Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 1997, 263AMvB

Besluit van 20 juni 1997 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit, van artikel I, onderdeel P, onder 2, van de Wet van 22 december 1993 houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten in verband met de tenuitvoerlegging van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk en enige andere onderwerpen en van de artikelen 12:2, 12:30, onderdeel B, en 12:32 van de Arbeidstijdenwet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 juni 1997, Directie Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, nr. WBJA/W2/970652;

Gelet op artikel 9.40 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, artikel IV van de Wet van 22 december 1993, houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten in verband met de tenuitvoerlegging van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk en enige andere onderwerpen (Stb. 757) en artikel 12:40 van de Arbeidstijdenwet;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Arbeidsomstandighedenbesluit treedt in werking met ingang van 1 juli 1997, met uitzondering van artikel 4.8, tweede en zesde lid voorzover het de aanwezigheid van het certificaat van vakbekwaamheid betreft, dat op 1 oktober 1997 in werking treedt.

ARTIKEL II

Artikel I, onderdeel P, onder 2, van de Wet van 22 december 1993 houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet en enige andere wetten in verband met de tenuitvoerlegging van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk en in verband met enige andere onderwerpen (Stb. 757) treedt in werking op het tijdstip waarop het Arbeidsomstandighedenbesluit in werking treedt.

ARTIKEL III

De artikelen 12:2, 12:30, onderdeel B, en 12:32 van de Arbeidstijdenwet treden in werking op het tijdstip waarop het Arbeidsomstandighedenbesluit in werking treedt.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 20 juni 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave

Uitgegeven de zesentwintigste juni 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Op 15 januari 1997 is het Besluit houdende regels in het belang van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de arbeid, kortweg: het Arbeidsomstandighedenbesluit, vastgesteld. Dit besluit is op 25 februari 1997 bekendgemaakt door plaatsing daarvan in Staatsblad nr. 60.

Het onderhavige besluit regelt de inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit alsmede de inwerkingtreding van met het oog op de totstandkoming van dit besluit gewijzigde bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet als bedoeld in de Wet van 22 december 1993 houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met de tenuitvoerlegging van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk en enige andere onderwerpen (Stb. 757) en de Arbeidstijdenwet.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit strekt tot herstructurering, opschoning en actualisering van alle tot nu toe bestaande besluiten op grond van de Arbeidsomstandighedenwet. Deze besluiten waren grotendeels verouderd, te gedetailleerd en complex alsmede gebrekkig in hun onderlinge afstemming. Zij zijn dan ook vervangen door één nieuw besluit, dat minder regels bevat, begrijpelijker en beter toegankelijk is. Voor bedrijven zal het daardoor duidelijker zijn welke regels zij moeten naleven op het terrein van arbeidsomstandigheden. De minder gedetailleerde regelgeving geeft bovendien ruimte voor maatwerk; de toepassing van de voorschriften kan worden toegesneden op de eigen onderneming. Daarnaast zijn voor de toezichthoudende instanties betere condities voor een snelle en uniforme handhaving ontstaan. De bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers tegen risico's op het werk blijft in het Arbeidsomstandighedenbesluit onverminderd op het tot nu toe bestaande niveau gehandhaafd.

Artikelsgewijs

Artikel I

Teneinde zowel de bedrijven en andere bij het Arbeidsomstandighedenbesluit betrokkenen als de toezichthoudende instanties de mogelijkheid te bieden zich tijdig op de nieuwe regeling in te stellen, is de inwerkingtreding van vrijwel alle artikelen van dit besluit bepaald op 1 juli 1997. Slechts artikel 4.8, tweede en deels zesde lid, treden later in werking, namelijk met ingang van 1 oktober 1997.

Artikel 4.8 heeft betrekking op werkzaamheden waarbij stoffen worden gebruikt voor het springen van objecten of materialen zoals gebouwen en bruggen respectievelijk aardlagen.

Gelet op de grote gevaren voor de veiligheid en de gezondheid van de bij deze werkzaamheden betrokken werknemers, bepaalt het tweede lid van dit artikel, dat deze werkzaamheden alleen verricht mogen worden door of onder toezicht van een deskundig persoon – de springmeester – die daartoe in het bezit moet zijn van een certificaat van vakbekwaamheid. Op grond van het zesde artikellid wordt het certificaat desgevraagd getoond aan de Arbeidsinspectie. De voor het verkrijgen van het certificaat onder meer gestelde opleidings- en ervaringseisen, die overeenkomen met die, welke in de huidige praktijk al worden gehanteerd, zijn opgenomen in de Arbeidsomstandighedenregeling. Het certificaat van vakbekwaamheid zal worden afgegeven door de Stichting voor de certificatie van vakbekwaamheid SKO, die door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op het tijdstip van inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit daartoe zal zijn aangewezen.

