Besluit van 23 mei 1997, houdende schorsing van de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking van de Nederlandse orde van advocaten

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 16 mei 1997, nr. 628036/897;

Beschikken hierbij ter zake van de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking van de Nederlandse orde van advocaten van 27 november 1996.

Overwegingen

Het College van Afgevaardigden van de Nederlandse orde van advocaten heeft op 27 november 1996 vastgesteld de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking.

Van de zijde van het Verbond van Verzekeraars is op 21 april 1997 aan de Minister van Justitie het verzoek gericht om artikel 3, vierde lid, van de hiervoor genoemde verordening wegens strijd met het recht en wegens strijd met het algemeen belang te vernietigen.

De vanwege het Verbond van Verzekeraars aangevoerde argumenten waarop het verzoek tot vernietiging van artikel 3, vierde lid, van de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking is gebaseerd, vereisen nadere studie met betrekking tot de vraag of de voorwaarde in dit artikel gesteld voor de toetreding tot de advocatuur door juristen in dienst van verzekeraars als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, stand kan houden. Hangende het onderzoek of bedoelde bepaling wegens strijd met het recht of wegens strijd met het algemeen belang al dan niet vernietigd zou moeten worden, is het wenselijk artikel 3, vierde lid, van de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking te schorsen.

Daarmee kan evenwel niet worden volstaan. Een toetreding tot de advocatuur door juristen in dienst van verzekeraars als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e, van de Verordening verdient geen aanbeveling zolang niet op enigerlei wijze is voorzien in een regeling van de vrijheid van advocatenkeuze welke toekomt aan de cliënt van dergelijke verzekeringsbedrijven. Hiertoe dient eveneens artikel 3, eerste lid, onder e, van de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking te worden geschorst.

Beslissing

Gelet op artikel 30, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 3, eerste lid, onder e, en artikel 3, vierde lid van de Verordening op de praktijkuitoefening in dienstbetrekking tot 1 augustus 1997 te schorsen.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 23 mei 1997

Beatrix

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de negenentwintigste mei 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven