Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1997, 459 | Beschikking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Justitie | Staatsblad 1997, 459 | Beschikking |
De Minister van Justitie,
Gelet op artikel V van het besluit van 22 september 1997, Stb. 456;
Besluit:
de tekst van het Besluit luchtkwaliteit koolstofmonoxide en lood (Stb. 1987, 34), zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 22 september 1997, Stb. 456 in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.
De Minister van Justitie a.i.,
H. F. Dijkstal
Uitgegeven de zestiende oktober 1997
De Minister van Justitie a.i.,
W. Kok
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
wet: de Wet milieubeheer;
grenswaarde: grenswaarde, als bedoeld in artikel 5.1 van de wet ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;
meetmethode: procedure van het bemonsteren van de buitenlucht, het analyseren van aldus verkregen luchtmonsters, het kalibreren van daartoe te gebruiken apparatuur, alsmede de verwerking van het signaal tot uurgemiddelde, dan wel 24-uursgemiddelde concentraties;
P-percentiel: concentratiewaarde waarvoor geldt dat P procent van de in een kalenderjaar beschikbare uurgemiddelde dan wel 8-uursgemiddelde concentraties (N) van koolstofmonoxide onderscheidenlijk de in een kalenderjaar beschikbare 24-uursgemiddelde concentraties (N) van lood, lager is dan die concentratiewaarde, met dien verstande, dat indien P procent van N geen heel getal is naar beneden wordt afgerond;
uurgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over een heeluur, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 20° Celsius en een druk van 101,3 kiloPascal;
8-uursgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over acht achtereenvolgende uurgemiddelde concentraties, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 20° Celsius en een druk van 101,3 kiloPascal;
24-uursgemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over het tijdvak van 0.00 uur tot 24.00 uur Midden-Europese Tijd, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 20° Celsius en een druk van 101,3 kiloPascal;
jaargemiddelde concentratie: concentratie in de buitenlucht, gemiddeld over 24-uurs-gemiddelde concentraties in een kalenderjaar, uitgedrukt in microgram per m3 bij een temperatuur van 20° Celsius en een druk van 101,3 kiloPascal;
bebouwde kom: de bebouwde kom, zoals vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
motorvoertuig: een motorvoertuig in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Stb. 459);
inrichting: een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de wet aangewezen categorie;
vangstrendement: de verhouding tussen de door het filter afgevangen massa lood en de vermoedelijk werkelijke massa lood in het luchtvolume voor bemonstering.
1. Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden de volgende grenswaarden voor koolstofmonoxide in acht:
a. 6 000 microgram per m3 als 98-percentiel van 8-uursgemiddelde concentraties, en
b. 40 000 microgram per m3 als 99,9-percentiel van uurgemiddelde concentraties.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onder a, is pas met ingang van 1 januari 2000 van toepassing:
a. bij wegen in de bebouwde kom waarvan ten minste 15 000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken, en
b. bij wegen in de bebouwde kom:
1°. waarvan ten minste 8 000 motorvoertuigen per etmaal gebruik maken,
2°. waarlangs de weg aan ten minste één zijde voor meer dan 30% is bebouwd, en
3°. waarbij de afstand van de bebouwing tot de wegas kleiner is dan driemaal de gemiddelde hoogte van de bebouwing.
3. Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden tot 1 januari 2000 bij de wegen, bedoeld in het tweede lid, de volgende grenswaarden voor koolstofmonoxide in acht:
a. 10 500 microgram per m3 als 98-percentiel van 8-uursgemiddelde concentraties tot 1 januari 1998;
b. 8250 microgram per m3 als 98-percentiel van 8-uursgemiddelde concentraties van 1 januari 1998 tot 1 januari 2000.
Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden de volgende grenswaarden voor lood in acht:
a. 2 microgram per m3 als 98-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties, en
b. 0,5 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie.
1. Onze Minister overweegt ten minste eenmaal per acht jaar in hoeverre de in de artikelen 2 en 3 genoemde waarden herziening behoeven en stelt de Staten-Generaal in kennis van zijn bevindingen daaromtrent.
2. Aan het eerste lid wordt voor de eerste maal gevolg gegeven voor 1 januari 2004.
1. Gedeputeerde staten inventariseren eenmaal per vier jaar de plaatsen waar naar hun redelijke verwachting de luchtverontreiniging die in overwegende mate wordt veroorzaakt door een of meer inrichtingen, hoger is dan:
a. 4800 microgram koolstofmonoxide per m3 als 98-percentiel van 8 uursgemiddelde concentraties, dan wel
b. 0,4 microgram lood per m3 als jaargemiddelde concentratie.
2. Gedeputeerde staten stellen op de plaatsen die zij ingevolge het eerste lid hebben geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide en lood vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling op de in de eerste volzin bedoelde plaatsen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van gedeputeerde staten het hoogst is.
