Beschikking van de Minister van Justitie van 8 april 1997, houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO, zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 25 februari 1997, Stb. 150

De Minister van Justitie,

Gelet op artikel VI van het besluit van 25 februari 1997, Stb. 150;

Besluit:

de tekst van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO, zoals dit laatstelijk is gewijzigd bij besluit van 25 februari 1997, Stb. 150, in het Staatsblad te plaatsen als bijlage bij deze beschikking.

's-Gravenhage, 8 april 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de vijftiende april 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

TEKST VAN HET BEKOSTIGINGSBESLUIT WBO/OWBO, ZOALS DAT LAATSTELIJK IS GEWIJZIGD BIJ BESLUIT VAN 25 FEBRUARI 1997, STB. 150

Inhoudsopgave

HOOFDSTUK IAlgemene bepalingen
  
Titel IAlgemeen
Artikel 1Begripsbepalingen
  
Titel IIAdministratieve voorschriften met betrekking tot aanvang en einde bekostiging, en borgstelling
Artikel 2Gegevens en bescheiden nieuwe scholen en scholen die met toepassing van artikel 63a van de wet voor bekostiging in aanmerking komen
Artikel 3Borgstelling
Artikel 4Opheffing van een school
Artikel 5Gegevens bij mededeling bevoegd gezag over uitzonderingssituatie
  
Titel IIILeerlingenadministratie en leerlingentelling
Afdeling 1Leerlingenadministratie
Artikel 6Inhoud leerlingenadministratie
Artikel 7Inschrijving
Artikel 8Uitschrijving
Artikel 9Bewaren van gegevens
  
Afdeling 2Leerlingentelling
Artikel 10Leerlingentelling
Artikel 11Verstrekken gegevens aan Minister
  
Titel IVBoekhoudvoorschriften
Artikel 12Boekhoudvoorschriften bijzondere scholen
  
HOOFDSTUK IIVergoeding voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
Artikel 13Maandelijkse vergoeding
Artikel 14Normatieve vaststelling schoolgrootte
Artikel 15Verstrekken gegevens vergoeding materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
Artikel 16Omschrijving uitgaven materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
Artikel 17Omvang vergoeding materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding
  
HOOFDSTUK IIIVergoeding voor de uitgaven voor het personeel
  
Titel I Aanvang van de bekostiging
Artikel 18Aanvang van de bekostiging
  
Titel IIVoorschot
Artikel 19Overzicht beschikbare formatierekeneenheden en gewijzigd overzicht
Artikel 20Voorschot
Artikel 21Onderscheid wijze van uitkering van het voorschot
Artikel 22Verstrekken gegevens voor bevoorschotting door bevoegd gezag aangesloten bij geautomatiseerd systeem
Artikel 23Verstrekken gegevens voor bevoorschotting door bevoegd gezag niet aangesloten bij geautomatiseerd systeem
Artikel 24Opschorting voorschot
Artikel 25Nadere voorschriften
  
Titel IIIVergoeding
Artikel 26Omvang vergoeding
Artikel 27Korting vergoeding
Artikel 28Verrekening met de vergoeding
Artikel 29Onderscheid wijze van uitkering van de vergoeding
Artikel 30Verstrekken gegevens ten behoeve van de afrekening vergoeding voor uitgaven voor het personeel
  
HOOFDSTUK IVVergoeding voor de uitgaven voor nascholing
Artikel 31Aanvang van de bekostiging
Artikel 32Vergoeding voor nascholing
Artikel 33Omvang vergoeding
Artikel 34Verstrekken gegevens i.v.m. de terugstorting van niet bestede nascholingsgelden
  
HOOFDSTUK VSlot- en overgangsbepalingen
Artikel 35Inwerkingtreding, citeertitel

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

TITEL I Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

wet: Wet op het basisonderwijs (Stb. 1986, 256);

school: een school voor basisonderwijs, tenzij het tegendeel blijkt;

openbare school: door een of meer gemeenten, al dan niet te zamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid in stand gehouden school;

bijzondere school: door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden school;

nevenvestiging: deel van een school, dat op de plaats waar het onderwijs wordt gegeven voordat het een deel van de school werd als zelfstandige school functioneerde;

bevoegd gezag van volgens de wet bekostigde scholen: voor wat betreft

a. een openbare school: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen dan wel het krachtens een gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;

b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 35 van de wet;

ouders: ouders of voogden;

teldatum: een van de data, bedoeld in artikel 96b van de wet;

leerling: een leerling die op grond van het artikel 23 van de wet tot een school is toegelaten;

schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;

