Besluit van 5 juli 1997, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van bedrijfsgerichte internationale technologieprogramma's (Besluit subsidies bedrijfsgerichte internationale technologieprogramma's)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 12 december 1996, nr. WJA/JZ 96079468;

Gelet op artikel 2 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ;

De Raad van State gehoord (advies van 16 april 1997, nr. W10.96.06003);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde minister van 2 juli 1997, nr. WJA/JZ 97033162;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. project: een haalbaarheidsstudie of een onderzoekproject;

b. haalbaarheidsstudie: het tot stand brengen van een schriftelijk rapport, inhoudende een systematisch opgezette en afgeronde analyse en inschatting van de technische en economische mogelijkheden van een onderzoekproject;

c. onderzoekproject: een voor Nederland nieuwe, planmatige activiteit, bestaande uit fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of pre-concurrentiële ontwikkeling;

d. fundamenteel onderzoek: het uitbreiden van de algemene wetenschappelijke en technische kennis, zonder industriële of commerciële doelstellingen;

e. industrieel onderzoek: het opdoen van nieuwe kennis met het doel deze te gebruiken bij de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten of om bestaande producten, processen of diensten aanmerkelijk te verbeteren;

f. pre-concurrentiële ontwikkeling: het omzetten van de resultaten van industrieel onderzoek in plannen, schema's of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, processen of diensten;

g. ondernemer: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een onderneming die bij regeling van Onze Minister is uitgesloten.

h. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit tenminste twee, niet in een groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen, onder wie ten minste een ondernemer;

i. groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:

1°. een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon, die direct of indirect:

– meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,

– volledig aansprakelijk vennoot is van of

– overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en

2°. laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen.

Artikel 2

  • 1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een ondernemer die voor eigen rekening en risico of de deelnemers in een samenwerkingsverband die voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoert respectievelijk uitvoeren, indien:

    a. het project past in een internationaal technologieprogramma en

    b. het project wordt uitgevoerd in samenhang met activiteiten die worden uitgevoerd door een of meer niet in Nederland gevestigde en niet tot de groep van de ondernemer of een deelnemer in het samenwerkingsverband behorende natuurlijke personen of rechtspersonen.

  • 2. Onze Minister wijst bij ministeriële regeling de internationale technologieprogramma's aan. Daarbij kan hij bepalen dat in het kader van een internationaal technologieprogramma slechts subsidie wordt verstrekt terzake van haalbaarheidsstudies of onderzoekprojecten, activiteiten aanwijzen die niet tot een project worden gerekend alsmede nadere criteria voor het verstrekken van subsidies vaststellen.

  • 3. Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.

  • 4. Geen subsidie wordt verstrekt, indien voor het project reeds door Onze Minister subsidie is verstrekt.

Artikel 3

  • 1. De subsidie bedraagt 37,5 procent van de projectkosten, doch niet meer dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag.

  • 2. Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een ander bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidies is verstrekt, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan 50 procent van de projectkosten.

Artikel 4

  • 1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:

    a. de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door een subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten:

    1°. loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het brutojaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3, 4 en 13 van de loonstaat van het betrokken directe personeel en, tot een maximum van 10 procent van de loonkosten per subsidie-ontvanger, van het met projectmanagement belaste personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;

    2°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

    3°. de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, of afschrijvingstermijnen, berekend op basis van de historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, een lineaire afschrijvingsmethode en een levensduur van vijf jaar;

    4°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoekactiviteiten en ter zake van de verwerving van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van de bescherming van die rechten en, tot een maximum van 10 procent van de projectkosten, ter zake van projectmanagement, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;

    5°. reis- en verblijfskosten alsmede kosten van deelneming aan wetenschappelijke symposia, tot ten hoogste een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de onder 1° bedoelde loonkosten;

    b. een opslag voor algemene kosten, groot 25 procent van de onder a, aanhef en onder 1°, bedoelde kosten.

  • 2. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, aanhef en onder 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, kan Onze Minister daarvoor een redelijk bedrag vaststellen, dat als projectkosten mede in aanmerking wordt genomen.

  • 3. Onze Minister kan toestaan dat in afwijking van het eerste lid het uurloon en de opslag voor algemene kosten worden vastgesteld overeenkomstig een in de gehele organisatie van een subsidie-ontvanger gebruikelijke, controleerbare methodiek.

  • 4. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van de verschuldigde omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

Artikel 5

  • 1. Er is een Adviescollege internationale technologieprogramma's, dat tot taak heeft:

    a. Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van dit besluit;

    b. Onze Minister te adviseren omtrent andere aangelegenheden met betrekking tot de uitvoering van internationale technologieprogramma's.

  • 2. Het adviescollege bestaat uit een voorzitter en ten minste twee en ten hoogste acht andere leden.

  • 3. De voorzitter en de leden worden door Onze Minister voor een termijn van ten hoogste drie jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.

  • 4. Het adviescollege stelt zijn eigen werkwijze vast.

  • 5. Een lid van het adviescollege neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.

  • 6. Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van het adviescollege bij te wonen.

  • 7. In het secretariaat van het adviescollege wordt door Onze Minister voorzien.

  • 8. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van het adviescollege geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van het adviescollege opgeborgen in het archief van dat ministerie.

Artikel 6

  • 1. Een ministeriële regeling, houdende de aanwijzing van een internationaal technologieprogramma, voorziet in de vaststelling van een of meer subsidieplafonds en bepaalt hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

  • 2. Indien een ministeriële regeling voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van een internationaal technologieprogramma, voorziet het tevens in het door Onze Minister vaststellen van perioden waarbinnen aanvragen kunnen worden ingediend.

§ 2. Aanvraag en beslissing op de aanvraag

Artikel 7

  • 1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.

  • 2. De aanvraag gaat vergezeld van een projectplan en een begroting voor het project alsmede andere bescheiden, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

  • 3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient een der deelnemers in het samenwerkingsverband de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag vergezeld van de overeenkomst waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

Artikel 8

Onze Minister geeft een beschikking binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

Artikel 9

  • 1. Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

    a. indien de aanvraag niet voldoet aan dit besluit en de daarop berustende bepalingen;

    b. indien hij de projectkosten raamt op minder dan een bij regeling van Onze Minister vastgesteld bedrag;

    c. indien hij het onaannemelijk acht, dat het project binnen vier jaar kan worden uitgevoerd;

    d. indien gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het project niet kunnen financieren;

    e. voor zover subsidieverlening in strijd zou zijn met bij regeling van Onze Minister vastgestelde regels omtrent de mate waarin aan aanvragers meerdere malen subsidie kan worden verleend op grond van dit besluit;

    f. in geval van een onderzoekproject, indien hij de projectkosten die rechtstreeks toe te rekenen zijn aan fundamenteel en industrieel onderzoek raamt op minder dan de helft van de totale projectkosten.

  • 2. Onze Minister kan, indien vooralsnog onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van een project, de aanvraag gedeeltelijk afwijzen, met dien verstande dat subsidie wordt verleend ter zake van de projectkosten, verbonden aan het uitvoeren van een eerste fase van het project, gedurende een in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden periode.

Artikel 10

  • 1. Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 9, eerste lid, afwijzend wordt beslist het advies in van het Adviescollege internationale technologieprogramma's.

  • 2. Het college geeft aan Onze minister in ieder geval een negatief advies:

    a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het project;

    b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;

    c. indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.

§ 3. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Artikel 11

  • 1. Aan de subsidieverlening zijn voor alle subsidie-ontvangers de in de artikelen 12 tot en met 15 opgenomen verplichtingen verbonden, met dien verstande dat de in artikel 14 opgenomen verplichtingen slechts gelden voor de subsidie-ontvanger die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden.

  • 2. De in de artikelen 12, 13 en 14 opgenomen verplichtingen gelden tot aan de dag waarop de subsidie wordt vastgesteld. De in artikel 15 opgenomen verplichtingen gelden totdat vijf jaren na die dag zijn verstreken.

Artikel 12

  • 1. De subsidie-ontvanger voert het project uit overeenkomstig het projectplan waarop de subsidieverlening betrekking heeft en voor het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van het project.

  • 2. De subsidie-ontvanger voert het project in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

Artikel 13

  • 1. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle projectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 4, eerste lid, onderscheiden kostensoorten, met dien verstande dat ter zake van de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer aanwezig dient te zijn.

  • 2. De subsidie-ontvanger doet onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem bij de rechtbank is ingediend daarvan mededeling aan Onze Minister.

Artikel 14

  • 1. De subsidie-ontvanger brengt steeds na afloop van een periode van zes maanden aan Onze Minister schriftelijk verslag uit omtrent de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.

  • 2. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag tot subsidievaststelling in binnen zes maanden na het tijdstip waarop het samenwerkingsproject ingevolge artikel 12, eerste lid, moet zijn uitgevoerd bij Onze Minister.

  • 3. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat door Onze minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.

  • 4. De aanvraag gaat vergezeld van een accountantsverklaring en een eindverslag omtrent de uitvoering en de resultaten van het project, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

Artikel 15

  • 1. De subsidie-ontvanger draagt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, met betrekking tot de resultaten van het project zorg voor:

    a. de tenaamstelling op eigen naam en de verwerving van rechten van intellectuele eigendom op de resultaten die daarvoor in aanmerking komen;

    b. de instandhouding van de in het eerste lid bedoelde rechten;

    c. de instandhouding van andere voor de uitvoering van het project van belang zijnde en door de uitvoering van het project opgedane kennis.

  • 2. De subsidie-ontvanger stelt, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet ter beschikking aan derden:

    a. rechten van intellectuele eigendom op de resultaten van het project;

    b. aanspraken op een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;

    c. rechten die voortvloeien uit een aanvraag om een intellectueel eigendomsrecht op de resultaten van het project;

    d. niet door rechten van intellectuele eigendom beschermde resultaten van het project.

  • 3. De subsidie-ontvanger belast, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, de in het tweede lid bedoelde rechten en aanspraken niet met een zekerheidsrecht ten behoeve van een derde.

  • 4. De subsidie-ontvanger brengt desgevraagd aan Onze Minister verslag uit omtrent de toepassing van de resultaten van het project.

  • 5. De subsidie-ontvanger zal, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van Onze Minister, niet:

    a. indien hij een rechtspersoon is, de rechtspersoon ontbinden of geheel of gedeeltelijk vervreemden;

    b. indien hij deelnemer is in een samenwerkingsverband in de vorm van een commanditaire vennootschap, een vennootschap onder firma of maatschap, meewerken aan de ontbinding ervan of aan het uittreden van een of meer deelnemers ervan.

Artikel 16

  • 1. Onze Minister kan aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 12 en 15 voorschriften verbinden.

  • 2. Onze Minister kan op aanvraag van de betrokkene bij het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 12, eerste lid, het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag verhogen, indien dit noodzakelijk is omdat de met het project samenhangende activiteiten, die buiten Nederland worden uitgevoerd, uitgevoerd gaan worden door anderen dan oorspronkelijk was voorzien. De artikelen 9, eerste lid, onder e, en 10 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Voorschotten

Artikel 17

  • 1. Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt kunnen op aanvraag van de subsidie-ontvanger door Onze Minister voorschotten worden verstrekt.

  • 2. Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. In totaal zal het bedrag aan voorschotten niet groter zijn dan 80 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag.

  • 3. Bij de toepassing van het tweede lid wordt de opslag, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder b, geacht gemaakt en betaald te zijn voor zover de kosten waarover hij wordt berekend zijn gemaakt en betaald.

  • 4. Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het bedrag aan voorschot ten minste f 10 000,00 bedraagt.

Artikel 18

  • 1. Een aanvraag wordt ingediend gelijktijdig met het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 14, eerste lid.

  • 2. Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier, dat door Onze Minister wordt vastgesteld. Onze Minister kan bij ministeriële regeling hiervan vrijstelling verlenen.

  • 3. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie in de zin van dit besluit is opgetreden, de aanvraag mede namens de andere deelnemers in en gaat de aanvraag, indien het een eerste voorschot betreft, vergezeld van een verklaring van de indiener van de aanvraag waarin hij zich aansprakelijk stelt voor terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidie-ontvangers daartoe verplicht zijn, overeenkomstig hetgeen in het formulier is vermeld.

Artikel 19

Onze Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag, indien een subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen.

§ 5. Subsidievaststelling

Artikel 20

Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor de indiening ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de betrokkene daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

§ 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 21

Tot het tijdstip waarop de Kaderwet EZ-subsidies in werking treedt gelden de volgende bepalingen:

a. artikel 1, eerste lid, onder g, van dit besluit is niet van toepassing;

b. de artikelen 4:25, tweede en derde lid, 4:30, 4:31, 4:35, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, 4:36, 4:37, 4:40, 4:44, derde en vierde lid, 4:45, 4:46, eerste lid, tweede lid, aanhef en onder a en d, en derde lid, en 4:47 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing;

c. artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies is van toepassing;

d. artikel 8 van de Kaderwet EZ-subsidies en afdeling 5:2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van toepassing.

Artikel 22

Het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologiestimulering internationale programma's en de Subsidieregeling technologische samenwerking met Indonesië worden ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verleend of vastgesteld.

Artikel 23

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 24

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies bedrijfsgerichte internationale technologieprogramma's.

Lasten en bevelen, dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 5 juli 1997

Beatrix

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

Uitgegeven de vierentwintigste juli 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Het onderhavige besluit behelst de voortzetting van het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologiestimulering internationale programma's. Daarmee wordt het beleid voortgezet waarmee wordt beoogd samenwerking tussen Nederlandse en buitenlandse ondernemingen op technologisch gebied te bevorderen. De aan onderzoek verbonden hoge kosten en risico's en de toenemende complexiteit van de verschillende technologiegebieden nopen bedrijven meer en meer om onderzoek samen met anderen uit te voeren. Landsgrenzen worden hierbij – en dat geldt zeker voor een klein land als Nederland – steeds minder relevant. Daarnaast bieden internationale technologieprogramma's kansen aan Nederlandse bedrijven op voor hen nieuwe markten.

Aanleiding voor het vaststellen van een nieuw besluit is het tot stand komen van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Kaderwet EZ-subsidies. Die vergden een zó ingrijpende wijziging van het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologiestimulering internationale programma's, dat het doelmatiger was een nieuw besluit vast te stellen. Materieel komt het nieuwe besluit in belangrijke mate overeen met het oude.

Niettemin is het onderhavige besluit, nu de derde tranche van de Awb en de Kaderwet EZ-subsidies nog niet in werking zijn getreden, vooralsnog gebaseerd op de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ. Het is de bedoeling dat het besluit te zijner tijd op de Kaderwet EZ-subsidies gebaseerd zal worden. Daardoor zal bij deze wet bij gelegenheid van de aanpassingswetgeving voor de derde tranche van de Awb een voorziening worden opgenomen. In artikel 21 zijn enige overgangsbepalingen opgenomen.

Het besluit zal namens de Minister van Economische Zaken worden uitgevoerd door het Agentschap Senter, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Economische Zaken voor technologie, energie en milieu, te 's-Gravenhage.

ARTIKELEN

Artikel 1

Onderscheid dient gemaakt te worden tussen het project in de zin van het onderhavige besluit en het (internationale) project in het kader van een internationaal technologieprogramma. Het onderzoekproject in de zin van het onderhavige besluit is per definitie (een deel van) het Nederlandse deel van een internationaal project. De eisen die aan een internationaal project gesteld worden kunnen zeer wel afwijken van die welke in het onderhavige besluit aan het Nederlandse deel worden gesteld.

In lijn met het vorenstaande wordt met de ondernemer en het samenwerkingsverband in het onderhavige besluit alleen gedoeld op de in Nederland werkzame deelnemers aan het internationale project. In een samenwerkingsverband kunnen, naast ten minste een ondernemer, bij voorbeeld technologische instituten of universiteiten deelnemen. Instituten en universiteiten kunnen fungeren als volwaardige partners in een samenwerkingsverband, maar ook als aannemer van werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van een deelnemer. Van het Nederlandse samenwerkingsverband dient dus onderscheiden te worden het internationale verband van degenen die het internationale project uitvoeren.

