Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 1997, 322Wet

Wet van 2 juli 1997 tot wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met verbetering van de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs (profielen voortgezet onderwijs)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is, de aansluiting van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs op het hoger onderwijs te verbeteren;

dat het in het bijzonder met het oog daarop gewenst is het onderwijsprogramma in de hogere leerjaren van deze onderwijssoorten te moderniseren en leerlingen in beter herkenbare en meer samenhangende programma's gerichter voor te bereiden op bepaalde opleidingen in het hoger onderwijs;

dat het gelet op deze doelstellingen en gelet op de noodzaak van het vergroten van de autonomie van scholen gewenst is, scholen meer ruimte te geven in de keuze van werkvormen in het onderwijsprogramma voor de hogere leerjaren;

dat het in verband daarmee noodzakelijk is, wijzigingen aan te brengen in de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS

De >Wet op het voortgezet onderwijs1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Na «1.» wordt ingevoegd: Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend wetenschappelijk onderwijs en dat mede algemene vorming omvat.

2. Het tweede en derde lid worden vervangen door:

  • 2. Aan de gymnasia wordt in elk geval onderwijs verzorgd in Latijnse taal en letterkunde en Griekse taal en letterkunde.

  • 3. Het onderwijs aan de gymnasia en athenea omvat:

    a. de in artikel 11a bedoelde periode van basisvorming, en

    b. de in artikel 12 bedoelde periode van voorbereidend hoger onderwijs.

B

In artikel 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het eerste lid wordt na «Hoger algemeen voortgezet onderwijs» ingevoegd: is het onderwijs dat is ingericht ter voorbereiding op aansluitend hoger beroepsonderwijs en dat mede algemene vorming omvat. Het hoger algemeen voortgezet onderwijs.

2. In het eerste lid vervalt onderdeel c en wordt de puntkomma in onderdeel b vervangen door een punt.

3. Het tweede en derde lid worden vervangen door een nieuw tweede lid, luidend:

  • 2. Het onderwijs aan deze scholen en afdelingen omvat:

    a. de in artikel 11a bedoelde periode van basisvorming, en

    b. de in artikel 12 bedoelde periode van voorbereidend hoger onderwijs.

C

Aan artikel 11a wordt een lid toegevoegd, luidend:

  • 7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de vakken die gedurende de periode van basisvorming in combinatie met elkaar gegeven kunnen worden, alsmede omtrent de vakken waarin, naast het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen, bedoeld in het vierde lid, nog onderwijs moet worden verzorgd in de eerste drie leerjaren. De vierde tot en met zesde volzin van het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

D

Na artikel 11f worden onder vernummering van artikel 12a tot artikel 16 vier nieuwe artikelen 12 tot en met 15 ingevoegd, luidend:

Artikel 12. Periode van voorbereidend hoger onderwijs v.w.o. en h.a.v.o.; profielen

  • 1. Het onderwijs aan scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en aan scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat aansluitend op de periode van basisvorming een periode van voorbereidend hoger onderwijs.

  • 2. De periode van voorbereidend hoger onderwijs is ingericht volgens profielen. Een profiel is een samenhangend onderwijsprogramma, zodanig ingericht dat het biedt:

    a. een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming,

    b. een algemene voorbereiding op het hoger onderwijs, en

    c. een bijzondere voorbereiding op groepen van naar inhoud verwante opleidingen in het hoger onderwijs.

  • 3. De school verzorgt alle profielen. De profielen zijn:

    a. het profiel natuur en techniek;

    b. het profiel natuur en gezondheid;

    c. het profiel economie en maatschappij;

    d. het profiel cultuur en maatschappij.

  • 4. Elk profiel bestaat uit:

    a. een gemeenschappelijk deel, dat voor alle profielen van de desbetreffende schoolsoort gelijk is,

    b. een profieldeel, dat kenmerkend is voor dat profiel, en

    c. een vrij deel.

  • 5. Het bevoegd gezag richt het onderwijs in de periode van voorbereidend hoger onderwijs in op de grondslag van een normatieve studielast voor de leerling van 1600 uren per leerjaar, uitgaande van 40 weken met elk een normatieve studielast van 40 uren. Het bevoegd gezag richt een in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma in dat voor elke leerling ten minste 1000 uren onderwijs omvat per leerjaar, onverminderd artikel 15, tweede lid.

Artikel 13. Vakken en andere programma-onderdelen periode van voorbereidend hoger onderwijs: v.w.o.

  • 1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs omvat:

    Nederlandse taal en letterkunde, Engelse taal en letterkunde, Duitse taal en letterkunde, Franse taal en letterkunde, algemene natuurwetenschappen, de combinatie geschiedenis en maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming, lichamelijke opvoeding.

  • 2. Het profieldeel van de profielen in het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs omvat:

    a. voor het profiel natuur en techniek: wiskunde, natuurkunde, scheikunde,

    b. voor het profiel natuur en gezondheid: wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie,

    c. voor het profiel economie en maatschappij: economie, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, en

    d. voor het profiel cultuur en maatschappij:

    1°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde,

    2°. ter keuze van het bevoegd gezag of, indien het bevoegd gezag daarvoor kiest, ter keuze van de leerling: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of filosofie,

    3°. culturele en kunstzinnige vorming,

    4°. geschiedenis, en

    5°. wiskunde.

  • 3. Het vrije deel kan omvatten:

    a. door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het tweede lid,

    b. maatschappijleer, management en organisatie, informatica, lichamelijke opvoeding, en voor het atheneum tevens klassieke culturele vorming, door de leerling te kiezen, en

    c. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen.

  • 4. Vakken kunnen met het oog op hun plaats in het gemeenschappelijk deel, het profieldeel of het vrije deel, worden verdeeld in deelvakken.

  • 5. Het bevoegd gezag beslist welke in het tweede lid, onder d, bedoelde keuzetalen met de daarbij behorende letterkunde en welke in het derde lid, onder a en b, bedoelde vakken, worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens besluiten dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.

  • 6. In afwijking van het eerste lid omvat het onderwijs in het gymnasium voor elke leerling klassieke culturele vorming in plaats van culturele en kunstzinnige vorming. Het onderwijs in het gymnasium omvat bovendien voor elke leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, dan wel beide, ter keuze van de leerling. Het in het eerste lid genoemde vak culturele en kunstzinnige vorming kan in het gymnasium behoren tot de vakken van het vrije deel.

Artikel 14. Vakken en andere programma-onderdelen periode van voorbereidend hoger onderwijs: h.a.v.o.

  • 1. Het gemeenschappelijk deel van elk profiel in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:

    Nederlandse taal en letterkunde, Engelse taal en letterkunde, een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, algemene natuurwetenschappen, de combinatie geschiedenis en maatschappijleer, culturele en kunstzinnige vorming, lichamelijke opvoeding.

  • 2. Het profieldeel van de profielen in het hoger algemeen voortgezet onderwijs omvat:

    a. voor het profiel natuur en techniek: wiskunde, natuurkunde, scheikunde,

    b. voor het profiel natuur en gezondheid: wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie,

    c. voor het profiel economie en maatschappij: economie, wiskunde, geschiedenis, aardrijkskunde, en

    d. voor het profiel cultuur en maatschappij: een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, culturele en kunstzinnige vorming, geschiedenis, economie, wiskunde.

  • 3. Het vrije deel kan omvatten:

    a. door de leerling te kiezen vakken, genoemd in het tweede lid,

    b. maatschappijleer, filosofie, management en organisatie, informatica, lichamelijke opvoeding, door de leerling te kiezen, en

    c. door het bevoegd gezag vast te stellen vakken en andere programma-onderdelen.

  • 4. Vakken kunnen met het oog op hun plaats in het gemeenschappelijk deel, het profieldeel of het vrije deel, worden verdeeld in deelvakken.

  • 5. Het bevoegd gezag beslist welke in het eerste lid en het tweede lid, onder d, bedoelde keuzetalen met de daarbij behorende letterkunde en welke in het derde lid, onder a en b, bedoelde vakken worden aangeboden. Het bevoegd gezag kan tevens besluiten dat door het bevoegd gezag aan te wijzen vakken en andere programma-onderdelen door alle leerlingen in het vrije deel moeten worden gevolgd.

  • 6. Tevens kan het bevoegd gezag de leerling in de gelegenheid stellen, in het vrije deel te kiezen uit in artikel 13 genoemde vakken.

Artikel 15. Nadere inrichting profielen v.w.o. en h.a.v.o.

  • 1. Bij algemene maatregel van bestuur worden met betrekking tot de in artikel 12, tweede lid, bedoelde profielen vastgesteld:

    a. de normatieve studielast van het gemeenschappelijk deel, het profieldeel en het vrije deel,

    b. de verdeling van vakken in deelvakken, alsmede de nadere ordening van de in de artikelen 13 en 14 genoemde vakken met het oog op hun plaats in het gemeenschappelijk deel, het profieldeel of het vrije deel,

    c. de normatieve studielast van de vakken en deelvakken,

    d. voorschriften omtrent de vakken en andere programma-onderdelen, bedoeld in de artikelen 13, derde lid, onder c, en 14, derde lid, onder c, behoudens godsdienstonderwijs aan bijzondere scholen,

    e. voorschriften omtrent de mogelijkheid, vrijstelling te verlenen van onderdelen van de artikelen 13 en 14 ten behoeve van leerlingen met bijzondere kenmerken, waartoe in elk geval kunnen behoren leerlingen die niet in staat zijn, onderwijs in lichamelijke opvoeding te volgen, alsmede leerlingen als bedoeld in artikel 16, en

    f. de inpassing van het in artikel 13, zesde lid, bepaalde, in het bij het eerste tot en met vierde lid van artikel 13 en in het krachtens artikel 15 bepaalde.

  • 2. Tevens kan bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur in afwijking van artikel 12, vijfde lid, tweede volzin, worden bepaald dat het in schooltijd verzorgde onderwijsprogramma in het laatste leerjaar een geringer aantal dan 1000 uren onderwijs omvat, maar ten minste een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De maatregel treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en gedurende die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

E

In artikel 21 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift wordt vervangen door:

Artikel 21.

Aanduiding onderwijsaanbod in maatschappelijk verkeer

2. Voor de tekst van het artikel wordt het cijfer «1.» geplaatst.

3. Toegevoegd wordt een tweede lid, luidend:

  • 2. In het maatschappelijk verkeer brengt het bevoegd gezag ondubbelzinnig tot uitdrukking, welk bij en krachtens deze wet geregeld, uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs de leerlingen volgen, en in voorkomend geval welk onderwijs de school verzorgt met toepassing van artikel 20, tweede lid.

F

In artikel 22 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 22.

Overige voorschriften inrichting onderwijs

2. Het derde lid, onderdelen a tot en met h, wordt vervangen door:

a. voor het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, het aantal lessen dat gedurende de cursus in vakken of in groepen van vakken ten minste moet worden verzorgd en het aantal studielessen dat gedurende de cursus ten minste moet worden verzorgd, alsmede voor het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het hoger algemeen voortgezet onderwijs, het in uren uitgedrukte aantal lessen dat gedurende de cursus in lichamelijke opvoeding ten minste moet worden verzorgd, en

b. de stage.

3. Het vierde lid vervalt.

G

In artikel 23 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. De zinsnede «de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs» wordt vervangen door: de scholen voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en de scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs.

2. De woorden «de artikelen 7 tot en met 10a» worden vervangen door: de artikelen 9 en 10a.

H

In artikel 24 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. In het tweede lid wordt «artikel 11a tot en met 11f alsmede 22» vervangen door: de artikelen 11a tot en met 11f, 12 tot en met 15 en 22.

2. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot vijfde tot en met zevende lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidend:

  • 4. Wat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en de scholen voor hoger algemeen voortgezet onderwijs betreft, vermeldt het schoolwerkplan bovendien de wijze waarop in de periode van voorbereidend hoger onderwijs het onderwijs met inachtneming van de artikelen 12 tot en met 15 wordt ingericht, waaronder in elk geval de onderwijsvoorzieningen voor de leerlingen in het in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma.

3. In het tot vijfde lid vernummerde vierde lid wordt «zesde lid» vervangen door: zevende lid.

I

In artikel 25 wordt na «de artikelen 7 tot en met 11f» ingevoegd: , 12 tot en met 15,.

J

In artikel 27a, eerste lid, wordt «een of meer vakken» vervangen door: een of meer vakken, deelvakken of andere programma-onderdelen.

K

In artikel 29, vijfde lid, wordt «dezelfde vakken» vervangen door: dezelfde vakken, deelvakken en andere programma-onderdelen.

L

In artikel 32 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het artikel wordt voorzien van een opschrift, luidend:

Artikel 32.

Personeelscategorieën; formatiebeleid; taken en functies personeel

2. In het eerste en tweede lid wordt «lager beroepsonderwijs» vervangen door: voorbereidend beroepsonderwijs.

3. Toegevoegd wordt een negende lid, luidend:

  • 9. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder «vakken» tevens verstaan, programma-onderdelen als bedoeld in de artikelen 13 en 14.

M

Aan artikel 33 wordt een negende lid toegevoegd, luidend:

  • 9. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig afwijkende, regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste lid ten aanzien van het verzorgen van door het bevoegd gezag vastgestelde vakken en andere programma-onderdelen, behoudens godsdienstonderwijs.

N

In artikel 39c worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Het derde lid wordt vervangen door:

  • 3. Het in uren uitgedrukte aantal lessen en onderdelen van het in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma waarvoor het bevoegd gezag in enig schooljaar verplicht is, studenten als bedoeld in het eerste lid tot de school toe te laten, bedraagt gezamenlijk 5 procent van het in uren uitgedrukte totale aantal in dat schooljaar te geven lessen en te verzorgen onderdelen van het in schooltijd verzorgd onderwijsprogramma. Onze minister kan het percentage lager stellen.

2. Onderdeel e van het negende lid wordt vervangen door:

e. de vakken en andere programma-onderdelen van een schoolsoort, waarvoor in verband met de geringe omvang van het onderwijs daarin, de in het eerste lid bedoelde verplichting niet geldt.

O

In artikel 48, tweede lid, wordt na «de vakken» ingevoegd: of andere programma-onderdelen.

P

In artikel 58, eerste lid, wordt «artikel 22» vervangen door: de artikelen 11a tot en met 11f, 12 tot en met 15, 22 en 24.

Q

In artikel 60, vijfde lid, wordt «dezelfde vakken» vervangen door: dezelfde vakken en andere programma-onderdelen.

ARTIKEL II. WIJZIGING WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK

De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek2 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6.13, vierde lid, onderdeel i, wordt «artikel 7.25, tweede lid» vervangen door: artikel 7.25, vierde lid.

B

Artikel 7.25 wordt vervangen door:

Artikel 7.25. Nadere vooropleidingseisen

  • 1. Bij ministeriële regeling worden het profiel of de profielen, bedoeld in artikel 12 van de Wet op het voortgezet onderwijs, aangewezen waarop het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs betrekking moeten hebben om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen tevens worden aangewezen, vakken en andere programma-onderdelen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van een in het eerste lid bedoeld diploma om te kunnen worden ingeschreven voor een bepaalde opleiding of groep van opleidingen, indien het betreft:

    a. een diploma dat betrekking heeft op een profiel waarvan het profieldeel niet voor alle kandidaten dezelfde vakken en andere programma-onderdelen omvat;

    b. een diploma dat betrekking heeft op een ander profiel dan een krachtens het eerste lid aangewezen profiel;

    c. in bijzondere gevallen, een opleiding waarop geen enkel profiel zonder meer een goede voorbereiding geeft.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen vakken en andere programma-onderdelen worden aangewezen die deel moeten hebben uitgemaakt van het examen ter verkrijging van het diploma van een middenkaderopleiding of een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d onderscheidenlijk e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, om te kunnen worden ingeschreven voor een opleiding of groep van opleidingen aan een hogeschool.

  • 4. Het instellingsbestuur kan bepalen dat de bezitter van een diploma, genoemd in het eerste of derde lid, die niet voldoet aan de in het eerste, tweede of derde lid bedoelde voorwaarden, toch wordt ingeschreven, onder de voorwaarde dat blijkens een onderzoek wordt voldaan aan inhoudelijk daarmee vergelijkbare eisen. Aan deze eisen moet zijn voldaan voor de aanvang van de opleiding, met dien verstande dat bij ministeriële regeling opleidingen kunnen worden aangewezen voor welke, in door het instellingsbestuur te bepalen gevallen en onder door het instellingsbestuur vast te stellen voorwaarden, aan de eisen kan worden voldaan uiterlijk bij afronding van de propedeutische fase. De eisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.

