Besluit van 9 december 1997, houdende wijziging van het Besluit Infrastructuurfonds (aanpassing aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht en andere wijzigingen)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 juni 1997, nr. DGP/WJZ/V723185, Directoraat-Generaal Personenvervoer;

Gelet op de artikelen 8 en 9 van de Wet Infrastructuurfonds;

De Raad van State gehoord, advies van 27 augustus 1997, nr. W09.97.0363;

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 1997, nr. DGP/WJZ/V-725902, Directoraat-Generaal Personenvervoer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit Infrastructuurfonds1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b vervalt.

2. De onderdelen c tot en met j worden geletterd b tot en met i.

3. In onderdeel f (nieuw) wordt «vaste bijdrage» vervangen door: vast subsidiebedrag en wordt «bijdrage» vervangen door: subsidie.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt «bijdragen» telkens vervangen door: subsidies.

2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «een aanvraag voor een bijdrage» vervangen door: een aanvraag om een subsidie.

C

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

  • 1. De ontvanger van een subsidie krachtens dit besluit is verplicht tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege Onze Minister te verrichten onderzoek naar de besteding van de subsidie.

  • 2. Provinciale staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur leggen bij de verlening van een subsidie die wordt bekostigd uit de doeluitkering, bedoeld in artikel 29 onderscheidenlijk artikel 31, de subsidie-ontvanger de verplichtingen op om:

    a. in het jaar volgend op het jaar waarin het subsidiebedrag is betaald een financieel verslag uit te brengen over de besteding van de subsidie en dit verslag vergezeld te doen gaan van een accountantsverklaring;

    b. medewerking te verlenen aan een door of vanwege gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur te verrichten onderzoek naar de besteding van de subsidie.

D

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

  • 1. Onze Minister stelt ieder begrotingsjaar een subsidieplafond vast voor op grond van dit besluit te verstrekken subsidies.

  • 2. Onze Minister kan afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor de onderscheiden onderdelen van dit besluit.

  • 3. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst geldt.

  • 4. Onze Minister kan in bijzondere gevallen bij de beschikking tot weigering van het verlenen van subsidie op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat in het daaropvolgende begrotingsjaar, zonder nieuwe indiening van de aanvraag, opnieuw een beschikking op de aanvraag wordt gegeven.

E

Het opschrift van paragraaf 2 komt te luiden:

§ 2. Subsidies voor grote projecten

F

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste tot en met het vijfde lid wordt «bijdrage» telkens vervangen door: subsidie.

2. In het tweede lid vervalt de komma na «regionaal of lokaal vervoerbedrijf».

3. In het zevende lid wordt na «Onze Minister kan» ingevoegd: bij ministeriële regeling.

G

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de aanhef «Bij de berekening en de vaststelling van een bijdrage» vervangen door: Voor een subsidie.

2. In het eerste lid, onderdeel h, vervalt: , zulks met uitzondering van verlegging of vervanging van kabels of leidingen, bedoeld in artikel 9, derde lid.

3. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van de leden 2 tot en met 5 tot 3 tot en met 6, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts tot een in redelijkheid als noodzakelijk te beschouwen hoogte in aanmerking genomen.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt «het tweede lid» vervangen door: het derde lid en wordt «een bijdrage» vervangen door: een subsidie.

5. De leden vijf en zes (nieuw) vervallen.

H

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van de leden 1 tot en met 3 tot 2 tot en met 4 wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1. Een aanvraag om een subsidie voor een groot project wordt slechts in behandeling genomen indien dat project is opgenomen in een realisatieprogramma dat deel uitmaakt van het meerjarenprogramma. In bijzondere gevallen kan Onze Minister besluiten de aanvraag reeds in behandeling te nemen voordat dat project in een realisatieprogramma is opgenomen.

2. In het tweede lid (nieuw) wordt «een bijdrage» vervangen door: een subsidie.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «het eerste lid» vervangen door: het tweede lid en vervalt: met redenen omkleed.

4. Het vierde lid (nieuw) vervalt.

I

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Onze Minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van soberheid en doelmatigheid. Hij kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil.

2. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van de leden 2 tot en met 4 tot 3 tot en met 5, een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De subsidie wordt verleend voor de werkelijk te maken kosten, tenzij de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag wordt verleend.

3. In het derde lid (nieuw) wordt «Bij het vaststellen van de bijdrage» vervangen door: Bij het verlenen van de subsidie.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt «bijdrage» telkens vervangen door: subsidie en wordt «in aanmerking komen» vervangen door: komen in aanmerking.

5. Het vijfde lid (nieuw) vervalt.

J

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en derde lid wordt «bijdrage» telkens vervangen door: subsidie.

2. In het eerste lid wordt in de aanhef «verstrekt» vervangen door: verleend.

3. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het eind van onderdeel f door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

g. aanleg van een terminal ten behoeve van intermodaal vervoer vijfentwintig procent.

4. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij de vergoeding voor de verlegging of vervanging van kabels of leidingen wordt rekening gehouden met het juridische regime, waaronder de kabels of leidingen liggen. Indien bij de verlegging de kabels of leidingen gelijktijdig worden vervangen wordt een aftrek toegepast, welke wordt berekend op basis van de resterende economische levensduur van de kabels of leidingen.

5. In het derde lid vervalt: het bepaalde in.

K

Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

  • 1. Onze Minister kan bij de subsidieverlening de subsidie-ontvanger de verplichting opleggen om binnen twaalf maanden na dagtekening van de beschikking te beginnen met de uitvoering van het project.

  • 2. De subsidie-ontvanger is verplicht wijzigingen ten opzichte van de op grond van artikel 4 ingediende gegevens en bescheiden te onderwerpen aan de instemming van Onze Minister, voor zover die wijzigingen van invloed zijn op de effectiviteit, de kosten, de kwaliteit of de fasering van het project. De voorstellen tot wijziging worden vermeld in de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 13, derde lid.

L

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt in de aanhef «een bijdrage» vervangen door: een subsidie en vervalt: in ieder geval.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt «Nationale Milieubeleidsplan» vervangen door: nationale milieubeleidsplan.