De verschillende stadia van het traject van onderzoek en ontwikkeling zijn in dit artikel gedefinieerd overeenkomstig de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (PbEG 1996, C 45). Fundamenteel onderzoek is het verst van de markt verwijderd. Daarom is het element «zonder industriële of commerciële doelstellingen» in de definitie opgenomen. Dit sluit uiteraard niet uit, dat fundamenteel onderzoek deel uitmaakt van een project, dat uiteindelijk tot commerciële activiteiten zal leiden. Ingevolge artikel 9, eerste lid, onder f, moeten onderzoekprojecten ten minste voor de helft bestaan uit fundamenteel of industrieel onderzoek.

Pre-concurrentiële ontwikkeling staat het dichtst bij de markt. Het omvat nog de fabricage van een eerste prototype dat niet voor commerciële doeleinden kan worden aangewend. Voorts kan daaronder de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, processen of diensten worden verstaan en eerste demonstratie- of modelprojecten, voor zover deze projecten niet voor industriële toepassing of commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt gemaakt. Onder pre-concurrentiële ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen of diensten en andere courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen zijn.

In een ministeriële regeling, waarin een internationaal technologieprogramma wordt aangewezen, kunnen activiteiten worden aangewezen, die niet tot een samenwerkingsproject worden gerekend. Daarbij kan gedacht worden aan het uitsluiten van onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten op bepaalde gebieden, met betrekking tot bepaalde technologieën of met het oog op bepaalde diensten en producten.

In verband met de kosten en de risico's die gemoeid zijn met onderzoekprojecten is het veelal raadzaam de haalbaarheid van een beoogd project te bestuderen. Hierdoor kan onzekerheid op technisch gebied maar ook wat betreft de organisatie van het project en de (internationale) marktkansen ervan, zoveel mogelijk worden weggenomen.

Artikel 2

Dit artikel bevat, te zamen met de krachtens artikel 2, tweede lid, vast te stellen nadere criteria, de afwijzingsgronden in artikel 9 en de in artikel 10 genoemde gronden voor een negatief advies, de criteria voor het verstrekken van subsidie. Centraal in artikel 2 staat, dat het moet gaan om een project in de zin van dit besluit en dat dit project moet passen in een internationaal technologieprogramma. Dit impliceert dat het project moet voldoen aan alle in de van toepassing zijnde definities van artikel 1 opgenomen elementen.

De programma's worden bij ministeriële regeling aangewezen. Daarbij kan verwezen worden naar een bestaand verdrag of administratief akkoord, maar ook naar een door de minister vastgesteld programma. Thans zijn er drie programma's die voor aanwijzing in aanmerking komen: Eureka, het Memorandum of understanding inzake technologische samenwerking Nederland-Israël en de technologische samenwerking Nederland-Indonesië.

De bepaling van het derde lid, dat de subsidie wordt verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk impliceert, dat de subsidie wordt berekend over alle projectkosten, zonder dat een uitsplitsing wordt gemaakt naar de mate waarin de deelnemers in het samenwerkingsverband kosten hebben gemaakt. De verdeling van de als één bedrag vastgestelde subsidie onder de deelnemers is een zaak van de deelnemers onderling. De betaling geschiedt aan één van hen, die mede namens de anderen de aanvraag heeft ingediend.

Het is mogelijk, dat een project op grond van meer dan één regeling voor subsidie in aanmerking kan komen. Dat kan een regeling van een ander ministerie zijn, maar ook binnen het stimuleringsinstrumentarium van het Ministerie van Economische Zaken is het niet uitgesloten. Te denken valt aan het Besluit subsidies bedrijfsgerichte technologische samenwerkingsprojecten. Omdat ik het ongewenst acht dat ten behoeve van één project een beroep gedaan kan worden op meerdere subsidie-instrumenten van het Ministerie van Economische Zaken, is erin voorzien dat slechts op grond van één regeling subsidie wordt verstrekt. Mede-subsidiëring van een project door andere bestuursorganen dan de Minister van Economische Zaken leidt niet tot afwijzing van een aanvraag. Wel bevat artikel 3, tweede lid, een anti-cumulatieregeling terzake.

Artikel 3

Voor de toepassing van het tweede lid wordt een vermindering van af te dragen belasting in verband met speur- of ontwikkelingswerk niet als subsidie beschouwd. Bekostiging van onderwijs en onderzoek door een bestuursorgaan wordt er wel toe gerekend. Onder subsidies worden ook garanties en kredieten verstaan. Voor zover zo'n bekostiging of een subsidiëring uit anderen hoofde geschiedt ter zake van de projectkosten wordt daarmee rekening gehouden bij de verlening en de vaststelling van de subsidie in die zin, dat het bedrag ervan in mindering wordt gebracht op de subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, van dit besluit voor zover dat nodig is om te voorkomen dat het totale bedrag aan subsidie meer bedraagt dan 50 procent van de projectkosten.

Artikel 4

In dit artikel is een limitatieve omschrijving van de projectkosten opgenomen, die in aanmerking worden genomen bij de toepassing van artikel 3. Daarnaast is deze omschrijving van belang voor de toepassing van artikel 13, eerste lid, en artikel 17.

