Besluit van 31 januari 1997 tot vaststelling van de maximale termijn gedurende welke subsidie aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt gegeven voor de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 21 november 1996, nr. 591892/96/6;

Gelet op artikel 15, derde lid, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen;

De Raad van State gehoord (advies van 20 december 1996, nr. W03.96.0548);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 27 januari 1997, nr. 601556/97/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

De termijn, bedoeld in artikel 15, derde lid, eerste volzin, van de Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen wordt vastgesteld op ten hoogste 10 jaren, te rekenen van 1 januari 1997.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 31 januari 1997

Beatrix

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de dertiende februari 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

In de Wet van 23 maart 1995, houdende regeling van de organisatie belast met de inning van onderhoudsbijdragen voor kinderen en met de vaststelling en inning van ouderbijdragen voor jeugdhulpverlening (Wet Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen), Stb. 198, is ten aanzien van de subsidie die het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) ontvangt voor de dienstverlening bij de inning van kinderalimentaties, bedoeld in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (B.W.), bepaald dat deze aan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn wordt gebonden (artikel 15, derde lid). Bij de voorbereiding van deze regelgeving werd ervan uitgegaan dat de dienstverlening van het LBIO op dit specifieke terrein, dat alleen de inning van kinderalimentaties, bedoeld in Boek 1 B.W. betreft, uiteindelijk kostendekkend zou moeten kunnen geschieden. De kosten van de inning van kinderalimentaties zouden betaald moeten worden uit de opslag die door de alimentatieplichtige moet worden betaald, indien het LBIO op verzoek de inning overneemt. De regels voor deze opslag zijn neergelegd in het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties van 17 november 1993, Stb. 604. In de praktijk blijkt dat de opbrengsten uit deze opslag onvoldoende zijn om de kosten van inning te dekken. In de aanvang van het functioneren van het LBIO bleek dat er nog veel oude, van de toenmalige raden voor de kinderbescherming overgenomen zaken moesten worden afgehandeld, waarbij de opbrengsten tegenover het werk dat nodig was, in het niet vielen. Ook nu blijken de nog overgebleven oude zaken en de sinds de start van het bureau aangemelde, nieuwe, zaken soms zo bewerkelijk te zijn dat de opbrengsten van de opslag de kosten nog steeds niet dekken. Deels wordt dit veroorzaakt doordat door het LBIO, nadat een verzoek tot overneming van de inning is gedaan, maar voorafgaand aan de feitelijke inning, bemiddeld wordt om alsnog de betaling rechtstreeks te doen plaatsvinden. Bij een geslaagde bemiddeling wordt werk door het LBIO verricht dat niet uit de kostenopslag betaald kan worden, omdat er geen inning door het LBIO plaatsvindt.

Een verdere verhoging van de opslag ligt vooralsnog niet in de rede, omdat dan gevreesd wordt dat er helemaal niet meer wordt betaald en er steeds invorderingsmaatregelen getroffen moeten worden. Subsidie zal daarom voor langere tijd nodig zijn. De termijn van tien jaren is een maximale termijn. Gestreefd wordt naar kostendekkendheid op een eerder moment. Daarover zijn afspraken gemaakt met het LBIO. Deze afspraken houden onder andere in dat duidelijk moet worden in hoeverre bedoelde bemiddelingen effect hebben in die zin dat dezelfde zaken niet opnieuw worden aangemeld. Indien dezelfde zaken terugkeren bij het LBIO, zal de bedoelde werkwijze teruggedrongen moeten worden. Uiteindelijk zullen extra kosten ontstaan door de bewerkelijkheid van zaken die dienen op te wegen tegen de opbrengsten in andere zaken waar bij voorbeeld door middel van vereenvoudigd loonbeslag op eenvoudige wijze de inning kan plaatsvinden.

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 11 maart 1997, nr. 49.

Naar boven