Het systeem van certificering van vakbekwaamheid voor springmeesters is nieuw. Op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige regelgeving kunnen derhalve nog geen certificaten zijn afgegeven. Teneinde genoemde stichting in de gelegenheid te stellen voldoende certificaten af te geven, zullen de bovengenoemde verplichtingen als bedoeld in artikel 4.8, tweede en zesde lid, drie maanden later in werking treden dan de overige bepalingen van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel II

In artikel I, onderdeel P, onder 2 van de eerdergenoemde Wet van 22 december 1993 houdende wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet, is artikel 24, derde lid, onder g van deze wet betreffende de bevoegdheid om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot het verrichten van onderzoekingen, beproevingen of metingen, het uitreiken van bewijsstukken omtrent het resultaat daarvan en het daarvoor aanwijzen of erkennen van diensten, instellingen, ondernemingen of personen, gewijzigd. Bedoelde wijziging betreft het vervallen van de zinsnede «en het daarvoor aanwijzen of erkennen van diensten, instellingen, ondernemingen of personen». Achtergrond van deze wijziging was het bij genoemde wijzigingswet geïntroduceerde artikel 31a betreffende certificatie, ten aanzien waarvan aanvankelijk werd geconcludeerd, dat daardoor de tot dan toe voor certificatie bestaande basis in de Arbeidsomstandighedenwet als bedoeld in artikel 24, derde lid, onder g, zou kunnen komen te vervallen. Bij nadere bestudering van de met name op dit artikel gebaseerde algemene maatregelen van bestuur bleek evenwel, dat de daarin opgenomen verplichtingen wat betreft hun terminologie, niet in alle gevallen overeenstemden met die als bedoeld in artikel 31a van de wet. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is dit verschil in terminologie, te weten erkenning versus certificering, opgeheven. Het onderhavige artikelonderdeel kan derhalve thans in werking treden.

Artikel III

Artikel 12:2 van de Arbeidstijdenwet regelt de intrekking van de Phosphorluciferwet 1901. Deze wet verbiedt het vervaardigen of doen vervaardigen alsmede het vervoeren of het voor verkoop voorhanden hebben van lucifers die witte fosfor bevatten. De betreffende verbodsbepalingen zijn thans opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Een dergelijke regeling in het Arbeidsomstandighedenbesluit is mogelijk op grond van artikel 24, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, waarin de mogelijkheid wordt geopend om bij algemene maatregel van bestuur een verbod met betrekking tot het verrichten van bij die maatregel omschreven arbeid vast te stellen. Een zelfstandige wettelijke regeling voor een verbod met betrekking tot het verrichten onderscheidenlijk in voorraad houden van fosforlucifers is derhalve niet langer noodzakelijk.

Artikel 12:30, onderdeel B, van de Arbeidstijdenwet regelt de uitbreiding van de werkingssfeer van de Arbeidsomstandighedenwet tot in het buitenland verblijvende Nederlandse zeeschepen en luchtvaartuigen door middel van een wijziging van artikel 2, derde lid, van deze wet. Reden daarvoor is, dat opsporing van bij de Arbeidsomstandighedenwet strafbaar gestelde feiten die begaan worden aan boord van Nederlandse zeeschepen en luchtvaartuigen buiten Nederland, weliswaar mogelijk is via artikel 3 juncto 91 van het Wetboek van Strafrecht, doch dat de (veelal) hieraan voorafgaande toezichtsinstrumenten zoals de aanwijzing en de eis tot naleving als bedoeld in de artikelen 35 en 36 van de Arbeidsomstandighedenwet, niet aan boord van deze vaartuigen kunnen worden gehanteerd. Genoemde wetswijziging heft deze inconsequentie op.

Bij deze wijziging is van de gelegenheid gebruik gemaakt, om de op basis van het huidige derde lid van artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet te stellen nadere regels, in plaats van bij ministeriële regeling, thans bij algemene maatregel van bestuur tot stand te doen brengen. Daarmee wordt de regeling op basis van dit artikellid in overeenstemming gebracht met het niveau van de regelingen die op basis van de overige leden van artikel 2 ten aanzien van de overige bijzondere (overheids-)

sectoren zijn vastgesteld. De tot nu toe bestaande Arbeids-omstandighedenregeling vervoermiddelen is, evenals de overige bijzondere sectorregelingen, thans opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voorts is ook in het algemeen de formulering van het oorspronkelijke artikel 2, derde lid, aangepast aan de formulering van de overige leden van dit artikel. Op grond van het huidige derde lid van artikel 2 is het immers niet mogelijk om voor de vervoerssector van de Arbeidsomstandighedenwet afwijkende of aanvullende voorschriften vast te stellen; de wetgever laat slechts het geheel of gedeeltelijk niet van toepassing verklaren van voorschriften toe. Gebleken is, dat deze bepaling bij de implementatie van EG-richtlijnen problemen oplevert. Genoemde wetswijziging heft tevens deze onmogelijkheid op.

Ten slotte wordt in artikel 12:32 van de Arbeidstijdenwet de Wet op de economische delicten gewijzigd. De betreffende wijziging hangt samen met de vorengenoemde wijzigingen van artikel 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

F. H. G. de Grave