activiteitenplan: het activiteitenplan, bedoeld in artikel 11 van de wet;

hoofdgebouw: het gebouw dat ingevolge de Regeling huisvestingsnormen Overgangswet WBO, een beslissing van Onze Minister ingevolge het overzicht, bedoeld in artikel 69 van de wet, een beslissing van Onze Minister ingevolge de artikelen 70 of 73 van de wet, of een beslissing van Onze Minister naar aanleiding van een beslissing van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 67, vierde lid, of artikel 72, derde lid, van de wet als zodanig is aangewezen;

formatiebudget: het formatiebudget, bedoeld in artikel 96c, eerste lid, van de wet;

accountant: een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

TITEL II Administratieve voorschriften met betrekking tot aanvang en einde bekostiging, en borgstelling

Artikel 2 Gegevens en bescheiden nieuwe scholen en scholen die met toepassing van artikel 63a van de wet voor bekostiging in aanmerking komen

Het bevoegd gezag van een school ten aanzien waarvan Onze Minister heeft meegedeeld dat de bekostiging een aanvang kan nemen of die ingevolge een beslissing van Onze Minister op grond van artikel 63a van de wet zal worden bekostigd, zendt Onze Minister uiterlijk 3 maanden voor de datum van ingang van de bekostiging de benodigde administratieve gegevens en bescheiden voor de vaststelling van de vergoedingsbedragen, waaronder ten minste wordt begrepen het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging. Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de gegevens en bescheiden.

Artikel 3 Borgstelling
  • 1. Teneinde overeenkomstig de bepalingen van dit besluit enige bekostiging van het Rijk te verkrijgen, moet het bevoegd gezag van een bijzondere school zijn aangesloten bij een organisatie van bevoegde gezagsorganen die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is en die als zodanig door Onze Minister is erkend en zich te zijnen genoegen heeft borg gesteld voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen.

  • 2. De erkenning, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op een daartoe door het bestuur der organisatie tot Onze Minister gericht verzoek waarbij moet worden overgelegd een opgave van elk bevoegd gezag waarvoor zekerheid wordt gesteld, vermeldende ten aanzien van elke school de gemeente waar de school is of, indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, de gemeente of gemeenten waar de hoofdvestiging en de nevenvestiging of nevenvestigingen zijn gelegen en de nadere plaatsaanduiding onderscheidenlijk plaatsaanduidingen binnen die gemeente of gemeenten, alsmede de naam van de rechtspersoon onder wiens bestuur de school staat. Wijzigingen die daarin worden aangebracht, deelt het bestuur der organisatie binnen twee weken mede aan Onze Minister. Deze wijzigingen ontheffen de organisaties niet van de voor het lopende jaar aangegane borgstelling ten behoeve van een aangesloten bevoegd gezag.

Artikel 4 Opheffing van een school

Het bevoegd gezag geeft binnen twee weken na een besluit tot opheffing van de school of een nevenvestiging kennis daarvan aan Onze Minister, gedeputeerde staten, de inspecteur en, indien het een bijzondere school of een nevenvestiging daarvan betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de school onderscheidenlijk de nevenvestiging is gelegen.

Artikel 5 Gegevens bij mededeling bevoegd gezag over uitzonderingssituatie
  • 1. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 107, vierde lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

    a. naam, adres en het door het ministerie toegekende administratienummer van de desbetreffende school,

    b. het telefoonnummer van het bevoegd gezag,

    c. het feitelijk aantal leerlingen, niet zijnde leerlingen van een nevenvestiging, van de desbetreffende school op 1 oktober van het schooljaar waarin de mededeling wordt gedaan, verhoogd met het krachtens artikel 96b, eerste lid, van de wet bepaalde percentage,

    d. het door het ministerie toegekende administratienummer van de school van dezelfde richting, dan wel indien het openbaar onderwijs betreft de school met openbaar onderwijs, met het dichtst bij het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, gelegen hoofdgebouw,

    e. een plattegrond met een schaalverdeling waarop het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en het dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder d bedoelde school zijn aangegeven en

    f. de afstand, hemelsbreed gemeten, tussen enerzijds het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en anderzijds het dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder d bedoelde school.

  • 2. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 107, vijfde lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

    a. de in het eerste lid, onder a en b, genoemde gegevens,

    b. het door het ministerie toegekende administratienummer van de school met openbaar onderwijs, met het dichtst bij het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, gelegen hoofdgebouw,

    c. een plattegrond met een schaalverdeling waarop zijn aangegeven:

    1°. het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en het dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder b bedoelde school, en

    2°. de kortste route over de weg tussen enerzijds het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en anderzijds het dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder b bedoelde school,

    d. de afstand in tienden van kilometers van de in onderdeel c2° bedoelde route en

    e. informatie waaruit blijkt dat aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat.