3. In het eerste lid vervallen de onderdelen d en f en wordt onderdeel e geletterd d.

4. In het eerste lid, onderdeel d (nieuw), wordt na «failliet is verklaard» ingevoegd: of aan hem surséance van betaling is verleend, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

5. In het tweede lid wordt na «reeds met» ingevoegd: de uitvoering van.

M

De artikelen 13 en 14 komen te luiden:

Artikel 13

  • 1. Bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat één of meer voorschotten worden verleend.

  • 2. Indien subsidie wordt verleend voor meer dan één kalenderjaar wordt bij de subsidieverlening het bedrag aangegeven dat per kalenderjaar aan voorschotten kan worden verleend.

  • 3. Tenzij bij de subsidieverlening anders wordt bepaald, worden voorschotten verleend per kwartaal. Voorschotten worden verleend op basis van in te dienen declaraties die zijn afgestemd op de gerealiseerde en geplande voortgang van het werk en die zijn onderbouwd door een voortgangsrapportage van het betrokken project. De voortgangs-rapportage bevat in ieder geval een overzicht van de gerealiseerde werkzaamheden, een planning van de nog te verrichten werkzaamheden en een raming van de nog te maken kosten.

  • 4. Indien een project slechts gedeeltelijk uit het fonds wordt betaald, is het bedrag dat aan voorschotten wordt verleend niet hoger dan het aandeel van het fonds in de financiering van het project.

  • 5. De subsidie-ontvanger dient jaarlijks binnen vier maanden na afloop van het betrokken kalenderjaar een financiële verantwoording, voorzien van een accountants-verklaring, in. Onze Minister kan op verzoek van de subsidie-ontvanger de termijn twee keer met telkens ten hoogste twee maanden verlengen. Artikel 14, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. In geval van snellere voortgang van het werk dan voorzien bij de subsidieverlening kan, in afwijking van het tweede lid, het bedrag dat aan voorschotten kan worden verleend, worden verhoogd voor zover dat inpasbaar is binnen de begroting van het fonds. De rentekosten van de voorfinanciering van de versnelling worden niet vergoed.

  • 7. Een voorschot wordt betaald binnen acht weken na ontvangst van de declaratie, bedoeld in het derde lid.

  • 8. Indien als gevolg van onvoorziene omstandigheden de werkelijk gemaakte kosten hoger uitvallen dan het bedrag waarvoor subsidie is verleend, kan de subsidie-ontvanger een suppletoire aanvraag indienen. De artikelen 4 tot en met 9 en 12 zijn voor zover nodig van toepassing.

Artikel 14

  • 1. Binnen een jaar nadat het betrokken project in gebruik is genomen doet de subsidie-ontvanger aan Onze Minister daarvan mededeling. De mededeling gaat vergezeld van een aanvraag tot vaststelling van de subsidie, alsmede van een eindverslag en een financiële verantwoording van de totale projectkosten, voorzien van een accountantsverklaring alsmede een slotdeclaratie. Onze Minister kan op verzoek van de subsidie-ontvanger de termijn met ten hoogste zes maanden verlengen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde financiële verantwoording en accountantsverklaring dienen te worden opgesteld overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onder c, bedoelde kostenraming respectievelijk de door Onze Minister vast te stellen controle-instructie.

  • 3. Met betrekking tot de financiële controle kan Onze Minister bij ministeriële regeling nadere regels geven.

N

Na artikel 14 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 14a

  • 1. Onze Minister beslist op de aanvraag tot het vaststellen van de subsidie binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Indien de subsidie-ontvanger geen aanvraag tot vaststelling van de subsidie heeft ingediend binnen de in artikel 14, eerste lid, bedoelde termijn stelt Onze Minister de subsidie ambtshalve vast binnen twaalf weken na het tijdstip waarop de betrokken termijn is verstreken.

O

De artikelen 15 en 16 vervallen.

P

Artikel 16a komt te luiden:

Artikel 16a

  • 1. Onze Minister kan voor een project dat is opgenomen in een planstudieprogramma dat deel uitmaakt van het meerjarenprogramma op aanvraag een subsidie verlenen voor naar het oordeel van Onze Minister in de planstudiefase redelijkerwijs te maken kosten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b of k. Kosten van studies voor het regionale of lokale wegennet komen niet voor subsidie in aanmerking. In bijzondere gevallen kan Onze Minister besluiten de aanvraag reeds in behandeling te nemen voordat dat project in een planstudieprogramma is opgenomen.

  • 2. De subsidie bedraagt voor projecten ten behoeve van het landelijk railnet ten hoogste honderd procent en voor andere projecten ten hoogste vijftig procent van de op grond van het eerste lid in aanmerking komende kosten.

  • 3. De subsidie-ontvanger neemt geen beslissing om het project niet tot uitvoering te brengen dan na instemming van Onze Minister.

  • 4. De artikelen 4, eerste, tweede en zevende lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste tot en met derde lid, 10, 11, tweede lid, 12, eerste lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Indien voor een project waarvoor krachtens het eerste lid een subsidie is verstrekt, uiteindelijk een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt verleend, brengt Onze Minister het subsidiebedrag, bedoeld in het eerste lid, in mindering op de subsidie, bedoeld in artikel 4, eerste lid.

Q

Na artikel 16a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16aa

  • 1. Onze Minister kan voor een verkenning die is opgenomen in een verkenningenprogramma dat deel uitmaakt van het meerjarenprogramma op aanvraag een subsidie verlenen voor te maken kosten van studies of onderzoeken.

  • 2. Bij een aanvraag om een subsidie als bedoeld in het eerste lid verstrekt de aanvrager Onze Minister de volgende gegevens en bescheiden:

    a. de opzet van studies of onderzoeken;

    b. een beschrijving op hoofdlijnen van het verkeers- en vervoerprobleem en van mogelijke oplossingen;

    c. een kostenraming met een tijdschema van de te verrichten studies of onderzoeken;

    d. een opgave van de kostenelementen die ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht;

    e. inzicht in het voorgenomen verkeers- en vervoerbeleid.

  • 3. De subsidie bedraagt ten hoogste vijftig procent van de op grond van het eerste lid in aanmerking komende kosten.

  • 4. Onze Minister kan bij zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid de in dat lid bedoelde kosten nader specificeren, dan wel de subsidie in afwijking van het derde lid verlenen in de vorm van een vast subsidiebedrag, dat echter niet hoger mag zijn dan vijftig procent van de op grond van het eerste lid in aanmerking komende kosten.

  • 5. De artikelen 4, tweede en zevende lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste tot en met derde lid, 10, 12, eerste lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wanneer de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag is verleend geen accountantsverklaring behoeft te worden ingediend.

R

Artikel 16b komt te luiden:

Artikel 16b

  • 1. Onze Minister kan na ingebruikneming van een groot project, waarvoor een subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, is verstrekt, op aanvraag uit het fonds een subsidie verlenen ten behoeve van de evaluatie van dat project indien die evaluatie naar zijn oordeel noodzakelijk is.

  • 2. De subsidie bedraagt vijfennegentig procent van de in aanmerking komende kosten van evaluatie.

  • 3. De artikelen 4, tweede lid, 6, tweede en derde lid, 7, eerste tot en met derde lid, 13, 14 en 14a zijn van overeenkomstige toepassing.

S

Het opschrift van paragraaf 3 komt te luiden:

§ 3. Subsidies voor overige projecten

T

In artikel 16c wordt in de aanhef «Een bijdrage» vervangen door: Een subsidie.

U

Artikel 16d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «een bijdrage» vervangen door: een subsidie.

2. De aanhef van het derde lid komt te luiden:

  • 3. De artikelen 5, 7, 9, 13, 14, 14a, 16a, 16aa en 16b zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:.

3. In het derde lid vervalt onderdeel a en worden de onderdelen b en c geletterd a en b. Voorts wordt in onderdeel b (nieuw) «bijdrage» telkens vervangen door: subsidie.

4. Het bij vergissing voor de tweede maal als derde lid aangeduide lid en het vierde lid vervallen.

V

Het opschrift van paragraaf 4 komt te luiden:

§ 4. Subsidies voor kapitaallasten en onderhoud van het landelijk railnet

W

In artikel 17 wordt «bijdragen» vervangen door: subsidies.

X

De aanhef van artikel 18 komt te luiden:

De beheerder dient jaarlijks uiterlijk vier maanden voor de aanvang van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, een aanvraag om een subsidie in, waarbij hij de volgende gegevens verstrekt:.

Y

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Onze Minister verleent jaarlijks de subsidie voor de aanvang van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

2. In het tweede lid wordt in de aanhef «de vaststelling» vervangen door: de verlening en wordt «bijdrage» telkens vervangen door: subsidie.

3. In het tweede lid worden na onderdeel d, onder vernummering van onderdeel e tot g, twee onderdelen ingevoegd, luidende:

e. de evaluatie van de algemene overeenkomst inzake de aanraking van infrastructuur;

f. opgebouwde overschotten danwel tekorten;.

4. In het derde lid wordt «De bijdrage» vervangen door: De subsidie.

5. Het zesde en zevende lid komen te luiden:

  • 6. Onze Minister verleent de subsidie met inachtneming van eisen van soberheid en doelmatigheid. Hij kan bij de verlening van de subsidie bepalen dat het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil. Artikel 7, derde lid, is van toepassing.

  • 7. Onverminderd het zesde lid kan Onze Minister het subsidiebedrag tussentijds danwel bij de vaststelling van de subsidie aanpassen wanneer een wijziging van het bijdragesysteem daartoe noodzaakt.

Z

De artikelen 20 en 21 komen te luiden:

Artikel 20

  • 1. Bij de subsidieverlening wordt bepaald dat voorschotten worden verleend.

  • 2. De voorschotten worden betaald in het jaar waarop de subsidie betrekking heeft in dertien maandelijkse termijnbedragen, waarbij in de maand mei twee termijnbedragen worden betaald.

Artikel 21

  • 1. Binnen zes maanden na afloop van het jaar waarop de subsidie betrekking heeft dient de beheerder bij Onze Minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. De aanvraag gaat vergezeld van de jaarrekening en de financiële verantwoording van de kapitaallasten voortvloeiende uit investeringen en onderhoudskosten en de opbrengsten in de bestaande railinfrastructuur. De jaarrekening en de financiële verantwoording dienen te zijn voorzien van een accountantsverklaring.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde financiële verantwoording dient te worden opgesteld overeenkomstig het door Onze Minister vastgestelde informatieprofiel.

  • 3. Indien uit de accountantsverklaring blijkt, dat de beheerder ten onrechte kapitaallasten voortvloeiende uit investeringen en onderhoudskosten of opbrengsten ten laste onderscheidenlijk ten gunste van de door hem beheerde railinfrastructuur heeft gebracht, brengt de beheerder in de jaarrekening en de financiële verantwoording de nodige correcties aan.

  • 4. Onze Minister beslist op de aanvraag tot het vaststellen van de subsidie binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag.

AA

Het opschrift van paragraaf 7 komt te luiden:

§ 7. Bijzondere subsidies.

BB

Artikel 28a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «een bijzondere bijdrage verstrekken» vervangen door: op aanvraag een bijzondere subsidie verlenen.

2. In het tweede lid wordt «De bijdrage» vervangen door: De subsidie.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Onze Minister houdt bij het bepalen van het subsidiebedrag rekening met het karakter van het experiment of het demonstratieproject en met de kosten die redelijkerwijs ten laste van de subsidie-ontvanger behoren te komen. Hij kan de subsidie verlenen in de vorm van een vast subsidiebedrag.

4. De leden 4 tot en met 7 vervallen.

5. Na het derde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. De artikelen 4, 5, 6, tweede en derde lid en 7 tot en met 14a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wanneer de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag is verleend geen accountantsverklaring behoeft te worden ingediend.

CC

In artikel 29 wordt «een bijdrage» vervangen door: een subsidie.

DD

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zevende lid wordt «de bijdrage» vervangen door: de subsidie.

2. In het achtste lid komt de tweede volzin te luiden:

Een project kan alleen worden geschrapt als het project niet binnen één jaar na dagtekening van de beschikking, bedoeld in het zevende lid, in uitvoering is genomen.

EE

In artikel 31, eerste lid, wordt aan het eind ingevoegd: danwel van het eigen aandeel in een groot project.

FF

In artikel 36, eerste lid, vervalt in de omschrijving van «IR/IT»: op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

GG

Na artikel 44a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 44b

Onze Minister kan bij de vaststelling van bijdragen, die zijn verleend krachtens paragraaf 2 of 3 van het Besluit Infrastructuurfonds, zoals die luidden vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit, en waarbij is toegezegd dat de bijdrage op het punt van de vergoeding van de kosten van verlegging of vervanging van kabels of leidingen zal worden bijgesteld overeenkomstig een nieuwe regeling, de bijdrage voor de kosten van verlegging of vervanging vaststellen overeenkomstig artikel 9, tweede lid .

ARTIKEL II

Dit besluit is niet van toepassing op bijdragen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstrekt en op de behandeling van bezwaren en beroepen inzake aanvragen om bijdragen, waarop vóór de inwerkingtreding van dit besluit is beslist.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998, met uitzondering van artikel I, onderdeel EE, dat terug werkt tot en met 1 januari 1996.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 9 december 1997

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de drieëntwintigste december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

§ 1. Inleiding

Door middel van het onderhavige besluit wordt het Besluit Infrastructuurfonds aangepast aan de subsidietitel (titel 4.2) van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze aanpassing aan de Awb houdt in de eerste plaats in dat een aantal termen in overeenstemming is gebracht met de terminologie van de Awb. Dit betreft bijvoorbeeld de invoering in het Besluit Infrastructuurfonds van de termen subsidie, subsidieverlening, vaststelling van de subsidie en voorschotverlening.

In de tweede plaats is een aantal bepalingen, dat door de Awb overbodig is geworden, komen te vervallen. Dit betreft bijvoorbeeld de bepalingen dat een verstrekte subsidie kan worden teruggevorderd wanneer de subsidie-ontvanger niet voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen (in de oude terminologie voorwaarden) en de minister aan de beslissing tot het verstrekken van een subsidie voorwaarden kan verbinden.

Tot slot is het subsidiesysteem in overeenstemming gebracht met de systematiek van de Awb. In het Besluit Infrastructuurfonds wordt nu duidelijk onderscheid gemaakt tussen de subsidieverlening op aanvraag en de subsidievaststelling. Verder zijn regels over het verlenen van voorschotten opgenomen.

Deze wijzigingen laten de bestaande praktijk echter grotendeels intact. In paragraaf 2 van de nota van toelichting wordt meer concreet ingegaan op de wijzigingen ten gevolge van de Awb.

Verder is het Besluit Infrastructuurfonds aangepast in verband met de gewijzigde indeling van het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT). In het MIT is sinds enige tijd sprake van de volgende driedeling ten aanzien van de indeling van de infrastructuurprogramma's:

1) Verkenningenfase

2) Planstudiefase

3) Realisatiefase.

Doelstelling van deze nieuwe indeling is een betere planning en kostenbeheersing van infrastructuur.

In de zogenaamde MIT-tabellen zijn de verkenningen-, planstudie- en realisatieprogramma's opgenomen voor het hoofdwegennet, het hoofdvaarwegennet, het spoorwegennet, de regionale en lokale infrastructuur en het realisatieprogramma van de demonstratieprojecten Duurzaam Veilig.

Kern van de systematiek van het MIT is dat opname van infrastructuurprojecten in het MIT en de overgang naar elke volgende fase expliciete besluitvorming vergt. In het Besluit Infrastructuurfonds zijn de momenten waarop subsidie kan worden verstrekt gekoppeld aan bovengenoemde drie fases.

De overige wijzigingen zullen bij de artikelsgewijze toelichting worden besproken.

Tot slot moet nog worden opgemerkt dat bij de onderhavige wijziging van het Besluit Infrastructuurfonds de bestaande opbouw van het Besluit Infrastructuurfonds zo veel mogelijk in stand is gelaten. Het voornemen bestaat om in de toekomst het Besluit Infrastructuurfonds integraal door te lichten, waarbij ook de systematiek van de regelgeving zal worden heroverwogen.

§ 2. Wijzigingen in verband met de Awb

De subsidietitel van de Awb (titel 4.2) is van toepassing op de bijdragen die op grond van de paragrafen 1 tot en met 7 van het Besluit Infrastructuurfonds uit het Infrastructuurfonds worden verstrekt aan provincies, gemeenten, regionale openbare lichamen, waterschappen, andere publiekrechtelijke rechtspersonen of privaatrechtelijke rechtspersonen. In het gehele Besluit Infrastructuurfonds is het oude begrip «bijdrage» dan ook vervangen door het begrip subsidie.

Teneinde de subsidie-uitgaven binnen het kader van de beschikbare middelen op de begroting te houden is in het Besluit Infrastructuurfonds een nieuw artikel 3a opgenomen met betrekking tot het subsidieplafond. Ingevolge artikel 4:22 van de Awb wordt onder subsidieplafond verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. De term subsidieplafond vervangt de tot nu toe in het Besluit Infrastructuurfonds gehanteerde formulering «de volgens de begroting van het fonds beschikbare middelen». De op grond van artikel 4:25, eerste lid, van de Awb voor het subsidieplafond benodigde wettelijke basis is neergelegd in artikel 9, tweede lid, onderdeel c, van de Wet Infrastructuurfonds.

Op grond van artikel 3a, eerste lid, van het Besluit Infrastructuurfonds stelt de Minister van Verkeer en Waterstaat ieder begrotingsjaar een subsidieplafond vast. Op grond van het tweede lid heeft de minister bovendien de bevoegdheid om voor de verschillende onderdelen van het Besluit Infrastructuurfonds afzonderlijke subsidieplafonds vast te stellen.

