Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatsblad 1997, 554 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatsblad 1997, 554 | AMvB |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 19 juni 1997, nr. WJA/JZ 97034223;
Gelet op artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ;
De Raad van State gehoord (advies van 7 oktober 1997, nr. W10.97.0354);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 29 oktober 1997, nr. WJA/JZ 97063968;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt;
b. groep: een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden:
1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon die direct of indirect:
– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
– volledig aansprakelijk vennoot is van of
– overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen en
2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;
c. ontwikkelingsproject: een creatieve systematische activiteit, gericht op het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor elektronische diensten dan wel wezenlijke onderdelen daarvan, die nieuw zijn voor Nederland;
d. elektronische dienst: een netwerkgebaseerde multimediadienst of een intermediaire dienst, niet zijnde een elektronische dienst die bij regeling van Onze Minister is uitgesloten;
e. netwerkgebaseerde multimediadienst: geïntegreerde presentatie, toegang en overdracht van beeld, geluid en data via de telematica-infrastructuur, waarbij sprake is van interactie met de gebruiker;
f. intermediaire dienst: dienst met gebruikmaking van een elektronisch hulpmiddel dat algemeen toepasbaar is bij het gebruik van of de toegang tot netwerk gebaseerde multimediadiensten.
1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie in de vorm van een krediet aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico een ontwikkelingsproject uitvoert.
2. Geen krediet wordt verstrekt, indien voor het project reeds door Onze Minister subsidie is verstrekt.
1. Het krediet bedraagt 40 procent van de projectkosten, doch niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vastgesteld bedrag.
2. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan krediet verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag ingevolge het eerste lid.
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende, rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de kredietontvanger gemaakte en betaalde kosten:
1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten;
2°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van door hen verrichte arbeid, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 40 procent van de onder a, aanhef en 1°, bedoelde kosten.
2. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, aanhef en 1°, worden gemaakt maar niettemin arbeid voor het project wordt verricht, kan Onze Minister daarvoor een redelijk bedrag vaststellen dat als projectkosten mede in aanmerking wordt genomen.
1. Er is een Adviescommissie elektronische diensten, die tot taak heeft Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om een krediet op grond van dit besluit.
2. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten minste twee en ten hoogste zes andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken.
3. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
4. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
5. Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
6. In het secretariaat van de commissie wordt door Onze Minister voorzien.
7. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van dat ministerie.
8. De commissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
9. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van zijn werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van Onze Minister, maar ten minste elk vierde jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan Onze Minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling perioden vast, na afloop waarvan de aanvragen die in die periode zijn ontvangen en voldoen aan de wettelijke voorschriften, worden behandeld.
2. Onze Minister stelt voorts bij ministeriële regeling een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies op in een periode ontvangen aanvragen. Daarbij kan hij afzonderlijke subsidieplafonds vaststellen voor bepaalde categorieën aanvragers en voor bepaalde categorieën projecten.
1. Een aanvraag om een krediet wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting voor het project alsmede van andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.
Onze Minister geeft op de aanvraag een beschikking binnen dertien weken na afloop van de in artikel 6 bedoelde periode. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:
a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;
b. voor zover door kredietverlening aan de aanvrager dan wel tot dezelfde groep behorende ondernemers krachtens dit besluit aan kredieten meer zou worden toegezegd dan een bij regeling van Onze Minister vastgesteld bedrag.
1. Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 9 afwijzend wordt beslist, het advies in van de Adviescommissie elektronische diensten.
2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien van het ontwikkelingsproject onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het ontwikkelingsproject, in het bijzonder de mogelijkheid het krediet en de bijgeschreven rente af te lossen binnen de economische levensduur van de eruit voortvloeiende diensten;
c. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkene het project niet kan financieren;
d. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene de capaciteiten heeft en zal kunnen beschikken over voldoende financiële middelen om bij welslagen van het project de commercialisatie van de resultaten ervan en de eruit voortvloeiende dienstverlening alleen of in samenwerking met derden ter hand te nemen;
e. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager de capaciteiten heeft om het ontwikkelingsproject naar behoren uit te voeren;
f. indien zij de projectkosten raamt op minder dan een bij regeling van Onze Minister vastgesteld bedrag.
3. De commissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger wordt gerangschikt naarmate het meer bijdraagt aan de totstandkoming van de elektronische snelwegen in Nederland, gelet op bij regeling van Onze Minister vastgestelde aandachtspunten.
1. Onze Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking van de aanvragen door de Adviescommissie elektronische diensten.
2. Onze Minister kan afwijken van het eerste lid, indien een advies van de commissie in strijd is met dit besluit dan wel niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
1. Onze Minister geeft een beschikking tot kredietverlening slechts onder de voorwaarde, dat de beschikking vervalt, indien de betrokkene niet voor een door Onze Minister te bepalen tijdstip meewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst met de staat, overeenkomstig een bij de beschikking gevoegd aanbod.
2. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst bevat in ieder geval voor de betrokkene verplichtingen ter zake van:
a. de tenaamstelling, verwerving, instandhouding, exploitatie en vervreemding van rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het project;
b. de vervreemding van aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project en de rechten die voortvloeien uit de aanvraag om een intellectueel eigendomsrecht;
c. de terbeschikkingstelling van niet door rechten van intellectuele eigendom beschermde resultaten van het project;
d. de vervreemding van de onderneming waarin het project wordt uitgevoerd;
e. de ontbinding van de betrokken rechtspersoon, vennootschap onder firma of maatschap en het uittreden van een of meer deelnemers daarvan;
f. de commercialisatie van de resultaten van het project;
g. de verstrekking aan Onze Minister van informatie over de omzet, die is en naar verwachting kan worden gerealiseerd met de uit het project voortvloeiende of ervan afgeleide dienstverlening, alsmede de inrichting van de administratie in verband daarmee;
h. de vergoeding van rente over de verstrekte bedragen, met inachtneming van een bij regeling van Onze Minister vastgesteld tarief;
i. de aflossing van het krediet en de rente;
j. de betaling van een boete, indien de betrokkene niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen.
1. De kredietontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de kredietverlening betrekking heeft en voor het bij de verlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande ontheffing van Onze Minister voor het essentieel wijzigen, het vertragen of het stopzetten van het project.
2. De kredietontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.
3. De kredietontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het ontwikkelingsproject, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de kredietverlening vermelde raming van de projectkosten en doet mededeling van de activiteiten die zijn ondernomen ten behoeve van de commercialisatie van de resultaten van het ontwikkelingsproject en van de vooruitzichten ter zake van die commercialisatie.
Onze Minister kan een ontheffing als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, verlenen onder de voorwaarde dat deze eerst van kracht wordt nadat overeenstemming is bereikt over wijziging van de overeenkomst, bedoeld in artikel 12, eerste lid.
1. De kredietontvanger dient zijn aanvraag om kredietvaststelling bij Onze Minister in binnen dertien weken na het tijdstip waarop het project ingevolge artikel 14, eerste lid, moet zijn uitgevoerd.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het project, alsmede van andere bescheiden die in het formulier zijn vermeld.
1. De kredietontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.
2. De kredietontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is ingediend daarvan schriftelijk mededeling aan Onze Minister.
1. Op een krediet ter zake waarvan een beschikking tot kredietverlening geldt, kunnen op aanvraag van de kredietontvanger door Onze Minister voorschotten worden verstrekt.
2. Een voorschot bedraagt 40 procent van de projectkosten die zijn gemaakt en betaald, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het in artikel 3, eerste lid, bedoelde bedrag.
3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald.
4. Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste f 10 000,00 bedraagt.
1. Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 14, derde lid.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.
3. De aanvraag gaat vergezeld van de bescheiden die in het formulier zijn vermeld.
Onze Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien de kredietontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de kredietverlening voor hem geldende verplichtingen.
Onze Minister geeft de beschikking tot kredietvaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de kredietontvanger daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Onze Minister kan op aanvraag van de kredietontvanger het krediet en de rentevergoeding kwijtschelden, indien de kredietontvanger heeft voldaan aan alle ingevolge de kredietverlening voor hem geldende verplichtingen en
a. het ontwikkelingsproject technisch is mislukt, Onze Minister op grond daarvan met toepassing van artikel 14, eerste lid, ontheffing heeft gegeven voor het stopzetten van het project en de aanvrager aannemelijk maakt, dat met uit het project voortvloeiende of ervan afgeleide productie of dienstverlening geen omzet zal worden gerealiseerd, of
b. sedert de vaststelling van het bedrag van het krediet in een aaneengesloten periode van vijf jaren met uit het ontwikkelingsproject voortvloeiende of ervan afgeleide productie of dienstverlening geen omzet is gerealiseerd en de aanvrager aannemelijk maakt, dat zulks in de komende vijf jaren ook niet meer kan worden verwacht.
Onze Minister geeft een beschikking binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.
Tot het tijdstip waarop de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt gelden de volgende bepalingen:
a. artikel 1, onder a, van dit besluit is niet van toepassing;
b. de artikelen 4:25, tweede en derde lid, 4:30, 4:31, 4:35, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, 4:37, 4:40, 4:44, derde en vierde lid, 4:45, 4:46, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder a en d, en derde lid, en 4:47 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing;
c. artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies is van toepassing;
d. artikel 8 van de Kaderwet EZ-subsidies en afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.
Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnootDe Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers
Uitgegeven de zevenentwintigste november 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
Het onderhavige besluit behelst de voortzetting van de Kredietregeling elektronische diensten-ontwikkeling 1996. Deze regeling, die op 1 juli 1997 is vervallen, is succesvol gebleken. Er zijn meer dan 110 aanvragen ingediend, met aan gevraagde kredieten een viervoud van het beschikbare bedrag. Als gevolg daarvan kon voor 28 veelbelovende projecten die volledig aan de doelstelling van de regeling beantwoordden, krediet worden verleend. Met dit besluit wordt dan ook het beleid voortgezet waarmee wordt beoogd de totstandkoming van de elektronische snelwegen in Nederland te bevorderen door het stimuleren van de ontwikkeling van nieuwe elektronische diensten. Beleidsinhoudelijk verschilt het onderhavige besluit niet van de voorgaande regeling.
Met «elektronische snelwegen» wordt gedoeld op het geheel van informatie- en communicatienetwerken en daarbij benodigde randapparatuur, elektronische diensten en de te realiseren toepassingen. Beoogd wordt de marktintroductie van nieuwe, commercieel haalbare, elektronische diensten te versnellen. De stimulans bestaat uit het verstrekken van krediet aan ondernemers voor projecten die daarvoor in aanmerking komen. De terugbetaling van het krediet is gekoppeld aan de mate van commercieel succes van het project. De overheid draagt aldus mede het risico dat is verbonden aan de ontwikkeling van nieuwe elektronische diensten.
Het onderhavige besluit is gebaseerd op de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ. Deze zal worden vervangen door de Kaderwet EZ-subsidies, die tegelijk met de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking zal treden. Het is de bedoeling dat het besluit daarna op de Kaderwet EZ-subsidies gebaseerd zal zijn. Daartoe zal in deze wet bij gelegenheid van de aanpassingswetgeving voor de derde tranche van de Awb een voorziening worden opgenomen. In dit besluit is reeds vooruitgelopen op de Awb. Dat maakte het wel noodzakelijk in artikel 24 enige overgangsbepalingen op te nemen.
Het besluit zal namens de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd door het Agentschap Senter, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Economische Zaken voor technologie, energie en milieu.
De zakelijke inhoud van het voorgenomen besluit is bij brieven van 5 juni 1997 meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal.
Conform artikel 4.6 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (PbEG 1996, C 45) is de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij brief van 23 april 1997 geïnformeerd over het ontwerp-besluit.
Het besluit is gericht op ondernemers. Daarbij zijn uitgesloten krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersonen, die een onderneming in stand houden. Dat geldt ook, indien het een privaatrechtelijke rechtspersoon betreft, die krachtens publiekrecht is ingesteld.
Een ontwikkelingsproject is gedefinieerd overeenkomstig de omschrijving van «pre-concurrentiële ontwikkeling» in artikel 2, 2 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling, juncto bijlage 1 van die regeling. Het sluit aan op de fase van «industrieel onderzoek». Een idee waarvan de haalbaarheid op nog geen enkele wijze is aangetoond is nog niet rijp voor de ontwikkelingsfase.
Onder elektronische diensten worden zowel netwerkgebaseerde multimediadiensten als intermediaire diensten verstaan. Drie criteria spelen een rol bij het bepalen of een dienst een netwerkgebaseerde multimediadienst is. Ten eerste moet er sprake zijn van geïntegreerde presentatie, toegang tot en overdracht van beeld, geluid en data. Ten tweede dient de overdracht van informatie van de aanbieder van de dienst aan de gebruiker via de telematica-infrastructuur plaats te vinden. Onder telematica-infrastructuur vallen telefoonnetwerken, kabeltelevisienetwerken en ether- en satellietnetwerken. Ten derde dient er sprake te zijn van interactie met de gebruiker. De gebruiker moet in staat zijn de manier waarop de dienst wordt aangeboden te beïnvloeden. De ontwikkeling van een CD-I of CD-ROM komt in het kader van dit besluit niet voor kredietverlening in aanmerking.
Onder een intermediaire dienst wordt een algemeen toepasbaar hulpmiddel bij het gebruik van of de toegang tot netwerkgebaseerde multimediadiensten verstaan. Daarmee wordt de gebruiker in staat gesteld makkelijker toegang te krijgen tot of gebruik te maken van multimediadiensten. Een voorbeeld van een intermediaire dienst is een zoekmechanisme. Om in de grote hoeveelheid aan informatie die wordt aangeboden de gewenste informatie snel te vinden en te ontsluiten heeft de gebruiker een hulpmiddel nodig. De ontwikkeling van een dergelijk zoekmechanisme is complex en kostbaar. Een ander voorbeeld is een betaalmechanisme. Veilig elektronisch betalen voor multimediadiensten is een absolute voorwaarde voor de groei van het aanbod en gebruik van die diensten. Een uniform betaalmechanisme is er nog niet.
Dit artikel bevat, te zamen met de afwijzingsgronden van artikel 9 en de in artikel 10 genoemde gronden voor een negatief advies, de criteria voor het verstrekken van krediet. Centraal in de criteria staat dat het moet gaan om een ontwikkelingsproject in de zin van dit besluit. Dit impliceert dat moet worden voldaan aan alle in de definitie van artikel 1, onder c, opgenomen elementen.
De Awb verstaat onder subsidies ook kredieten. Ten einde er geen misverstand over te laten bestaan dat hetgeen in de Awb bepaald wordt over subsidies onverkort van toepassing is op kredieten die worden verstrekt op grond van het onderhavige besluit, wordt in dit besluit de eerste keer dat het krediet aan de orde komt gesproken over «subsidie in de vorm van een krediet». In de volgende artikelen wordt volstaan met «krediet».
Het is mogelijk dat een project op grond van meer dan één regeling voor subsidie in aanmerking kan komen. Dat kan een regeling van een ander ministerie zijn, maar ook binnen het stimuleringsinstrumentarium van het Ministerie van Economische Zaken is het niet uitgesloten. Omdat ik het ongewenst acht dat ten behoeve van één project beroep gedaan kan worden op meer subsidie-instrumenten van het Ministerie van Economische Zaken, is er in voorzien dat slechts op grond van één regeling subsidie (of krediet) wordt verstrekt. Dat betekent bijvoorbeeld dat projecten waarvoor een technisch ontwikkelingkrediet op grond van het Besluit technische ontwikkelingskredieten 1997 is verleend, niet in aanmerking komen voor kredietverstrekking op basis van het onderhavige besluit. Medesubsidiëring van of kredietverstrekking voor een project door andere bestuursorganen dan de Minister van Economische Zaken leidt niet tot afwijzing van een aanvraag. Wel bevat artikel 3, tweede lid, een anticumulatieregeling ter zake.
Het krediet zal worden verstrekt in twee fasen. Eerst zal krediet worden verleend, voor de kosten van activiteiten die worden gemaakt na de indiening van de aanvraag. Daarbij wordt het bedrag van het krediet niet vermeld, maar wel – met een verwijzing naar het onderhavige besluit – de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald en het bedrag waarop het krediet ten hoogste kan worden vastgesteld. Na afloop van de activiteiten wordt het bedrag van het krediet vastgesteld.
Ook bij de kredietvaststelling kan ingevolge het tweede lid nog op het krediet worden gekort, indien andere subsidies of kredieten van een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn verkregen. In totaal zullen die subsidies en kredieten te zamen met het ontwikkelingskrediet, voor zover het betrekking heeft op de projectkosten, nooit meer bedragen dan 40% van de projectkosten. Dit kan er dus toe leiden dat het krediet uiteindelijk minder dan 40% van de projectkosten bedraagt.
In dit artikel is een omschrijving van de projectkosten opgenomen, die in aanmerking worden genomen bij de toepassing van artikel 3. Daarnaast is deze omschrijving van belang voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, en artikel 18.
Bij de bepaling van de loonkosten wordt uitgegaan van het bruto loon, zoals dat moet worden ingevuld op de loonstaat, die door de werkgever moet worden bijgehouden ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964. Hierbij gaat het om het directe personeel; dat is het personeel dat rechtstreeks productieve arbeid verricht ten behoeve van het project. De arbeidsuren van dit personeel dienen verantwoord te worden. Daartoe is in artikel 17, eerste lid, de verplichting opgenomen een sluitende tijdschrijving bij te houden. Leidinggevend en toezichthoudend personeel wordt niet tot het directe personeel gerekend. Een vergoeding voor de daarmee samenhangende kosten is begrepen in de opslag voor algemene kosten.
Onder sociale lasten worden verstaan de werkgeverslasten ter zake van sociale verzekering, VUT en pensioen.
In het tweede lid is een voorziening getroffen voor de gevallen waarin geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid worden gemaakt. Daarbij gaat het om gevallen waarin het project wordt uitgevoerd door een of meer natuurlijke personen, die zelfstandige ondernemers zijn, bij voorbeeld samenwerkend in een vennootschap onder firma.
Voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd wordt geen krediet verleend. Ingevolge artikel 4:46, derde lid, Awb blijven zij bij de vaststelling buiten beschouwing.
Dit artikel voorziet in de instelling van de Adviescommissie elektronische diensten, bestaande uit externe deskundigen, die adviseert omtrent alle aanvragen om een ontwikkelingskrediet.
Dit artikel en de vijf volgende artikelen bevatten bepalingen omtrent de aanvraag van en de besluitvorming over de verlening van kredieten op grond van dit besluit.
Het eerste lid voorziet in de instelling van zogenaamde tenderperioden. Het is de bedoeling dat de tenderperioden steeds op elkaar aansluiten, zodat aanvragen altijd kunnen worden ingediend. De betekenis van een tenderperiode in het onderhavige besluit is, dat alle aanvragen die in zo'n periode worden ontvangen na afloop van de periode gelijktijdig worden behandeld.
Voor het na afloop van een tenderperiode in behandeling nemen van een aanvraag is bepalend, of de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften. Dat impliceert dat hij moet zijn ingediend met een volledig ingevuld aanvraagformulier en vergezeld moet gaan van alle bescheiden, die blijkens het aanvraagformulier moeten worden meegezonden, waaronder een projectplan. Wel biedt artikel 4:5 van de Awb de mogelijkheid verzuimen te herstellen, maar als dat niet meer lukt in de tenderperiode waarin de aanvraag is ingediend, zal de aanvraag pas na afloop van de volgende tenderperiode in behandeling worden genomen.
Bij ministeriële regeling wordt ook voor iedere tenderperiode een subsidieplafond vastgesteld. Dat is het bedrag dat ter beschikking wordt gesteld voor kredietverleningen op in de tenderperiode ontvangen aanvragen. Het totaal van voor alle tenderperioden in een kalenderjaar vastgestelde subsidieplafonds is dus het totale jaarlijks ter beschikking gestelde bedrag. Omdat dat bedrag voor de uitvoering van het besluit niet van belang is – dat zijn alleen de subsidieplafonds per tenderperiode – bevat het besluit geen bepalingen omtrent de wijze van bekendmaking van dat bedrag. De aard van het besluit verzet zich daartegen. De hoogte van het totale voor de verstrekking van kredieten krachtens dit besluit ter beschikking te stellen bedrag is thans niet te bepalen, aangezien het de bedoeling is dat het onderhavige besluit voor langere tijd zal gelden dan 1997. De aard van het besluit verzet zich dus ook tegen het daaromtrent opnemen van bepalingen.
Er kunnen per tenderperiode aparte subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën aanvragers. Ook voor bepaalde activiteiten kunnen aparte subsidieplafonds worden vastgesteld. Daarbij kan worden gedacht aan bepaalde technologieën of onderzoek op een bepaald gebied.
De in het eerste lid bedoelde aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij Senter, postbus 30732, 2500 GS 's-Gravenhage.
Vooralsnog blijft vereist dat het origineel van een ondertekend aanvraagformulier wordt ingediend. Bij gebreke van een originele handtekening kan de minister er niet zeker van zijn dat de (bevoegde vertegenwoordiger van de) aanvrager de aanvraag heeft ingediend en instaat voor de in de aanvraag verstrekte gegevens. Consequentie hiervan is, dat aanvragen die worden ingediend per telefax of elektronische post niet voldoen aan de wettelijke voorschriften. Bezien wordt evenwel of er mogelijkheden zijn het indienen van aanvragen langs elektronische weg te omkleden met zodanige waarborgen, dat de daaraan verbonden bezwaren komen te vervallen. Daartoe zullen dan bij ministeriële regeling regelen worden gesteld.
In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier moeten worden meegezonden. Daaronder is ieder geval een projectplan en een begroting. Op basis daarvan wordt het project beoordeeld. Het is van groot belang, dat uit het projectplan blijkt, dat het project goed is doordacht en uitgewerkt. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een heldere projectdoelstelling, de voorgestelde aanpak en fasering van het project, de expertise van de projectbemanning en een duidelijke omschrijving van de noodzakelijke randvoorwaarden voor en de uiteindelijke perspectieven van het project.
In dit artikel zijn afwijzingsgronden opgenomen. Daarnaast kan ook afwijzend moeten worden beslist op grond van artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies of artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht. Afwijzing op grond van dit laatste artikel is mogelijk indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden, dat de aanvrager niet zal voldoen aan de aan het krediet verbonden verplichtingen of dat de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen, en indien de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en dat geleid zou hebben tot een andere beschikking of failliet is verklaard of surséance van betaling aan hem is verleend dan wel een verzoek daartoe is ingediend.
Van het afwijzen van een aanvraag zal in de eerste plaats sprake zijn, indien een aanvraag niet voldoet aan enige bepaling van dit besluit. De belangrijkste daarvan zijn in dit verband de artikelen 1 en 2.
Op grond van het onderhavige besluit kan voor meer dan één ontwikkelingsproject krediet worden verkregen. Aan een ondernemer of groep van ondernemers wordt echter ingevolge onderdeel b van het eerste lid niet meer krediet verstrekt dan een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag.
De Adviescommissie elektronische diensten adviseert over de aanvragen waarop niet reeds met toepassing van artikel 9 afwijzend wordt beslist. In het tweede lid zijn de gronden opgenomen die steeds leiden tot een negatief advies.
De onder b en c genoemde gronden betreffen de slaagkans van het project. Daarnaast zal het project ook een duidelijk uitzicht moeten bieden op commerciële exploitatie. De aanvrager zal moeten aantonen, dat voor de te ontwikkelen dienst een markt bestaat en dat hij daarop een zodanige prijs kan realiseren, dat hij ruimschoots binnen de economische levensduur van de dienst de ontwikkelingskosten kan terugverdienen en het krediet kan terugbetalen. De technische en economische risico's moeten worden gerechtvaardigd door de commerciële verwachtingen. Bij de beoordeling van de technische en economische haalbaarheid wordt ook gekeken naar de belemmeringen en mogelijkheden op het gebied van technische regelgeving, normen, certificatie alsmede de activiteiten gericht op aanpassing daarvan.
De commissie rangschikt de aanvragen waarover zij positief adviseert aan de hand van de vraag in welke mate het project bijdraagt aan de doelstelling van het onderhavige besluit. Zoals in het algemeen gedeelte van deze toelichting is uiteengezet wordt met dit besluit beoogd de totstandkoming van de elektronische snelwegen in Nederland te bevorderen door het stimuleren van de ontwikkeling van elektronische diensten. Bij ministeriële regeling zullen aandachtspunten worden vastgesteld die bij de rangschikking in acht genomen zullen worden. Ook omtrent de mate waarin verschillende aandachtspunten meewegen zullen daarbij regelen worden gesteld.
Gekozen is voor vaststelling bij ministeriële regeling, omdat dit de vereiste flexibiliteit biedt om de aandachtspunten en de wegingsfactoren tijdig aan te passen indien de ontwikkelingen op het gebied van de elektronische snelwegen, die – zoals bekend – snel gaan, daartoe aanleiding geven.
De commissie adviseert de minister krediet te verlenen in de volgorde van rangschikking. De minister zal in de regel dit advies volgen. Dit betekent dat de minister, beginnend met de hoogst gerangschikte aanvraag, kredieten verleent totdat het plafond is bereikt en dat hij aanvragen afwijst voor zover het subsidieplafond door het totaal van door de commissie hoger gerangschikte aanvragen is bereikt dan wel door verlening van de gevraagde kredieten zou worden overschreden. Indien blijkt dat het advies van de commissie in strijd is met dit besluit of niet op zorgvuldige wijze is tot stand gekomen, biedt het tweede lid een mogelijkheid om van het advies af te wijken.
Indien een aanvraag is afgewezen als gevolg van een te lage rangschikking ten opzichte van het subsidieplafond, kan een aanvraag bij een volgende gelegenheid opnieuw in de beoordeling worden betrokken. Daartoe is wel vereist dat de aanvraag, eventueel verbeterd, opnieuw wordt ingediend.
Ingevolge artikel 38, in verbinding met artikel 59 van Boek 3 B.W. kunnen kredieten worden verleend onder een opschortende of ontbindende voorwaarde. Daarbij kan gedacht worden aan gevallen waarin de financiering van het project pas afgerond kan worden, nadat een krediet verleend is. In dergelijke gevallen kan een verlening onder opschortende of ontbindende voorwaarde uitkomst bieden. De aanvraag hoeft dan niet onmiddellijk afgewezen te worden, terwijl toch binnen afzienbare termijn duidelijk wordt of door de kredietverlening nog beslag gelegd blijft worden op de beschikbare middelen.
In het eerste lid is erin voorzien, dat het krediet steeds wordt verleend onder de ontbindende voorwaarde, dat de kredietontvanger ter uitvoering van de beschikking tot kredietverlening een overeenkomst sluit met de staat. Het gaat hier om verplichtingen waarvan ook de nakoming moet kunnen worden afgedwongen. De periode gedurende welke deze verplichtingen gelden is ook langer dan die van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 14, 16 en 17. Terwijl die gelden tot de kredietvaststelling, gelden de contractsverplichtingen gedurende de looptijd van het contract, die zich kan uitstrekken tot tien jaar na de aanvang van de commercialisatie.
De onderwerpen die ten minste in iedere kredietovereenkomst aan de orde komen zijn vermeld in het tweede lid. Senter hanteert een model-overeenkomst, die ingevolge het eerste lid als bijlage bij de verleningsbeschikking wordt gevoegd.
In de overeenkomst kan voorzien zijn in een bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken om goed te vinden, dat de betrokken ondernemer afwijkt van de ingevolge de overeenkomst voor hem geldende verplichtingen. Omdat het hier gaat om een gewone civielrechtelijke overeenkomst, zijn dergelijke besluiten niet vatbaar voor bestuursrechtelijk bezwaar en beroep. Geschillen hierover kunnen, evenals alle andere geschillen met betrekking tot de overeenkomst, zo nodig worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
De terugbetalingsregeling wordt zodanig vastgesteld, dat het krediet kan worden afgelost uit de omzet die kan worden gerealiseerd met de uit het project voortvloeiende of ervan afgeleide dienstverlening, binnen de economische levensduur van het product, doch in ten hoogste tien jaar. Daarbij wordt uitgegaan van de geschatte cash flow (brutowinst plus afschrijving ontwikkelingskosten). Indien op deze wijze het krediet na tien jaar nog niet is afgelost, behoeft het niet verder te worden terugbetaald. Aldus is de terugbetaling van het krediet gekoppeld aan de mate van commercieel succes. Dit geeft het krediet zijn risicodragend karakter.
De aflossing geschiedt doorgaans in jaarlijkse termijnen, op basis van de in het voorafgaande boekjaar gerealiseerde omzet. De rente wordt jaarlijks bij de hoofdsom bijgeschreven. Het rentepercentage is vast gedurende de gehele looptijd van het krediet. De aflossing vangt aan na de kredietvaststelling.
De rente wordt jaarlijks bij de hoofdsom bijgeschreven. Het rentepercentage is vast gedurende de gehele looptijd van het krediet. De hoogte ervan is afhankelijk van het rentepercentage ten tijde van de verleningsbeschikking. De hoogte van dat rentepercentage wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Zekerheden worden doorgaans niet verlangd. Er kunnen eventueel omstandigheden zijn, waarin daartoe toch moet worden overgegaan. Het zal dan vooral gaan om de met het krediet gefinancierde zaken.
In dit artikel is bepaald, dat op de kredietontvanger de in de artikelen 14, 16 en 17 opgenomen verplichtingen rusten. Dat impliceert, dat deze verplichtingen gelden zo lang de verlening geldt, dus tot de beslissing omtrent de kredietvaststelling. De in het tweede lid van artikel 17 opgenomen verplichting geldt ook daarna nog, maar dan uit hoofde van de in artikel 12 bedoelde overeenkomst. Overigens geldt voor alle verplichtingen uit die overeenkomst, dat zij gelden gedurende de gehele looptijd ervan.
Niet alleen uit de in dit artikel genoemde artikelen kunnen verplichtingen voor de kredietontvanger voortvloeien. Bij de kredietverlening kunnen ook verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de in artikel 4:37, eerste lid, Awb genoemde onderwerpen.
Dit artikel en de artikelen 16 en 17 bevatten bepalingen omtrent de verplichtingen voor de kredietontvanger. Artikel 14 vormt, tezamen met artikel 2, de kern van het onderhavige besluit. De projecten moeten ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, binnen de in de beschikking tot kredietverlening vermelde periode. Het is de bedoeling de beschikbare middelen te gebruiken voor die projecten, die binnen een redelijke periode bijdragen aan de doelstellingen van het besluit, die zijn gericht op het bevorderen van het totstandkomen van de elektronische snelwegen in Nederland. In gevallen waarin verzocht wordt om ontheffing voor het vertragen of stopzetten van het project zal deze doelstelling dan ook afgewogen worden tegen hetgeen de verzoeker als zijn belangen naar voren brengt. Daarbij zal mede een rol spelen in hoeverre de feiten die de vertraging hebben veroorzaakt zijn ontstaan door toedoen van de betrokkene zelf.
Het formulier waarmee de aanvraag tot kredietvaststelling moet worden ingediend zal zodanig worden ingericht, dat de kredietontvanger met het invullen van het formulier kan voldoen aan de ingevolge artikel 4:45 Awb op hem rustende verplichtingen om aan te tonen dat de gefaciliteerde activiteiten hebben plaatsgevonden en om rekening en verantwoording af te leggen omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de kredietvaststelling van belang zijn.
De in deze artikelen opgenomen verplichtingen zijn noodzakelijk om tot een tijdige en deugdelijke kredietvaststelling te kunnen komen.
In het in artikel 16, derde lid, bedoelde eindverslag dient te worden ingegaan op:
– de inhoudelijke resultaten van het project,
– de technische problemen die tijdens het project gerezen zijn en de wijze van oplossing van deze problemen,
– de stand van zaken met betrekking tot eventuele octrooiaanvragen,
– de commerciële vooruitzichten van het project.
Dit eindverslag dient te resulteren in een eindconclusie ten aanzien van de mate waarin het project door de kredietontvanger als geslaagd wordt beschouwd.
De in artikel 17, eerste en tweede lid, opgenomen verplichtingen zijn nodig om bij de kredietvaststelling te kunnen beschikken over alle van belang zijnde gegevens en door de betrokkene verstrekte gegevens zo nodig te kunnen verifiëren.
Artikel 18 voorziet in de behoefte aan voorschotten op het krediet. Ten einde de administratieve lasten, zowel voor de aanvragers als voor Senter, beperkt te houden, wordt slechts eenmaal per halfjaar een voorschot verstrekt en geldt een minimum van f 10 000,00 per voorschot. De voorschotverlening is gekoppeld aan de halfjaarlijkse rapportage over de voortgang van het project. De kredietvaststelling geschiedt pas na afloop van het ontwikkelingsproject.
In het eerste lid van artikel 19 is bepaald, dat een voorschot wordt verstrekt op een krediet terzake waarvan een verleningsbeschikking geldt. Dat impliceert dat, zolang aan een toezegging een opschortende voorwaarde verbonden is, geen voorschotten worden verstrekt.
