Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de regeling
in de inkomstenbelasting met betrekking tot tijdelijke genotsrechten aan te
passen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
In de Wet op de inkomstenbelasting 19641 worden de
volgende wijzigingen aangebracht.
A. In artikel 25, zestiende lid, onderdeel a, wordt na
«roerende zaak» ingevoegd: of tot voordelen uit een tot het vermogen
van een belastingplichtige behorend recht dat niet op zaken betrekking heeft.
B.1. In artikel 25a wordt het eerste lid vervangen door:
1. Indien een ander dan de belastingplichtige anders dan krachtens wettelijk
vruchtgenot tijdelijk is gerechtigd tot voordelen uit een tot het vermogen
van de belastingplichtige behorend recht dat niet op zaken betrekking heeft,
of op enig moment gerechtigd is geweest tot zodanige voordelen en deze voordelen
geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode waarin dat recht
behoort tot het vermogen van de belastingplichtige, behoort bij de belastingplichtige
mede tot de inkomsten uit vermogen 4,8 percent van de waarde van het recht.
De eerste volzin is niet van toepassing voor zover de aldaar bedoelde gerechtigdheid
is ontstaan:
a. krachtens erfrecht en het recht behoort tot het vermogen van de verkrijger
krachtens erfrecht of van zijn rechtsopvolger krachtens erfrecht;
b. na verkrijging van het recht door de belastingplichtige of zijn rechtsvoorganger
krachtens erfrecht en op het moment van het ontstaan van de gerechtigdheid
het recht geen deel uitmaakte van het vermogen van een onderneming.
B.2. In het tweede lid wordt aan de eerste volzin voor de punt aan het
slot toegevoegd: of op enig moment gerechtigd is geweest tot zodanige voordelen
en deze voordelen geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode
waarin dat recht behoort tot het vermogen van de belastingplichtige.
B.3. Het derde lid wordt vervangen door:
3. Indien ter zake van een recht dat niet op zaken betrekking heeft het eerste
lid van toepassing is, wordt ingeval een zodanig recht niet gedurende het
gehele kalenderjaar heeft behoord tot het vermogen van de belastingplichtige,
het percentage van 4,8 naar tijdsgelang vastgesteld, waarbij gedeelten van
kalendermaanden worden verwaarloosd.
B.4. Na het vierde lid wordt toegevoegd:
5. De op de voet van het eerste lid, in samenhang met het derde lid, bepaalde
inkomsten worden, ingeval de belastingplichtige aantoont dat die inkomsten
in belangrijke mate meer bedragen dan hetgeen bij hem in het kalenderjaar
aan waardevermeerdering opkomt ten gevolge van het verstrijken van de periode
van de aldaar bedoelde gerechtigdheid of ten gevolge van de omstandigheid
dat een ander op enig moment gerechtigd is geweest tot voordelen die geheel
of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan de periode waarin dat recht behoort
tot het vermogen van de belastingplichtige, verminderd tot die waardevermeerdering.
C. In artikel 25b, eerste lid, eerste volzin, wordt na
«onroerende of roerende zaak,» ingevoegd: of op enig moment gerechtigd
is geweest tot zodanige voordelen en deze voordelen geheel of gedeeltelijk
zijn toe te rekenen aan de periode waarin die zaak behoort tot het vermogen
van de belastingplichtige,.
Voorts wordt na «gerechtigdheid van die ander» ingevoegd:
of ten gevolge van de omstandigheid dat die ander op enig moment gerechtigd
is geweest tot voordelen die geheel of gedeeltelijk zijn toe te rekenen aan
de periode waarin die zaak behoort tot het vermogen van de belastingplichtige.
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met dien verstande
dat zij terugwerkt tot en met 6 februari 1997 met betrekking tot rechten als
bedoeld in artikel 25a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964,
ingeval de aldaar bedoelde omstandigheid dat een ander dan de belastingplichtige
op enig moment gerechtigd is geweest tot voordelen uit die rechten, is ontstaan
op of na die datum.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
XNoot
1Stb. 1990, 103, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997,
Stb. 510.
XHistnoot
Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Kamerstukken II 1996/97, 25 224.
Handelingen II 1997/98, blz. 341.
Kamerstukken I 1997/98, 25 224 (20, 20a).
Handelingen I 1997/98, zie vergadering d.d. 28 oktober 1997.