Ingevolge artikel 4:25, tweede lid, van de Awb moet een subsidie worden geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden. Ten gevolge van deze bepaling is het oude artikel 12, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit Infrastructuurfonds komen te vervallen waarin stond dat afwijzend op een aanvraag om subsidie wordt beslist indien de volgens de begroting van het fonds beschikbare middelen zijn uitgeput danwel door inwilliging van de aanvraag die begroting wordt overschreden.

Het subsidieplafond dient bekend te worden gemaakt voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, dus voor de aanvang van het begrotingsjaar. Niet tijdige bekendmaking van het subsidieplafond of van verlaging van het subsidieplafond heeft geen gevolgen voor voordien ingediende subsidie-aanvragen, tenzij het betreft aanvragen die moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld en de plafondverlaging voortvloeit uit het verlagen van de begroting, mits bij de bekendmaking van het subsidieplafond op deze uitzondering is gewezen (artikel 4:28 van de Awb).

Ten gevolge van artikel 4:26 van de Awb moet in het Besluit Infrastructuurfonds ook worden bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. In artikel 3a is gekozen voor het zogenaamde «wie het eerst komt, die het eerst maalt»-systeem. Dat betekent dat in volgorde van binnenkomst van de aanvragen wordt beslist. Een andere wijze van verdeling zou het tendersysteem zijn. Een voordeel van dit systeem is, dat de voor subsidie in aanmerking komende projecten met elkaar vergeleken kunnen worden. Een nadeel van het tendersysteem is, dat de aanvragen tegelijkertijd beoordeeld moeten worden. Omdat de beoordeling van infrastructuurprojecten veel tijd en mankracht kost, geeft dat bij de afhandeling practische problemen. Ook het feit dat infrastrucuurprojecten qua voorbereiding een lange looptijd hebben, waarbij de afronding moeilijk te plannen is, maakt inpassing in een tendersysteem lastig. Het zou bovendien voor de subsidie-aanvrager financieel nadelig kunnen zijn. Het nu gekozen systeem maakt een flexibele afhandeling van de aanvragen mogelijk.

Indien de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Awb in de gelegenheid is gesteld om de aanvraag aan te vullen, geldt als datum van ontvangst van de aanvraag de dag waarop de aanvraag is aangevuld. Bij de bekendmaking van het plafond moet ook de wijze van verdeling worden vermeld, waarbij overigens kan worden verwezen naar artikel 3a van het Besluit Infrastructuurfonds.

Het oude artikel 12, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit Infrastructuurfonds bood de mogelijkheid om bij uitputting van de beschikbare middelen aanvragen in bijzondere gevallen aan te houden voor ten hoogste een jaar. Onder de Awb moet op dergelijke aanvragen echter afwijzend worden beslist, aangezien overschrijding van het subsidieplafond een dwingende weigeringsgrond is. Met het oog daarop is in artikel 3a, vierde lid, de mogelijkheid opgenomen om in bijzondere gevallen bij de afwijzing te bepalen dat de betrokken aanvraag wordt doorgeschoven naar een volgend begrotingsjaar.

In het Besluit Infrastructuurfonds is een duidelijk onderscheid aangebracht tussen enerzijds de fase van de subsidieverlening (artikelen 6 tot en met 13) en anderzijds de fase van vaststelling van de subsidie (artikelen 14 en 14a).

De subsidieverlening behelst de beslissing vooraf dat voor een bepaald infrastructureel project subsidie wordt verstrekt. Op de subsidieverlening is afdeling 4.2.3 van de Awb van toepassing. In paragraaf 3 van deze nota van toelichting wordt ingegaan op het tijdstip waarop een subsidie krachtens dit besluit kan worden verleend.

In artikel 4:35 van de Awb is aangegeven in welke gevallen afwijzend kan worden beslist op een aanvraag om subsidie. Dit betreft de volgende facultatieve weigeringsgronden:

– indien de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

– de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

– de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten;

– indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt waardoor een onjuiste beschikking zou zijn genomen;

– in geval van faillissement of surséance van betaling.

In artikel 12 van het Besluit Infrastructuurfonds zijn, in aanvulling op artikel 4:30 van de Awb, de weigeringsgronden opgenomen, die een dwingend karakter hebben.

Op grond van artikel 4:31, eerste lid, van de Awb moet de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie vermelden, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald. Met uitzondering van de situaties waarin een vast subsidiebedrag wordt verleend, doet dit laatste zich voor bij de verlening van subsidies uit het Infrastructuurfonds. Ingevolge artikel 4:31, tweede lid, van de Awb moet dan wel het maximumbedrag dat aan subsidie kan worden verleend, in de beschikking worden aangegeven. Dit komt overeen met de bestaande praktijk. Bovendien kan de minister bij de subsidieverlening bepalen dat het subsidiebedrag vóór het tijdstip van de subsidievaststelling danwel bij de vaststelling kan worden aangepast aan de ontwikkelingen van het loon- en prijspeil (artikel 7, eerste lid, van het Besluit Infrastructuurfonds).

De subsidie wordt verleend voor de werkelijk te maken kosten, tenzij sprake is van een vast subsidiebedrag. Wanneer de werkelijk gemaakte kosten minder bedragen dan voorzien bij de raming wordt het subsidiebedrag derhalve naar evenredigheid lager.

In de beschikking tot subsidieverlening moet worden aangegeven welke verplichtingen aan de subsidie-ontvanger worden opgelegd. In het Besluit Infrastructuurfonds is het oude begrip «voorwaarden» vervangen door het begrip verplichtingen. Verder zijn de algemene bepalingen in het Besluit Infrastructuurfonds die de minister de bevoegdheid gaven om aan de beslissing tot het verstrekken van een subsidie voorwaarden te verbinden (artikelen 7, vierde lid, 16b, derde lid en 28a, vierde lid (oud)) door afdeling 4.2.4 van de Awb overbodig geworden en derhalve vervallen. In artikel 4:37 van de Awb is aangegeven ten aanzien van welke onderwerpen verplichtingen kunnen worden opgelegd. In het Besluit Infrastructuurfonds zijn, ter uitwerking van artikel 9, tweede lid, onderdeel e, van de Wet Infrastructuurfonds, alleen nog bepalingen omtrent verplichtingen opgenomen die een nadere invulling vormen van de artikelen 4:37 en 4:38 van de Awb danwel bepalingen die het opleggen van verplichtingen dwingend voorschrijven. Voorbeelden van dergelijke bepalingen zijn de artikelen 3 en 11 van het Besluit Infrastructuurfonds. Wanneer de subsidie-ontvanger niet voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen kan de minister op grond van artikel 4:48 van de Awb de subsidieverlening intrekken of het subsidiebedrag verlagen. Intrekking of verlaging vindt in beginsel plaats met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend.

