Besluit van 7 november 1997, houdende wijziging van het Vrijstellingsbesluit WTG in verband met het nationaal programma voor de griepvaccinatie (griepvrij WTG)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 1997, VPZ/P-973420, mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op artikel 1, vijfde lid, van de Wet tarieven gezondheidszorg;

De Raad van State gehoord (advies van 16 oktober 1997, no W13.97.0616);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 31 oktober 1997, VPZ/P-973887, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan;

ARTIKEL I

Na artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit WTG1 wordt een nieuw artikel ingevoegd dat luidt als volgt:

Artikel 2a

Niet als tarief in de zin van de Wet tarieven gezondheidszorg wordt aangemerkt de prijs door een orgaan voor gezondheidszorg in rekening te brengen voor een prestatie die wordt uitgevoerd in het kader van een door de Ziekenfondsraad gesubsidieerd nationaal programma grieppreventie.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1997.

Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 september 1997, treedt het in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 oktober 1997.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 7 november 1997

Beatrix

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Uitgegeven de tweede december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1 Nationaal programma grieppreventie

Een goede organisatie van de programmatische preventie van influenza (griep) kan leiden tot een hogere vaccinatiegraad van risicogroepen en daarmee tot een mindere morbiditeit en mortaliteit. Sinds een aantal jaren wordt daarom gestreefd naar een doelmatiger organisatie van de griepvaccinatie om een hoge vaccinatiegraad te bereiken.

In dat kader zijn met betrokken partijen, de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN), in april 1997 nadere afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn neergelegd in de brief van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 april 1997, kenmerk DBO-CB-U 97.1003, aan de Voorzitter van de Vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van de Tweede Kamer der Staten-Generaal1). In die brief is onder andere aangegeven dat overeenstemming is bereikt over de contouren van een nationaal programma voor de griepvaccinatie van risicogroepen. Dat nationaal programma start met ingang van het «seizoen» 1997/1998 en wordt vooralsnog voor een periode van vijf jaar uitgevoerd. Het programma is van toepassing voor de geïndiceerde griepprik voor de vanaf 1996 door de Gezondheidsraad gedefinieerde risicogroepen.

Om aan de afspraken vorm te geven is de griepvaccinatie vanaf het najaar 1997 in een Nationaal programma grieppreventie georganiseerd. Voor de uitvoering hiervan is een aparte organisatie in het leven geroepen, de Stichting Nationaal programma grieppreventie, verder te noemen de stichting. De stichting maakt afspraken over de wijze waarop de huisartsen mede uitvoering geven aan het nationaal programma. De huisarts vervult bij de vaccinatie een centrale rol, met name in de identificatie en benadering van de personen die behoren tot de omschreven risicogroepen. Daarnaast maakt de stichting afspraken met de Stichting tot bevordering van de Volksgezondheid en Milieuhygiëne voor de inkoop van de benodigde vaccins en de distributie hiervan aan huisartsen die de vaccinatie moeten toedienen.

2 Financiering

Ter verhoging van de vaccinatiegraad van de personen die behoren tot de gedefinieerde risico-groepen is gekozen voor een financiering waarbij voor hen aan de vaccinatie geen kosten zijn verbonden. Derhalve is gekozen voor financiering van die vaccinatie door middel van een eenmalige subsidie ten laste van het Algemene Fonds Bijzondere Ziektekosten gefinancierd op grond van artikel 39, derde lid, onder h, van de Wet financiering volksverzekeringen.

Deze wijze van financiering neemt voor de personen die behoren tot de nauw omschreven risicogroepen de financiële drempel weg om de vaccinatie te gaan halen.

De Ziekenfondsraad heeft voor de financiering van het nationaal programma op 3 juni 1997 de Regeling subsidiëring Nationaal programma grieppreventie 1997 vastgesteld. Aan die regeling is bij brief van 3 juli 1997, kenmerk CSZ/EZ-9710115, goedkeuring verleend.

3 Toepassing Wet tarieven gezondheidszorg

De financiële en operationele beheersbaarheid wordt vormgegeven door het toezicht van de Ziekenfondsraad op de doelmatigheid en rechtmatigheid van de in dit verband door de stichting te verantwoorden subsidie-uitgaven. Met het oog hierop is de Ziekenfondsraad ook verantwoordelijk voor de evaluatie en monitoring van het programma.

