Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1997, 626 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1997, 626 | AMvB |
De Minister van Justitie,
Gelet op artikel XVI van het besluit van 19 november 1997, Stb. 618, houdende aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Ministerie van Economische Zaken);
Besluit:
de tekst van het Besluit tenders industriële energiebesparing, zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 19 november 1997, Stb. 618 in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de zestiende december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een onderneming die bij regeling van Onze Minister is uitgesloten;
b. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband van ten minste twee, niet in een groep verbonden ondernemers;
c. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:
– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van of
– overwegende zeggenschap heeft over
een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
d. een brancheorganisatie: een privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, die blijkens zijn statuten als doel heeft de belangen te behartigen van ondernemers die behoren tot een zelfde bedrijfstak, daaronder niet begrepen de primaire landbouw en visserij, of een samenhangend deel daarvan, en die niet bedrijfsmatig werkzaam is;
e. project: een studie, een demonstratieproject of een marktintroductieproject;
f. studie: een op praktische toepassing gerichte, systematisch opgezette en afgeronde analyse en inschatting van zowel de technische als de economische mogelijkheden om binnen een onderneming energie te besparen;
g. demonstratieproject: een samenhangend geheel van activiteiten, die een technisch en economisch risico inhouden, bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen, gericht op energiebesparing binnen de onderneming van de aanvrager met behulp van:
1°. voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of
2°. een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken;
h. marktintroductieproject: een samenhangend geheel van in Nederland te treffen technische of beheersmatige voorzieningen, gericht op energiebesparing binnen de onderneming van de aanvrager met behulp van apparaten, systemen of technieken die reeds eerder zijn gedemonstreerd maar die in Nederland nog niet gebruikelijk zijn.
1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:
a. een ondernemer die voor eigen rekening en risico een project uitvoert, dat past in een programma of
b. aan de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een zodanig project uitvoeren.
2. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de programma's vast. Een programma bevat een beschrijving van activiteiten en soorten projecten, gericht op energiebesparing en van bedrijfstakken waarin zij dienen te worden uitgevoerd.
3. Indien het project een studie betreft wordt ook subsidie verstrekt aan een branche-organisatie.
4. Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
5. Geen subsidie wordt verstrekt:
a. indien de aanvrager voor de indiening van het project verplichtingen heeft aangegaan;
1. De subsidie bedraagt:
a. voor het uitvoeren van een studie: 50 procent van de projectkosten en ten hoogste f 150 000,00;
b. voor het uitvoeren van een demonstratieproject: 30 procent van de projectkosten en ten hoogste f 2 500 000,00 dan wel 20 procent van het voor subsidieverleningen beschikbare bedrag, indien dit minder bedraagt dan f 2 500 000,00;
c. voor het uitvoeren van een marktintroductieproject: 20 procent van de projectkosten en ten hoogste f 2 500 000,00 dan wel 20 procent van het voor subsidieverleningen beschikbare bedrag, indien dit minder bedraagt dan f 2 500 000,00.
2. Indien ter zake van de in het eerste lid bedoelde kosten onderscheidenlijk een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het bedrag ingevolge het eerste lid.
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen, door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten:
1°. de kosten van aanschaf van machines en apparatuur, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
2°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;
3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
4°. aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verleende diensten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 40 procent van de onder a, aanhef en onder 2°, bedoelde loonkosten.
2. Indien machines en apparatuur worden aangeschaft door middel van een lease-overeenkomst, is het vereiste dat de projectkosten moet zijn betaald niet van toepassing en wordt als kosten van aanschaf in aanmerking genomen de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen, verdisconteerd op jaarbasis tegen een bij regeling van Onze Minister vast te stellen percentage.
3. Indien de kosten van aanschaf van machines en apparatuur slechts gedeeltelijk aan het project zijn toe te rekenen, is het vereiste dat de projectkosten moeten zijn betaald niet van toepassing en wordt als projectkosten in aanmerking genomen een evenredig deel van de kosten van afschrijving van de machines en apparatuur, berekend op basis van de historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van 5 jaar.
1. Er is een Adviescommissie industriële energiebesparing, die Onze Minister op zijn verzoek van advies dient omtrent de aanvragen om subsidie op grond van dit besluit.
2. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten hoogste zes andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.
3. De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
4. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
5. Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
6. In het secretariaat wordt door Onze Minister voorzien.
7. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie.
