofbare stoffen en voorwerpen aangewezen bij of krachtens het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen;

c. tactische voertuigen: voertuigen ingericht voor het uitvoeren van de operationele taak;

d. logistieke voertuigen: voertuigen ingericht voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen;

e. Onze Minister: Onze Minister van Defensie.

Artikel 2

  • 1. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is toegestaan, mits:

    a. dit geschiedt in opdracht van een bevoegde Nederlandse militaire autoriteit dan wel van een bevoegde autoriteit van de krijgsmacht van een andere mogendheid, en

    b. de bij of krachtens dit besluit of het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht zijn genomen.

  • 2. Het verrichten van handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, met ontplofbare stoffen en voorwerpen is voorts toegestaan, voor zover het betreft:

    a. handelingen door ambtenaren als bedoeld in de artikelen 34, tweede lid, en 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet, voor zover verricht in de uitoefening van hun bij of krachtens de wet opgedragen taak;

    b. handelingen door personen die deel uitmaken van of werkzaam zijn bij de krijgsmacht en die in de uitoefening van hun beroep of functie uit hoofde daarvan bevoegd zijn tot het dragen van wapens, met ontplofbare stoffen, behorende tot de uitrusting van die personen;

    c. handelingen door ambtenaren werkzaam bij de onder Onze Minister ressorterende opruimingsdiensten van explosieven ten behoeve van het ruimen van ontploffingsgevaarlijke stoffen.

  • 3. De in het tweede lid bedoelde handelingen moeten met de vereiste behoedzaamheid geschieden op een wijze die in overeenstemming is met de gevaarzetting van de ontplofbare stoffen en voorwerpen.

Artikel 3

Indien bij het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met een voertuig voor het kruisen van een binnenwater gebruik wordt gemaakt van een vaartuig, zijn ten aanzien van dit vervoer uitsluitend van toepassing de bij of krachtens dit besluit met betrekking tot het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen met een voertuig gegeven voorschriften.

HOOFDSTUK 2. BIJZONDERE BEPALINGEN

§ 1. Eisen ten aanzien van constructie, inrichting en uitrusting

Artikel 4

  • 1. Tactische voertuigen moeten zijn voorzien van deugdelijke inrichtingen voor het vastzetten of opbergen van de ontplofbare stoffen of voorwerpen.

  • 2. In tactische voertuigen moeten handbrandblusmiddelen of een vaste brandblusinrichting aanwezig zijn.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de constructie, inrichting en uitrusting van tactische voertuigen.

Artikel 5

  • 1. Logistieke voertuigen moeten zijn voorzien van een van de bestuurderscabine afgescheiden laadruimte, die is gesloten dan wel is voorzien van een dekzeil vervaardigd van waterdicht en moeilijk brandbaar materiaal.

  • 2. Logistieke voertuigen moeten zijn uitgerust met een verbrandingsmotor met compressieontsteking.

  • 3. In logistieke voertuigen moeten aanwezig zijn:

    a. ten minste één draagbaar brandblusapparaat met een capaciteit van tenminste 2 kg poeder en geschikt om een brand in de motor of in de bestuurderscabine te bestrijden;

    b. ten minste één brandblusapparaat met een capaciteit van tenminste 6 kg poeder en geschikt om een brand van de banden, van de remmen of van de lading te bestrijden. Indien het een logistiek voertuig betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg dient de capaciteit van het brandblusapparaat tenminste 2 kg poeder te zijn;

    c. een tas met gereedschappen voor het uitvoeren van eventuele reparaties onderweg;

    d. tenminste één stophout(-blok), waarvan de afmetingen aan de massa van het voertuig en de doorsnede van de wielen zijn aangepast;

    e. twee oranje lichten of knipperlichten, die onafhankelijk van de elektrische installatie van het voertuig in werking kunnen worden gesteld;

    f. een uitrusting geschikt voor het verrichten van zodanige werkzaamheden van eerste hulp dat de bij de te vervoeren ontplofbare stoffen of voorwerpen behorende veiligheidsinstructies kunnen worden opgevolgd.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld ten aanzien van de constructie, inrichting en uitrusting van logistieke voertuigen.

§ 2. Keuring

Artikel 6

  • 1. In tactische en logistieke voertuigen moet een geldig militair keuringsdocument aanwezig zijn.

  • 2. Een militair keuringsdocument wordt door Onze Minister afgegeven, indien het tactische voertuig of het logistieke voertuig bij een door Onze Minister verrichte keuring heeft voldaan aan de eisen die bij of krachtens dit besluit voor dat voertuig zijn gesteld.

Artikel 7

  • 1. Een militair keuringsdocument is geldig voor de duur van een jaar.

  • 2. De geldigheidsduur van een militair keuringsdocument vangt aan met ingang van de dag van afgifte daarvan.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inrichting van het militair keuringsdocument.

§ 3. Eisen ten aanzien van de verpakking

Artikel 8

  • 1. Ontplofbare stoffen en voorwerpen moeten zijn verpakt in bij ministeriële regeling aan te wijzen typen verpakkingen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde geldt niet voor ontplofbare voorwerpen waarvan de constructie zodanig robuust en stevig is, dat verpakking uit een oogpunt van gevaarzetting niet nodig is danwel indien verpakking redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Artikel 9

  • 1. De verpakkingen moeten op een zodanige wijze zijn vervaardigd en gesloten, dat onder normale vervoersomstandigheden elk verlies van de inhoud, ten gevolge van trillingen of van verandering van temperatuur, vochtigheid of druk, is uitgesloten.

  • 2. De verpakkingen, met inbegrip van de sluitingen, moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken.

  • 3. De gedeelten van de verpakkingen, die in direct contact staan met de ontplofbare stoffen mogen niet door chemische of andere inwerking van deze stoffen worden aangetast.

  • 4. De voor opvulling van de verpakking dienende stoffen mogen geen schadelijke of gevaarlijke verbindingen kunnen vormen met de ontplofbare stoffen of voorwerpen.

  • 5. De verpakkingen moeten voorts voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen eisen.

Artikel 10

  • 1. Verpakkingen moeten zijn voorzien van een door Onze Minister afgegeven geldig militair beproevingsrapport.

  • 2. Een militair beproevingsrapport wordt afgegeven, indien de verpakking bij een door Onze Minister verrichte keuring heeft voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inrichting van het militair beproevingsrapport.

§ 4. Aanduidingen en aanwijzingen op de verpakking

Artikel 11

  • 1. De verpakkingen moeten zijn voorzien van bij ministeriële regeling aan te wijzen aanduidingen en aanwijzingen.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de aanduidingen en aanwijzingen en aan de plaats waarop de aanduidingen en aanwijzingen op de verpakkingen moeten worden aangebracht.

HOOFDSTUK 3. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 12

Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit worden de militaire keuringsdocumenten en de militaire beproevingsrapporten die zijn afgegeven ingevolge artikel 6 onderscheidenlijk ingevolge artikel 10 van het Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht, aangemerkt als militaire keuringsdocumenten en militaire beproevingsrapporten die zijn afgegeven ingevolge artikel 6 onderscheidenlijk ingevolge artikel 10 van dit besluit.

Artikel 13

Artikel 11 geldt voor ontplofbare stoffen en voorwerpen, die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verpakt, met ingang van 1 augustus 2001.

Artikel 14

Het Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht wordt ingetrokken.

Artikel 15

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 16

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 12 december 1997

Beatrix

De Minister van Defensie,

J. J. C. Voorhoeve

Uitgegeven de negenentwintigste december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Dit besluit strekt tot vervanging van het besluit van 11 maart 1996, houdende vaststelling van regels voor het vervoer van ontplofbare stoffen en voorwerpen ten behoeve van de krijgsmacht (Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht). Het ontwerp van laatstgenoemd besluit werd niet genotificeerd overeenkomstig artikel 8, eerste lid, van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PbEG L 1091). Om alsnog aan de verplichting tot notificatie te voldoen is dit besluit in ontwerp aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen genotificeerd (zie ook kamerstukken 1996/97, 25 389).