  • 3. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 107d, eerste lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

    a. de in het eerste lid, onder a en b, genoemde gegevens,

    b. het feitelijk aantal leerlingen van de desbetreffende school, daaronder begrepen leerlingen van een nevenvestiging, op 1 oktober van het schooljaar waarin de mededeling wordt gedaan, verhoogd met het krachtens artikel 96b, eerste lid, van de wet bepaalde percentage,

    c. naam, adres en het door het ministerie toegekende administratienummer van de overige scholen van het bevoegd gezag,

    d. het feitelijk aantal leerlingen, daaronder begrepen leerlingen van een nevenvestiging, van de overige scholen van het bevoegd gezag op 1 oktober van het schooljaar waarin de mededeling wordt gedaan, verhoogd met het krachtens artikel 96b, eerste lid, van de wet bepaalde percentage,

    e. de voor de scholen van het bevoegd gezag geldende opheffingsnorm.

  • 4. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 107d, tweede lid, van de wet worden de volgende gegevens overgelegd:

    a. de in het eerste lid, onder a en b, en derde lid, onder b tot en met d, genoemde gegevens, en

    b. de per school van het bevoegd gezag geldende opheffingsnorm.

  • 5. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 107d, derde juncto het eerste lid, worden de volgende gegevens overgelegd:

    a. de in het eerste lid, onder a en b, en derde lid, onder b tot en met e, genoemde gegevens,

    b. een afschrift van de samenwerkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 107d, derde lid, van de wet die het bevoegd gezag het eerst heeft gesloten, en

    c. informatie waaruit blijkt dat aan de in artikel 107d, derde lid, onder a en b, van de wet genoemde voorwaarden is voldaan.

  • 6. Bij de mededeling van het bevoegd gezag dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 107d, derde juncto het tweede lid, worden de volgende gegevens overgelegd:

    a. de in het eerste lid, onder a en b, derde lid, onder b tot en met d, vierde lid, onder b, en vijfde lid, onder b tot en met d, genoemde gegevens,

    b. het door het ministerie toegekende administratienummer van de school van dezelfde richting, dan wel indien het openbaar onderwijs betreft, de school met openbaar onderwijs, met het dichtst bij het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, gelegen hoofdgebouw,

    c. een plattegrond met een schaalverdeling waarop het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en het dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder b bedoelde school zijn aangegeven, en

    d. de afstand, hemelsbreed gemeten, tussen enerzijds het hoofdgebouw van de desbetreffende school, daaronder niet begrepen een nevenvestiging, en anderzijds het dichtstbijzijnde hoofdgebouw van de onder b bedoelde school.

TITEL III Leerlingenadministratie en leerlingentelling

AFDELING 1. LEERLINGENADMINISTRATIE
Artikel 6 Inhoud leerlingenadministratie
  • 1. De directeur van een school draagt er zorg voor dat een overzichtelijke administratie van de inschrijving, de uitschrijving en het verzuim van de leerlingen op de school beschikbaar is alsmede van de gegevens van de leerlingen en hun ouders die noodzakelijk zijn voor de berekening van het formatiebudget ingevolge het Formatiebesluit WBO 1992. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen wordt in deze administratie een onderverdeling gemaakt naar leerlingen van de hoofdvestiging en leerlingen van elk van de nevenvestigingen en draagt de directeur er zorg voor dat de volledige administratie op de hoofdvestiging aanwezig is.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de leerlingenadministratie wordt ingericht.

Artikel 7 Inschrijving
  • 1. De directeur van een school schrijft een leerling slechts in na overlegging van

    a. een bewijs van uitschrijving van de leerling van een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs, welk bewijs op het moment van inschrijving niet ouder is dan 6 maanden, of

    b. een schriftelijke verklaring van de ouders dat de leerling binnen een periode van 6 maanden voorafgaand aan de inschrijving niet eerder op een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs was ingeschreven.

  • 2. Het bewijs van uitschrijving dan wel de verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt bewaard in de administratie van de school.

  • 3. De directeur doet in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dan wel in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, indien hem bekend is op welke andere school of school of instelling voor ander onderwijs de leerling was ingeschreven buiten de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde periode, onder vermelding van de datum van inschrijving op zijn school, binnen 1 week schriftelijk mededeling van de inschrijving aan de directeur van de school of de school of instelling voor ander onderwijs waarop de leerling voordien was ingeschreven.