Bij de bepaling van de loonkosten wordt uitgegaan van het fiscale loon, zoals dat moet worden ingevuld op de loonstaat, die door de werkgever moet worden bijgehouden ingevolge de Wet op de loonbelasting 1964. Hierbij gaat het om het directe personeel; dat is het personeel dat rechtstreeks productieve arbeid verricht ten behoeve van het project, en het personeel dat belast is met het projectmanagement. De arbeidsuren van dit personeel dienen verantwoord te worden. Daartoe is in artikel 13 de verplichting opgenomen een sluitende tijdschrijving bij te houden. Daarbij wordt uitgegaan van ten hoogste 1600 productieve uren per persoon per jaar.

Onder sociale lasten worden verstaan de werkgeverslasten ter zake van sociale verzekering, vervroegd uittreden en pensioen.

In het tweede lid is een voorziening getroffen voor de gevallen waarin geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid worden gemaakt. Daarbij gaat het om gevallen waarin het project wordt uitgevoerd door een of meer natuurlijke personen, die zelfstandige ondernemers zijn. Een voorbeeld van een samenwerkingsverband van zulke ondernemers is een vennootschap onder firma.

In het derde lid is een voorziening getroffen voor gevallen waarin bij een deelnemer in een samenwerkingsverband een afwijkende methodiek voor de berekening van het uurloon in gebruik is en in redelijkheid niet gevergd kan worden dat hij een administratie gaat voeren die uitgaat van het onderhavige besluit. Dat zal zich met name kunnen voordoen bij kennisinstellingen.

Onder verbruikte materialen worden stoffen verstaan die bestemd zijn voor eenmalig gebruik ten behoeve van het project, en die na be- of verwerking geen zelfstandige zaak meer zijn. Onder de kosten hiervan worden ook begrepen de kosten van verloren productie bij beproevingen. Een prototype of pilotplant valt derhalve niet onder dit begrip verbruikt materiaal, omdat dit wel zelfstandige zaken zijn.

Hulpmiddelen zijn zelfstandige zaken die speciaal voor het project worden aangeschaft, niet langer dan gedurende het project worden gebruikt en na afloop van het project niet meer bruikbaar zijn. Hierbij valt bij voorbeeld te denken aan proefmatrijzen.

Onder aangeschafte apparatuur wordt niet alleen apparatuur verstaan die is verworven door koop, maar ook door met koop gelijk te stellen rechtsfiguren waarbij de eigendom, althans de economische eigendom komt te liggen bij degene die de apparatuur heeft aangeschaft. Daarbij moet met name worden gedacht aan «financial lease». Het gaat dan om gevallen waarin het economisch risico berust bij de lessee, de overeenkomst niet opzegbaar is en de lessee na afloop van de overeenkomst het recht heeft de apparatuur om niet of nagenoeg om niet in eigendom te verwerven.

Bij de toerekening van de kosten van machines en apparatuur wordt uitgegaan van de – in het besluit genormeerde – afschrijvingskosten of, in geval van lease, van de betaalde lease-termijnen. Deze worden in aanmerking genomen voor zover zij zijn toe te rekenen aan het project. Dat geschiedt naar evenredigheid van de tijd gedurende welke de machines worden gebruikt voor het project.

Bij de onder 4° bedoelde, aan derden verschuldigde kosten gaat het om niet van het samenwerkingsverband deel uitmakende derden. Ter zake van studies en onderzoekactiviteiten valt te denken aan de diensten van ingenieursbureaus en onderzoekinstellingen. Bij de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten kan gedacht worden aan de aankoop van niet publiek toegankelijke technische know how en aan het verwerven van octrooien en licenties. Met betrekking tot licenties zij er echter op gewezen, dat licenties voor het gebruik van niet specifiek voor het project noodzakelijke software worden gerekend tot de computerprogrammatuur, die onderdeel uitmaakt van de apparatuur. Daarvoor geldt de regeling onder 3°.

Het maximumpercentage voor de reis- en verblijfkosten zal bij ministeriële regeling worden vastgesteld ten einde dit te kunnen laten variëren per internationaal technologieprogramma. Bij een programma dat gericht is op een ver land zal een hoger percentage aanvaardbaar zijn dan bij voorbeeld bij het Europese Eureka-programma.

Artikel 5

De bepaling in het vierde lid, dat het adviescollege zijn eigen werkwijze vast stelt, impliceert dat het college aparte kamers in kan stellen, die bij voorbeeld belast worden met zaken die betrekking hebben op een specifiek internationaal technologieprogramma.

Artikel 6

Het besluit biedt een basis voor subsidiëring in het kader van internationale technologieprogramma's, die onderling grote verschillen kunnen vertonen. Zo zullen er programma's zijn in het kader waarvan doorlopend aanvragen kunnen worden ingediend, waarbij voor de uitputting van het budget de «wie het eerst komt ....»-regel geldt, terwijl in andere gevallen slechts gedurende bepaalde perioden aanvragen kunnen worden ingediend, die vervolgens onderling worden vergeleken en waarop gelijktijdig wordt beslist. Bij ministeriële regeling kan een en ander worden geregeld. Ingevolge artikel 2, tweede lid, kunnen daarbij ook nadere criteria worden vastgesteld. Steeds zal echter voorzien moeten worden in de instelling van een subsidieplafond.

Artikel 7

Niet vereist is, dat voor het desbetreffende project nog geen kosten zijn gemaakt. Dit impliceert, dat ook voor reeds lopende projecten aanvragen kunnen worden ingediend, zij het dat ingevolge artikel 4, eerste lid, alleen na de indiening van de aanvraag gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking komen.