C

In artikel 7.26, eerste lid, wordt na «het voortgezet onderwijs» ingevoegd: of van het beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs,.

D

In artikel 7.28, derde lid, wordt «artikel 7.25, eerste lid» vervangen door «artikel 7.25, eerste, tweede of derde lid».

E

In artikel 7.61, eerste lid, onder d, wordt «7.25, tweede lid» vervangen door: 7.25, vierde lid.

F

In artikel 9.15, eerste lid, onder f, wordt «7.25, eerste en tweede lid» vervangen door: 7.25, vierde lid.

G

In de inhoudsopgave wordt het opschrift van artikel 7.25 vervangen door:

Artikel 7.25.

Nadere vooropleidingseisen.

ARTIKEL III. WIJZIGING WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS

Artikel 7.3.4, eerste en tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs3 wordt vervangen door:

  • 1. Opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs omvatten het onderwijs dat noodzakelijk is voor het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, dan wel voor het behalen van onderdelen van het diploma.

  • 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de voor het behalen van elk der in het eerste lid genoemde diploma's of onderdelen daarvan noodzakelijke vakken en andere programma-onderdelen, en omtrent de cursusduur.

ARTIKEL IV. WIJZIGING IN VERBAND MET HET VOORSTEL VAN WET TOT WIJZIGING VAN BEPALINGEN VAN VERSCHILLENDE WETTEN IN VERBAND MET ERKENNING VRIJHEID VAN LEVENSOVERTUIGING ALS GRONDRECHT

1. Indien deze wet wat artikel I betreft in werking treedt op of na het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 19 februari 1996 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van bepalingen van verschillende wetten in verband met de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht (kamerstukken II 1995/96, 24 614) wat de daarin opgenomen wijzigingen van de Wet op het voortgezet onderwijs betreft tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt in artikel I, onderdeel D, van deze wet in artikel 15, eerste lid, onder d, na het woord «godsdienstonderwijs» opgenomen: of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

2. Indien deze wet wat artikel I betreft in werking treedt op het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 19 februari 1996 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van bepalingen van verschillende wetten in verband met de erkenning van de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht (kamerstukken II 1995/96, 24 614) wat de daarin opgenomen wijzigingen van de Wet op het voortgezet onderwijs betreft tot wet is verheven maar nog niet in werking is getreden, wordt in hoofdstuk II van die wet in artikel X na onderdeel 2 een onderdeel 2a ingevoegd, luidend:

2a. In artikel 15, eerste lid, onder d, wordt na het woord «godsdienstonderwijs» opgenomen: of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs.

ARTIKEL V. WIJZIGING IN VERBAND MET HET VOORSTEL VAN WET TOT INSTELLING VAN EEN VAST COLLEGE VAN ADVIES VAN HET RIJK OP HET TERREIN VAN HET ONDERWIJS (WET OP DE ONDERWIJSRAAD)

Indien artikel I van deze wet in werking treedt op of na het tijdstip waarop het bij koninklijke boodschap van 2 oktober 1996 ingediende voorstel van wet houdende instelling van een vast college van advies van het Rijk op het terrein van het onderwijs (Wet op de Onderwijsraad; kamerstukken II 1996/97, 25 041) wat de daarin opgenomen wijzigingen van de Wet op het voortgezet onderwijs betreft tot wet wordt verheven en in werking treedt, worden in artikel I, onderdeel H, van deze wet, de volgende wijzigingen aangebracht:

a

De aanhef van onderdeel 2 wordt vervangen door:

  • 2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidend:.

b

Onderdeel 3 vervalt.

ARTIKEL VI. OVERGANGS- EN INVOERINGSBEPALINGEN

A

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden vastgesteld omtrent de gronden waarop en de procedure volgens welke kan worden afgeweken van artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het voortgezet onderwijs, ten aanzien van leraren die in vaste dienst zijn verbonden aan een school als bedoeld in artikel 7 of artikel 8 van die wet.

B

De artikelen 12 tot en met 15 en 22 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet zijn, onverminderd onderdeel C:

a. met ingang van 1 augustus 1998 van toepassing op het vierde leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs,

b. met ingang van 1 augustus 1999 van toepassing op het vijfde leerjaar van alle scholen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, en

c. met ingang van 1 augustus 2000 van toepassing op het zesde leerjaar van alle scholen, bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

C

1. In afwijking van artikel 13 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende voorschriften:

a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer, geschiedenis.

b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat:

1°. geschiedenis,

2°. wiskunde, en

3°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, of ter keuze van de leerling Latijnse taal en letterkunde of Griekse taal en letterkunde, en twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne of klassieke taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.

2. In afwijking van artikel 14 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de volgende voorschriften:

a. het gemeenschappelijk deel van elk profiel omvat in plaats van «de combinatie geschiedenis en maatschappijleer»: maatschappijleer.

b. het profieldeel van het profiel cultuur en maatschappij omvat:

1°. wiskunde,

2°. geschiedenis,

3°. economie, en

4°. een moderne taal met de daarbij behorende letterkunde ter keuze van de leerling, en een of twee vakken ter keuze van de leerling uit: een andere moderne taal met de daarbij behorende letterkunde, filosofie, maatschappijleer, aardrijkskunde, muziek, een van de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen), met dien verstande dat het bevoegd gezag beslist welke vakken waaruit de leerling kan kiezen, worden aangeboden.

3. In afwijking van de artikelen 13, eerste lid, en 14, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet, kan het bevoegd gezag besluiten dat het gemeenschappelijk deel pas met ingang van 1 augustus 1999 mede het vak «algemene natuurwetenschappen» omvat.

D

1. Met betrekking tot de leerjaren waarop de artikelen 12 tot en met 15 en 22 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals gewijzigd door deze wet, nog niet van toepassing zijn, blijven van toepassing de bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs gegeven voorschriften zoals luidend op 31 juli 1998.

2. In het schooljaar 1999–2000 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eindexamen hoger algemeen voortgezet onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften, voor de leerlingen die voor 1 augustus 1998 zijn toegelaten tot het vierde leerjaar.

3. In het schooljaar 2000–2001 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het eindexamen voorbereidend wetenschappelijk onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften, voor de leerlingen die voor 1 augustus 1998 zijn toegelaten tot het vierde leerjaar.

4. In het studiejaar 2001–2002 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het examen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover gericht op het behalen van het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde voorschriften.

5. In het studiejaar 2002–2003 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het examen van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover gericht op het behalen van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde voorschriften.

6. In het jaar 2003 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen hoger algemeen voortgezet onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften.

7. In het jaar 2004 wordt voor de laatste maal gelegenheid gegeven tot het afleggen van het staatsexamen voorbereidend wetenschappelijk onderwijs volgens de op 31 juli 1998 geldende bij en krachtens de Wet op het voortgezet onderwijs vastgestelde voorschriften.

8. In afwijking van het tweede en derde lid, kan het bevoegd gezag in het schooljaar 2000–2001 onderscheidenlijk 2001–2002, een eerder afgewezen leerling nogmaals in de gelegenheid stellen het in die leden bedoelde examen af te leggen.

E

Uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van artikel I van deze wet brengt het bevoegd gezag van een school voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs of van een school voor hoger algemeen voortgezet onderwijs het schoolwerkplan van die school in overeenstemming met artikel 24 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet.

F

1. Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van de op 31 juli 1998 geldende voorschriften die ingevolge onderdeel D van toepassing blijven, voor zover dit voor een goede gang van zaken noodzakelijk is.

2. Voor zover deze wet daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij en krachtens deze wet bepaalde, kunnen bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld ten behoeve van een goede invoering van de door deze wet gewijzigde of toegevoegde bepalingen van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Wet educatie en beroepsonderwijs. Ten behoeve van de goede invoering van de in de eerste volzin bedoelde gewijzigde of toegevoegde bepalingen kan bij ministeriële regeling eveneens worden afgeweken van het overigens bepaalde bij en krachtens de in die volzin genoemde wetten.

