Besluit van 22 juli 1997 tot wijziging van de gevangenismaatregel in verband met de gemeenschappelijke onderbrenging van onveroordeelden of veroordeelden in een huis van bewaring

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Minister van Justitie van 11 juli 1997, Directie Wetgeving (nr. 640220/97/6);

Gelet op artikel 22 van het Wetboek van Strafrecht en 23 van de Gevangenismaatregel;

De Raad van State gehoord (advies van 17 juli 1997, No. W03.97.0418);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 18 juli 1997, Directie Wetgeving (nr. 641876/97/6);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

De >Gevangenismaatregel1 wordt als volgt gewijzigd:

Aan artikel 23 worden een vierde en vijfde lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Onveroordeelde gedetineerden kunnen zo nodig en indien zij hiertoe geschikt zijn bevonden, in één verblijfsruimte worden ondergebracht.

  • 5. Veroordeelden tot gevangenisstraf kunnen zo nodig en indien zij hiertoe geschikt zijn bevonden, in één verblijfsruimte worden ondergebracht.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit beluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

Tavarnelle, 22 juli 1997

Beatrix

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de negenentwintigste juli 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Bij besluit van 8 juli 1994 werden aan artikel 23 van de Gevangenismaatregel twee artikelleden toegevoegd waardoor het mogelijk werd onveroordeelden en veroordeelden die in een huis van bewaring verblijven in voorkomende omstandigheden met meer gedetineerden in één verblijfsruimte te plaatsen. Aan de werking van dat besluit was een zogenoemde horizonbepaling verbonden, de regeling vervalt op 20 juli 1997.

De redengeving voor de toenmalige wijziging was gelegen in het hoge aantal heenzendingen en vormde een van de noodmaatregelen die destijds werden genomen. De andere maatregelen die sindsdien zijn genomen betreffen verschillende capaciteitsuitbreidingen.

Ten tijde van de wijziging van de Gevangenismaatregel in 1994 werd reeds gewerkt aan de totstandkoming van de Penitentiaire beginselenwet. In deze wet wordt voorzien in de mogelijkheid van het samenplaatsen van gedetineerden voor zover zij in een regime van algemene gemeenschap kunnen worden geplaatst. Bij voornoemde wijziging van de Gevangenismaatregel was de verwachting dat nog vóór het vervallen van de leden 4 en 5 van artikel 23 deze nieuwe wet in werking zou zijn getreden. Het wetsvoorstel voor een Penitentiaire beginselenwet is thans in behandeling bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal (ingediend op 15 april jl.). Afhankelijk van de behandeling aldaar is inwerkingtreding van deze wet voorzien begin 1998.

Met het vervallen van de mogelijkheid om (on)veroordeelden in huizen van bewaring in voorkomende gevallen met meer op één cel te plaatsen ziet het gevangeniswezen zich geconfronteerd met een probleem. Ook na de recente uitbreidingen van het gevangeniswezen is het beschikbare aanbod van cellen in de huizen van bewaring beperkt. In het kader van het terugdringen van het aantal heenzendingen worden deze inrichtingen verplicht een maximale bezetting te realiseren. Dit kan alleen door het samenplaatsen van gedetineerden. Indien het samenplaatsen niet meer tot de mogelijkheden zou behoren, zou het aantal heenzendingen weer oplopen. Dit is een absoluut ongewenst gevolg. Bovendien zou in situaties waarbij sprake is van calamiteiten en een groot aantal gedetineerden tegelijk moet worden ingesloten dit niet mogelijk zijn. Vandaar dat thans wederom wordt bepaald dat het samenplaatsen van deze gedetineerden tot de mogelijkheid behoort. Deze regeling zal met de inwerkingtreding van de Penitentiaire beginselenwet worden vervangen door de bepaling waardoor gedetineerden die in het regime van algehele gemeenschap verblijven met meerdere in één verblijfsruimte geplaatst kunnen worden (artikel 20, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet).

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1977, 579, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 22 mei 1997, Stb. 217.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.

Naar boven