8. De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van zijn werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
Onze Minister stelt bij ministeriële regeling subsidieplafonds vast voor het verlenen van subsidies op aanvragen die zijn ontvangen in een bepaalde periode in het kader van een programma of onderdeel daarvan. Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen met betrekking tot onderdelen van een programma en met betrekking tot verschillende soorten projecten.
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de periode vast waarin aanvragen om subsidie op grond van dit besluit met betrekking tot een programma of een onderdeel daarvan moeten zijn ontvangen.
2. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag namens de andere deelnemers in.
1. Onze Minister wint omtrent een aanvraag advies in van de Adviescommissie industriële energiebesparing.
2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien de aanvraag een studie betreft: indien zij de projectkosten op minder dan f 25 000,00 raamt;
b. indien de aanvraag een demonstratieproject of een marktintroductieproject betreft:
1°. indien zij de projectkosten op minder dan f 50 000,00 raamt;
2°. indien het niet een zodanige energiekostenbesparing oplevert in verhouding tot de geraamde projectkosten, dat het project rendabel is te achten;
3°. indien het voor anderen geen toepassingsmogelijkheden biedt, welke een zodanige energiekostenbesparing in verhouding tot de geraamde kosten op kunnen leveren, dat zij rendabel zijn te achten;
c. indien de aanvraag een demonstratieproject betreft: indien door het project tezamen met mogelijke andere toepassingen in Nederland jaarlijks niet ten minste per gulden geraamde kosten een energiebesparing kan worden gerealiseerd van 3 kubieke meter aardgas of het energetisch equivalent daarvan;
d. indien de aanvraag een marktintroductieproject betreft: indien door het project tezamen met mogelijke andere toepassingen in Nederland jaarlijks niet ten minste per gulden geraamde kosten een energiebesparing kan worden gerealiseerd van 2,5 kubieke meter aardgas of het energetisch equivalent daarvan;
3. Bij de berekening van de energiebesparing, bedoeld in het tweede lid, onder c en d, worden de volgende equivalenten toegepast:
a. 1 kWh elektriciteit komt overeen met 0,31 kubieke meter aardgas;
b. 1000 liter huisbrandolie komt overeen met 1200 kubieke meter aardgas;
c. 1 ton stookolie komt overeen met 1300 kubieke meter aardgas;
d. 1 ton steenkool komt overeen met 925 kubieke meter aardgas.
4. De commissie rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer perspectief biedt op een grotere energiebesparing in Nederland. Daarbij wordt in geval van een demonstratieproject of een marktintroductieproject de energiebesparing in Nederland gerelateerd aan de projectkosten.
Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken na afloop van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde periode. Indien de beschikking niet binnen zestien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit;
b. indien de Adviescommissie industriële energiebesparing een negatief advies heeft uitgebracht.
1. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking van de aanvragen door de Adviescommissie industriële energiebesparing.
2. Onze Minister kan afwijken van het eerste lid en van artikel 10, aanhef en onder b, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
1. Op alle subsidie-ontvangers rusten de in de artikelen 14, 15 en 16 opgenomen verplichtingen, met dien verstande dat de in artikel 15 opgenomen verplichtingen slechts rusten op de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.
2. Onze Minister kan bij de subsidieverlening verplichtingen opleggen met betrekking tot:
a. het verlenen van medewerking aan een door Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen derde op te zetten en uit te voeren meet- of demonstratieprogramma;
b. het zonder vergoeding geven van instemming met het door Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen derde geven van bekendheid aan uit het project en het meet- of demonstratieprogramma voortgekomen gegevens;
c. het zonder vergoeding aan Onze Minister of een door Onze Minister aangewezen derde verstrekken van door Onze Minister gewenste, met het project verband houdende informatie;
d. de samenwerking met derden bij of in verband met de uitvoering van het project.
1. De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en uiterlijk op het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.
2. De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
3. Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste en tweede lid voorschriften verbinden.
1. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling binnen zes maanden na het tijdstip waarop het project ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn uitgevoerd bij Onze Minister in.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
1. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
2. De subsidie-ontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is ingediend daarvan mededeling aan Onze Minister.
1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, kan op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister eenmaal per drie maanden een voorschot worden verstrekt.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
3. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de loonkosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald.
1. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
2. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag, indien het een eerste voorschot betreft, vergezeld van een verklaring van de indiener van de aanvraag waarin hij zich aansprakelijk stelt voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de betrokkene daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
De Subsidieregeling tenders industriële energiebesparing 1992 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-626.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.