Besluit van 3 december 1997, houdende wijziging van het Algemeen militair ambtenarenreglement en het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie met betrekking tot ouderschapsverlof

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 15 september 1997, nr. P/97005750;

Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet en artikel 12 van de Militaire Ambtenarenwet 1931;

De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1997, no. WO7.97.0602);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 28 november 1997, nr. P/97007949;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Artikel 87a, tweede en derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement1 komen te luiden:

  • 2. Geen aanspraak op verlof bestaat over tijdvakken gelegen na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.

  • 3. Het verlof strekt zich uit over een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden en bedraagt ten hoogste de helft van de voor de militair geldende arbeidsduur per week. Het verlof wordt verleend zonder behoud van inkomsten.

ARTIKEL II

Artikel 47, tweede en derde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie2 komen te luiden:

  • 2. Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de ambtenaar wiens dienstbetrekking ten minste één jaar heeft geduurd.

  • 3. Het verlof strekt zich uit over een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden en bedraagt ten hoogste de helft van de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per week. Geen aanspraak op verlof bestaat over tijdvakken gelegen na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juli 1997.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 3 december 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling

Uitgegeven de drieëntwintigste december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In de nota van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van september 1995 (kamerstukken II, 1994/95, 24 332, nr. 2) is de visie van de regering gepresenteerd op de organisatie van de arbeid in combinatie met zorgverantwoordelijkheden. Een van de aandachtspunten daarbij betrof de Wet op het ouderschapsverlof. Deze wet en het Burgerlijk Wetboek zijn in het verlengde hiervan op een aantal punten aangepast (Stb. 1997, 266 en 267) om een flexibeler invulling en aanwending mogelijk te maken. De wettelijke regeling is ook van toepassing op militaire ambtenaren en burgerambtenaren werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

Dit besluit sluit op een groot aantal punten aan bij de aanpassing van de wettelijke regeling. Niet volledig, omdat enerzijds de aanpassing inzake de flexibele invulling voor militairen en burgerpersoneel bij het Ministerie van Defensie al was gerealiseerd en anderzijds omdat in enkele gevallen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid die in de wet wordt geboden om af te wijken (artikel 644, achtste lid van het Burgerlijk Wetboek). Daarbij gaat het niet om nieuw te introduceren beperkingen maar om het handhaven van reeds bestaande beperkingen waar het gaat om militair personeel.

Ten eerste wordt in de wijziging van de wettelijke regeling de beperking geschrapt dat het recht op ouderschapsverlof slechts bestaat indien de dienstbetrekking in Nederland wordt vervuld. Deze beperking wordt met gebruikmaking van de genoemde afwijkingsmogelijkheid in de wettelijke regeling in het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) gehandhaafd voor militair personeel, omdat opheffing van deze territoriale beperking zou leiden tot organisatorische problemen. Daarnaast is er nog de bijzondere positie van dit personeel, waar de eis van voortdurende inzetbaarheid tijdens het verblijf in het buitenland zich niet verdraagt met het verlenen van een langdurig (deeltijd-)verlof. Wat de territoriale beperking betreft moet ter aanvulling worden opgemerkt dat deze niet was opgenomen in de regeling van het ouderschapsverlof in het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (BARD) en derhalve als gevolg van de wijziging van de wettelijke regeling ook geen wijziging behoeft op dit punt. Tegenover het handhaven van de territoriale beperking voor militair personeel staat dat, in navolging van de wettelijke regeling, de periode waarbinnen het ouderschapsverlof kan worden opgenomen wordt verlengd van vier naar acht jaar. Gelet op de gemiddelde plaatsingsduur van militair personeel in het buitenland (drie tot vier jaar) betekent dit dat, ondanks het handhaven van de territoriale beperking, verwerkelijking van de aanspraak op ouderschapsverlof op enig moment gedurende die acht jaar toch mogelijk zal zijn. Indien in incidentele gevallen onverhoopt sprake zal zijn van een langere dan de gemiddelde plaatsing waardoor het opnemen van het ouderschapsverlof, indien gewenst, in het gedrang dreigt te komen, zal hiervoor een praktische oplossing met de betrokken militair worden overeengekomen.

Tevens worden, met gebruikmaking van meergenoemde afwijkingsmogelijkheid, in het AMAR gehandhaafd de afwijkende meldingstermijn en de mogelijkheid tot opschorten van de aanspraak op grond van gewichtige redenen van dienstbelang. De argumenten zoals die golden bij de invoering van de aanspraak op ouderschapsverlof en waren opgenomen in de Nota van Toelichting bij het besluit van 6 juli 1992 houdende wijziging van onder andere het AMAR (Stb. 1992, 412), doen nog steeds opgeld. De afwijkende meldingstermijn werd destijds gekoppeld aan de functietoewijzingsprocedure in verband met de mogelijke noodzaak tot functiewisseling door ouderschapsverlof. De mogelijkheid tot opschorten kan gelet op de taakstelling van de krijgsmacht niet worden gemist. Overigens gelden deze beperkingen niet voor het burgerpersoneel werkzaam bij het Ministerie van Defensie en worden zij evenmin met dit besluit ingevoerd.

Met de centrales van overheidspersoneel bestaat overstemming over de aanpassing van de ouderschapsverlofregeling in het AMAR en BARD aan de wettelijke regeling alsmede de handhaving van de genoemde afwijkingen van die wettelijke regeling voor militair personeel.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I en II

De regelingen op het ouderschapsverlof voor militair personeel (artikel 87a van het AMAR) en het burgerpersoneel, werkzaam bij het Ministerie van Defensie (artikel 47 van het BARD) worden op twee punten aangepast analoog aan de wijziging van de wettelijke regeling. Ten eerste wordt de periode waarbinnen het verlof kan worden opgenomen verlengd met vier jaar (Artikel I, artikel 87a, tweede lid, van het AMAR; Artikel II, artikel 47, derde lid, van het BARD). De aanspraak op verlof bestaat alsdan totdat het kind de leeftijd van acht jaar heeft bereikt en vervalt derhalve niet op het moment dat het kind als leerling tot de basisschool wordt toegelaten. Aldus wordt een (tijdelijke) voorziening gerealiseerd die het mogelijk kan maken de periode van overgang van bijvoorbeeld dagopvang naar de basisschool soepel te laten verlopen.

Ten tweede wordt geen minimum (direct noch indirect) meer gesteld aan de omvang van de arbeidsduur. Dit betekent dat ook militairen met een arbeidsduur van minder dan 20 uur per week en burgerambtenaren met een arbeidsduur van minder dan 16 uur per week aanspraak krijgen op ouderschapsverlof (Artikel I, artikel 87a, derde lid, van het AMAR; Artikel II, artikel 47, tweede lid, van het BARD).

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling


XNoot
1

Stb. 1982, 279, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 december 1997, Stb. 573.

XNoot
2

Stb. 1993, 350, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 27 oktober 1997, Stb. 573.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven