Beschikking van de Minister van Justitie van 9 oktober 1997, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van het Besluit luchtkwaliteit zwaveldioxide en zwevende deeltjes (zwarte rook) (Stb. 1986, 78), zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 22 september 1997, Stb. 456

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel V van het besluit van 22 september 1997, Stb. 456;

Besluit:

de tekst van het Besluit luchtkwaliteit zwaveldioxide en zwevende deeltjes (zwarte rook) (Stb. 1986, 78), zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 22 september 1997, Stb. 456 in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.

's-Gravenhage, 9 oktober 1997

De Minister van Justitie a.i.,

H. F. Dijkstal

Uitgegeven de zestiende oktober 1997

De Minister van Justitie a.i.,

W. Kok

BESLUIT LUCHTKWALITEIT ZWAVELDIOXIDE EN ZWEVENDE DEELTJES (ZWARTE ROOK)

§ 1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

zwevende deeltjes: de in de buitenlucht voorkomende donker gekleurde stofdeeltjes;

grenswaarde: grenswaarde, als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;

richtwaarde: richtwaarde, als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ten aanzien van het kwaliteitsniveau van de buitenlucht;

meetmethode: procedure van het bemonsteren van de buitenlucht, het analyseren van aldus verkregen luchtmonsters, het kalibreren van daartoe te gebruiken apparatuur, alsmede de verwerking van het signaal tot uurgemiddelde, dan wel 24-uursgemiddelde concentraties;

meetperiode: periode van 1 januari tot en met 31 december in een kalenderjaar;

P-percentiel: meetwaarde in een meetperiode waarvoor geldt dat P-procent van de beschikbare waarnemingen (N) een concentratie van zwaveldioxide onderscheidenlijk van zwevende deeltjes heeft, die lager is dan die meetwaarde. Indien P-procent van N geen heel getal is wordt naar beneden afgerond;

uurgemiddelde concentratie: concentratie van zwaveldioxide, onderscheidenlijk van zwevende deeltjes in de buitenlucht gemiddeld over een heel uur, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 20° Celsius en een druk van 101,3 kilo Pascal;

24-uursgemiddelde concentratie: concentratie van zwaveldioxide, onderscheidenlijk van zwevende deeltjes in de buitenlucht gemiddeld van 0.00 uur tot 24.00 uur Midden-Europese Tijd, uitgedrukt in microgram per m3 lucht bij een temperatuur van 20° Celsius en een druk van 101,3 kilo Pascal.

§ 2. Grenswaarden en richtwaarden

Artikel 2

  • 1. Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden de volgende grenswaarden voor zwaveldioxide in acht:

    a. 75 microgram per m3 als 50-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties,

    b. 200 microgram per m3 als 95-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties,

    c. 250 microgram per m3 als 98-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties,

    d. 500 microgram per m3 als 24-uursgemiddelde concentraties, en

    e. 830 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie.

Artikel 3

Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden de volgende grenswaarden voor zwevende deeltjes in acht:

a. 30 microgram per m3 als 50-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties,

b. 75 microgram per m3 als 95-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties,

c. 90 microgram per m3 als 98-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties, en

d. 150 microgram per m3 als 24-uursgemiddelde concentratie.

Artikel 4

Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden tevens de volgende grenswaarden in acht:

a. voor zwaveldioxide: 250 microgram per m3 als 24-uursgemiddelde concentratie gedurende meer dan drie achtereenvolgende dagen, op plaatsen waar het 98-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties van zwevende deeltjes groter is dan 150 microgram per m3,

b. voor zwaveldioxide: 350 microgram per m3 als 24-uursgemiddelde concentratie gedurende meer dan drie achtereenvolgende dagen, op plaatsen waar het 98-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties van zwevende deeltjes kleiner is dan of gelijk is aan 150 microgram per m3, en

c. voor zwevende deeltjes: 250 microgram per m3 als 24-uursgemiddelde concentratie gedurende meer dan drie achtereenvolgende dagen.

Artikel 5

Behoudens voor zover de betrokken wettelijke regeling zich daartegen verzet, houden bestuursorganen bij de uitoefening van hun bevoegdheden rekening met de volgende richtwaarden voor zwaveldioxide:

a. 30 microgram per m3 als 50-percentiel van 24-uursgemiddelde concentratie,

b. 80 microgram per m3 als 95-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties, en

c. 100 microgram per m3 als 98-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties.

Artikel 5a

  • 1. Onze Minister overweegt ten minste eenmaal per acht jaar in hoeverre de in de artikelen 2 tot en met 5 genoemde waarden herziening behoeven en stelt de Staten-Generaal in kennis van zijn bevindingen daaromtrent.

  • 2. Aan het eerste lid wordt voor de eerste maal gevolg gegeven voor 1 januari 2004.

§ 3. Metingen van concentraties van zwaveldioxide en zwevende deeltjes in de buitenlucht

Artikel 6

  • 1. Gedeputeerde staten dragen zorg voor de meting van concentraties van zwaveldioxide en van zwevende deeltjes, alsmede voor de bekostiging daarvan.

  • 2. Indien van rijkswege met behulp van een meetpunt de in artikel 7, eerste lid, genoemde concentraties en de overeenkomstige gegevens bedoeld in het tweede lid van dat artikel, worden bepaald dan wel berekend, overeenkomstig de bij of krachtens dit besluit gestelde regelen, is het eerste lid voor dat meetpunt niet van toepassing.

Artikel 7

  • 1. Per meetpunt voor de meting van concentraties van zwaveldioxide worden over de meetperiode en over de periode van 1 april tot en met 31 maart van het daarop volgende kalenderjaar bepaald, dan wel berekend:

    a. de jaargemiddelde concentratie,

    b. het 50-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties,

    c. het 95-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties,

    d. het 98-percentiel van 24-uursgemiddelde concentraties,

    e. de hoogste 24-uursgemiddelde concentratie, en

    f. de hoogste uurgemiddelde concentratie.

  • 2. Per meetpunt voor de meting van concentraties van zwevende deeltjes worden over de meetperiode en over de periode van 1 april tot en met 31 maart van het daarop volgende kalenderjaar bepaald, dan wel berekend de concentraties, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met e.

  • 3. De concentraties, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, en de overeenkomstige gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden, tenzij op grond van de beschikbare 24-uursgemiddelde concentraties overschrijding van de in de artikelen 2, onder a tot en met d, 3, 4, of 5 genoemde waarden kan worden aangetoond, slechts berekend indien meer dan tweehonderd 24-uursgemiddelde concentraties van zwaveldioxide, onderscheidenlijk van zwevende deeltjes beschikbaar zijn, en de aaneengesloten tijd waarover geen 24-uursgemiddelde concentraties van zwaveldioxide, onderscheidenlijk zwevende deeltjes beschikbaar zijn, ten hoogste is:

    a. tien dagen in het tijdvak van 1 april tot en met 30 september van een kalenderjaar, of

    b. vijf dagen in het tijdvak van 1 januari tot en met 31 maart en vijf dagen in het tijdvak van 1 oktober tot en met 31 december van een kalenderjaar.

§ 4. Meetpunten en meetmethoden voor de meting van concentraties van zwaveldioxide

Artikel 8

  • 1. De concentraties van zwaveldioxide in de buitenlucht worden bepaald met behulp van vaste meetpunten.

  • 2. In gebieden waar redelijkerwijs kan worden verwacht dat de concentratie van zwaveldioxide in de buitenlucht hoger is dan 100 microgram per m3 als 98-percentiel van 24-uursgemiddelde waarden, is de onderlinge afstand van de meetpunten zodanig, dat uit de met behulp van deze meetpunten verkregen meetresultaten voor alle gebieden van 1 bij 1 kilometer de 98-percentielen zodanig kunnen worden afgeleid, dat deze met een waarschijnlijkheid van 70 procent minder dan 15 procent van de vermoedelijk werkelijke percentielen afwijken.

  • 3. In andere gebieden dan bedoeld in het tweede lid is de gemiddelde onderlinge afstand van de meetpunten ten hoogste 40 kilometer.

  • 4. Bij het plaatsen van de meetpunten wordt zoveel mogelijk uitgegaan van een gebied van 1 bij 1 kilometer waar redelijkerwijs kan worden verwacht dat de concentratie van zwaveldioxide in de buitenlucht het hoogst is.

  • 5. Meetpunten worden in een gebied van 1 bij 1 kilometer zodanig geplaatst dat de met behulp van het meetpunt gemeten concentratie zoveel mogelijk representatief is voor de in dat gebied voorkomende gemiddelde concentratie.

Artikel 9

  • 1. Voor de bepaling van de concentraties van zwaveldioxide in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van een meetmethode, waarvan de bovenste analysegrens ten minste 1300 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden zodanig zijn dat met een waarschijnlijkheid van 95 procent:

    a. de totale afwijking tussen de gemeten en de vermoedelijk werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 100 microgram per m3, en

    b. de systematische afwijking tussen de gemeten en de vermoedelijk werkelijke concentratie minder is dan 15 procent voor uurgemiddelde concentraties, groter dan 25 microgram per m3.

  • 2. Per meetpunt worden uurgemiddelde concentraties bepaald.

  • 3. Indien minder dan vijfenveertig minuten meetsignalen beschikbaar zijn, wordt geen uurgemiddelde concentratie bepaald.

  • 4. Uit de uurgemiddelde concentraties worden 24-uursgemiddelde concentraties berekend.

  • 5. Uurgemiddelde concentraties waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de vermoedelijk werkelijke concentratie groter is dan het bepaalde in het eerste lid, onder a of b, worden niet gebruikt voor de bepaling, dan wel berekening van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde concentraties.

  • 6. Indien in een etmaal minder dan dertien uurgemiddelde concentraties beschikbaar zijn, wordt geen 24-uursgemiddelde concentratie berekend, tenzij op grond van de beschikbare uurgemiddelde concentraties overschrijding van de in de artikelen 2, 3, 4 of 5 genoemde waarden kan worden aangetoond.

§ 5. Meetpunten en meetmethoden voor de meting van concentraties van zwevende deeltjes

Artikel 10

  • 1. De concentraties van zwevende deeltjes in de buitenlucht worden bepaald met behulp van vaste meetpunten.

  • 2. De onderlinge afstand tussen de meetpunten is vier maal zo groot als de onderlinge afstand tussen de meetpunten voor de meting van concentraties van zwaveldioxide.

  • 3. De meetpunten worden zoveel mogelijk geplaatst waar redelijkerwijs kan worden verwacht dat de concentratie van zwaveldioxide in de buitenlucht het hoogst is.

  • 4. Meetpunten worden zo veel mogelijk gesitueerd op de plaatsen van de meetpunten voor de meting van zwaveldioxide.

Artikel 11

  • 1. Voor de bepaling van de concentraties van zwevende deeltjes in de buitenlucht wordt gebruik gemaakt van:

    a. de methode voor zwarte rook, vastgesteld door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Methods of Measuring Air Pollution, Paris, 1964, Chapter II), dan wel

    b. een meetmethode waarvan de bovenste analysegrens ten minste 400 microgram per m3 bedraagt en waarbij de onder operationele condities verkregen meetwaarden met een waarschijnlijkheid van 95 procent minder dan 15 procent afwijken van de meetwaarden die onder operationele condities kunnen worden verkregen door middel van het onder a bepaalde bij 24-uursgemiddelde concentraties groter dan 30 microgram per m3.

  • 2. Per meetpunt worden 24-uursgemiddelde concentraties bepaald.