Op grond van artikel 9, tweede lid, onderdeel h, van de Wet Infrastructuurfonds moet het Besluit Infrastructuurfonds ook regels bevatten omtrent het verlenen van voorschotten, aangezien het mogelijk moet zijn om reeds voor het tijdstip van de subsidievaststelling over te gaan tot het betalen van de subsidie. Ingevolge de Awb worden betalingen die voor het tijdstip van de subsidievaststelling plaatsvinden immers aangemerkt als voorschotten. Artikel 13 van het Besluit Infrastructuurfonds bevat de bedoelde regels over het verlenen van voorschotten. De bevoegdheid om voorschotten te verlenen is gekoppeld aan de subsidieverlening. Wanneer de subsidieverlening meerdere kalenderjaren betreft, wordt in de subsidieverleningsbeschikking het bedrag aangegeven dat per kalenderjaar aan voorschotten kan worden verleend. Met deze regeling zijn de oude bepalingen met betrekking tot het kasschema van de terbeschikkingstelling van de bijdrage in het Besluit Infrastructuurfonds komen te vervallen.

Wanneer het infrastructurele project slechts gedeeltelijk uit het Infrastructuurfonds wordt betaald, mag het bedrag dat aan voorschotten wordt verleend in ieder geval niet hoger zijn dan het aandeel van het fonds in de financiering (artikel 13, vierde lid). Deze bepaling is in de plaats gekomen van het oude artikel 15, tweede lid, van het Besluit Infrastructuurfonds. Verder kan het bedrag dat aan voorschotten wordt verleend nooit meer zijn dan het bedrag waarvoor subsidie is verleend. Wanneer ten gevolge van onvoorziene omstandigheden de door de subsidie-ontvanger werkelijk gemaakte kosten hoger uitvallen dan het bedrag waarvoor subsidie is verleend heeft hij de mogelijkheid om vóór het tijdstip van de subsidievaststelling een aanvullende subsidie-aanvraag in te dienen (artikel 13, achtste lid, van het Besluit Infrastructuurfonds).

Hoofdregel is dat voorschotten per kwartaal worden verleend. In de beschikking tot subsidieverlening kan echter een afwijkende termijn worden opgenomen, zodat bijvoorbeeld ook maandelijkse bevoorschotting mogelijk is. In artikel 13, derde lid, van het Besluit Infrastructuurfonds is bepaald dat voorschotten worden verleend op basis van in te dienen declaraties die zijn afgestemd op de gerealiseerde en geplande voortgang van het werk en die zijn onderbouwd door een voortgangsrapportage van het betrokken project. Door deze formulering is het mogelijk dat verleende voorschotten zowel betrekking hebben op reeds verrichte werkzaamheden als op nog te verrichten werkzaamheden. De declaraties kunnen worden beschouwd als aanvragen om betaling van de voorschotten. De voorschotten worden, in afwijking van artikel 4:55, tweede lid, van de Awb, op grond van artikel 13, zevende lid, van het Besluit Infrastructuurfonds betaald binnen acht weken na ontvangst van de declaraties.

De op grond van artikel 13, vijfde lid, van het Besluit Infrastructuurfonds jaarlijks door de subsidie-ontvanger in te dienen financiële verantwoording moet worden beschouwd als een tussentijdse verantwoording, welke onderscheiden moet worden van de financiële verantwoording die bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet worden ingediend.

De beschikking tot vaststelling van de subsidie stelt het definitieve subsidiebedrag vast en geeft aanspraak op de betaling. De subsidievaststelling wordt geregeld in afdeling 4.2.5 van de Awb. Ter uitwerking van artikel 4:44 van de Awb is in artikel 14 van het Besluit Infrastructuurfonds bepaald dat de subsidie-ontvanger binnen een jaar nadat het infrastructurele project, waarvoor subsidie is verleend, in gebruik is genomen een aanvraag tot vaststelling van de subsidie bij de minister moet indienen. De minister kan deze termijn met ten hoogste zes maanden verlengen. Ingevolge artikel 4:45 van de Awb moet de aanvraag tot vaststelling van de subsidie aan twee eisen voldoen:

– de aanvrager moet aantonen dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen en

– de aanvrager moet rekening en verantwoording afleggen omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.

Met het oog op deze laatste eis is in artikel 14 van het Besluit Infrastructuurfonds geregeld dat bij de aanvraag tot vaststelling een eindverslag en een financiële verantwoording van de totale projectkosten, voorzien van een accountantsverklaring en een slotdeclaratie moeten worden gevoegd.

Op grond van artikel 14a, eerste lid, van het Besluit Infrastructuurfonds beslist de minister binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot het vaststellen van de subsidie. Wanneer de subsidie-ontvanger echter geen aanvraag heeft ingediend binnen de in artikel 14, eerste lid, genoemde termijn, stelt de minister de subsidie ambtshalve vast binnen twaalf weken na het tijdstip waarop die termijn is verstreken. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 4:44, vierde lid, van de Awb. Wanneer de minister de subsidie ambtshalve heeft vastgesteld, heeft de subsidie-ontvanger dus geen recht meer op declaratie van een eventueel resterend bedrag.

Hoofdregel bij de subsidievaststelling is dat vaststelling van de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening plaatsvindt. Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, van de Awb kan de subsidie in de volgende vier gevallen echter op een lager bedrag worden vastgesteld:

– indien de activiteiten niet (geheel) hebben plaatsgevonden;

– indien de verplichtingen niet zijn nagekomen;

– indien de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en op grond daarvan een onjuiste subsidieverleningsbeschikking is gegeven;

– indien de subsidie-ontvanger wist of behoorde te weten dat de subsidieverleningsbeschikking anderszins onjuist was.