Artikel 8 Uitschrijving
  • 1. De directeur van een school op wiens school de leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag volgende op de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de leerling een bewijs van uitschrijving.

  • 2. Indien de directeur van een school op wiens school de leerling stond ingeschreven binnen 4 weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht een mededeling ontvangt van de directeur, rector of centrale directie van een school of een school of instelling voor ander onderwijs, van de inschrijving van de leerling op diens school, wijzigt de directeur de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de inschrijving op de andere school of de school of instelling voor ander onderwijs.

Artikel 9 Bewaren van gegevens
  • 1. De gegevens die in de leerlingenadministratie zijn opgenomen, blijven daarvan in ieder geval deel uitmaken gedurende 5 jaar nadat de desbetreffende leerling van de school is uitgeschreven.

  • 2. De gegevens die noodzakelijk zijn voor de berekening van het formatiebudget, worden binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, genoemd in het eerste lid, vernietigd.

AFDELING 2. LEERLINGENTELLING
Artikel 10 Leerlingentelling
  • 1. Voor de toepassing van de wet worden, onverminderd artikel 8 en artikel 11, derde lid, de leerlingen op een school meegeteld die op de teldatum op die school staan ingeschreven tenzij zij vanaf het begin van het schooljaar tot de teldatum meer dan de helft van het aantal schooldagen zonder geldige reden hebben verzuimd.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van de leerplichtige leerling als geldige reden aangemerkt een vrijstelling van geregeld schoolbezoek als bedoeld in de Leerplichtwet 1969 (Stb. 1971, 406). Ten aanzien van de niet-leerplichtige leerling worden als geldige reden aangemerkt dezelfde gronden als die welke leiden tot een vrijstelling als bedoeld in de vorige volzin.

  • 3. Indien de teldatum valt op een dag waarop geen onderwijs wordt gegeven, worden op de eerstvolgende schooldag de leerlingen geteld, die op de teldatum stonden ingeschreven.

  • 4. Een leerling kan slechts op 1 school voor de bekostiging meetellen.

Artikel 11 Verstrekken gegevens aan Minister
  • 1. Voor 15 oktober indien de teldatum 1 oktober is dan wel binnen 2 weken na een andere teldatum zendt het bevoegd gezag aan Onze Minister, de inspecteur en, indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders, een opgave van het aantal leerlingen overeenkomstig artikel 10.

  • 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, dient onderverdeeld te zijn in de categorieën leerlingen, bedoeld in artikel 7 van het Formatiebesluit WBO 1992 en dient het aantal leerlingen te vermelden dat onderwijs in eigen taal en cultuur volgt als bedoeld in artikel 14 van het Formatiebesluit WBO 1992. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt de opgave overeenkomstig de eerste volzin tevens onderverdeeld in de leerlingen van de hoofdvestiging en leerlingen van elk van de nevenvestigingen.

  • 3. Indien als gevolg van de wijzigingen op grond van artikel 8 een wijziging optreedt in de in het eerste lid bedoelde opgave, doet het bevoegd gezag van de school waarvan de leerling is respectievelijk leerlingen zijn uitgeschreven, binnen 6 weken na de teldatum daarvan mededeling aan Onze Minister, de inspecteur en, indien het een bijzondere school betreft, eveneens aan burgemeester en wethouders.

  • 4. Bij ministeriële regeling wordt vastgesteld op welke wijze de opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan.

TITEL IV Boekhoudvoorschriften

Artikel 12 Boekhoudvoorschriften bijzondere scholen
  • 1. Het bevoegd gezag van een bijzondere school draagt zorg voor een overzichtelijke en deugdelijke administratie van de financiële gegevens van elk van de onder zijn beheer staande scholen.

  • 2. De administratie van elke bijzondere school omvat alle ontvangsten, gesplitst naar de ontvangsten ingevolge de artikelen 95, 97, 100, 101, 104 en 105a tot en met 105g, van de wet en de overige ontvangsten, en alle uitgaven onderscheiden naar:

    a. personele uitgaven;

    b. de uitgaven voor materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding onderverdeeld in de onderdelen van de programma's van eisen genoemd in artikel 93, eerste lid, van de wet;

    c. uitgaven ten behoeve van voorzieningen in de huisvesting;

    d. uitgaven voor nascholing ten behoeve van het personeel.

  • 3. De administratie van elke bijzondere school omvat een overzicht van:

    a. vorderingen,

    b. schulden,

    c. reserveringen.

