Besluit van 13 januari 1997, houdende regeling van het overleg met centrales van overheidspersoneel en sectorwerkgevers verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, alsmede wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in verband met de formalisering van het Sectoroverleg rijkspersoneel

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 4 november 1996, nr. AB96/U1366, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid;

Gelet op artikel 125, eerste lid, onderdeel m, van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 3 december 1996, no. WO4.96.0526);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 6 januari 1997, nr. AB96/1562, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Regeling van het overleg met centrales van overheidspersoneel en sectorwerkgevers, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.

Artikel 1

  • 1. Regelingen die specifiek betrekking hebben op overheids- en onderwijspersoneel in het algemeen worden niet tot stand gebracht dan nadat daarover door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken overleg is gevoerd met de centrales van overheidspersoneel en de overheidswerkgevers of verenigingen van overheidswerkgevers, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid. In dit overleg hebben de centrales van overheidspersoneel evenveel stemmen als de overheidswerkgevers of verenigingen van overheidswerkgevers.

  • 2. Indien een regeling als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op arbeidsvoorwaardelijke rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren dient over een desbetreffend voorstel overeenstemming te worden bereikt. Overeenstemming bestaat indien de helft of meer van het totale aantal stemmen voor het voorstel wordt uitgebracht, met dien verstande dat in ieder geval de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel met het voorstel ingestemd moet hebben.

  • 3. Geen overeenstemming is vereist over een voorstel als bedoeld in het tweede lid indien het betreft:

    a. invoering of wijziging van een wettelijke regeling voor ambtenaren met een overeenkomstige inhoud als een voorstel tot invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn;

    b. vantoepassingverklaring op ambtenaren van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn en met die vantoepassingverklaring samenhangende wijzigingen in voor ambtenaren geldende regelingen, een en ander mits het totaal van rechten en verplichtingen van ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt;

    c. implementatie van verplichtingen voortvloeiend uit een internationaal verdrag.

  • 4. Indien in het overleg een geschil ontstaat over de vraag of bij een voorstel als bedoeld in het derde lid, onder b, voldaan wordt aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel 2

  • 1. Het overleg staat onder leiding van Onze Minister van Binnenlandse Zaken. Hij is bevoegd de leiding van het overleg op te dragen aan de directeur-generaal Management en Personeelsbeleid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, indien de aard van de te bespreken aangelegenheden dit toelaat.

  • 2. Het overleg wordt gevoerd op plaats, dag en uur door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te bepalen.

Artikel 3

Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel.

Artikel 4

Indien de voorzitter dan wel een of meer van de deelnemers aan het overleg tot het oordeel komen dat het overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.

Artikel 5

  • 1. Binnen twee weken na de kennisgeving, bedoeld in artikel 4, wordt een overlegvergadering gehouden.

  • 2. Tenzij wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

  • 3. Tot het inwinnen van advies kan alleen worden besloten met minimaal de helft van het totale aantal stemmen, met dien verstande dat in ieder geval de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel daarmee in moeten stemmen.

Artikel 6

  • 1. Binnen een week na de vergadering bedoeld in artikel 5, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor het inwinnen van advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil, alsmede de visie daarop van de betreffende deelnemers.

  • 2. De overige deelnemers brengen eveneens binnen een week hun visie ter kennis van de voorzitter van de Advies- en Arbitragecommissie.

Artikel 7

De Advies- en Arbitragecommissie behandelt de adviesaanvraag overeenkomstig de artikelen 110h en 110i van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel 8

Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.

Artikel 9

Het standpunt van de centrales van overheidspersoneel en de overheidswerkgevers of verenigingen van overheidswerkgevers over de in het overleg besproken aangelegenheden wordt schriftelijk aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken bevestigd, waarbij desverlangd een samenvatting van de aan dat standpunt ten grondslag liggende argumenten wordt gegeven.

Van minderheidsstandpunten wordt desverlangd melding gemaakt.

Artikel 10

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.

ARTIKEL II

Het >Algemeen Rijksambtenarenreglement1 wordt als volgt gewijzigd:

A

De titel van paragraaf 1 van hoofdstuk XI komt te luiden:

Het overleg met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

B

Artikel 105 komt te luiden:

  • 1. Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren in de zin van dit besluit met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, wordt niet beslist dan nadat daarover door of namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken overleg is gepleegd met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

  • 2. De Sectorcommissie bestaat uit vertegenwoordigers van:

    a. de Algemene Centrale van Overheidspersoneel;

    b. de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel;

    c. het Ambtenarencentrum;

    d. de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen;

    e. andere door Ons tot het overleg toegelaten centrales van verenigingen van ambtenaren, welke onder meer gelet op het aantal ambtenaren, dat zij vertegenwoordigen, eveneens als representatief kunnen worden aangemerkt en tegen wier toelating het algemeen belang zich niet verzet.

  • 3. Indien een voorstel, waarover overleg dient plaats te vinden, strekt tot invoering of wijziging van een regeling met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren wordt dit voorstel slechts ten uitvoer gebracht, indien daarover overeenstemming bestaat met de Sectorcommissie. Het standpunt van de Sectorcommissie wordt bepaald bij meerderheid van stemmen. Elke centrale brengt één stem uit. Indien de stemmen binnen de Sectorcommissie staken, beslist Onze Minister van Binnenlandse Zaken of het voorstel ten uitvoer wordt gebracht.

  • 4. In de Sectorcommissie wordt geen overleg gevoerd over voorstellen die betrekking hebben op het gehele overheidspersoneel.

  • 5. Indien een voorstel als bedoeld in het vierde lid, ziet op het van toepassing verklaren op overheidspersoneel van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers, die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn, vindt in de Sectorcommissie overleg plaats over de gevolgen van een desbetreffend voorstel voor ambtenaren en de eventueel daarmee samenhangende wijzigingen in de voor hen geldende regelingen. Het overeenstemmingsvereiste, bedoeld in het derde lid, is daarbij niet van toepassing, mits het totaal van rechten en verplichtingen van ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt.

  • 6. Indien bij het overleg, bedoeld in het vijfde lid, een geschil ontstaat over de vraag of wordt voldaan aan de voorwaarde dat het totaal van rechten en verplichtingen van de ambtenaren over het geheel beoordeeld niet ongunstiger wordt, wordt dat geschil onderworpen aan arbitrage door de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g.

C

In artikel 106 wordt «Commissie» telkens vervangen door: Sectorcommissie.

D

Artikel 107 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Het secretariaat van het overleg wordt gevoerd door een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken benoemde of aangewezen secretaris, die ten dienste staat van zowel de voorzitter en de in het tweede lid bedoeld ambtenaren als van de Sectorcommissie. De benoeming of aanwijzing van de secretaris geschiedt in overeenstemming met de Sectorcommissie.

2. In het vijfde lid wordt «Commissie» vervangen door: Sectorcommissie.

3. Het zesde lid vervalt.

E

In de artikelen 108, eerste lid, en 109 wordt «Commissie» telkens vervangen door: Sectorcommissie.

F

Artikel 110 komt te luiden:

Artikel 110

  • 1. Indien het wenselijk blijkt over de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden voorbereidende besprekingen te voeren of in het overleg genomen besluiten uit te werken, geschiedt deze voorbereiding of uitwerking door werkgroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de Sectorcommissie en door Onze Minister van Binnenlandse Zaken daartoe aangewezen functionarissen.

  • 2. Het bepaalde in het vierde en vijfde lid van artikel 107 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

G

In de artikelen 110a, 110e, 110g, 110l, 111 en 112 wordt «Commissie» telkens vervangen door: Sectorcommissie.

H

In de artikelen 118a, 119c en 122 wordt «Centrale Commissie» telkens vervangen door: Sectorcommissie.

ARTIKEL III

In de artikelen 138 en 140 van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal2 wordt «Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken» telkens vervangen door: Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

ARTIKEL IV

Het koninklijk besluit van 25 november 1976 betreffende de instelling van een bijzondere commissie van overleg bij de Raad van State (Stb. 655)3 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Onderdeel b wordt vervangen door:

b. Sectorcommissie: de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, bedoeld in hoofdstuk XI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

2. In onderdeel c wordt «centrale commissie» vervangen door: Sectorcommissie.

B

Artikel 2, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Over aangelegenheden waarvan de behandeling dient te geschieden in het overleg met de Sectorcommissie, bedoeld in artikel 105, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, vindt geen overleg plaats met de commissie. Dit geldt eveneens voor de onderwerpen, bedoeld in artikel 105, vierde lid, van genoemd reglement.

ARTIKEL V

Het koninklijk besluit van 1 september 1978 betreffende de instelling van een Bijzondere Commissie van Overleg bij de Algemene Rekenkamer (Stb. 482)4 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Onderdeel b wordt vervangen door:

b. Sectorcommissie: de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel, bedoeld in hoofdstuk XI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

2. In onderdeel c wordt «centrale commissie» vervangen door: Sectorcommissie.

B

Artikel 2, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Over aangelegenheden waarvan de behandeling dient te geschieden in het overleg met de Sectorcommissie, bedoeld in artikel 105, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, vindt geen overleg plaats met de commissie. Dit geldt eveneens voor de onderwerpen, bedoeld in artikel 105, vierde lid, van genoemd reglement.

ARTIKEL VI

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1997.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 13 januari 1997

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

Uitgegeven de vierde februari 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Reeds geruime tijd is het stelsel van arbeidsvoorwaardenoverleg in de overheidssector in ontwikkeling. Zo is onder meer in 1984 een geschillenregeling ingevoerd en in 1989 het vereiste dat over wijzigingen in arbeidsvoorwaardelijke regelingen overeenstemming met de organisaties van overheidspersoneel dient te worden bereikt.

In 1993 werd vervolgens het sectorenmodel ingevoerd. Daarmee heeft een decentralisatie van het arbeidsvoorwaardenoverleg naar acht sectoren (Rijk, Defensie, Politie, Onderwijs en Wetenschappen, Rechterlijke Macht, Gemeenten, Provincies en Waterschappen) plaatsgevonden.

Alleen over pensioenen en vut werd nog centraal door de Minister van Binnenlandse Zaken onderhandeld met de centrales van overheidspersoneel. Daaraan is echter ook een einde gekomen met de totstandkoming van de Wet privatisering ABP en de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel per 1 januari 1996. Wel is nog sprake van een situatie waarin over pensioenen door de sectorwerkgevers gezamenlijk met de centrales van overheidspersoneel onderhandeld dient te worden.

Gelijktijdig met de invoering van het sectorenmodel is de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid (ROP) opgericht. In die Raad hebben de acht sectorwerkgevers en de vier centrales van overheidspersoneel zitting. Aldus kan de Raad gezien worden als een forum waarin sociale partners in de overheidssector elkaar ontmoeten.

De invoering van het sectorenmodel heeft plaats kunnen vinden zonder dat daarvoor regelgeving nodig was. Nu het arbeidsvoorwaardenoverleg in de overheidssector volledig gesectoraliseerd is, is het moment voor wijziging van de regelgeving aangebroken.

De wijzigingen betreffen het volgende.

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) regelt in hoofdstuk XI het overleg met de centrales van verenigingen van ambtenaren.

Hoewel het ARAR in beginsel uitsluitend betrekking heeft op ambtenaren in dienst van de sector rijk heeft § 1 van hoofdstuk XI van oudsher een ruimere strekking gehad. Deze paragraaf regelde het overleg van de Minister van Binnenlandse Zaken met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken (CCGOA). In dit overleg kwamen naast zaken die uitsluitend betrekking hadden op rijksambtenaren ook zaken aan de orde die betrekking hadden op andere categorieën overheidspersoneel.

Vóór de invoering van het sectorenmodel had het overleg in het CGOA in veel gevallen ook consequenties voor de ambtenaren van andere sectoren. In sommige gevallen was er sprake van een directe doorwerking, zoals bijvoorbeeld bij het overleg over pensioenen. In andere gevallen was die doorwerking indirect. Voor diverse bijzondere groepen zoals het onderwijspersoneel en het politiepersoneel was in hun overlegregeling bepaald dat geen overleg werd gepleegd met de desbetreffende sectorcommissie indien over een aangelegenheid van algemeen belang reeds overleg was gepleegd in het CGOA. Bij lagere overheden werd de doorwerking bereikt door bij wijziging van de rechtspositieregelingen van het rijk een verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken te laten uitgaan aan de lagere overheden om hun rechtspositieregelingen op overeenkomstige wijze aan te passen.

Thans is het arbeidsvoorwaardenoverleg gedecentraliseerd naar de acht sectoren. Bij de sectoren wordt het overleg over deze onderwerpen gevoerd in sectorcommissies.

Voor de sector rijk werd in het Protocol Sectoralisatie van het Overleg opgenomen dat het sectoroverleg rijk (SOR) afzonderlijk gevoerd zou worden met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken. De regels van het CGOA werden daarbij ook van toepassing verklaard op het SOR. Het is wenselijk het SOR thans formeel te regelen.

In beginsel zou dat kunnen door het huidige CGOA te transformeren tot het SOR.

Geconstateerd moet echter worden dat in het CGOA door de Minister van Binnenlandse Zaken niet alleen als werkgever met de centrales van overheidspersoneel werd onderhandeld, maar ook als medewetgever overleg werd gevoerd over kwesties die in algemene zin (en dus sectoroverstijgend) als wetgever geregeld worden voor het overheidspersoneel. Genoemd kan bijvoorbeeld worden het wetsvoorstel tot wijziging van de Ambtenarenwet en de Militaire Ambtenarenwet 1931 in verband met het verrichten van nevenwerkzaamheden (Kamerstukken II 1995/96, 24 575).

Deze overlegtaak zou komen te vervallen, indien volstaan zou worden met het transformeren van het CGOA tot SOR.

Om die reden wordt dan ook voorgesteld deze overlegtaak over te hevelen van het CGOA naar de ROP. In artikel I wordt dan ook een regeling getroffen voor het overleg met de centrales van overheidspersoneel en de sectorwerkgevers, verenigd in de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid.

In artikel II wordt het ARAR zodanig gewijzigd dat daarin de transformatie van CGOA in SOR plaatsvindt, terwijl in de artikelen III, IV en V enkele besluiten worden aangepast aan de omvorming van de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken tot Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

Over de voorgestelde wijzigingen is in het CGOA en het SOR overeenstemming bereikt.

Artikelsgewijs

Artikel I

Artikel 1

In dit artikel wordt de verplichting voor de Minister van Binnenlandse Zaken geregeld tot overleg met de centrales van overheidspersoneel en de sectorwerkgevers, verenigd in de ROP. Het verplichte overleg heeft betrekking op kabinetsvoorstellen voor regelingen die specifiek betrekking hebben op overheids- en onderwijspersoneel in het algemeen. De verplichting geldt dus niet voor ontwerp-regelingen die zowel op werknemers in de marktsector als die in de overheidssector betrekking hebben.

Evenmin geldt de verplichting voor kwesties die tot het echte arbeidsvoorwaardenoverleg behoren. Over dergelijke kwesties wordt immers in de verschillende sectoren onderhandeld, waarbij overeenstemming bereikt moet worden.

Niettemin is niet uitgesloten dat het overleg tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de ROP toch betrekking heeft op invoering of wijziging van een regeling met arbeidsvoorwaardelijke rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren, welk overleg tot nu toe in het overleg met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken werd gevoerd. Voor dergelijke gevallen is in het tweede lid bepaald dat daarover overeenstemming moet worden bereikt.

Overeenstemming bestaat indien tenminste de helft van het totale aantal stemmen voor het voorstel wordt uitgebracht, met dien verstande dat in ieder geval de meerderheid van de centrales van overheidspersoneel met het voorstel moet hebben ingestemd. Dit laatste is opgenomen teneinde ook in dit overleg te handhaven dat – zoals voor het overleg met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken was geregeld – tenminste met twee centrales overeenstemming moet worden bereikt.

Voor alle duidelijkheid zij vermeld dat deze regeling van het overeenstemmingsvereiste alleen geldt voor het in artikel 1 geregelde overleg tussen de Minister van Binnenlandse Zaken en de ROP. Wanneer sociale partners in de ROP zouden willen besluiten om gezamenlijk afspraken te maken over onderwerpen die eigenlijk behoren tot het domein van het sectorale arbeidsvoorwaardenoverleg, dan kan dat alleen met de instemming van alle sectorwerkgevers. In het derde en vierde lid zijn (overeenkomstig de tot nu toe bestaande regeling in het ARAR) de uitzonderingen op dat overeenstemmingsvereiste geregeld.

