Besluit van 4 juni 1997, houdende instelling van
de Commissie Ruimtelijk-Economisch Perspectief Noord-Nederland
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer, dd. 30-5-1997, nr. 173, afdeling Gebiedsgerichte Plan- en
Beeldvorming (Rijksplanologische Dienst); gedaan in overeenstemming met Onze
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Onze Minister van Verkeer
en Waterstaat, alsmede de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken, J. Kohnstamm;
gelet op artikel 6, eerste lid van de Kaderwet Adviescolleges
Hebben verstaan en goedgevonden;
Artikel 1
Er is een Commissie Ruimtelijk-Economisch Perspectief Noord-Nederland,
hierna te noemen: de Commissie.
Artikel 2
1. De Commissie heeft tot taak een analyse te maken van de sterke en zwakke
punten van Noord-Nederland in relatie tot zijn omgeving, op de terreinen van
regionale economie, ruimtelijke structuur, verkeer en vervoer, land- en tuinbouw,
alsmede natuur, recreatie en landschap.
2. De Commissie dient daarbij speciale aandacht te besteden aan beleidsopties
van rijk en provincies op de terreinen van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Verkeer en Waterstaat
en van Economische Zaken.
3. De Commissie brengt voor 1 juli 1997 aan Onze Ministers van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
van Verkeer en Waterstaat, alsmede de Staatssecretaris van Economische Zaken
en aan de voorzitter van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, een eindrapport
uit dat in elk geval aanbevelingen bevat voor een pakket van maatregelen,
onderscheiden naar ten eerste de periode tot het jaar 2010 en vervolgens de
periode 2010–2030.
Artikel 3
1. Het beheer van de stukken betreffende de werkzaamheden van de Commissie
geschiedt conform het Statuut Documentaire Informatievoorziening VROM (1996).
2. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde stukken zullen bij opheffing
van de Commissie worden opgenomen in het archief van de Rijksplanologische
Dienst.
Artikel 4
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1
januari 1997. Het besluit vervalt met ingang van 1 juli 1997.
Artikel 5
Dit besluit wordt aangehaald als Besluit Commissie Ruimtelijk-Economisch
Perspectief Noord-Nederland.
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende
nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift
zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 4 juni 1997
Beatrix
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Uitgegeven de zesentwintigste juni 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA VAN TOELICHTING BEHORENDE BIJ HET BESLUIT COMMISSIE
RUIMTELIJK-ECONOMISCH PERSPECTIEF NOORD-NEDERLAND
In het kader van het rijksbeleid achten wij het wenselijk, de bijdrage
van het landsdeel Noord-Nederland aan de doelstellingen van de nationale economie
te versterken en de eigen kwaliteiten van ruimtelijke structuur, van verkeer
en vervoer, van land- en tuinbouw en van recreatie, natuur en landschap in
Noord-Nederland verder te ontwikkelen. Over deze doelstelling bestaat overeenstemming
tussen het rijk en het bestuur van de provincies Drenthe, Friesland en Groningen,
verenigd in het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN).
In de loop van 1996 is door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer nagegaan, of het wenselijk zou zijn een commissie
in te stellen die de ruimtelijk-economische positie van het noorden van het
land nader in kaart brengt en voorstellen doet voor verbeteringen en aanpassingen.
Tijdens besprekingen in het najaar van 1996 tussen het rijk en het SNN
was het nieuwe adviesstelsel nog niet in werking. Beide partijen achten het
wenselijk, nog voor de zomer van 1997 een advies over het ruimtelijk-economisch
perspectief voor Noord-Nederland te ontvangen. Gezien de breedte van de relevante
beleidsterreinen lag het niet in de rede de opdracht te verstrekken aan één
van de toenmalige departementale adviesraden, maar aan een afzonderlijke,
tijdelijke commissie. De Minister-President heeft tijdens de Algemene Beschouwingen
in 1996 het instellen van een dergelijke commissie aangekondigd.
De in te stellen commissie zal een heldere analyse moeten maken van sterke
en zwakke punten van Noord-Nederland in relatie tot zijn omgeving, op de terreinen
van regionale economie, ruimtelijke structuur, verkeer en vervoer, land- en
tuinbouw, natuur, recreatie en landschap. Aan de hand hiervan zal de commissie
met advies over een pakket van concrete maatregelen moeten komen.
De Commissie consulteert, indien zij dat voor een goede vervulling van
de aan haar opgedragen taak nodig acht, degenen die betrokken zijn bij de
omschreven beleidsterreinen in Noord-Nederland. Daarnaast consulteert de Commissie
ook het bedrijfsleven in het Noorden.
De voor het functioneren van de Commissie noodzakelijk geachte uitgaven
komen voor rekening van de betrokken departementen. Van deze uitgaven stelt
de Commissie in haar eerste vergadering een begroting op en legt deze begroting
ter goedkeuring voor aan de betrokken bewindslieden. Het verstrekken van opdrachten
door de Commissie tot het verrichten van onderzoek geschiedt conform de Algemene
Onderzoeksvoorwaarden VROM (1995).
De Commissie brengt voor 1 juli 1997 een eindrapport uit aan de in artikel
2 van het Besluit genoemde bewindslieden en aan de voorzitter van het Samenwerkingsverband
Noord-Nederland. Dit eindrapport bevat in elk geval aanbevelingen voor een
pakket van maatregelen, onderscheiden naar ten eerste de periode tot het jaar
2010 en vervolgens de periode 2010–2030.
Behoudens het hierboven gestelde regelt de Commissie haar werkzaamheden
naar eigen inzicht. De Commissie heeft de bevoegdheid opdrachten aan externen
te verstrekken, met name ten aanzien van het instellen van een secretariaat
van de Commissie.
Door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is de Plaatsvervangend Directeur-Generaal van de Ruimtelijke Ordening aangewezen
als de ambtenaar die beschikbaar is voor het geven van inlichtingen, als bedoeld
in artikel 19 van de Kaderwet Adviescolleges. Hij fungeert als trait d'union
tussen de Commissie en de in artikel 2 van het Besluit genoemde bewindslieden
en de voorzitter van de Samenwerkingsverband Noord-Nederland, en is als waarnemer
toegevoegd aan de Commissie.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer