Wet van 30 oktober 1997 tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet op de gevaarlijke werktuigen in verband met uitbreiding van het toepassingsgebied tot de mijnbouwsector

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet op de gevaarlijke werktuigen te wijzigen ten einde deze wetten mede van toepassing te doen zijn op arbeid verricht bij verkennings- en opsporingsonderzoek naar en de winning van delfstoffen en op gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen die daarbij worden gebruikt;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Indien artikel 12:30, onderdeel B, van de Arbeidstijdenwet in werking treedt, wordt artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet1 gewijzigd als volgt:

1. Het zevende lid wordt vervangen door twee leden die luiden als volgt:

  • 7. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing op arbeid, verricht bij een verkennings- of opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen als bedoeld in de Mijnwet continentaal plat. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op:

    a. arbeid, verricht in de ondergrondse werken van mijnen, benevens in de bij een mijn behorende bovengronds gelegen werken en inrichtingen die zijn aangewezen krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903, alsmede in de bij mijnbouwkundige onderzoekingen behorende werken en inrichtingen of

    b. arbeid als bedoeld in de eerste zin.

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de in de vorige zin bedoelde arbeid voorts regels worden gesteld die afwijken van of strekken ter aanvulling van deze wet en de daarop berustende bepalingen. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede of derde zin wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van Economische Zaken tezamen.

  • 8. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is niet van toepassing op arbeid verricht in een arbeidsverhouding behorend tot een door Onze Minister aangewezen categorie, voor zover dit bij de aanwijzing is bepaald.

2. Het achtste lid wordt vernummerd tot negende lid en in dat lid wordt «de in de voorlaatste zin van het eerste lid, het tweede, derde, en vijfde of zesde lid, tweede zin» vervangen door: de in het eerste lid, tweede zin, het tweede lid, het vierde lid, tweede zin, het vijfde lid, het zesde lid, tweede zin, of het zevende lid, derde zin.

ARTIKEL II

De Wet op de gevaarlijke werktuigen2 wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 1 wordt een nieuw artikel 1a ingevoegd, dat luidt als volgt:

Artikel 1a

  • 1. Het bij of krachtens deze wet bepaalde is mede van toepassing op gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen, die gebruikt worden bij een verkennings- of opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen als bedoeld in de Mijnwet continentaal plat. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze wet en de daarop berustende bepalingen geheel of gedeeltelijk niet van toepassing zijn op:

    a. gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen die gebruikt worden in de ondergrondse werken van mijnen, benevens in de bij een mijn behorende bovengronds gelegen werken en inrichtingen, die zijn aangewezen krachtens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnwet 1903, alsmede in de bij mijnbouwkundige onderzoekingen behorende werken en inrichtingen of

    b. gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen als bedoeld in de eerste zin.

    Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de in de vorige zin bedoelde gevaarlijke werktuigen en beveiligingsmiddelen voorts regels worden gesteld die afwijken van of strekken ter aanvulling van deze wet en de daarop berustende bepalingen. De voordracht tot een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de tweede of derde zin wordt Ons gedaan door Onze Minister en Onze Minister van Economische Zaken tezamen.

  • 2. Een ieder is verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens de in de derde zin van het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur zijn vastgesteld voor zover en op de wijze als bij deze maatregel is bepaald.

B

In artikel 25 vervalt: «de Mijnwet 1903,».

ARTIKEL III

De Wet op de economische delicten3 wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1, onder 4°, wordt gewijzigd als volgt:

1. Indien artikel 12:32 van de Arbeidstijdenwet in werking treedt, wordt in de zinsnede met betrekking tot de Arbeidsomstandighedenwet «2, achtste lid» vervangen door: 2, negende lid.

2. De zinsnede «de Wet op de gevaarlijke werktuigen, de artikelen 4, vierde lid, tweede zin, 8, eerste lid, 10, eerste, tweede en derde lid, 12, eerste lid, derde zin, 14a, en 20» wordt vervangen door: de Wet op de gevaarlijke werktuigen, de artikelen 6, 8, eerste lid, 10, eerste, tweede en derde lid, 11, derde lid, 12, eerste lid, derde zin, en derde lid, 14, 14a, 20 en 25a.

3. In de zinsnede met betrekking tot de Wet op de gevaarlijke werktuigen wordt in numerieke rangschikking ingevoegd: 1a, tweede lid.

B

In artikel 1a, onder 1°, worden in de zinsnede met betrekking tot de Kernenergiewet in numerieke rangschikking ingevoegd: 31, 34, vierde en vijfde lid.

ARTIKEL IV

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel III, onderdeel A, onder 2, en onderdeel B, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 30 oktober 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

Uitgegeven de vijfentwintigste november 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1996, 133, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

XNoot
2

Stb. 1952, 104, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

XNoot
3

Stb. 1950, K258, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 533.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1996/97, 25 030.

Handelingen II 1997/98, blz. 341.

Kamerstukken I 1997/98, 25 030 (39).

Handelingen I 1997/98, blz. 70.

Naar boven