Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatsblad 1997, 422AMvB

Besluit van 22 september 1997, houdende tijdelijke regelen inzake de arbeids- en rusttijden voor personeel, werkzaam in of op railvoertuigen (Tijdelijk besluit arbeids- en rusttijden railvervoer)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 1997, nr. DGP/WJZ/V 723198, Directoraat-Generaal Personenvervoer;

Gelet op artikel 5:12 van de Arbeidstijdenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 4 augustus 1997, nr. W09.97.0404);

Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 15 september 1997, nr. DGP/WJZ/V 724394, Directoraat-Generaal Personenvervoer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Algemene bepaling

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder «wet»: de Arbeidstijdenwet.

Toepasselijkheid van het besluit

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing op werknemers van 18 jaar en ouder die in dienst van een spoorwegonderneming als bedoeld in de Spoorwegwet arbeid verrichten in of op rail-voertuigen, gebezigd voor vervoer over spoorwegen, behoudens:

a. spoorwegen welke ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Locaalspoor- en Tramwegwet als locaalspoorwegen, als stadsspoorwegen dan wel als tramwegen worden beschouwd;

b. raccordementen als bedoeld in artikel 1, onder c, van het Reglement op de Raccordementen.

Arbeid in nachtdienst personenvervoer

Artikel 3

  • 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op arbeid verricht in verband met het vervoer van personen.

  • 2. In afwijking van artikel 5:8, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel d, van de wet organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer die arbeid verricht in nachtdienst

    a. in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste 35 maal arbeid in nachtdienst verricht;

    b. na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 7 maal achtereen arbeid te hebben verricht in nachtdienst, een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 48 uren, welke rusttijd in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste 4 maal mag worden ingekort met 1 uur.

Arbeid in nachtdienst goederenvervoer

Artikel 4

  • 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op arbeid verricht in verband met het vervoer van goederen.

  • 2. In afwijking van artikel 5:8, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer die arbeid verricht in nachtdienst

    a. ten hoogste 42 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken nachtdienst verricht;

    b. in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste 140 maal arbeid in nachtdienst verricht.

Strafbaarstelling

Artikel 5

Het niet naleven van de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, levert een strafbaar feit op.

Wijziging regelgeving

Artikel 6

Het >Arbeidstijdenbesluit1 wordt gewijzigd als volgt:

A

Na artikel 5.21:3 wordt een nieuwe paragraaf met opschrift ingevoegd, die luidt:

§ 5.22 Werkzaamheden die samenhangen met railvervoer.
Toepasselijkheid van de paragraaf
Artikel 5.22:1

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op arbeid verricht in directe samenhang met vervoer van personen en goederen als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van het Tijdelijk besluit arbeids- en rusttijden railvervoer, door een werknemer van 18 jaar of ouder.

Arbeid in nachtdienst
Artikel 5.22:2
  • 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op arbeid verricht in de hoedanigheid van storingsmonteur materieel, stationsopzichter, stationsassistent, perrondienstleider, perronwagenbestuurder, perronopzichter, servicemedewerker of beveiligingsmedewerker.

  • 2. In afwijking van artikel 5:8, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer die arbeid verricht in nachtdienst in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste 35 maal arbeid in nachtdienst verricht.

Artikel 5.22:3
  • 1. Dit artikel is uitsluitend van toepassing op werkzaamheden in de materieelwasserij en op arbeid verricht in de hoedanigheid van rangeerder, ploegleider van rangeerders, wagenmeester, bestuurder van radiolocomotieven, goederendienstleider, rangeerdienstleider, medewerker terrein en treinopname, wagensteller, vrachtbriefbehandelaar, seinhuiswachter of heuvelprocesleider.

  • 2. In afwijking van artikel 5:8, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en derde lid, onderdeel b, onder 2°, van de wet organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer die arbeid verricht in nachtdienst ten hoogste 42 maal in elke periode van 13 achtereenvolgende weken, met dien verstande dat de werknemer in elke periode van 52 achtereenvolgende weken ten hoogste 140 maal arbeid in nachtdienst verricht.

B

In artikel 7:1 wordt na «5:21, vierde lid» ingevoegd: 5.22:2, tweede lid, 5.22:3, tweede lid.

Intrekking regelgeving

Artikel 7

1. Hoofdstuk VI, Afdeling III, van het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen2 vervalt.

2. Hoofdstuk VI, Afdeling II, van het Metroreglement3 vervalt.

Inwerkingtreding regelgeving

Artikel 8

De artikelen 12:3 en 12:4 van de wet treden in werking met ingang van 1 oktober 1997.

Werkingsduur

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 1997 en vervalt met ingang van 1 april 1998.

Citeertitel

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit arbeids- en rusttijden railvervoer.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 22 september 1997

Beatrix

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

Uitgegeven de dertigste september 1997

De Minister van Justitie a.i.,

H. F. Dijkstal

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

Tot de inwerkingtreding van dit besluit werden de arbeids- en rusttijden in het railvervoer geregeld in Hoofdstuk III, afdeling III van het Reglement Dienst Hoofd- en Lokaalspoorwegen (RDHL), een uitvoeringsbesluit van de Spoorwegwet en de Lokaalspoor- en Tramwegwet.

Met de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet is een wettelijke regeling tot stand gebracht waarin de arbeids- en rusttijden voor alle sectoren zijn respectievelijk zullen worden geregeld. Voor de verschillende vervoerssectoren is bij wijze van overgangsrecht bepaald dat de daar geldende wettelijke regelingen nog van kracht zullen blijven gedurende drie jaar na publicatie van de wet in het Staatsblad of, indien dat korter is, totdat een algemene maatregel van bestuur tot stand is gebracht waarmee voor de betrokken vervoerssector een regeling is getroffen. Een en ander moet voor 19 december 1998 zijn afgerond.

Het streven is om op 1 april 1998 een algemene maatregel van bestuur in werking te laten treden waarin de arbeids- en rusttijdenregeling voor de vervoerssectoren zijn samengebracht. In elk geval zal op die datum het Arbeidstijdenbesluit voor personeel in en op railvoertuigen in werking moeten treden.

Voor het railvervoer is het, om hierna uiteen te zetten redenen, noodzakelijk om, vooruitlopende op de inwerkingtreding van dit Arbeidstijdenbesluit vervoer, een tijdelijke regeling te treffen.

2. Van RDHL naar Atw

Het RDHL heeft binnen het arbeidsvoorwaardenoverleg van de Nederlandse Spoorwegen steeds een bijzondere positie ingenomen. De Centrale Regeling Arbeids- en Rusttijden (CRAR), die door sociale partners wordt afgesloten en als aanhangsel bij de cao wordt gevoegd, was steeds een nadere uitwerking van het betreffende hoofdstuk in het RDHL. De CRAR is cruciaal voor de opstelling van de werkroosters ter uitvoering van de dienstregeling. Om die reden is het gewenst de invoering van een nieuwe werktijdenregeling te koppelen aan de invoering van een nieuwe dienstregeling.

In de laatste cao-onderhandelingen is ervan uitgegaan dat de arbeids- en rusttijdenregeling gebaseerd zou zijn op de Arbeidstijdenwet, en dat deze zou ingaan met de winterdienstregeling van 1997/1998, dat is op 1 oktober 1997.

Nagegaan is in hoeverre onverkorte toepassing van de Atw, uitgaande van het RDHL, knelpunten zou opleveren. Daarbij bleek dat dat slechts op een tweetal onderwerpen het geval zou kunnen zijn.

In de eerste plaats betreft dit de pauze voor personeel in of op railvoertuigen. Vooral de uitvoering van de in het personenvervoer geldende dienstregeling, waarbij vertragingen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, brengt met zich dat de omvang en de ligging van de pauze niet kan worden gegarandeerd.

Door een wijziging van het Arbeidstijdenbesluit, die met ingang van 1 juli 1997 van kracht is geworden, (Stb. 1997, 228), is dit knelpunt inmiddels opgelost, zodat met de regeling van de pauze volledig op de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit kan worden teruggevallen.

Het tweede knelpunt betreft de nachtdienst. Het onderhavige besluit strekt er vooral toe om hieraan invulling te geven. In de artikelsgewijze toelichting wordt hierop nader ingegaan.

3. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Artikel 2 sluit de toepasselijkheid van dit besluit uit voor werknemers die arbeid verrichten op trams, op metro's en op railvoertuigen op spoorwegen die aansluiten aan een spoorweg of een lokaalspoor- of tramweg doch niet zijn opengesteld voor het openbaar vervoer van personen of goederen. Voor arbeid op deze railvoertuigen is met ingang van 1 oktober 1997 het «reguliere» Arbeidstijdenwet-regime van kracht.

Dit besluit is derhalve van toepassing op werknemers, die in of op een trein werken, in casu machinisten, treinbestuurders en conducteurs. Dit zijn werknemers, die werkzaam zijn in het zgn. primaire proces. Voor andere werknemers, die werkzaamheden verrichten die direct samenhangen met het primaire proces, wordt verwezen naar artikel 6 van dit Besluit.

De reikwijdte van het besluit is voorts beperkt tot werknemers van 18 jaar of ouder. Voor jeugdige werknemers geldt op grond van artikel 5:5, eerste lid, van de wet een verbod op nachtarbeid.

Artikelen 3 en 4

De in de wet opgenomen nachtdienstregeling biedt onvoldoende ruimte om de in het kader van het RDHL en de CRAR tot stand gekomen roosters uit te voeren. Dit komt omdat in het RDHL alleen diensten die de uren tussen 02.00 uur en 04.00 uur geheel of gedeeltelijk omvatten als nachtdienst worden aangemerkt (in de wet zijn dat diensten tussen 00.00 uur en 06.00 uur). In het RDHL jo. de CRAR werden, gerekend over een periode van 13 weken, 32,5 van dergelijke nachtdiensten toegestaan. Doordat het nachtdienst-begrip van de wet meer diensten als zodanig worden aangemerkt, is het eerdergenoemd aantal van 32,5 niet meer toereikend. Een in opdracht van de Nederlandse Spoorwegen door het Instituut voor arbeidsvraagstukken van de Katholieke Universiteit Brabant (IVA) uitgevoerd onderzoek bevestigt dit.1

Een ruimere regeling dan de wettelijke is derhalve noodzakelijk. Het goederenvervoer behoeft een ruimere regeling dan het personenvervoer. Artikel 3 geeft de afwijking aan voor het personenvervoer, terwijl in artikel 4 de afwijking voor het goederenvervoer is neergelegd. In het tweede lid van artikel 4 wordt aangegeven dat kan worden afgeweken van het aantal nachtdiensten per periode van 13 achtereenvolgende weken, namelijk 42 nachtdiensten en 140 per periode van 52 weken, waardoor toch weer op een gemiddelde van 35 per 13 weken wordt uitgekomen.

Deze normstelling hangt samen met het feit dat het vervoer van goederen per spoor voor het overgrote deel 's nachts plaatsvindt. In dat opzicht zijn deze werkzaamheden te vergelijken met bijvoorbeeld dagbladpers en bakkers.

Een probleem bij het personenvervoer levert nog de bepaling in de wet op dat na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 5 nachtdiensten een rust moet worden genoten van tenminste 48 uur. Om hieraan te allen tijde te kunnen voldoen, en tegelijkertijd een efficiënte inroostering te waarborgen, zou het nodig zijn om personeel op vaste lijnen in te zetten, hetgeen doorgaans door dat personeel niet op prijs wordt gesteld. Een verlichting van deze bepaling door 4 maal per 13 weken 47 uur toe te staan is voldoende om hieraan tegemoet te komen.

De overige normeringen van artikel 5:8 van de wet, waarvan in deze artikelen niet wordt afgeweken, blijven onverkort gelden, evenals de overige artikelen van de wet evenals het Arbeidstijdenbesluit met uitzondering van hoofdstuk 5.