G

Wat de vooropleidingseisen voor de inschrijving aan een universiteit of hogeschool betreft, blijven ten aanzien van de bezitters van het diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs en van het diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs, behaald volgens de tot en met 31 juli 1998 geldende of ingevolge onderdeel D ook na die datum van toepassing blijvende voorschriften, tot en met het studiejaar 2004–2005 van toepassing de in artikel II genoemde artikelen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals luidend zonder de in artikel II genoemde wijzigingen.

H

Wat de vooropleidingseisen voor de inschrijving aan een hogeschool betreft, blijven ten aanzien van de bezitters van het diploma van een opleiding middelbaar beroepsonderwijs of van een opleiding deeltijds middelbaar beroepsonderwijs, voor zover deze opleidingen uitsluitend of mede zijn gericht op doorstroming naar het hoger beroepsonderwijs, welk diploma is behaald volgens de tot 1 januari 1996 geldende of ingevolge de Wet educatie en beroepsonderwijs ook na die datum van toepassing blijvende voorschriften, tot en met het studiejaar 2003–2004 van toepassing de in artikel II genoemde artikelen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals luidend op 31 juli 1997. Wat de vooropleidingseisen voor de inschrijving aan een hogeschool betreft, blijven ten aanzien van de bezitters van het diploma van een specialistenopleiding, behaald voor 1 augustus 1999, tot en met het studiejaar 2000–2001 van toepassing de in artikel II genoemde artikelen van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek zoals luidend zonder de in artikel II genoemde wijzigingen.

ARTIKEL VII. INVOERING PER 1 AUGUSTUS 1999 VOOR VIERDE LEERJAAR

  • 1. Het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 7 of artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs, kan besluiten, in afwijking van artikel VI, onderdeel B, met ingang van 1 augustus 1999 ten aanzien van het vierde leerjaar van die school toepassing te geven aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 12 tot en met 15 en 22 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals luidend ingevolge deze wet. Bij toepassing van de eerste volzin zijn de in die volzin genoemde artikelen, onverminderd artikel VI, onderdeel C, ten aanzien van de school:

    a. met ingang van 1 augustus 2000 van toepassing op het vijfde leerjaar, en

    b. met ingang van 1 augustus 2001 van toepassing op het zesde leerjaar indien het een school als bedoeld in artikel 7 van de Wet op het voortgezet onderwijs betreft.

  • 2. Artikel VI, onderdeel D, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing op scholen waarvan het bevoegd gezag een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen.

  • 3. In afwijking van artikel VI, onderdeel D, tweede, derde en achtste lid, gelden voor scholen waarvan het bevoegd gezag een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen, de volgende voorschriften:

    a. in het tweede lid wordt «schooljaar 1999–2000» vervangen door «schooljaar 2000–2001» en wordt «1 augustus 1998» vervangen door: 1 augustus 1999;

    b. in het derde lid wordt «schooljaar 2000–2001» vervangen door «schooljaar 2001–2002» en wordt «1 augustus 1998» vervangen door: 1 augustus 1999;

    c. in het achtste lid wordt «het schooljaar 2000–2001 onderscheidenlijk 2001–2002» vervangen door: het schooljaar 2001–2002 onderscheidenlijk 2002–2003.

  • 4. Artikel VI, onderdeel F, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven met betrekking tot de toepassing van het eerste lid, eerste volzin.

ARTIKEL VIII. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 augustus 1998, met uitzondering van artikel VII wat het eerste lid, eerste volzin, en het vijfde lid, betreft, die in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 2 juli 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de tweeëntwintigste juli 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Stb. 1993, 666, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 juli 1997, Stb. 321.

XNoot
2

Stb. 1992, 593, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 juni 1997, Stb. 284.

XNoot
3

Stb. 1995, 501, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 mei 1997, Stb. 229.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1996/97, 25 168.

Handelingen II 1996/97, blz. 5647; 5911–5945; 6013–6014.

Kamerstukken I 1996/97, 25 168 (280, 280a, 280b, 280c, 280d (herdr.)).

Handelingen I 1996/97, zie vergadering d.d. 30 juni 1997.