De organisatie, financieringswijze en de contractuele relatie van de huisarts wijken daarmee af van de gebruikelijke organisatie, financiering en medewerkerscontracten in de huisartsenzorg. Om die reden is besloten de prijsvorming van de griepvaccinatie, voorzover toegediend in het kader van het Nationaal programma grieppreventie, buiten de werkingssfeer van de Wet tarieven gezondheidszorg (WTG) te brengen.

4 Afbakening compartimenten

Voorheen werd de grieppreventie voor risicogroepen gefinancierd via de onderscheidenlijke verzekeringsvormen in het tweede compartiment van de gezondheidszorg, te weten de ziekenfondsverzekering (Ziekenfondswet), de standaardverzekering (Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen) en de publiekrechtelijke ziektekostenregelen voor ambtenaren.

Doordat voor de op gezondheidsoverwegingen noodzakelijke griepvaccinatie een afzonderlijke financieringswijze is getroffen ten laste van het eerste compartiment en als zodanige speciale hulpverlening is te onderscheiden van huisartsenhulp, maakt grieppreventie geen deel meer uit van de door een huisarts te verlenen genees- en heelkundige hulp naar omvang bepaald door hetgeen binnen de kring van de huisartsen gebruikelijk is, zoals die hulp als verstrekking in het kader van de Ziekenfondswet is omschreven en zoals die hulp vergoed kan worden in het kader van de Wet op de toegang tot ziektekostenverzekeringen.

De vaccinaties voor niet risicogroepen vallen onder het derde compartiment. Voor die vaccinaties blijft de WTG onverkort van toepassing.

5 Inwerkingtreding

Het nationaal programma grieppreventie wordt gesubsidieerd op basis van een subsidieregeling van de Ziekenfondsraad die inwerking treedt met ingang van 1 oktober 1997. Met ingang van die dag ontvangen huisartsen vergoedingen voor hun prestaties uitgevoerd in het kader van het nationaal programma grieppreventie op grond van die subsidieregeling.

Om te voorkomen dat het Centraal orgaan tarieven gezondheidszorg alsnog een tariefbeschikking af moet geven voor de prestaties verricht in het kader van het nationaal programma grieppreventie en er daardoor een dubbele rechtsgrond voor vergoeding van dezelfde prestatie zou ontstaan is het noodzakelijk de onderhavige vrijstelling te doen ingaan op 1 oktober 1997. Omdat de vergoeding van de prestatie al is geregeld in de subsidieregeling vloeit er voor de huisartsen geen nadeel voort uit het verlenen van terugwerkende kracht aan de vrijstelling.

Artikelsgewijze toelichting

Om op de prestaties die door organen voor gezondheidszorg worden verricht in het kader van de uitvoering van de programmatische preventie van influenza door griepvaccinatie als nationaal programma niet de WTG-tariferingssystematiek van toepassing te doen zijn, is het noodzakelijk in het Vrijstellingsbesluit WTG de prijs die voor die prestaties in rekening mag worden gebracht, niet als tarief in de zin van de WTG aan te merken. Artikel I.

Vanwege de samenloop in de tijd met de totstandkoming van een ontwerp-besluit tot wijziging van het Vrijstellingsbesluit WTG waarbij de artikelen 3 en 4 worden geschrapt, wordt ter vermijding van collisie gekozen niet voor wijziging van artikel 3 van dat besluit, maar voor de invoeging van een nieuw artikel 2a.

Het nationaal programma grieppreventie wordt gesubsidieerd op basis van een subsidieregeling van de Ziekenfondsraad die inwerking treedt met ingang van 1 oktober 1997. Ter voorkomen van een dubbele rechtsgrond voor de vergoeding van de prestatie die wordt uitgevoerd in het kader het nationaal programma grieppreventie is het noodzakelijk onderhavige vrijstelling te doen ingaan eveneens op die datum.

Indien het geval zich voor zou doen dat de onderhavige ontwerp algemene maatregel van bestuur daarvoor niet tijdig in het Staatsblad wordt geplaatst zal na plaatsing de wijziging van het Vrijstellingsbesluit WTG met terugwerkende kracht in werking moeten treden. Daarin voorziet artikel II.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave


XNoot
1

Stb. 1996, 119, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 11 november 1997, Stb. 548.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

XNoot
1

d.d. 28 augustus 1997 nog niet als Kamerstuk verschenen.

Naar boven