Voor een toelichting op de achtergronden van dit besluit zij verwezen naar de toelichting bij het oorspronkelijk Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht (Stb. 1996, 205).

De tekst van het besluit is identiek aan de tekst van het huidige Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht. Om verwarring te voorkomen zijn ook de citeertitel en de artikelnummering intact gelaten. Slechts artikel 12 van het Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht is inhoudelijk gewijzigd. De reden daarvoor is dat aan de oorspronkelijke overgangsbepaling niet langer behoefte bestaat. De betrokken bepaling is vervangen door een bepaling op grond waarvan de ingevolge het huidige Besluit vervoer ontplofbare stoffen krijgsmacht afgegeven documenten hun geldigheid behouden.

Het ontwerp-besluit is op 11 augustus 1997 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van de eerdergenoemde richtlijn 83/189/EEG. Het is op 12 september 1997 tevens gemeld aan het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie, ter voldoening aan artikel 2, negende lid, van het op 15 april 1994 te Marrakech tot stand gekomen verdrag inzake technische handelsbelemmeringen (Trb. 1994, 235). Een aankondiging van de ontwerp-regeling is gepubliceerd in Stcrt 1997, nr.184. Naar aanleiding van deze notificaties zijn geen opmerkingen of uitvoerig met redenen omklede adviezen uitgebracht door lidstaten van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen en is ook geen commentaar geleverd door lidstaten van de Wereld Handelsorganisatie.

Deze notificaties waren noodzakelijk, aangezien het besluit vermoedelijk technische voorschriften bevat in de zin van richtlijn 83/189/EEG, zoals gewijzigd.

Overwogen is of met een beroep op artikel 223, eerste lid, onder b, van het EG-Verdrag de notificatieverplichting zou kunnen worden opgeheven. In het overleg met de Commissie van de Europese Gemeenschappen is echter gebleken dat de Commissie twijfelde aan de haalbaarheid van een dergelijk beroep. In de eerste plaats, zo stelde de Commissie, vallen niet alle producten van dit besluit onder de reikwijdte van artikel 223 van het EG-Verdrag en in de tweede plaats is artikel 223 geen algemeen vrijwaringsartikel. Gelet hierop is besloten geen beroep te doen op dit artikel.

Indicatief kunnen als technische voorschriften worden aangewezen de artikelen 4 tot en met 11. Voor zover het besluit kwantitatieve invoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 30 EG-Verdrag bevat, worden deze maatregelen gerechtvaardigd ter bescherming van het belang van de openbare veiligheid. Het besluit geeft immers uitvoering aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, welke wet als doelstelling heeft de openbare veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen te bevorderen, met name door de communautaire voorschriften op dit gebied te implementeren. In beginsel geldt het regime van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. In de wet is aangegeven op welke punten afwijkende voorschriften noodzakelijk zijn voor de operationele taakuitvoering van de krijgsmacht. Het voorliggende besluit voorziet hierin. De operationele taakuitvoering stelt specifieke eisen aan de voertuigen en verpakkingen waarmee de gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De voorschriften waarin deze eisen zijn opgenomen zijn zeer algemeen van aard. In het overleg met de Commissie kwam naar voren dat de Commissie van mening was dat het geen problemen zou opleveren daaraan te voldoen. De voorschriften worden op non-discriminatoire wijze toegepast op zowel Nederlandse leveranciers als op leveranciers uit andere landen.

De Minister van Defensie,

J. J. C. Voorhoeve


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Defensie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 januari 1998, nr. 7.

XNoot
1

Laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 94/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 maart 1994 (PbEG L 100). Een bijgewerkte integrale tekst van de richtlijn is gepubliceerd in PbEG 1997, C 78).