In het algemeen zal bij het beslissen op een verzoek om een voorschot onvoldoende inzicht bestaan in de naleving door de kredietontvanger van alle aan de kredietverlening verbonden verplichtingen. Een beoordeling daarvan is dan ook niet uitdrukkelijk aan de orde, al was het maar omdat aan sommige verplichtingen, zoals die van artikel 16, nog niet hoèft te zijn voldaan. In het geval dat evenwel Senter ervan op de hoogte is, dat een kredietontvanger zich niet houdt aan een verplichting van de artikelen 14 en 17, en ook indien hij zijn verplichtingen uit een overeenkomst als bedoeld in artikel 12 niet nakomt, ligt het in de rede geen voorschotten te verstrekken.
De kredietvaststelling is geregeld in de artikelen 4:42 tot en met 4:47 van de Awb. Artikel 21 regelt slechts de termijn waarbinnen het besluit ter zake genomen wordt. Ingevolge artikel 4:44, derde lid, Awb kan, indien de aanvraag tot vaststelling niet is ingediend binnen de in artikel 16 bedoelde termijn, de minister de kredietontvanger een termijn stellen waarbinnen de aanvraag alsnog moet worden ingediend. In verband daarmee wordt in artikel 21 niet verwezen naar de in artikel 16 bedoelde termijn, maar wordt gesproken over «de voor het indienen ervan geldende termijn».
De hoofdregel van artikel 4:46 Awb is, dat vaststelling plaats vindt overeenkomstig de verlening. Daarbij moeten, nu daarbij niet het bedrag van het krediet wordt vermeld, de wel in de verleningsbeschikking vermelde wijze waarop dit bedrag wordt bepaald en het bedrag waarop het krediet ten hoogste kan worden vastgesteld in aanmerking worden genomen.
Ingevolge art.4:46, tweede lid, Awb is kan het kredietbedrag in vier gevallen lager worden vastgesteld:
a. indien de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;
b. indien de kredietontvanger niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen;
c. indien de kredietontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en dat geleid heeft tot een andere verleningsbeschikking;
d. indien de kredietverlening anderszins onjuist was en de kredietontvanger dit wist of behoorde te weten.
Daarnaast kan het kredietbedrag lager worden vastgesteld ingevolge artikel 3, tweede lid, van het onderhavige besluit.
Dit artikel beoogt de mogelijkheid te creëren om de aflossingsverplichting eerder dan voorzien in de in artikel 12 bedoelde overeenkomst te beëindigen. Omdat het hier om een bijzondere faciliteit gaat, die doorgaans bij kredietverlening niet voorkomt, is in het besluit voorzien in besluitvorming door de minister op aanvraag van de betrokkene, in de vorm van een beschikking. Dit impliceert, dat tegen een afwijzende beschikking bestuursrechtelijk bezwaar en beroep mogelijk is.
In de beide in dit artikel genoemde gevallen zal duidelijk moeten zijn, dat uit het project geen omzet meer te verwachten is. Daarbij gaat het niet om de subjectieve verwachting van de aanvrager; objectief moet aannemelijk zijn dat geen omzet meer kan worden gerealiseerd. Daarbij ligt de bewijslast bij de aanvrager.
In dit artikel zijn, voor de periode tot de inwerkingtreding van de derde tranche van de Awb, een aantal artikelen daaruit van toepassing verklaard. Daarbij gaat het om artikelen die bepalingen bevatten met betrekking tot onderwerpen, die voorheen in besluiten op grond van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ werden geregeld. Enkele van die onderwerpen zijn inmiddels geregeld in de Kaderwet EZ-subsidies, die gelijktijdig met de derde tranche van de Awb in werking zal treden. Niet van toepassing zijn verklaard artikelen die bepalingen bevatten met betrekking tot de in de artikelen 7 en 8 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ geregelde onderwerpen. Deze blijven immers nog van kracht totdat die wet bij het inwerkingtreden van de Kaderwet EZ-subsidies wordt ingetrokken. Hetzelfde geldt voor de definitie van het begrip «ondernemer» in artikel 1 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ. In verband daarmee is bepaald dat de in artikel 1, onder a, van het onderhavige besluit opgenomen definitie niet van toepassing is zolang de laatstgenoemde wet nog geldt.
Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen, dat het van toepassing verklaren van artikelen uit de derde tranche van de Awb en uit de Kaderwet EZ-subsidies niet tot gevolg heeft, dat deze bepalingen in werking treden. Dat zal eerst later gebeuren, krachtens een koninklijk besluit. Van toepassing verklaren betekent in dit verband slechts, dat de inhoud van de bepalingen deel gaat uitmaken van het onderhavige besluit. De wettelijke basis daarvoor is de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ.
De Minister van Economische Zaken,
G. J. Wijers
Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Economische Zaken.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 9 december 1997, nr. 237.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-554.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.