Besluit van 25 februari 1997, houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur op grond van de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs onder meer in verband met de wet tot wijziging van die wetten inzake de vereenvoudiging van het Londo-bekostigingsstelsel

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 28 oktober 1996, nr. 96028389/2497, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 51, tweede lid, van de Wet op het basisonderwijs en artikel 59, tweede lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 20 december 1996, nr.  W05.96.0517);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, van 20 februari 1997, nr. 97003283/2497, directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING BEKOSTIGINGSBESLUIT WBO/OWBO

Het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO>1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervallen de begripsomschrijvingen van «eerste schooldag», «voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik», «voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «aanvullende voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «zelfstandige voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «dislocatie», «gymnastieklokaal», «A-lokaal», «B-lokaal», «C-lokaal» en «architect», onder vervanging van de puntkomma na de begripsomschrijving van «accountant» door een punt.

B

In artikel 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht:

1. Aan het opschrift wordt toegevoegd: en scholen die met toepassing van artikel 63a van de wet voor bekostiging in aanmerking komen.

2. In de eerste volzin wordt de punt na «vergoedingsbedragen» vervangen door een komma en wordt aan het eind toegevoegd: waaronder ten minste wordt begrepen het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging.

C

Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «een voorschot op de rijksvergoeding te verkrijgen» wordt vervangen door: enige bekostiging van het Rijk te verkrijgen.

2. De zinsnede «borg gesteld voor de nakoming van de verplichting, bedoeld in artikel 53 en 73, van elk aangesloten bevoegd gezag tot terugbetaling van hetgeen bij voorschot teveel is ontvangen» wordt vervangen door: borg gesteld voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen.

D

Artikel 12a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «de artikelen 95, 97, 98, 100, 101, 104 en 105a tot en met 105g» vervangen door: de artikelen 95, 97, 100, 101, 104 en 105a tot en met 105g.

2. Het tweede lid, onderdeel b, komt als volgt te luiden:

b. de uitgaven voor materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding onderverdeeld in de onderdelen van de programma's van eisen genoemd in artikel 93, eerste lid, van de wet i;.

3. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van het tweede lid, onderdeel d, door een punt, vervalt het tweede lid, onderdeel e.

E

Hoofdstuk II vervalt.

F

Het opschrift van hoofdstuk III, titel I, vervalt.

G

Hoofdstuk III, titel I, afdeling 1, vervalt.

H

Het opschrift van hoofdstuk III, titel I, afdeling 2, vervalt.

I

Artikel 49 komt als volgt te luiden:

Artikel 49 Maandelijkse vergoeding

  • 1. Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een school een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 100, eerste lid en derde lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.

  • 2. Indien artikel 54, vijfde lid, van toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, berekend op grond van artikel 100, zevende lid, van de wet en de vergoeding berekend op grond van artikel 100, vijfde lid, van de wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het uitkeringsjaar.

  • 3. Indien artikel 54, zesde lid, van toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden oktober tot en met december van het uitkeringsjaar.

J

De artikelen 50, 51 en 51a vervallen.

K

Het opschrift van hoofdstuk III, titel I, afdeling 3, vervalt.

L

Artikel 52 komt als volgt te luiden:

Artikel 52 Normatieve vaststelling schoolgrootte

  • 1. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, bedoeld in artikel 100, vijfde lid, onder a, zesde lid, onder a, en zevende lid, onder a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, berekend aan de hand van de formule, bedoeld in het tweede lid, en de daarbij behorende tabel, bedoeld in het derde lid.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde formule luidt:

    G = A + 1/2(B – A)

    waarbij

    G = het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, waarbij het verkregen getal naar beneden op een geheel getal wordt afgerond indien de eerste twee cijfers achter de komma kleiner zijn dan of gelijk zijn aan 55, en naar boven op een geheel getal indien de eerste twee cijfers achter de komma groter zijn dan 55;

    A = het normatief bepaalde aantal groepen dat wordt berekend volgens de tabel bedoeld in het derde lid,

    a. op grond van het feitelijk aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande jaar verhoogd met 3%, waarbij het verkregen getal naar beneden op een geheel getal wordt afgerond, of

    b. indien artikel 100, zevende lid, van de wet, van toepassing is, op grond van het feitelijk aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarvoor de vergoeding strekt;

    B = het normatief bepaalde aantal groepen dat wordt berekend op grond van de tabel bedoeld in het derde lid,

    a. op grond van het gewogen aantal leerlingen op 1 oktober van het voorafgaande jaar dat wordt berekend door de som van de gewichten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Formatiebesluit WBO 1992, die op die datum aan de leerlingen zijn toegekend te verminderen met 9% van het feitelijk aantal leerlingen op die datum, waarbij het verkregen getal op een geheel getal naar beneden wordt afgerond. Dit verkregen aantal leerlingen dat ten minste gelijk is aan het feitelijk aantal leerlingen op die datum wordt verhoogd met 3% van dat aantal leerlingen, waarbij het verkregen getal op een geheel getal naar beneden wordt afgerond, of

    b. indien artikel 100, zevende lid, van de wet, van toepassing is, op grond van het gewogen aantal leerlingen op 1 maart van het jaar waarvoor de vergoeding strekt dat wordt berekend door de som van de gewichten, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Formatiebesluit WBO 1992, die op die datum aan de leerlingen zijn toegekend te verminderen met 9% van het feitelijk aantal leerlingen op die datum, waarbij het verkregen getal op een geheel getal naar beneden wordt afgerond. Dit verkregen aantal leerlingen is ten minste gelijk aan het feitelijk aantal leerlingen op die datum.

  • 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde tabel luidt:

    aantal leerlingennormatief bepaalde aantal groepen
    1 tot en met 30 2,0
    31 tot en met 36 2,2
    37 tot en met 42 2,4
    43 tot en met 49 2,6
    50 tot en met 56 2,8
    57 tot en met 63 3,0
    64 tot en met 70 3,2
    71 tot en met 77 3,4
    78 tot en met 84 3,6
    85 tot en met 913,8
    92 tot en met 98 4,0
    99 tot en met 105 4,2
    106 tot en met 116 4,4
    117 tot en met 126 4,7
    127 tot en met 137 5,0
    138 tot en met 147 5,3
    148 tot en met 158 5,6
    159 tot en met 168 5,9
    169 tot en met 1796,2
    180 tot en met 189 6,5
    190 tot en met 199 6,8
    200 tot en met 209 7,1
    210 tot en met 218 7,4
    219 tot en met 226 7,7
    227 tot en met 235 8,0
    236 tot en met 243 8,3
    244 tot en met 251 8,6
    252 tot en met 260 8,9
    261 tot en met 268 9,2
    269 tot en met 2779,5
    278 tot en met 285 9,8
    286 tot en met 29310,1
    294 tot en met 30210,4
    303 tot en met 31010,7
    311 tot en met 31911,0
    320 tot en met 32711,3
    328 tot en met 33511,6
    336 tot en met 34411,9
    345 tot en met 35212,2
    353 tot en met 36112,5
    362 tot en met 36912,8
    370 tot en met 37713,1
    378 tot en met 38613,4
    387 tot en met 39413,7
    395 tot en met 40314,0
    404 tot en met 41114,3
    412 tot en met 41914,6
    420 tot en met 42814,9
    429 tot en met 43615,2
    437 tot en met 44515,5
    446 tot en met 45315,8
    454 tot en met 46116,1
    462 tot en met 47016,4
    471 tot en met 47816,7

    en boven het aantal van 478 leerlingen telkens voor achtereenvolgens 9, 8, 8, 9 en 8 leerlingen een verhoging van het normatief bepaalde aantal groepen met 0,3 groep.

  • 4. Indien de school bestaat uit een hoofdvestiging en een of meer nevenvestigingen, wordt het eerste lid voor de hoofdvestiging en elke nevenvestiging afzonderlijk toegepast.

M

Artikel 53 vervalt.

N

Artikel 54 komt te luiden:

Artikel 54 Verstrekken gegevens vergoeding materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding

  • 1. Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister ten behoeve van de vergoeding voor dat jaar voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in artikel 100, eerste lid en derde lid, van de wet, in:

    a. 1°. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de gegevens waarop de vergoeding is vastgesteld, of

    2°. indien de gegevens waarop de vergoeding voor dat jaar is vastgesteld naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens,

    b. indien ingevolge de melding, bedoeld in artikel 12, zesde lid, van het Formatiebesluit WBO 1992, aanspraak bestond op verhoging van de formatie, het aantal leerlingen op 1 maart van dat jaar,

    c. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a onder 1° en 2° en onderdeel b.

  • 2. Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister een verklaring van een accountant omtrent de rechtmatigheid van de uitgaven van het voorafgaande jaar, in.

  • 3. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 januari een leidraad vast ten behoeve van de controle door de accountant, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de vergoeding voor dat jaar vast, gebaseerd op de grondslag, bedoeld in artikel 100, vijfde lid, van de wet.

  • 5. Indien artikel 100, zevende lid, van de wet van toepassing is en indien het bevoegd gezag het aantal leerlingen op 1 maart van het uitkeringsjaar voor 15 maart van dat jaar heeft gemeld, stelt Onze Minister voor 1 mei de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast.

  • 6. Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in het eerste lid onderdeel c, aanleiding geeft tot wijziging van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de vergoeding voor dat jaar nader vast.

O

Het opschrift van hoofdstuk III, titel II, vervalt.

P

Het opschrift van hoofdstuk III, titel II, afdeling 1, vervalt.

Q

In artikel 55 vervalt «met uitzondering van gymnastieklokalen,» en wordt «de eisen» vervangen door: de programma's van eisen.

R

In artikel 56 wordt «het programma van eisen» vervangen door: de programma's van eisen.

S

De artikelen 57 tot en met 60 vervallen.

T

Hoofdstuk III, titel II, afdeling 2, vervalt.

U

Hoofdstuk III, titel III, vervalt.

V

Hoofdstuk III, titel IV, vervalt.

W

Artikel 66 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «met ingang van de eerste schooldag van een nieuw geopende school» vervangen door: met ingang van de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.

2. In het tweede lid wordt «voor de aanvang van de eerste schooldag» vervangen door: voor de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging begint.

X

Artikel 75 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «1 november» vervangen door: 1 juli.

2. In de aanhef van het tweede lid wordt «1 mei» vervangen door: 1 januari.

3. In het derde lid wordt «1 mei» vervangen door «1 februari» en vervalt: leerlingenaantallen,.

4. In het vierde lid wordt «1 november» vervangen door: 1 juli.

Y

Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «met ingang van de eerste schooldag van een nieuw geopende school» vervangen door: met ingang van de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.

2. In het tweede lid wordt «voor de eerste schooldag» vervangen door: voor de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging begint.

Z

Artikel 76c wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «1 november» vervangen door: 1 juli.

2. In de aanhef van het tweede lid wordt «1 mei» vervangen door: 1 januari.

AA

Artikel 77 vervalt.

BB

Artikel 78 vervalt.

CC

De bijlagen I, II, III, IV, V en VI vervallen.

DD

De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan de omschrijving van artikel 2 wordt toegevoegd: en scholen die met toepassing van artikel 63a van de wet voor bekostiging in aanmerking komen.

2. De omschrijving van hoofdstuk II tot en met de omschrijving van artikel 47g wordt vervangen door:

Hoofdstuk II (vervallen)

Artikelen 13 tot en met 47g (vervallen).

3. De omschrijving van hoofdstuk III, titel I vervalt.

4. De omschrijving van hoofdstuk III, titel I, afdeling 1, vervalt.

5. De omschrijving van artikel 48 komt te luiden:

Artikel 48 (vervallen).

6. De omschrijving van hoofdstuk III, titel I, afdeling 2, vervalt.

7. De omschrijving van artikel 49 wordt vervangen door:

Artikel 49 Maandelijkse vergoeding.

8. De omschrijving van de artikelen 50, 51 en 51a wordt vervangen door:

Artikel 50 (vervallen)

Artikel 51 (vervallen)

Artikel 51a (vervallen).

9. De omschrijving van hoofdstuk III, titel I, afdeling 3, vervalt.

10. De omschrijving van artikel 52 wordt vervangen door:

Artikel 52 Normatieve vaststelling schoolgrootte.

11. De omschrijving van artikel 53 wordt vervangen door:

Artikel 53 (vervallen).

12. De omschrijving van artikel 54 komt te luiden:

Artikel 54 Verstrekken gegevens vergoeding materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding.

13. De omschrijvingen van hoofdstuk III, titel II, en van hoofdstuk III, titel II, afdeling 1, vervallen.

14. De omschrijving van de artikelen 57 tot en met 60 wordt vervangen door:

Artikel 57 (vervallen)

Artikel 58 (vervallen)

Artikel 59 (vervallen)

Artikel 60 (vervallen).

15. De omschrijving van hoofdstuk III, titel II, afdeling 2, vervalt.

16. De omschrijving van de artikelen 61 en 61a wordt vervangen door:

Artikel 61 (vervallen)

Artikel 61a (vervallen).

17. De omschrijving van hoofdstuk III, titel III, vervalt.

18. De omschrijving van de artikelen 62 tot en met 64 wordt vervangen door:

Artikel 62 (vervallen)

Artikel 63 (vervallen)

Artikel 64 (vervallen).

19. De omschrijving van hoofdstuk III, titel IV vervalt.

20. De omschrijving van artikel 65 wordt vervangen door:

Artikel 65 (vervallen).

21. De omschrijving van artikel 77 wordt vervangen door:

Artikel 77 (vervallen).

