Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1997, 460 | Beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1997, 460 | Beschikking |
De Minister van Justitie,
Gelet op artikel V van het besluit van 22 september 1997, Stb. 456;
Besluit:
de tekst van het Besluit luchtkwaliteit benzeen (Stb. 1993, 35), zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij het besluit van 22 september 1997, Stb. 456 in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.
De Minister van Justitie a.i.,
H. F. Dijkstal
Uitgegeven de zestiende oktober 1997
De Minister van Justitie a.i.,
W. Kok
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet milieubeheer;
b. grenswaarde: grenswaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de wet ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;
c. richtwaarde: richtwaarde als bedoeld in artikel 5.1 van de wet ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;
d. jaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over de in een kalenderjaar vastgestelde concentraties over perioden van 24 achtereenvolgende uren of veelvouden daarvan, uitgedrukt in microgram per m3 bij een temperatuur van 20° Celsius en een druk van 101,3 kiloPascal;
e. meetmethode: procedure van het bemonsteren van benzeen in de buitenlucht, het analyseren van de aldus verkregen monsters, het kalibreren van daartoe te gebruiken apparatuur, alsmede de verwerking van het signaal tot concentraties over 24 achtereenvolgende uren of veelvouden daarvan;
f. bebouwde kom: de bebouwde kom, zoals vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
g. motorvoertuig: een motorvoertuig in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Stb. 459);
h. inrichting: een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet aangewezen categorie;
i. tankstation voor het wegverkeer: een tankstation voor het wegverkeer als bedoeld in het Besluit tankstations milieubeheer;
j. tankstationgedeelte: een tankstationgedeelte als bedoeld in het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer.
1. Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden voor benzeen een grenswaarde in acht van 10 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.
2. Het eerste lid is van toepassing op een tankstation voor het wegverkeer dan wel een tankstationgedeelte met ingang van het tijdstip waarop:
a. voorschrift 2.2.2 van bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer op het betrokken tankstation voor het wegverkeer van toepassing wordt, onderscheidenlijk
b. voorschrift 2.2.2 van bijlage Ia van het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer op het betrokken tankstationgedeelte van toepassing wordt.
3. Het eerste lid is met ingang van 1 januari 2000 van toepassing bij:
a. wegen in de bebouwde kom waarvan gemiddeld over een jaar ten minste 7000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken en
b. wegen in de bebouwde kom:
1°. waarvan gemiddeld over een jaar ten minste 4000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken;
2°. waarlangs aan ten minste één zijde voor meer dan 30 procent bebouwing aanwezig is en
3°. waarbij de afstand van de bebouwing tot de wegas kleiner is dan driemaal de gemiddelde hoogte van de bebouwing.
4. Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden voor benzeen tot 1 januari 2000 bij de wegen, bedoeld in het derde lid, een grenswaarde in acht van 15 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.
Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, houden bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden rekening met een richtwaarde voor benzeen van 5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.
1. Onze Minister overweegt ten minste eenmaal per acht jaar in hoeverre de in de artikelen 2 en 3 genoemde waarden herziening behoeven en stelt de Staten-Generaal in kennis van zijn bevindingen daaromtrent.
2. Aan het eerste lid wordt voor de eerste maal gevolg gegeven voor 1 januari 2004.
1. Gedeputeerde staten inventariseren eenmaal per vier jaar de plaatsen waar naar hun redelijke verwachting de luchtverontreiniging door benzeen die in overwegende mate wordt veroorzaakt door een of meer inrichtingen, andere dan tankstations voor het wegverkeer dan wel tankstationgedeelten, hoger is dan 8 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.
2. Gedeputeerde staten stellen op de plaatsen die zij ingevolge het eerste lid hebben geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door benzeen vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling op de in de eerste volzin bedoelde plaatsen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van gedeputeerde staten het hoogst is.
3. Gedeputeerde staten stellen in elk van de drie jaren, die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling als bedoeld in het tweede lid heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door benzeen, bedoeld in het eerste lid, vast op plaatsen waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de in artikel 2, eerste lid, genoemde waarde overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid, vindt in ieder geval in 1998 plaats.
1. Burgemeester en wethouders inventariseren eenmaal per vier jaar de wegen, bedoeld in artikel 2, derde lid, waar naar hun redelijke verwachting mensen worden blootgesteld aan in overwegende mate door motorvoertuigen veroorzaakte luchtverontreiniging door benzeen die:
a. hoger is dan 13 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;
b. hoger is dan 9 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie met ingang van 1 januari 2000.
2. Burgemeester en wethouders stellen bij de wegen die zij ingevolge het eerste lid hebben geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door benzeen vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling bij de in de eerste volzin bedoelde wegen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van burgemeester en wethouders het hoogst is.
3. Burgemeester en wethouders stellen in elk van de drie jaren, die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling als bedoeld in het tweede lid heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door benzeen, bedoeld in het eerste lid, vast bij wegen waar mensen aan die luchtverontreiniging worden blootgesteld en waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de toepasselijke in artikel 2 genoemde waarde overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid, vindt in ieder geval in 1998 plaats.
1. Voor zover Onze Minister met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4 en 5 de in die artikelen bedoelde plaatsen inventariseert en de luchtverontreiniging door benzeen vaststelt, zijn gedeputeerde staten, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders daartoe niet verplicht.
2. Het bestuursorgaan dat de in de artikelen 4 en 5 bedoelde plaatsen inventariseert en krachtens die artikelen de luchtverontreiniging door benzeen vaststelt, draagt zorg voor de bekostiging daarvan.
De luchtverontreiniging door benzeen wordt vastgesteld door middel van:
a. een meetmethode of
b. een berekeningsmethode dan wel een andere methode waarbij de met behulp daarvan vastgestelde concentraties met een waarschijnlijkheid van 70 procent minder dan 30 procent van de vermoedelijk werkelijke concentraties afwijken.
1. Als meetmethode komt in aanmerking iedere methode waarvan de onderste analysegrens ten hoogste 0,5 microgram per m3 bedraagt, de bovenste analysegrens ten minste 3600 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent in monsters met concentraties hoger dan 1 microgram per m3:
a. de totale afwijking tussen de gemeten en de vermoedelijk werkelijke concentratie minder is dan 20 procent en
b. de systematische afwijking tussen de gemeten en de vermoedelijk werkelijke concentratie minder is dan 10 procent.
2. Voor de vaststelling van de jaargemiddelde concentratie dient het aantal metingen zodanig te zijn gekozen dat de afwijking tussen de vastgestelde en de vermoedelijk werkelijke concentratie bij een jaargemiddelde concentratie van meer dan 8 microgram per m3 met een waarschijnlijkheid van 95 procent minder is dan 20 procent.
3. In situaties waarin niet kan worden voldaan aan het in het tweede lid bepaalde wordt, in afwijking van dat lid, op grond van de beschikbare meetresultaten nagegaan of de in artikel 2 genoemde waarden zijn overschreden.
4. Meetresultaten waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de vermoedelijk werkelijke concentratie groter is dan de afwijking, bedoeld in het eerste lid, worden niet gebruikt.
1. Onze Minister kan door middel van metingen overeenkomstig dit besluit een toetsing doen plaatsvinden van de naleving van de artikelen 4 tot en met 7, met uitzondering van artikel 5a, en, indien hij toepassing heeft gegeven aan artikel 59, vijfde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, van de naleving van door hem gestelde nadere regelen.
2. De bij deze toetsing gebleken hoogte van de luchtverontreiniging treedt in de plaats van een anderszins vastgestelde hoogte van de luchtverontreiniging.
1. Burgemeester en wethouders doen van een inventarisatie als bedoeld in artikel 5, eerste lid, voor 1 maart van het jaar waarin die inventarisatie is verricht, aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag.
2. Burgemeester en wethouders doen op basis van de door hen verrichte vaststelling van de luchtverontreiniging door benzeen, bedoeld in artikel 5, tweede of derde lid, voor 1 maart van het jaar waarin de vaststelling heeft plaatsgevonden aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag van overschrijdingen van de toepasselijke in artikel 2 genoemde waarde. In het verslag vermelden zij:
a. de plaatsen waar een overschrijding is opgetreden;
b. de hoogte van de luchtverontreiniging op de plaatsen, bedoeld onder a;
c. ingeval de vaststelling van de luchtverontreiniging door middel van metingen is verricht, de gebruikte meetmethode;
d. ingeval de vaststelling van de luchtverontreiniging door middel van een andere methode is verricht, de aan deze vaststelling ten grondslag liggende gegevens, en
e. de maatregelen die zij hebben genomen of nog zullen nemen om die waarde te bereiken of te handhaven.
3. Burgemeester en wethouders nemen in het verslag op basis van de vaststelling van de luchtverontreiniging door benzeen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, tevens gegevens op met betrekking tot overschrijdingen van de in artikel 3 genoemde waarde. Het tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
1. Gedeputeerde staten doen van een inventarisatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor 1 april van het jaar waarin de inventarisatie heeft plaatsgevonden, aan Onze Minister schriftelijk verslag. Zij nemen in het verslag tevens de gegevens uit de in artikel 8, eerste lid, bedoelde verslagen op.
2. Gedeputeerde staten doen mede op basis van de door hen verrichte vaststelling van de luchtverontreiniging door benzeen, bedoeld in artikel 4, tweede of derde lid, voor 1 april van het jaar waarin de vaststelling heeft plaatsgevonden aan Onze Minister schriftelijk verslag van overschrijdingen van de toepasselijke in artikel 2 genoemde waarde. Zij verwerken daarin de desbetreffende gegevens uit de in artikel 8, tweede lid, bedoelde verslagen. Artikel 8, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
3. Gedeputeerde staten nemen in het verslag op basis van de vaststelling van de luchtverontreiniging door benzeen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, tevens gegevens op met betrekking tot overschrijdingen van de in artikel 3 genoemde waarde. Zij verwerken daarin de gegevens, bedoeld in artikel 8, derde lid, waarover burgemeester en wethouders verslag hebben gedaan. Artikel 8, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Omtrent het nemen van maatregelen ter handhaving van de toepasselijke, in artikel 2 en artikel 3 genoemde waarden bevorderen gedeputeerde staten een regelmatig overleg met de betrokken andere bestuursorganen binnen het gebied van de provincie en met de inspecteur.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-460.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.