Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1997, 624 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1997, 624 | AMvB |
De Minister van Justitie,
Gelet op artikel XVI van het besluit van 19 november 1997, Stb. 618, houdende aanpassing van een aantal algemene maatregelen van bestuur aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Ministerie van Economische Zaken);
Besluit:
de tekst van het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten, zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 19 november 1997, Stb. 618 in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Uitgegeven de zestiende december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. concern: een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect:
– de helft of meer van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van of
– overwegende zeggenschap heeft over
een of meer rechtspersonen of vennootschappen en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
b. project: een technisch, functioneel en in de tijd samenhangend geheel van investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting al dan niet in combinatie met bedrijfsgebouwen;
c. vestigingsproject: een project, inhoudende het stichten van:
1°. een industrieel bedrijf,
2°. een stuwend dienstverlenend bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium,
3°. een stuwend toeristisch bedrijf;
d. uitbreidingsproject: een project inhoudende de uitbreiding van de capaciteit van een industrieel bedrijf, stuwend dienstverlenend bedrijf, stuwend toeristisch bedrijf, hoofdkantoor of laboratorium in dezelfde gemeente als waarin reeds een bedrijf van de ondernemer of een bedrijf van een tot hetzelfde concern behorende ondernemer is gevestigd;
e. stuwend toeristisch bedrijf: een bedrijf op het gebied van de toeristische accommodatie of bezoekaccommodatie, niet bestaande uit de verhuur van al dan niet gemeubileerde vakantiewoningen of -appartementen, dat de economische ontwikkeling in de regio van vestiging stimuleert en dat in overwegende mate bezoekers trekt van buiten de regio waarin het is of zal worden gevestigd.
f. stuwend dienstverlenend bedrijf: een dienstverlenend bedrijf, niet zijnde een toeristisch bedrijf, dat naar zijn aard niet aan enige plaats gebonden is, dat de economische ontwikkeling van de regio van vestiging stimuleert en waarvan de afnemers in overwegende mate gevestigd zijn buiten de regio waarin het is of zal worden gevestigd;
g. hoofdkantoor: een kantoor van een concern waarin de centrale leiding of een zelfstandig onderdeel daarvan is gehuisvest;
h. een laboratorium: een bedrijf of bedrijfsonderdeel op het gebied van technisch of fysisch onderzoek, dat een belangrijke functie vervult voor de ontwikkeling van voor het bedrijf nieuwe producten;
i. S.B.I.-bedrijfsgroep: een bedrijfsgroep op vier-cijferniveau van de Standaardbedrijfsindeling 1993 van het Centraal Bureau voor de Statistiek;
j. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een onderneming die bij regeling van Onze Minister is uitgesloten.
2. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de omvang van de regio's, bedoeld in het eerste lid, onder e en f, vast.
1. Onze Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan de ondernemer die een project tot stand brengt in een bij regeling van Onze Minister aangewezen gemeente of deel van een gemeente.
2. Bij een regeling als bedoeld in het eerste lid kan Onze Minister bepalen voor welke soorten projecten in de onderscheiden gemeenten of delen van gemeenten subsidie kan worden verstrekt. Daarbij kan hij onderscheid maken tussen:
a. vestigingsprojecten en uitbreidingsprojecten ter zake waarvan de aanvraag om subsidie wordt ingediend binnen vijf jaar na de datum van eerste inschrijving van het bedrijf in het handelsregister of, indien inschrijving van een in dezelfde gemeente gevestigd, tot hetzelfde concern behorend bedrijf op een eerdere datum heeft plaatsgevonden, binnen vijf jaar na die eerdere datum;
b. andere uitbreidingsprojecten;
c. projecten als bedoeld onder a, die van bijzonder belang zijn voor de regionale economie en waarvan de subsidiabele kosten door Onze Minister zijn geraamd op f 30 000 000,00 of meer.
1. In geval van een uitbreidingsproject wordt slechts subsidie verstrekt indien één jaar na de datum waarop het project is uitgevoerd de capaciteit of het aantal werknemers van het betrokken bedrijf met ten minste 20 procent is vergroot ten opzichte van de capaciteit onderscheidenlijk het aantal werknemers op het datum van het indienen van de aanvraag, overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld.