Zoals in paragraaf 2 reeds is aangegeven, is vanuit de bestaande regeling (RDHL en CRAR) nagegaan in hoeverre de Atw knelpunten zou opleveren. Over de normen vindt binnen de geldende cao dus geen onderhandeling meer plaats. Daarom geldt in het onderhavige besluit dan ook geen standaard- en overlegregeling, maar een enkelvoudig, strafrechtelijk gesanctioneerd normenstelsel. Dit is tot uitdrukking gebracht door aan te geven dat de «enkelvoudige» norm afwijkt van artikel 5:8, zowel waar het de standaard- als de overlegregeling betreft. Met de inwerkingtreding van het Arbeidstijdenbesluit vervoer voor het personeel in en op railvoertuigen zal ook voor deze sector het systeem van standaard- en overlegregeling van toepassing worden.

Artikel 5

In artikel 11:3, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet is aangegeven, dat het niet-naleven van de voorschriften krachtens de artikelen 2:7, eerste lid, 4:3, tweede tot en met vierde lid, en 5:12, tweede lid, eerst als economische delict kunnen worden aangemerkt als deze niet-naleving is aangeduid als strafbaar feit. Aan deze «aanduidingsverplichting» is gevolg gegeven in artikel 5. Daar waar sprake is van een strafrechtelijk gesanctioneerde norm wordt, conform de Arbeidstijdenwet, de terminologie gebezigd «de werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat ...». Een en ander brengt met zich, dat de werkgever strafrechtelijk aansprakelijk is voor het niet naleven van de als strafbare feiten aangeduide normering.

Artikel 6

Artikel 5:12, tweede lid onder a van de Arbeidstijdenwet biedt de mogelijkheid om voor personen, werkzaam in of op railvoertuigen of motorrijtuigen, regels te stellen die afwijken van, in de plaats komen van of strekken ter aanvulling van hetgeen in paragraaf 5.2 (arbeids- en rusttijden) is bepaald.

De tot de inwerkingtreding van dit besluit geldende regeling voor het railvervoer (RDHL) beperkt zich echter niet tot personen in of op railvoertuigen, maar geldt het gehele in dienst van spoorwegbedrijven werkzame personeel, met uitzondering van die categorieën die bij of krachtens artikel 89 van de Arbeidswet 1919 onder die wet zijn gebracht (personeel werkzaam in lijnwerkplaatsen en koffiehuizen).

Voor de regeling die in de plaats moet treden van het betreffende hoofdstuk van het RDHL betekent dit dat de arbeids- en rusttijdenregeling voor personeel over twee besluiten verdeeld zal worden. Voor werknemers van 18 jaar of ouder die arbeid verrichten die direct samenhangt met de werkzaamheden verricht in het kader van het vervoer van personen en goederen in het zogenoemde «primaire proces», zijn de afwijkende regelingen neergelegd in het Arbeidstijdenbesluit. In de artikelen 5.22:2, eerste lid, en 5.22:3, eerste lid, wordt precies aangegeven over welke werknemers van 18 jaar of ouder het gaat.

Ook hier hebben de afwijkende bepalingen betrekking op het verrichten van het aantal nachtdiensten. En ook hier geldt voor de duur van het besluit één norm, dus ten aanzien van het aantal nachtdiensten geen standaard- en overlegregeling. Indien het onderhavige besluit vervalt, zal derhalve een nadere wijziging van paragraaf 5:22 plaats vinden.

Artikel 7

Afdeling III van hoofdstuk VI van het RDHL en afdeling II van hoofdstuk VI van het Metroreglement bevatten bepalingen inzake arbeids- en rusttijden van het betreffende personeel. Deze bepalingen komen als gevolg van dit besluit en het daarmee inwerkingtreden van de wet te vervallen.

Artikel 8

Het besluit waarbij de wet in werking is getreden (Stb. 1995, 600) heeft niet voorzien in de inwerkingtreding van de artikelen 12:3 en 12:4. Om die reden voorziet dit besluit in de inwerkingtreding van deze bepalingen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert


XNoot
1

Stb. 1995, 599, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 mei 1997, Stb. 228.

XNoot
2

Stb. 1977, 152, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 september 1997, Stb. 409.

XNoot
3

Stb. 1981, 700, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 8 september 1997, Stb. 409.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

XNoot
1

Onderweg naar nieuwe werktijden, nieuwe Arbeidstijdenwet/planning van arbeid bij NS reizigers, IVA Tilburg, maart 1996.