Dit geldt ook wanneer de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag is verleend.

Op grond van artikel 4:49 van de Awb heeft de minister de bevoegdheid om de subsidievaststelling in te trekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger te wijzigen in de in dat artikel limitatief opgesomde gevallen. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. In verband met de rechtszekerheid is deze bevoegdheid aan een termijn van vijf jaar gebonden (artikel 4:49, derde lid, van de Awb).

De aanpassing van de paragrafen 3, 6 en 7 van het Besluit Infrastructuurfonds aan de Awb betreft met name terminologische punten, die in het voorgaande al besproken zijn.

De aanpassing van paragraaf 4 van het Besluit is omvangrijker, omdat de systematiek van subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf in overeenstemming is gebracht met de hierboven geschetste systematiek van subsidieverlening, voorschotverlening en subsidievaststelling.

§ 3. Wijzigingen in verband met de MIT-structuur

Als hoofdregel is in artikel 6, eerste lid, van het Besluit Infrastructuurfonds opgenomen dat een aanvraag om een subsidie voor een groot project alleen in behandeling wordt genomen als dat project is opgenomen in een realisatieprogramma van het MIT. Slechts bij wijze van uitzondering kan de minister besluiten om een aanvraag al in behandeling te nemen voordat het project in een realisatieprogramma is opgenomen. Opname van een project in een realisatieprogramma van het MIT betekent normaliter dat een beschikking tot subsidieverlening zal worden verstrekt.

Op grond van artikel 16a van het Besluit Infrastructuurfonds, zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit, had de Minister van Verkeer en Waterstaat al de bevoegdheid om, indien hij instemde met het in voorbereiding nemen van een groot project, een bijdrage in de voorbereidingskosten te verstrekken. In de tekst van artikel 16a van het onderhavige besluit is nu expliciet de relatie met de planstudiefase van het MIT neergelegd door de bepaling dat de minister, wanneer een project is opgenomen in een planstudieprogramma van het MIT, op aanvraag een subsidie kan verlenen voor naar het oordeel van de minister in de planstudiefase redelijkerwijs te maken kosten. Daarbij is limitatief aangegeven om welke voorbereidingskosten het kan gaan: studiekosten, kosten van verwerving van een onroerende zaak (grondverwerving) en VAT-kosten. Grondverwerving voorafgaand aan de realisatiefase kan wenselijk zijn om te voorkomen dat projecten vertraging oplopen en dat grondprijzen te sterk gaan stijgen. In beleidsregels zal nader worden aangegeven welke randvoorwaarden zullen gelden voor het verlenen van subsidie voor grondverwerving ten behoeve van projecten in de planstudiefase. Studiekosten voor het regionale of lokale wegennet komen niet voor subsidie op grond van dit artikel in aanmerking. Financiering van deze kosten behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. Pas in de realisatiefase is ten aanzien van het regionale of lokale wegennet sprake van een bovenregionaal belang, namelijk dat van doorgaand verkeer, dat medefinanciering door het Rijk rechtvaardigt. Voor infrastructuurprojecten ten behoeve van het stads- en streekvervoer geldt ook dat de primaire verantwoordelijkheid voor de bekostiging van voorbereidingskosten bij de betrokken overheden ligt. Wanneer echter deze kosten de draagkracht van de betrokken overheid te boven gaan en het betreffende project een duidelijk effect heeft op de doelstellingen van het landelijke verkeers- en vervoerbeleid kan het Rijk een deel van het risico van de voorbereiding van het project voor haar rekening nemen.

In bijzondere gevallen kan de minister besluiten om een aanvraag om subsidie voor planstudiekosten al in behandeling te nemen voordat het project is opgenomen in een planstudieprogramma.

Wanneer ook in de realisatiefase voor het betrokken project subsidie wordt verleend wordt op die subsidie de subsidie die op grond van artikel 16a van het Besluit Infrastructuurfonds is verstrekt, in mindering gebracht.

Tot slot is in artikel 16aa van het Besluit Infrastructuurfonds de relatie met de verkenningenfase van het MIT neergelegd. Wanneer een verkenning is opgenomen in een verkenningenprogramma van het MIT kan de minister op aanvraag subsidie verlenen voor te maken kosten van studies of onderzoeken. Van deze bevoegdheid zal alleen gebruik worden gemaakt bij verkenningen van majeure verkeers- en vervoersproblemen met een duidelijk effect op het landelijke verkeers- en vervoerbeleid, waarmee aanzienlijke kosten zijn gemoeid. In artikel 16aa, tweede lid, is aangegeven welke gegevens bij de aanvraag moeten worden verstrekt.

§ 4. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

Aangezien de definitie van regionaal openbaar lichaam is overgeheveld naar artikel 1 van de Wet Infrastructuurfonds is deze definitie in het Besluit Infrastructuurfonds vervallen.

Artikel I, onderdeel C

Artikel 3, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, zijn vervallen in verband met artikel 4:48 van de Awb.

Artikel I, onderdeel G

Artikel 5, eerste lid, onderdeel h, is gewijzigd omdat de oorspronkelijk opgenomen zinsnede met betrekking tot kabels en leidingen ten onrechte de suggestie wekte dat kosten van verlegging of vervanging van kabels of leidingen niet in aanmerking komen voor subsidie. Kosten van verlegging of vervanging van kabels of leidingen maken deel uit van de projectkosten en worden vergoed overeenkomstig artikel 9, eerste en tweede lid.

In artikel 5 is een nieuw tweede lid opgenomen omdat in de praktijk is gebleken dat onduidelijkheid bestaat over de vraag welke kosten tot de projectkosten mogen worden gerekend. Het antwoord op deze vraag is met name van belang om te kunnen bepalen of een project al dan niet een groot project is. Met het nieuwe tweede lid is beoogd vast te leggen dat slechts kosten die vanuit het oogpunt van het verkeers- en vervoerbeleid noodzakelijkerwijs zijn verbonden aan de aanleg van infrastructuur als projectkosten in aanmerking worden genomen. Kosten die vanuit andere overwegingen extra worden gemaakt, worden dus niet in beschouwing genomen.