2. Onder capaciteit wordt verstaan het door de duurzame bedrijfsuitrusting bepaalde, technisch maximale vermogen tot produceren per tijdseenheid. Indien de capaciteit vanwege het onderscheid tussen de producten niet vergelijkbaar is, wordt de uitbreiding berekend aan de hand van de verhouding tussen de kosten van verkrijging van duurzame bedrijfsuitrusting en de ten hoogste twee jaar voor de aanvraag om subsidie bepaalde taxatiewaarde welke ten grondslag ligt aan de verzekerde waarde van de op het tijdstip van het indienen van de aanvraag bij het bedrijf of het hoofdkantoor in gebruik zijnde duurzame bedrijfsuitrusting.
3. Bij het bepalen van de capaciteit respectievelijk het aantal werknemers wordt mede in aanmerking genomen de capaciteit respectievelijk het aantal werknemers van de in dezelfde gemeente gevestigde, aan de subsidie-ontvanger of tot hetzelfde concern als de subsidie-ontvanger behorende ondernemers en worden deeltijdwerkers naar evenredigheid van de met hen overeengekomen arbeidsduur in aanmerking genomen.
4. Dit artikel is niet van toepassing op:
a. uitbreidingsprojecten ten aanzien waarvan artikel 4, tweede lid, is toegepast;
b. uitbreidingsprojecten inhoudende de uitbreiding van de capaciteit van een laboratorium,
c. uitbreidingsprojecten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c.
1. De subsidie bedraagt:
a. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a: 20 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat voor de berekening van het subsidiebedrag de kosten in aanmerking genomen worden tot ten hoogste f 18 000 000,00;
b. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder b: 15 procent van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat voor de berekening van het subsidiebedrag de kosten in aanmerking genomen worden tot ten hoogste f 8 000 000,00;
c. in geval van een project als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c: een door Onze Minister te bepalen percentage van de subsidiabele kosten.
2. Indien de geraamde subsidiabele kosten van een project, bedoeld in het eerste lid, onder a of b, meer bedragen dan f 18 000 000,00 en het project van bijzonder belang voor de ontwikkeling van de regionale economie is, kan Onze Minister een hoger subsidiebedrag verstrekken dan voor het project ten hoogste uit het eerste lid voortvloeit.
1. De subsidiabele kosten zijn de in artikel 6 en 7 bedoelde projectkosten, verminderd overeenkomstig de volgende leden van dit artikel.
2. Een vermindering wordt toegepast indien:
a. binnen een periode van één jaar vóór het indienen van de aanvraag tot één jaar na de datum waarop het project is uitgevoerd aan de subsidie-ontvanger of tot hetzelfde concern als de subsidie-ontvanger behorende bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting welke zich bevinden in dezelfde gemeente als waarin het project wordt gerealiseerd, worden afgestoten of buiten gebruik gesteld;
b. binnen een periode van één jaar vóór het indienen van de aanvraag tot één jaar na de datum waarop het project is uitgevoerd aan de subsidie-ontvanger of tot hetzelfde concern als de subsidie-ontvanger behorende bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting, welke zich bevinden in Nederland, buiten de gemeente waarin het project tot stand wordt gebracht, worden afgestoten of buiten gebruik gesteld, waarin of waarmee activiteiten werden verricht welke behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep als de activiteiten welke in of met de tot het project behorende bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting worden verricht;
c. de door realisering van het project verworven of tot stand gebrachte bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting binnen één jaar na het tijdstip waarop het project is uitgevoerd zijn afgestoten of buiten gebruik gesteld;
d. de realisering van het project geschiedt in een bedrijfsgebouw of door aanschaf van vaste installaties in de open lucht, waarin of waarmee grotendeels activiteiten worden verricht welke behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep als minder dan één jaar voor de indiening van de aanvraag reeds geschiedde;
e. de realisering van het project geschiedt door de verzelfstandiging van een in Nederland gevestigd bedrijf en de daarin verrichte activiteiten blijven behoren tot dezelfde S.B.I.-bedrijfsgroep.