De in het eerste lid bedoelde aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij Senter, postbus 30732, 2500 GS 's-Gravenhage, telefoon 070–3610310. Vooralsnog blijft vereist dat het origineel van een ondertekend aanvraagformulier wordt ingediend. Bij gebreke van een originele handtekening kan de minister er immers niet zeker van zijn, dat de (bevoegde vertegenwoordiger van de) aanvrager de aanvraag heeft ingediend en instaat voor de in de aanvraag verstrekte gegevens. Consequentie hiervan is, dat aanvragen die worden ingediend per telefax of elektronische post niet voldoen aan de wettelijke voorschriften. Bezien wordt evenwel of er mogelijkheden zijn het indienen van aanvragen lang elektronische weg te omkleden met zodanige waarborgen, dat de daaraan verbonden bezwaren komen te vervallen. Daartoe zullen dan bij ministeriële regeling regelen worden gesteld.

In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier moeten worden meegezonden. Daaronder is in ieder geval een projectplan. Op basis daarvan wordt het project beoordeeld. Daarom dient het projectplan opgesteld te zijn overeenkomstig de voorgeschreven indeling en dient het tot in detail uitgewerkt te zijn. Het is van groot belang dat uit het projectplan blijkt, dat het project goed is doordacht en uitgewerkt. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een heldere projectdoelstelling, de voorgestelde aanpak en fasering van het project, de expertise van de projectbemanning en een duidelijke omschrijving van de noodzakelijke randvoorwaarden voor en de uiteindelijke perspectieven van het project.

Bij het projectplan hoort een begroting. In verband met het bepaalde in artikel 9, eerste lid, onder f, zal daarin in geval van een onderzoekproject ook moeten worden aangegeven welke projectkosten zijn toe te rekenen aan fundamenteel onderzoek, onderscheidenlijk industrieel onderzoek en pre-concurrentiële ontwikkeling.

In geval van een samenwerkingsverband moeten aanvragen ook vergezeld gaan van de overeenkomst, waarin de samenwerking is geregeld. In het aanvraagformulier zal worden vermeld welke onderwerpen in de overeenkomst ten minste moeten zijn geregeld. Gedacht moet worden aan onderwerpen als:

– de deelnemers in het samenwerkingsverband,

– de doelstelling van de samenwerking,

– de wijze van samenwerking tussen de verschillende deelnemers,

– de duur van de samenwerking,

– de projectorganisatie,

– de taken en bevoegdheden van de deelnemers,

– de kennisinbreng van de deelnemers,

– de rechthebbende op de projectresultaten,

– de wijze waarop, door wie en waar de resultaten van het project zullen worden gebruikt,

– de aansprakelijkheid van de deelnemers onderling,

– de verdeling van kosten en risico's tussen de deelnemers,

– de verdeling van de subsidie over de deelnemers.

In geval van een samenwerkingsverband gelden alle deelnemers in het verband als aanvrager en – indien subsidie wordt verleend – subsidie-ontvanger. Ingevolge het derde lid dient één der deelnemers in het samenwerkingsverband mede namens de andere deelnemers de aanvraag in te dienen. Dat impliceert, dat bij de aanvraag machtigingen van de andere deelnemers moeten zijn gevoegd. Ook de uitbetaling van voorschotten en de procedure betreffende de subsidievaststelling lopen via deze zogenaamde penvoerder. Uiterlijk bij de aanvraag van een eerste voorschot dient de penvoerder zich aansprakelijk te stellen voor de eventuele terugbetaling van de subsidie. In de overeenkomst van samenwerking kan geregeld worden in hoeverre hij het bedrag dat hij eventueel moet terugbetalen kan verhalen op de andere deelnemers in het samenwerkingsverband. Ook de machtiging tot het indienen van de aanvraag kan in die overeenkomst worden geregeld.

Artikel 8

De in dit artikel opgenomen beslistermijn is langer dan de in andere EZ-regelingen gebruikelijke termijnen van drie of vier maanden, omdat de internationale context waarin de onderhavige projecten worden uitgevoerd met zich mee kan brengen dat op aanvragen op grond van het onderhavige besluit pas kan worden beslist, nadat in internationaal verband besluitvorming heeft plaats gevonden over het internationale project, waarvan het Nederlandse project deel uitmaakt. Dat doet zich bij voorbeeld voor bij Eureka.

Artikel 9

Ingevolge onderdeel e van het eerste lid kunnen bij ministeriële regeling regels gesteld worden omtrent de mate waarin een aanvrager meerdere malen subsidie kan krijgen. Niet alleen kunnen individuele aanvragers en samenwerkingsverbanden meerdere malen subsidie aanvragen, dezelfde aanvragers kunnen ook deel uitmaken van steeds andere samenwerkingsverbanden. Voorkomen moet worden, dat een onevenredig groot deel van het beschikbare bedrag terecht komt bij slechts enkele aanvragers.

Indien er twijfels bestaan omtrent de technische haalbaarheid van een project, bevat het tweede lid een voorziening op grond waarvan slechts voor een eerste fase van het project subsidie kan worden verleend. Bij de beoordeling van dergelijke aanvragen door het Adviescollege internationale technologieprogramma's kan dit college daartoe adviseren. Zijn de uitkomsten van de eerste fase positief, dan zal – ten einde verdere subsidie te verkrijgen op grond van dit besluit – voor het vervolg van het project opnieuw een aanvraag om subsidie moeten worden ingediend.

Artikel 10

Het Adviescollege internationale technologieprogramma's adviseert over de aanvragen waarop niet reeds met toepassing van artikel 9, eerste lid, afwijzend wordt beslist.