  • 3. 24-uursgemiddelde concentraties waarvan moet worden aangenomen dat de afwijking ten opzichte van de vermoedelijk werkelijke concentratie groter dan 15 procent is, worden niet gebruikt voor de bepaling, dan wel berekening, van de in artikel 7, tweede lid, bedoelde concentraties.

§ 5a. Toetsing van de vaststelling van de Luchtverontreiniging

Artikel 11a

  • 1. Onze Minister kan door middel van metingen overeenkomstig dit besluit een toetsing doen plaatsvinden van de naleving van de artikelen 6, eerste lid, 7 tot en met 11 en, indien hij toepassing heeft gegeven aan artikel 59, vijfde lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging, van de naleving van door hem gestelde nadere regelen.

  • 2. De bij deze toetsing gebleken hoogte van de luchtverontreiniging treedt in de plaats van een anderszins vastgestelde hoogte van de luchtverontreiniging.

§ 6. Rapportage

Artikel 12

  • 1. Gedeputeerde staten doen eenmaal per vier jaar voor 1 april schriftelijk verslag aan Onze Minister van de volgende gegevens over de voorafgaande meetperiode:

    a. de posities van de meetpunten alsmede de motivering van de keuze van deze posities gelet op de door Onze Minister te geven regels,

    b. de gebruikte meetmethode bij ieder meetpunt,

    c. de meetwaarden, in chronologische volgorde, waarin de ontbrekende gegevens met een code worden aangegeven,

    d. de krachtens artikel 7, eerste en tweede lid, bepaalde dan wel berekende waarden, en

    e. de genomen maatregelen en de nog te nemen maatregelen om de in de artikelen 2, 3, 4 en 5 genoemde waarden te bereiken of te handhaven.

  • 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder c en d, worden, in afwijking van het eerste lid, door middel van een voor geautomatiseerde gegevensverwerking geschikte informatiedrager medegedeeld.

  • 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op meetpunten als bedoeld in artikel 6, tweede lid.

  • 4. Een verslag als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval in 1998 gedaan.

Artikel 13

  • 1. In geval van een overschrijding van de in de artikelen 2, 3 of 4 genoemde waarden doen gedeputeerde staten voor 1 april van het jaar dat volgt op de meetperiode waarin die overschrijding plaatsvond verslag aan Onze Minister van de volgende gegevens:

    a. de in artikel 12, eerste lid, onder a tot en met e, bedoelde gegevens met betrekking tot de overschrijding,

    b. het tijdvak of de tijdvakken waarin de overschrijding plaatsvond, en

    c. de oorzaken van de overschrijding.

  • 2. In geval van een overschrijding van de in de artikelen 2, 3 of 4 genoemde waarden in de eerste drie maanden van het jaar dat volgt op de meetperiode, doen gedeputeerde staten voor 1 juni van dat jaar verslag aan Onze Minister van de in het eerste lid bedoelde gegevens met betrekking tot die overschrijding.

  • 3. Artikel 12, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 7. Overleg

Artikel 14

Omtrent het nemen van maatregelen ter handhaving van de in de artikelen 2, 3, 4 of 5 genoemde waarden bevorderen gedeputeerde staten een regelmatig overleg met de betrokken andere bestuursorganen binnen het gebied van de provincie en met de inspecteur.

Artikel 15

Indien in een provincie de in de artikelen 2, 3, 4 of 5 genoemde waarden worden of dreigen te worden overschreden vermoedelijk als gevolg van emissies vanaf het grondgebied van een andere provincie, plegen gedeputeerde staten van de provincie waar de overschrijding plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, overleg met gedeputeerde staten van de andere betrokken provincie, teneinde te komen tot handhaving van die waarden.

§ 8. Slotbepalingen

Artikel 16

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 17

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit luchtkwaliteit zwaveldioxide en zwevende deeltjes (zwarte rook).

Naar boven