3. Gedeputeerde staten stellen in elk van de drie jaren, die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling als bedoeld in het tweede lid heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide en lood, bedoeld in het eerste lid, vast op plaatsen waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de in artikel 2, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk artikel 3, onder b, genoemde waarde overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. De vaststelling, bedoeld in het tweede en derde lid, vindt plaats door middel van:
a. metingen, dan wel
b. een andere methode met behulp waarvan concentraties op een zodanige wijze vastgesteld kunnen worden, dat deze met een waarschijnlijkheid van 70 procent minder dan 30 procent van de vermoedelijk werkelijke concentraties afwijken.
5. Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid, vindt in ieder geval in 1998 plaats.
Gedeputeerde staten stellen op plaatsen waar redelijkerwijs kan worden verwacht dat de luchtverontreiniging door lood meer is dan 2 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie deze verontreiniging vast met behulp van een vast meetpunt overeenkomstig de bij of krachtens dit besluit gestelde regelen.
1. Burgemeester en wethouders inventariseren eenmaal per vier jaar de wegen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, waar naar hun redelijke verwachting mensen worden blootgesteld aan in overwegende mate door motorvoertuigen veroorzaakte luchtverontreiniging door koolstofmonoxide die:
a. hoger is dan 8400 microgram per m3 als 98-percentiel van 8-uursgemiddelde concentraties, dan wel
b. hoger is dan 6600 microgram per m3 als 98-percentiel van 8-uursgemiddelde concentraties, met ingang van 1 januari 1998, dan wel
c. hoger is dan 4800 microgram per m3 als 98-percentiel van 8-uursgemiddelde concentraties met ingang van 1 januari 2000.
2. Burgemeester en wethouders stellen bij de wegen die zij ingevolge het eerste lid hebben geïnventariseerd, de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide vast. De vaststelling vindt plaats in hetzelfde jaar als waarin de inventarisatie is verricht. De vaststelling op de in de eerste volzin bedoelde plaatsen geschiedt daar waar de luchtverontreiniging naar redelijke verwachting van burgemeester en wethouders het hoogst is.
3. Burgemeester en wethouders stellen in elk van de drie jaren, die volgen op een jaar waarin laatstelijk een vaststelling als bedoeld in het tweede lid heeft plaatsgevonden, de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide, bedoeld in het eerste lid, vast bij wegen waar mensen aan die luchtverontreiniging worden blootgesteld en waar die luchtverontreiniging naar hun redelijke verwachting de toepasselijke in artikel 2 genoemde waarde overschrijdt. Het tweede lid, derde volzin, is van overeenkomstige toepassing.
4. Op de vaststelling, bedoeld in het tweede en derde lid, is artikel 4, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Een inventarisatie als bedoeld in het eerste lid, vindt in ieder geval in 1998 plaats.
1. Voor zover Onze Minister met overeenkomstige toepassing van de artikelen 4, 5 en 6 de in die artikelen bedoelde plaatsen inventariseert en de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide en lood vaststelt, zijn gedeputeerde staten, onderscheidenlijk burgemeester en wethouders daartoe niet verplicht.
2. Het bestuursorgaan dat de in de artikelen 4 en 6 bedoelde plaatsen inventariseert en krachtens de artikelen 4, 5 en 6 de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide en lood vaststelt, draagt zorg voor de bekostiging daarvan.
1. Voor de meting van de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide wordt gebruik gemaakt van een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 60 000 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent:
a. de totale afwijking tussen de gemeten en de vermoedelijk werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 10 000 microgram per m3, en
b. de systematische afwijking tussen de gemeten en de vermoedelijk werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 4 000 microgram per m3.
2. Per meetpunt worden uurgemiddelde en 8-uursgemiddelde concentraties bepaald onderscheidenlijk berekend.
3. Indien minder dan vijfenveertig minuten meetsignalen beschikbaar zijn, wordt geen uurgemiddelde concentratie bepaald.
4. Indien in een periode van 8 uur minder dan vijf uurgemiddelde concentraties van koolstofmonoxide beschikbaar zijn, wordt uit de uurgemiddelde concentraties geen 8-uursgemiddelde concentratie berekend.
5. Indien minder dan dertien uurgemiddelde concentraties van koolstofmonoxide per etmaal beschikbaar zijn, wordt uit de uurgemiddelde concentraties geen 8-uursgemiddelde concentratie berekend.
6. Indien in een periode van dertig aaneengesloten dagen meer dan tien dagen voorkomen, waarbij geen 8-uursgemiddelde concentraties van koolstofmonoxide beschikbaar zijn, wordt geen 98-percentiel van 8-uursgemiddelde concentraties berekend.
7. Indien in een periode van dertig aaneengesloten dagen meer dan tien dagen voorkomen, waarbij minder dan dertien uurgemiddelde concentraties van koolstofmonoxide beschikbaar zijn, wordt geen 99,9-percentiel van uurgemiddelde concentraties berekend.
8. In situaties bedoeld in het zesde en zevende lid wordt op grond van de beschikbare uurgemiddelde en 8-uursgemiddelde concentraties van koolstofmonoxide nagegaan of de in artikel 2 genoemde waarden zijn overschreden.
9. Uurgemiddelde concentraties waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de vermoedelijk werkelijke concentraties groter is dan het bepaalde in het eerste lid onder a of b, worden niet gebruikt.
1. Voor de bemonstering van lood wordt gebruik gemaakt van een methode waarvan:
a. het vangstrendement ten minste bedraagt:
| Windsnelheid | Deeltjesgrootte (aërodynamische diameter) | |
|---|---|---|
| 5 micrometer | 10 micrometer | |
| 2 meter per seconde | 95% | 65% |
| 4 meter per seconde | 95% | 60% |
| 6 meter per seconde | 85% | 40% |
b. het verschil tussen het gemeten en het vermoedelijk werkelijke volume van de door het filter gezogen lucht ten hoogste 5 procent bedraagt, en
c. het per tijdseenheid door het filter gezogen luchtvolume gedurende de 24-uursbemonsteringsperiode ten hoogste 5 procent afwijkt van de over deze periode gemiddelde waarde van het luchtvolume.
2. Voor de analyse van het loodmonster wordt gebruik gemaakt van een methode waarbij het procentuele verschil tussen de gemeten en de vermoedelijk uit de lucht afkomstige hoeveelheid lood op het filter met een waarschijnlijkheid van 95 procent kleiner is dan 5 voor 24-uursgemiddelde concentraties groter dan 0,4 microgram per m3.
3. Per meetpunt worden 24-uursgemiddelde concentraties bepaald.
4. Indien in een periode van dertig aaneengesloten dagen meer dan tien dagen voorkomen, waarbij geen 24-uursgemiddelde concentraties van lood beschikbaar zijn, wordt het 98-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties niet berekend.
5. In situaties bedoeld in het vorige lid wordt op grond van de beschikbare 24-uursgemiddelde concentraties van lood nagegaan of de in artikel 3 genoemde waarden zijn overschreden.
6. 24-uursgemiddelde concentraties van lood, die zijn verkregen door middel van een meting waarvan moet worden aangenomen dat deze afwijkt van het bepaalde in het eerste en tweede lid, worden niet gebruikt.
1. Onze minister kan door middel van metingen overeenkomstig dit besluit een toetsing doen plaatsvinden van de naleving van de artikelen 4 tot en met 8, met uitzondering van artikel 6a, en, indien hij toepassing heeft gegeven aan artikel 59, vijfde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, van de naleving van door hem gestelde nadere regelen.
2. De door deze toetsing gebleken hoogte van de luchtverontreiniging treedt in de plaats van een anderszins vastgestelde hoogte van de luchtverontreiniging.
1. Burgemeester en wethouders doen van een inventarisatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, voor 1 maart van het jaar waarin die inventarisatie is verricht, aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag.
2. Burgemeester en wethouders doen op basis van de door hen verrichte vaststelling van de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide, bedoeld in artikel 6, tweede of derde lid, voor 1 maart van het jaar waarin de vaststelling heeft plaatsgevonden aan gedeputeerde staten schriftelijk verslag van overschrijdingen van de toepasselijke in artikel 2 genoemde waarde. In het verslag vermelden zij:
a. de plaatsen waar een overschrijding is opgetreden;
b. de hoogte van de luchtverontreiniging op de plaatsen, bedoeld onder a;
c. ingeval de vaststelling van de luchtverontreiniging door middel van metingen is verricht, de gebruikte meetmethode, het tijdvak of de tijdvakken waarin de overschrijding is opgetreden;
d. ingeval de vaststelling van de luchtverontreiniging door middel van een andere methode is verricht, de aan deze vaststelling ten grondslag liggende gegevens, en
e. de maatregelen die zij hebben genomen of nog zullen nemen om die waarde te bereiken of te handhaven.
1. Gedeputeerde staten doen van een inventarisatie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor 1 april van het jaar waarin de inventarisatie heeft plaatsgevonden, aan Onze Minister schriftelijk verslag. Zij nemen in het verslag tevens de gegevens uit de in artikel 11, eerste lid, bedoelde verslagen op.
2. Gedeputeerde staten doen mede op basis van de door hen verrichte vaststelling van de luchtverontreiniging door koolstofmonoxide en lood, bedoeld in artikel 4, tweede of derde lid, voor 1 april van het jaar waarin de vaststelling heeft plaatsgevonden aan Onze Minister schriftelijk verslag van overschrijdingen van de toepasselijke in artikel 2 en, voor wat betreft inrichtingen, in artikel 3 genoemde waarden. Zij verwerken daarin de gegevens uit de in artikel 11, tweede lid, bedoelde verslagen. Artikel 11, tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Omtrent het nemen van maatregelen ter handhaving van de in de artikelen 2 en 3 genoemde waarden bevorderen gedeputeerde staten een regelmatig overleg met de betrokken andere bestuursorganen binnen het gebied van de provincie en met de inspecteur.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-1997-459.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.