In het tweede lid zijn een aantal criteria genoemd, waaraan de commissie in ieder geval toetst. Daarbij gaat het onder meer om de slaagkans van het project. Daarbij worden ook betrokken de belemmeringen en mogelijkheden, voortvloeiend uit regelgeving, normen, certificatie en activiteiten gericht op de aanpassing daarvan. Daarnaast zal de projectuitvoerder moeten beschikken over de benodigde organisatorische en technisch-wetenschappelijke kwaliteiten. In dit verband worden onder de «betrokkenen» alleen de ondernemers of deelnemers in een samenwerkingsverband bedoeld, die het project in de zin van het onderhavige besluit uitvoeren. Zoals in de toelichting bij artikel 1 uiteengezet, dient dit wel onderscheiden te worden van het internationale project, dat deels ook door partijen in andere landen uitgevoerd wordt.

Artikel 12

Dit artikel en de drie erop volgende artikelen bevatten bepalingen omtrent de verplichtingen voor de subsidie-ontvanger. Artikel 12 vormt, tezamen met artikel 2, de kern van het onderhavige besluit. De projecten moeten ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, binnen de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde periode. Daarbij wordt uitgegaan van de maximum-periode van vier jaar voor het uitvoeren van het project, welke reeds in artikel 9, eerste lid, onder c, is vermeld. Wel zal rekening worden gehouden met de tijd die redelijkerwijs nodig is voor het voorbereiden en opstarten van het project. Het is de bedoeling de beschikbare subsidiemiddelen te gebruiken voor die projecten, die binnen een redelijke periode bijdragen aan de doelstellingen van dit besluit. In gevallen waarin verzocht wordt om ontheffing voor het vertragen of stopzetten van het project zal deze doelstelling dan ook afgewogen worden tegen hetgeen de verzoeker als zijn belangen naar voren brengt. Daarbij zal mede een rol spelen in hoeverre de feiten die de vertraging hebben veroorzaakt zijn ontstaan door toedoen van de betrokkene zelf.

Artikelen 13 en 14

De in deze artikelen opgenomen verplichtingen zijn noodzakelijk om tot een tijdige en deugdelijke vaststelling van het bedrag van de subsidie te kunnen komen.

In het formulier voor een aanvraag tot vaststelling van het bedrag van de subsidie zal worden vermeld op welke onderwerpen in een eindverslag als bedoeld in artikel 14, vierde lid, dient te worden ingegaan. Gedacht moet worden aan onderwerpen als:

– de inhoudelijke resultaten van het project alsmede een eindconclusie ten aanzien van de mate waarin het project, gelet op de doelstelling ervan, als geslaagd kan worden beschouwd,

– een evaluatie van de samenwerking,

– de technische problemen die tijdens het project gerezen zijn en de wijze van oplossing van deze problemen,

– de stand van zaken met betrekking tot eventuele octrooiaanvragen,

– de commerciële vooruitzichten van het project.

Artikel 15

Met de in het eerste lid genoemde verplichtingen wordt beoogd te verzekeren, dat ondernemers de opgebouwde voorsprong ook jegens derden in stand kunnen houden. Zo kan bovendien worden voorkomen dat het eventueel toekomstig commercieel gebruik van de resultaten negatief wordt beïnvloed, hetzij wegens ontbreken van enige rechtsbescherming, hetzij omdat anderen eerder rechtsbescherming hebben verworven voor vergelijkbare of overeenkomstige resultaten. Dit sluit het geven van bekendmaking aan de resultaten van het project niet uit. Met name technologische instituten en universiteiten kunnen er een gerechtvaardigd belang bij hebben om hun onderzoeksresultaten te publiceren. In het algemeen zal daarmee wel moeten worden gewacht tot na de indiening van een octrooi-aanvraag. In de overeenkomst, waarin de samenwerking wordt geregeld, zullen daarover afspraken moeten worden gemaakt.

De kosten die zijn verbonden aan het instandhouden van rechten van intellectuele eigendom als bedoeld in het eerste lid, onder b, komen voor rekening van de subsidie-ontvanger. Zij maken geen deel uit van de projectkosten.

De verplichtingen, genoemd in het tweede en derde lid, liggen in het verlengde van de in het eerste lid genoemde. Het ter beschikking stellen van projectresultaten aan derden kan de doelstellingen die de subsidie-aanvragers bij het aanvangen van het project hadden in gevaar brengen. Hier wordt gesproken over het ter beschikking stellen, teneinde niet alleen het vervreemden maar ook andere vormen van kennisoverdracht daaronder te begrijpen. Met het ter beschikking stellen van al dan niet door intellectuele eigendomsrechten beschermde projectresultaten aan derden kan de vrijheid van de subsidie-ontvangers in de exploitatie van de resultaten worden beperkt, terwijl onder omstandigheden ook het belang van het project voor de Nederlandse economie kan verminderen. Dat belang zal ook richtsnoer zijn bij het beoordelen van aanvragen om ontheffing van ondernemers.

Van de in het tweede lid opgenomen verplichting zal in beginsel steeds ontheffing verleend worden, indien het gaat om het ter beschikking stellen aan een andere ondernemer die in Nederland deel uitmaakt van dezelfde groep. De ontheffing zal dan wel worden verleend onder de opschortende voorwaarde dat de andere ondernemer zich jegens de staat verbindt tot nakoming van de in artikel 15 opgenomen verplichtingen. Indien het gaat om het ter beschikking stellen van rechten en resultaten aan een of meer leden van dezelfde groep, behoeft met het aanvragen van de ontheffing niet gewacht te worden tot de resultaten zijn bereikt. De ontheffing kan ook reeds bij de subsidie-aanvraag of kort na de subsidieverlening worden gevraagd.

De in het vierde lid opgenomen verplichting om desgevraagd aan de minister verslag uit te brengen omtrent de toepassing van de resultaten van het project is ingegeven door de gedachte dat op die wijze inzicht verworven kan worden in de doeltreffendheid en de effecten van de subsidies in de praktijk, hetgeen van belang kan zijn voor het uitvoering geven aan de verslagverplichting, opgenomen in artikel 5 van de Kaderwet EZ-subsidies.

Met de verplichting, opgenomen in het vijfde lid wordt beoogd tijdig inzicht te krijgen in voornemens en motieven van de subsidie-ontvanger om wijzigingen aan te brengen in de genoemde aspecten van zijn organisatiestructuur. Deze wijzigingen kunnen onder omstandigheden een ongunstige invloed hebben op het bereiken van de projectdoelstelling en op de mogelijkheden voor een eventuele terugvordering van de subsidie. Indien van zo'n ongunstige invloed geen sprake is, zal ontheffing van de verplichting worden verleend.

Artikel 16

Het derde lid voorziet in de mogelijkheid tot verhoging van de verleende subsidie, indien dit nodig is voor het welslagen van het project bij voorbeeld als gevolg van het toetreden dan wel vertrekken van buitenlandse deelnemers, waardoor een groter deel van het internationale project door de ondernemer of het samenwerkingsverband verricht moet worden.

Artikel 17

Dit artikel voorziet in de behoefte aan voorschotten op de subsidie. Ten einde de administratieve lasten, zowel voor de aanvragers als voor Senter, beperkt te houden wordt slechts eenmaal per zes maanden een voorschot verstrekt en geldt een minimum van f 10 000,00 per voorschot.

In het eerste lid is bepaald, dat een voorschot wordt verstrekt op een subsidie terzake waarvan een verleningsbeschikking geldt. Dat impliceert dat, zolang aan een verlening een opschortende voorwaarde verbonden is, geen voorschotten worden verstrekt.

De bepaling in het tweede lid, dat een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde kosten impliceert, dat per voorschot de gemaakte en betaalde kosten worden vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller gevormd wordt door het maximale subsidiebedrag en de noemer door het bedrag van de raming van de projectkosten. Beide bedragen worden bij de subsidieverlening vermeld.

Artikel 19

In het algemeen zal bij het beslissen op een aanvraag om een voorschot onvoldoende inzicht bestaan in de naleving door de betrokkenen van alle aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. Een beoordeling daarvan is dan ook niet uitdrukkelijk aan de orde, al was het maar omdat aan sommige verplichtingen, zoals die van artikel 14, tweede lid, nog niet hoèft te zijn voldaan. In het geval evenwel Senter ervan op de hoogte is, dat een betrokkene zich niet houdt aan een verplichting van de artikelen 12, 13 en 15 ligt het in de rede geen voorschotten te verstrekken. Aldus kan voorkomen worden dat na de subsidievaststelling financiële middelen moeten worden teruggevorderd.

Artikel 20

De subsidievaststelling is geregeld in de artikelen 4:42 tot en met 4:47 van de Awb. Artikel 21 regelt slechts de termijn waarbinnen het besluit ter zake genomen wordt. Ingevolge artikel 4:44, derde lid, Awb kan, indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet is ingediend binnen de in artikel 14, tweede lid, bedoelde termijn, de minister de subsidie-ontvanger een termijn stellen waarbinnen de aanvraag alsnog moet worden ingediend. In verband daarmee wordt in artikel 22 niet verwezen naar de in artikel 14 bedoelde termijn, maar wordt gesproken over «de voor het indienen ervan geldende termijn».

Artikel 21

In dit artikel zijn, voor de periode tot de inwerkingtreding van de derde tranche van de Awb, een aantal artikelen daaruit van toepasssing verklaard. Daarbij gaat het om artikelen die bepalingen bevatten met betrekking tot onderwerpen, die voorheen in besluiten op grond van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ werden geregeld. Enkele van die onderwerpen zijn inmiddels geregeld in de Kaderwet EZ-subsidies, die gelijktijdig met de derde tranche van de Awb in werking zal treden. Niet van toepassing zijn verklaard artikelen die bepalingen bevatten met betrekking tot de in de artikelen 7 en 8 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ geregelde onderwerpen. Deze blijven immers nog van kracht totdat die wet bij het inwerkingtreden van de Kaderwet EZ-subsidies wordt ingetrokken. Hetzelfde geldt voor de definitie van het begrip «ondernemer» in artikel 1 van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ. In verband daarmee is bepaald dat de in artikel 1, onder g, van het onderhavige besluit opgenomen definitie niet van toepassing is zolang de laatstgenoemde wet nog geldt.

Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen, dat het van toepassing verklaren van artikelen uit de derde tranche van de Awb en uit de Kaderwet EZ-subsidies niet tot gevolg heeft, dat deze bepalingen in werking treden. Dat zal eerst later gebeuren, krachtens een koninklijk besluit. Van toepassing verklaren betekent in dit verband slechts, dat de inhoud van de bepalingen deel gaat uitmaken van het onderhavige besluit. De wettelijke basis daarvoor is de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ.

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers


XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Economische Zaken.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 12 augustus 1997, nr. 152.

Naar boven