  • 4. Aan het einde van ieder kalenderjaar wordt voor elke bijzondere school een overzicht van de in de school aanwezige inventaris opgemaakt en in de administratie opgenomen waaruit in ieder geval blijkt in welk jaar de aanschaffing heeft plaatsgevonden en welke inventaris voor eigen rekening is aangeschaft.

  • 5. Aan het einde van ieder kalenderjaar wordt voor elke bijzondere school een overzicht opgesteld en in de administratie van de school opgenomen van alle uitgaven en ontvangsten die op het desbetreffende kalenderjaar betrekking hebben volgens de in het tweede lid aangegeven verdeling. In dit overzicht dient in elk geval aangegeven te worden tot welk bedrag uitgaven ten laste van onderscheidenlijk de rijksvergoeding, gemeentelijke vergoedingen of eigen middelen zijn gedaan.

HOOFDSTUK II Vergoeding voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding

Artikel 13 Maandelijkse vergoeding

  • 1. Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een school een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 100, eerste lid en derde lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.

  • 2. Indien artikel 15, vijfde lid, van toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, berekend op grond van artikel 100, zevende lid, van de wet en de vergoeding berekend op grond van artikel 100, vijfde lid, van de wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het uitkeringsjaar.

  • 3. Indien artikel 15, zesde lid, van toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden oktober tot en met december van het uitkeringsjaar.

Artikel 14 Normatieve vaststelling schoolgrootte

  • 1. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, bedoeld in artikel 100, vijfde lid, onder a, zesde lid, onder a, en zevende lid, onder a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, berekend aan de hand van de formule, bedoeld in het tweede lid, en de daarbij behorende tabel, bedoeld in het derde lid.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde formule luidt:

    G = A + 1/2(B-A)

    waarbij

    G = het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, waarbij het verkregen getal naar beneden op een geheel getal wordt afgerond indien de eerste twee cijfers achter de komma kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 55, en naar boven op een geheel getal indien de eerste twee cijfers achter de komma groter zijn dan 55;

    A = het normatief bepaalde aantal groepen dat wordt berekend volgens de tabel bedoeld in het derde lid,

    a. op grond van het feitelijk aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande jaar verhoogd met 3%, waarbij het verkregen getal naar beneden op een geheel getal wordt afgerond, of

    b. indien artikel 100, zevende lid, van de wet, van toepassing is, op grond van het feitelijk aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarvoor de vergoeding strekt;

    B = het normatief bepaalde aantal groepen dat wordt berekend op grond van de tabel bedoeld in het derde lid,

    a. op grond van het gewogen aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande jaar dat wordt berekend door de som van de gewichten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Formatiebesluit WBO 1992, die op die datum aan de leerlingen zijn toegekend te verminderen met 9% van het feitelijk aantal leerlingen op die datum, waarbij het verkregen getal op een geheel getal naar beneden wordt afgerond. Dit verkregen aantal leerlingen dat ten minste gelijk is aan het feitelijk aantal leerlingen op die datum wordt verhoogd met 3% van dat aantal leerlingen, waarbij het verkregen getal op een geheel getal naar beneden wordt afgerond, of

    b. indien artikel 100, zevende lid, van de wet, van toepassing is, op grond van het gewogen aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarvoor de vergoeding strekt dat wordt berekend door de som van de gewichten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Formatiebesluit WBO 1992, die op die datum aan de leerlingen zijn toegekend te verminderen met 9% van het feitelijk aantal leerlingen op die datum, waarbij het verkregen getal op een geheel getal naar beneden wordt afgerond. Dit verkregen aantal leerlingen is ten minste gelijk aan het feitelijk aantal leerlingen op die datum.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde tabel luidt:

    aantal leerlingennormatief bepaalde aantal groepen
    1 tot en met 302,0
    31 tot en met 36 2,2
    37 tot en met 42 2,4
    43 tot en met 49 2,6
    50 tot en met 56 2,8
    57 tot en met 63 3,0
    64 tot en met 70 3,2
    71 tot en met 77 3,4
    78 tot en met 84 3,6
    85 tot en met 91 3,8
    92 tot en met 98 4,0
    99 tot en met 1054,2
    106 tot en met 116 4,4
    117 tot en met 126 4,7
    127 tot en met 137 5,0
    138 tot en met 147 5,3
    148 tot en met 158 5,6
    159 tot en met 168 5,9
    169 tot en met 179 6,2
    180 tot en met 189 6,5
    190 tot en met 199 6,8
    200 tot en met 209 7,1
    210 tot en met 2187,4
    219 tot en met 226 7,7
    227 tot en met 235 8,0
    236 tot en met 243 8,3
    244 tot en met 251 8,6
    252 tot en met 260 8,9
    261 tot en met 268 9,2
    269 tot en met 277 9,5
    278 tot en met 285 9,8
    286 tot en met 29310,1
    294 tot en met 30210,4
    303 tot en met 31010,7
    311 tot en met 31911,0
    320 tot en met 32711,3
    328 tot en met 33511,6
    336 tot en met 34411,9
    345 tot en met 35212,2
    353 tot en met 36112,5
    362 tot en met 36912,8
    370 tot en met 37713,1
    378 tot en met 38613,4
    387 tot en met 39413,7
    395 tot en met 40314,0
    404 tot en met 41114,3
    412 tot en met 41914,6
    420 tot en met 42814,9
    429 tot en met 43615,2
    437 tot en met 44515,5
    446 tot en met 45315,8
    454 tot en met 46116,1
    462 tot en met 47016,4
    471 tot en met 47816,7

    en boven het aantal van 478 leerlingen telkens voor achtereenvolgens 9, 8, 8, 9 en 8 leerlingen een verhoging van het normatief bepaalde aantal groepen met 0,3 groep.

  • 4. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het eerste lid voor de hoofdvestiging en elke nevenvestiging afzonderlijk toegepast.

Artikel 15 Verstrekken gegevens vergoeding materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding

  • 1. Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister ten behoeve van de vergoeding voor dat jaar voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in artikel 100, eerste lid en derde lid, van de wet, in:

    a. 1°. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de gegevens waarop de vergoeding is vastgesteld, of

    2°. indien de gegevens waarop de vergoeding voor dat jaar is vastgesteld naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens,

    b. indien ingevolge de melding, bedoeld in artikel 12, zesde lid, van het Formatiebesluit WBO 1992, aanspraak bestond op verhoging van de formatie, het aantal leerlingen op 1 maart van dat jaar,

    c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a onder 1° en 2° en onderdeel b.

  • 2. Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister een verklaring van een accountant omtrent de rechtmatigheid van de uitgaven van het voorafgaande jaar, in.

  • 3. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 januari een leidraad vast ten behoeve van de controle door de accountant, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de vergoeding voor dat jaar vast, gebaseerd op de grondslag, bedoeld in artikel 100, vijfde lid, van de wet.

  • 5. Indien artikel 100, zevende lid, van de wet van toepassing is en indien het bevoegd gezag het aantal leerlingen op 1 maart van het uitkeringsjaar voor 15 maart van dat jaar heeft gemeld, stelt Onze Minister voor 1 mei de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast.

  • 6. Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in het eerste lid onderdeel c, aanleiding geeft tot wijziging van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de vergoeding voor dat jaar nader vast.

Artikel 16 Omschrijving uitgaven materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding

De uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor schoolgebouwen, hebben betrekking op de programma's van eisen, bedoeld in artikel 93, eerste lid, van de wet.

Artikel 17 Omvang vergoeding uitgaven materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding

De vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding wordt bepaald volgens de programma's van eisen, bedoeld in artikel 92, derde lid onderdeel a, van de wet.

HOOFDSTUK III Vergoeding voor de uitgaven voor het personeel

TITEL I Aanvang van de bekostiging

Artikel 18 Aanvang van de bekostiging
  • 1. De aanspraak op vergoeding voor de uitgaven voor het personeel, bestaande uit:

    a. de uitgaven voor het personeel dat is aangesteld ten laste van het formatiebudget,

    b. de geldswaarde van niet verbruikte formatierekeneenheden, en

    c. de vergoedingen voor de kosten van vervanging van personeel en voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, ontstaat met ingang van de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, ontstaat de aanspraak op vergoeding voor de uitgaven voor 1 lid van het personeel ten hoogste acht weken voor de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging begint van een nieuw geopende school.

TITEL II Voorschot

Artikel 19 Overzicht beschikbare formatierekeneenheden en gewijzigd overzicht
  • 1. Onze Minister verstrekt jaarlijks in de maand maart aan het bevoegd gezag van een school ten behoeve van de berekening van een voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, een overzicht van de voor die school beschikbare formatierekeneenheden met ingang van het schooljaar volgend op de maand waarin het overzicht is verstrekt. Dit overzicht is gebaseerd op het door het bevoegd gezag van die school opgegeven aantal leerlingen op de teldatum.

  • 2. Onze Minister verstrekt jaarlijks voor 1 juli aan het bevoegd gezag van een school een overzicht van beschikbare formatierekeneenheden, waarin de besluiten van het bevoegd gezag met betrekking tot overdracht van formatierekeneenheden en verzilvering van niet-verbruikte formatierekeneenheden, voor zover die voor 15 mei daaraan voorgaand aan Onze Minister zijn gemeld, zijn verwerkt.

Artikel 20 Voorschot

Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de uitgaven voor het personeel aan het bevoegd gezag van een school een voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, waarvan de hoogte afhankelijk is van de te verwachten vergoeding voor die maand.

Artikel 21 Onderscheid wijze van uitkering van het voorschot

Voor de wijze van uitkering van de voorschotten op de vergoeding voor de uitgaven voor het personeel, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, wordt onderscheid gemaakt in:

a. een bevoegd gezag van een school dat deelneemt aan een bij ministeriële regeling goedgekeurd systeem van automatisering van de salarisadministratie inzake het basisonderwijs;

b. een bevoegd gezag van een school dat niet deelneemt aan een systeem als bedoeld onder onderdeel a.

Artikel 22 Verstrekken gegevens voor bevoorschotting door bevoegd gezag aangesloten bij geautomatiseerd systeem
  • 1. Het bevoegd gezag van een school, bedoeld in artikel 21 onderdeel a, verstrekt bij benoeming van een personeelslid ten behoeve van de vaststelling van het voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, onderdeel a, van de wet, de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van het voorschot.

  • 2. Ingeval in de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wijzigingen optreden, doet een bevoegd gezag binnen acht weken mededeling daarvan aan het systeem waaraan het deelneemt.

Artikel 23 Verstrekken gegevens voor bevoorschotting door bevoegd gezag niet aangesloten bij geautomatiseerd systeem
  • 1. Het bevoegd gezag van een school, bedoeld in artikel 21 onderdeel b, verstrekt jaarlijks voor een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip, ten behoeve van de vaststelling van het voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, onderdeel a, van de wet, aan Onze Minister de gegevens betreffende het personeel.

  • 2. Ingeval in de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wijzigingen optreden, doet het bevoegd gezag binnen acht weken mededeling daarvan aan Onze Minister.

Artikel 24 Opschorting voorschot
  • 1. Indien de voor de bekostiging benodigde gegevens niet tijdig aan Onze Minister zijn verstrekt, kan Onze Minister bepalen dat de verstrekking van het voorschot op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet geheel of gedeeltelijk wordt opgeschort.

  • 2. De verstrekking van het voorschot wordt zo spoedig mogelijk hervat, doch in ieder geval niet later dan in de tweede maand volgende op de maand, waarin de benodigde gegevens door het bevoegd gezag zijn verstrekt. Tevens wordt het gedeelte van het voorschot dat als gevolg van de toepassing van het eerste lid niet is verstrekt, ter beschikking gesteld.

Artikel 25 Nadere voorschriften

Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de wijze waarop het voorschot, bedoeld in artikel 20, wordt aangevraagd, vastgesteld en verstrekt.

TITEL III Vergoeding

Artikel 26 Omvang vergoeding

De vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, wordt aan de hand van de totale omvang van de formatie, bedoeld in artikel 96a van de wet, voor de school afzonderlijk vastgesteld.

Artikel 27 Korting vergoeding
  • 1. Op de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet vindt een korting plaats indien aan een school personeel is aangesteld ten laste van de materiële instandhouding of personeel dat niet door het Rijk wordt bekostigd ter compensatie van de kosten van de voor dat personeel geldende rechtspositionele voorzieningen, voor zover deze ten laste van 's Rijks kas komen.

  • 2. De korting, bedoeld in het eerste lid, bedraagt een bij ministeriële regeling te bepalen percentage van de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet.

Artikel 28 Verrekening met de vergoeding
  • 1. Indien het bedrag aan voorschotten als bedoeld in artikel 20 in een uitkeringsjaar hoger is dan de vergoeding, stort het bevoegd gezag onverwijld het verschil terug in 's Rijks kas tenzij Onze Minister bepaalt dat verrekening plaatsvindt met nog uit te keren vergoedingen.

  • 2. Indien het bedrag van de vergoeding hoger is dan de dienaangaande verstrekte voorschotten, vergoedt het Rijk onverwijld aan het bevoegd gezag het verschil.

  • 3. Onze Minister kan voorafgaand aan het vaststellen van een vergoeding, een vergoeding voorlopig vaststellen en op de voet van het eerste en het tweede lid tot voorlopige verrekening overgaan.

Artikel 29 Onderscheid wijze van uitkering van de vergoeding

Ten aanzien van de wijze van uitkering van de vergoeding, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet, is artikel 21 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 30 Verstrekken gegevens ten behoeve van de afrekening vergoeding voor uitgaven voor het personeel
  • 1. Het bevoegd gezag verstrekt jaarlijks voor 1 juli ten behoeve van de afrekening van de vergoeding voor uitgaven voor het personeel, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de wet:

    a. over het voorafgaande jaar de gegevens betreffende het personeel dat is aangesteld ten laste van het formatiebudget;

    b. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid alsmede de tijdige aanmelding van de gegevens waarop de voorschotbedragen en de vergoedingsbedragen zijn of worden gebaseerd;

    c. een verklaring van een accountant van de juistheid van de gegevens, bedoeld onder b;

    d. het in het derde lid bedoelde overzicht vergezeld van een opgave van eventuele mutaties in de gegevens.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 januari ten behoeve van de afrekening, bedoeld in dit artikel, vastgesteld:

    a. de leidraad ten behoeve van de controle door de accountant;

    b. de formulieren betreffende de verklaringen bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c;

    c. het formulier voor de verstrekking van de gegevens bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 3. Ten behoeve van de afrekening van de vergoeding verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 1 februari overzichten per school betreffende formatierekeneenheden en verstrekte voorschotten.

  • 4. Onze Minister beslist binnen twee jaren na 1 juli van het jaar waarin de gegevens bedoeld in het eerste lid zijn ingediend, op de afrekening van de vergoeding.

HOOFDSTUK IV Vergoeding voor de uitgaven voor nascholing

Artikel 31 Aanvang van de bekostiging

  • 1. De aanspraak op de vergoeding voor de uitgaven voor nascholing van het personeel, bedoeld in artikel 96f van de wet, ontstaat met ingang van de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.

  • 2. Indien de situatie, bedoeld in artikel 9 van het Formatiebesluit WBO 1992, zich voordoet, ontstaat in afwijking van het eerste lid de aanspraak op de vergoeding voor de uitgaven voor nascholing ten hoogste acht weken voor de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging begint van een nieuw geopende school.

Artikel 32 Vergoeding voor nascholing

  • 1. Het Rijk verstrekt in de maanden januari en augustus van het uitkeringsjaar in verband met de kosten voor nascholing van het personeel aan het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk 7/12 gedeelte en 5/12 gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 96f van de wet, waarop het bevoegd gezag over dat jaar recht heeft.

  • 2. Indien het eerste lid voor het eerst toepassing vindt op een school als bedoeld in artikel 31 omvat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, tevens de vergoeding voor het tijdvak vanaf de datum waarop de aanspraak op de vergoeding is ontstaan, tot de eerste dag van de maand waarin de verstrekking plaats vindt.

Artikel 33 Omvang vergoeding

De vergoeding, bedoeld in artikel 96f van de wet, wordt voor de school afzonderlijk vastgesteld.

Artikel 34 Verstrekken gegevens i.v.m. de terugstorting van niet bestede nascholingsgelden

  • 1. Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister jaarlijks voor 1 juli in verband met de terugstorting van niet bestede gelden voor nascholing, bedoeld in artikel 96g van de wet:

    a. een opgave van de in de laatste drie jaren ontvangen vergoedingen voor nascholing,

    b. een opgave van het bedrag dat het fonds, bedoeld in artikel 96g van de wet, omvat,

    c. indien het bedrag, bedoeld onder onderdeel b, groter is dan het bedrag, bedoeld onder onderdeel a, een opgave van het verschil,

    d. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de opgaven, bedoeld onder de onderdelen a, b en c, en

    e. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de opgaven, bedoeld onder de onderdelen a, b en c.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 januari in verband met de terugstorting van niet bestede gelden voor nascholing, bedoeld in artikel 96g van de wet, vastgesteld:

    a. de leidraad ten behoeve van de controle door de accountant,

    b. de formulieren voor de verstrekking van de gegevens, bedoeld in het eerste lid onderdelen a, b en c, en

    c. de formulieren betreffende de verklaringen, bedoeld in het eerste lid onderdelen d en e.

HOOFDSTUK V Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 35 Inwerkingtreding, citeertitel

  • 1. Met inachtneming van artikel 51, vierde lid, van de wet, treedt dit besluit in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende onderdelen of artikelen van het besluit verschillend kan worden gesteld. Het koninklijk besluit kan erin voorzien dat het besluit of onderdelen of artikelen daarvan in werking treden met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het koninklijk besluit wordt geplaatst, en dat dit besluit of onderdelen of artikelen daarvan terugwerken tot en met 1 augustus 1985.

  • 2. Dit besluit kan worden aangehaald als «Bekostigingsbesluit WBO/OWBO».

Naar boven