Wet van 30 oktober 1997 tot intrekking van de wet betreffende de geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor bepaalde schulden van de Nederlandse Kastelenstichting

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de wet van 30 december 1949, betreffende de regeling van de geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van de Nederlandse Kastelenstichting, gevestigd te 's-Gravenhage, (Stb. J 618), waarbij het Rijk zich garant stelt voor de schulden die na liquidatie van de Nederlandse Kastelenstichting mochten overblijven, in te trekken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De wet van 30 december 1949, betreffende de regeling van de geldelijke aansprakelijkheid van het Rijk voor het beheer van de Nederlandse Kastelenstichting, gevestigd te 's-Gravenhage (Stb. J 618), wordt ingetrokken.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 30 oktober 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

A. Nuis

Uitgegeven de vijfentwintigste november 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1996/97, 25 433.

Handelingen II 1997/98, blz. 341.

Kamerstukken I 1997/98, 25 433 (41).

Handelingen I 1997/98, blz. 70.

Naar boven