3. De in het tweede lid, onder a en b, bedoelde vermindering bedraagt:
a. het gedeelte van de kosten van verkrijging van bedrijfsgebouwen, dat overeenkomt met het gedeelte dat de vloeroppervlakte die wordt afgestoten of buiten gebruik gesteld uitmaakt van de totale vloeroppervlakte van de door het project verworven of tot stand gebrachte bedrijfsgebouwen;
b. het gedeelte van de kosten van verkrijging van duurzame bedrijfsuitrusting, dat overeenkomt met het gedeelte dat de capaciteit die wordt afgestoten of buiten gebruik gesteld uitmaakt van de totale capaciteit van de door het project verworven of tot stand gebrachte duurzame bedrijfsuitrusting.
Artikel 3, tweede lid, is van toepassing.
4. De in het tweede lid, onder c, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte van de projectkosten dat kan worden toegerekend aan de bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting die zijn afgestoten of buiten gebruik gesteld.
5. De in het tweede lid, onder d, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte van de projectkosten dat kan worden toegerekend aan het desbetreffende bedrijfsgebouw of de vaste installaties.
6. De in het tweede lid, onder e, bedoelde vermindering bedraagt het gedeelte van de projectkosten dat kan worden toegerekend aan de verkrijging van het desbetreffende bedrijf.
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten van verkrijging van bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting, met uitzondering van:
a. bedrijfsgebouwen of duurzame bedrijfsuitrusting die de subsidie-ontvanger heeft verkregen van een persoon die tot hetzelfde concern behoort;
b. niet permanent in het bedrijf aanwezige duurzame bedrijfsuitrusting;
c. immateriële vaste activa zoals omschreven in artikel 365, Boek 2, BW.
2. In afwijking van het eerste lid, onder a, worden als projectkosten wel in aanmerking genomen de kosten van verkrijging van:
a. bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting die specifiek ten behoeve van het project vervaardigd zijn;
b. duurzame bedrijfsuitrusting die in serie voor de markt geproduceerd wordt;
c. duurzame bedrijfsuitrusting die verkregen is van een in het buitenland gevestigd persoon die tot hetzelfde concern behoort.
3. In afwijking van het eerste lid worden als projectkosten wel in aanmerking genomen binnen drie maanden voor de indiening van de aanvraag gemaakte kosten van verkrijging van bestaande bedrijfsgebouwen.
4. Het vereiste dat de kosten moeten zijn betaald is niet van toepassing op kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, 3°, en onder b, 3°, en in artikel 7, derde lid, onder c.
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende kosten, voor zover zij geactiveerd zijn op de fiscale balans, de taxatiewaarde niet te boven gaan en, tenzij het betreft duurzame bedrijfsuitrusting die door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met toepassing van artikel 10, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is aangewezen, niet binnen twee jaar worden afgeschreven:
a. wat betreft bedrijfsgebouwen en de daartoe te rekenen centrale voorzieningen:
1°. de koopsom en de overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde bouwkosten, exclusief de financieringskosten, de overdrachtsbelasting en, indien het bedrijfsgebouw is verkregen van een persoon die tot hetzelfde concern behoort, de winstopslag;
2°. de voortbrengingskosten;
3°. in geval van huurkoop of lease de aanschafwaarde dan wel, indien deze niet kan worden bepaald, de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen inclusief kosten, verdisconteerd op jaarbasis tegen een bij regeling van Onze Minister vast te stellen percentage;
b. wat betreft duurzame bedrijfsuitrusting:
1°. de koopsom, exclusief de winstopslag, indien de duurzame bedrijfsuitrusting verkregen is van een persoon die tot hetzelfde concern behoort;
2°. de voortbrengingskosten;
3°. in geval van huurkoop of lease de aanschafwaarde dan wel, indien deze niet kan worden bepaald, de contante waarde van de in totaal verschuldigde lease-termijnen inclusief kosten, verdisconteerd op jaarbasis tegen een bij regeling van Onze Minister vast te stellen percentage.