Artikelen 2 en 3

Deze artikelen geven procedurele regels voor het overleg.

Artikelen 4 tot en met 8

Zowel in die gevallen dat het overeenstemmingsvereiste niet geldt, als wanneer het wel geldt, kan er de behoefte ontstaan geschillen in het overleg voor te leggen aan de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g van het ARAR. De daarbij te hanteren procedure is in hoge mate gelijk aan die welke in het ARAR is neergelegd.

Artikel II

Onderdeel B

In artikel 105 van het ARAR, waarin de overlegverplichting is geregeld, is het CGOA vervangen door het SOR. Het artikel bepaalt thans dat over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van ambtenaren overleg wordt gevoerd in het SOR. Voor de duidelijkheid is aan deze zin toegevoegd dat het moet gaan om ambtenaren «in de zin van dit besluit», d.w.z. ambtenaren werkzaam bij de sector rijk.

Het vierde lid is nieuw toegevoegd en geeft de afgrenzing aan, dat in het SOR uitsluitend overleg dient plaats te vinden over zaken die exclusief betrekking hebben op ambtenaren van de sector rijk. Indien het gaat om onderwerpen die betrekking hebben op het gehele overheidspersoneel, dient daarover geen overleg plaats te vinden in het SOR. Voor de onderwerpen waar hier op gedoeld wordt kan o.a. verwezen worden naar de onderwerpen die genoemd werden in het oude artikel 105, als uitzonderingen op het overeenstemmingsvereiste in het CGOA:

a) invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking heeft op alle burgers of alle werknemers, waaronder begrepen ambtenaren;

b) invoering of wijziging van een wettelijke regeling voor ambtenaren met een overeenkomstige inhoud als een voorstel tot invoering of wijziging van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn;

c) van toepassing verklaring op ambtenaren van een wettelijke regeling die betrekking heeft op werknemers die krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1637a van het Burgerlijk Wetboek werkzaam zijn;

d) implementatie van verplichtingen voortvloeiend uit een internationaal verdrag.

Er kunnen echter ook andere onderwerpen zijn die voor alle ambtenaren centraal geregeld worden (bijvoorbeeld bepalingen over grondrechten, nevenfuncties). Om die reden zijn niet de voorbeelden uit het oude artikel 105 overgenomen maar is volstaan met een algemene bepaling.

Het nieuwe vijfde lid geeft aan dat indien op centraal niveau wordt besloten om ambtenaren onder wettelijke regelingen uit de marktsector te brengen in het SOR overleg plaats moet vinden over de gevolgen daarvan en eventuele wijziging van regelingen. In het SOR dient daarover in beginsel overeenstemming te worden bereikt. Indien het totaal van rechten en verplichtingen voor de ambtenaren niet ongunstiger wordt is overeenstemming niet nodig. Het uiteindelijke oordeel hierover ligt bij de Advies- en Arbitragecommissie. Deze procedure stemt overeen met het oude artikel 105.

Onderdeel D

Het secretariaat van het SOR wordt gevoerd door het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel (CAOP). Het eerste lid van artikel 107 is aangepast aan de situatie waarbij het CAOP verzelfstandigd is.

Het zesde lid, inzake het toelaten bij het overleg van vertegenwoordigers van de lagere publiekrechtelijke lichamen, is voor het SOR overbodig en kan vervallen.

Onderdeel F

Terwille van de wenselijk geachte flexibiliteit worden in artikel 110 geen vaste werkgroepen meer genoemd.

Artikelen III, IV en V

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal en de besluiten betreffende de bijzondere Commissies van overleg bij de Raad van State en de Algemene Rekenkamer zijn aan de wijzigingen in het ARAR aangepast.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal


XNoot
1

Stb. 1931, 248, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 november 1996, Stb. 581.

XNoot
2

Stb. 1979, 123, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 november 1996, Stb. 581.

XNoot
3

Laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 januari 1993, Stb. 94.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.

Naar boven