De leden vijf en zes (nieuw) met betrekking tot reserveprojecten zijn vervallen in verband met de doorwerking van de gewijzigde MIT-structuur in het Besluit Infrastructuurfonds.

Artikel I, onderdeel H

In artikel 6, derde lid (nieuw), zijn de woorden «met redenen omkleed» geschrapt, omdat de motiveringsplicht al voortvloeit uit artikel 3:47 van de Awb.

Artikel I, onderdeel J

Bij infrastructuur ten behoeve van intermodaal vervoer gaat het vooral om de verbindingspunten in intermodale netwerken. Tot nu toe was in artikel 9 geen afzonderlijk subsidiepercentage opgenomen voor terminals ten behoeve van intermodaal vervoer. Daarin wordt nu voorzien door de toevoeging van onderdeel g aan het eerste lid. Voor de overige infrastructuur ten behoeve van intermodaal vervoer geldt dat sprake is van één of meerdere in de bijlage bij het Besluit Infrastructuurfonds genoemde categorieën van infrastructuur, waarop de voor die categorieën geldende regels van het Besluit Infrastructuurfonds van toepassing zijn.

Artikel 9, tweede lid, is gewijzigd omdat de uitvoering van het oorspronkelijke tweede lid problemen opleverde vanwege de ingewikkelde opzet van de berekening van de vergoeding voor de verlegging of vervanging van kabels of leidingen. Bovendien leidde het aspect van berekening op basis van nacalculatie tot onzekerheid voor de aanvrager. Ook bleek in een aantal gevallen bij de voorbereiding van projecten dat eigenaren van kabels of leidingen weigerden mee te werken aan een project vanwege de regeling omtrent de vergoeding.

De nieuwe regeling houdt in dat de vergoeding van de kosten van verlegging van kabels of leidingen plaatsvindt overeenkomstig het voor het betreffende project geldende subsidiepercentage van artikel 9, eerste lid, met dien verstande dat wel rekening wordt gehouden met het juridische regime, waaronder de kabels of leidingen liggen. Wanneer met de verlegging gelijktijdige vervanging plaatsvindt, wordt een aftrek toegepast op basis van de resterende economische levensduur van de oude kabels en leidingen. Deze aftrek wordt berekend over alle kosten ten behoeve van de verlegging en vervanging, dus niet alleen over de materiaalkosten van de nieuwe kabels en leidingen, maar ook over de kosten van graafwerkzaamheden en van herstel van de omgeving.

Artikel I, onderdeel K

Artikel 11, tweede lid, is in de plaats gekomen van het oude artikel 13, leden 3 en 4.

Artikel I, onderdeel L

Artikel 12, eerste lid, onderdeel d (oud), is vervallen in verband met de bepalingen omtrent het subsidieplafond in artikel 3a. De formulering van onderdeel d (nieuw) is in overeenstemming gebracht met artikel 4:35, tweede lid, onderdeel b, van de Awb. Onderdeel f (oud) is vervallen in verband met artikel 4:5 van de Awb.

Artikel I, onderdeel P

In afwijking van de overige infrastructurele projecten bedraagt de subsidie voor projecten ten behoeve van het landelijk railnet in de planstudiefase ten hoogste honderd procent. Ten gevolge van richtlijn nr. 91/440/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PbEG L 237) is het Rijk verantwoordelijk voor de landelijke railinfrastructuur. De voorbereiding van deze infrastructuurprojecten komt dan ook volledig voor rekening van het Rijk.

Artikel I, onderdeel U

In het derde lid is onderdeel a wegens overbodigheid vervallen. Kosten van verplaatsing van verkeerslichtinstallaties vallen onder de in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, van het Besluit Infrastructuurfonds genoemde kosten.

Artikel I, onderdeel Y

In artikel 19, tweede lid, zijn twee nieuwe mutanten ingevoegd. De eerste betreft de evaluatie van de in 1988 tussen de Staat der Nederlanden en de NS gesloten overeenkomst inzake de aanraking van infrastructuur. Deze overeenkomst speelt een rol bij kosten die gepaard gaan met aanleg van infrastructuur waarbij sprake is van een kruising van railinfrastructuur met weginfrastructuur. Ten tweede is toegevoegd dat de subsidie op grond van paragraaf 4 van het Besluit Infrastructuurfonds kan worden aangepast als gevolg van door de beheerder van landelijke railinfrastructuur opgebouwde overschotten danwel bij hem ontstane tekorten. Deze mutant is in de plaats gekomen van het oorspronkelijke artikel 21, derde en vierde lid.

Artikel I, onderdeel Z

Aangezien de betaling van de subsidie plaatsvindt vóór het tijdstip van de subsidievaststelling, moeten de termijnbedragen op grond van de Awb als voorschotten worden aangemerkt. Met het oog daarop is artikel 20 aangepast.

In artikel 21 wordt de vaststelling van de subsidie geregeld.

Artikel I, onderdeel EE

Met deze wijziging wordt een omissie hersteld die bij de laatste wijziging van het Besluit Infrastructuurfonds is ontstaan. Net als voor de provincies geldt dat de regionaal openbare lichamen de doeluitkering ook kunnen aanwenden voor het eigen aandeel in grote projecten. Deze wijziging zal terugwerken tot 1 januari 1996, de datum waarop de laatste wijziging van het Besluit in werking is getreden.

Artikel I, onderdeel II

Het nieuwe artikel 44b verstrekt de basis om reeds voor de inwerkingtreding van het onderhavige besluit verleende vergoedingen voor de verlegging of vervanging van kabels of leidingen bij te stellen overeenkomstig het nieuwe regime van artikel 9, tweede lid, van het Besluit Infrastructuurfonds, voor zover die bijstelling bij de verlening was toegezegd.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Stb. 1993, 629, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 2 december 1997, Stb. 631.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 januari 1998, nr. 7.

Naar boven