2. Voor zover het betreft gebruikte bedrijfsuitrusting, die verkregen is van een in het buitenland gevestigd persoon die tot hetzelfde concern behoort, wordt als projectkosten in aanmerking genomen de fiscale boekwaarde in het land van herkomst op het tijdstip van levering.
3. Onder voortbrengingskosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, 2°, en b, 2°, worden de volgende kosten verstaan:
a. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon berekend op basis van het bruto jaarloonbij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;
b. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een concern en
c. een opslag voor algemene kosten, groot 20 procent van de onder a bedoelde loonkosten.
Indien ter zake van de kosten onderscheidenlijk een deel daarvan reeds uit anderen hoofde van rijkswege dan wel vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het bruto bedrag aan subsidie in totaal niet meer bedraagt dan 40 procent van de kosten onderscheidenlijk 40 procent van het desbetreffende deel van de kosten.
Onze Minister stelt ieder begrotingsjaar bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het in dat jaar verlenen van subsidies krachtens dit besluit.
Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. indien hij de subsidiabele kosten van het project op minder dan f 10 000 000,00 raamt;
b. in geval bij regeling van Onze minister is bepaald dat subsidie zal worden verstrekt voor projecten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c, indien hij de subsidiabele kosten op minder dan f 30 000 000,00 raamt;
c. indien ter zake van het project waarop de aanvraag betrekking heeft reeds subsidie is verstrekt vanwege een provincie met gebruikmaking van een door het Rijk verstrekte uitkering in het kader van het regionaal beleid, bestemd voor stimulering van investeringen door ondernemers;
d. indien de projectkosten voor minder dan 25 procent met eigen middelen worden gefinancierd;
e. indien de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen, gezien de rentabiliteit en de aard van het bedrijf, naar verwachting niet aanvaardbaar zal zijn nadat na uitvoering van het project de bedrijfsactiviteiten een aanvang hebben genomen;
f. indien de gewenste structuur van de betrokken sector van het bedrijfsleven zich tegen het project verzet.
1. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister, indien als gevolg van buitenlandse concurrentie ten aanzien van de vestigingsplaats spoed is vereist, subsidie verlenen op een aanvraag die nog niet geheel voldoet aan de wettelijke voorschriften. In dit geval kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2, eerste lid, ook subsidie verlenen aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die eerst door uitvoering van het project ondernemer zal worden.
Op de subsidie-ontvanger rusten de in de artikelen 17, 18 en 19 opgenomen verplichtingen.
1. De subsidie-ontvanger dient het project overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en binnen achttien maanden na de subsidieverlening uit te voeren en de betrokken bedrijfsgebouwen en de duurzame bedrijfsuitrusting dienen binnen dezelfde termijn door de subsidie-ontvanger te zijn verworven en in gebruik te zijn gesteld, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen of het stopzetten van het project.
2. Indien artikel 3, eerste lid, van toepassing is, dient de subsidie-ontvanger een jaar na het tijdstip waarop het project is uitgevoerd te voldoen aan hetgeen in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld omtrent de omvang van de capaciteit dan wel het aantal werknemers.
3. Onze Minister geeft op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in het eerste lid een beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
4. Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid voorschriften verbinden.
1. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling niet eerder dan een jaar na het tijdstip waarop het project is uitgevoerd, doch uiterlijk achttien maanden nadat het project ingevolge artikel 17, eerste lid, moet zijn uitgevoerd, bij Onze Minister in.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
1. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, in het bijzonder de bestede en door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde arbeidstijd, de verbruikte materialen en de overige kosten.
2. De subsidie-ontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is ingediend daarvan mededeling aan Onze Minister.
1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt, kan op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister ten hoogste tweemaal een voorschot worden verstrekt, telkens wanneer ten minste 40 procent van de geraamde subsidiabele kosten zijn gemaakt en betaald.
2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.
3. Bij de toepassing van het eerste en tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 7, derde lid, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de loonkosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald.
Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
Onze Minister kan in ieder geval afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.
Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de subsidie-ontvanger daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
De Subsidieregeling regionale investeringsprojecten 1991 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op aanvragen die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-624.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.