22. De omschrijving van artikel 78 wordt vervangen door:

Artikel 78 (vervallen).

ARTIKEL II. WIJZIGING BEKOSTIGINGSBESLUIT ISOVSO/OISOVSO

Het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO2 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsomschrijvingen van «eerste schooldag», «voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik», «voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «aanvullende voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «zelfstandige voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «hoofdgebouw», «dislocatie», «speellokaal», «gymnastieklokaal», «A-lokaal», «B-lokaal» en «C-lokaal» vervallen.

2. De begripsomschrijving van «schoolbad» wordt vervangen door:

schoolbad: een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;.

3. De begripsomschrijvingen van «A-bad», «B-bad», «C-bad» en «architect» vervallen, onder vervanging van de puntkomma na de begripsomschrijving van «accountant» door een punt.

B

In artikel 2, eerste volzin, wordt de punt na «vergoedingsbedragen» vervangen door een komma en wordt aan het eind toegevoegd: waaronder ten minste wordt begrepen het vermoedelijk aantal leerlingen op 1 oktober volgend op de datum van ingang van de bekostiging.

C

Artikel 3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «een voorschot op de rijksvergoeding te verkrijgen» wordt vervangen door: enige bekostiging van het Rijk te verkrijgen.

2. De zinsnede «borg gesteld voor de nakoming van de verplichtingen, bedoeld in dit besluit, van elk aangesloten bevoegd gezag tot terugbetaling van hetgeen teveel is ontvangen» wordt vervangen door: borg gesteld voor terugbetaling van teveel ontvangen bedragen.

D

Artikel 10a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «de artikelen 92, 94, 95, 97, 98, 101 en 102a tot en met 102h» vervangen door: de artikelen 92, 94, 97, 98, 101 en 102a tot en met 102h.

2. Het tweede lid, onderdeel b, komt als volgt te luiden:

b. de uitgaven voor materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding onderverdeeld in de onderdelen van de programma's van eisen genoemd in artikel 90, eerste lid, van de wet;.

3. Onder vervanging van de puntkomma aan het slot van het tweede lid, onderdeel d, door een punt, vervalt het tweede lid, onderdeel e.

E

Hoofdstuk II vervalt.

F

Aan de omschrijving van hoofdstuk III wordt «VOOR SCHOLEN, NIET ZIJNDE INSTELLINGEN» vervangen door: VOOR SCHOLEN EN SCHOOLBADEN VAN SCHOLEN, NIET ZIJNDE INSTELLINGEN.

G

Artikel 39g, tweede lid, komt als volgt te luiden:

  • 2. Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een instelling, een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 97, twaalfde lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.

H

Hoofdstuk III, titel I, afdeling 1a, vervalt.

I

Het opschrift van hoofdstuk III, titel I, afdeling 2, wordt vervangen door: TITEL II. VERGOEDING MATERIËLE VOORZIENINGEN TEN BEHOEVE VAN DE INSTANDHOUDING VAN SCHOLEN

J

Artikel 41 komt als volgt te luiden:

Artikel 41. Maandelijkse vergoeding

  • 1. Het Rijk verstrekt elke maand van het uitkeringsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag van een school een twaalfde gedeelte van de vergoeding, bedoeld in artikel 97, eerste lid en derde lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.

  • 2. Indien blijkt dat voor het uitkeringsjaar artikel 97, zevende lid, van de wet van toepassing is, wordt het verschil tussen de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, berekend op grond van artikel 97, zevende lid, van de wet en de vergoeding berekend op grond van artikel 97, vijfde lid, van de wet, verstrekt in de maanden mei tot en met december van het uitkeringsjaar.

  • 3. Indien artikel 45, zesde lid, van toepassing is, vindt verrekening plaats van de vergoeding voor dat jaar met de vergoeding die wordt verstrekt in de maanden oktober tot en met december van het uitkeringsjaar.

K

De artikelen 42 en 42a vervallen.

L

Het opschrift van hoofdstuk III, titel I, afdeling 3, vervalt.

M

Artikel 43 komt als volgt te luiden:

Artikel 43. Normatieve vaststelling schoolgrootte

  • 1. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, bedoeld in artikel 97, vijfde lid, onder a, en zesde lid, onder a, van de wet, wordt voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, berekend door het aantal leerlingen van de desbetreffende school en van een of meer daaraan verbonden afdelingen, op 1 oktober van het voorafgaande jaar, dan wel indien artikel 97, zevende lid, van de wet van toepassing is, het aantal leerlingen van de desbetreffende school en afdelingen op 16 januari van dat jaar, te delen door de voor het desbetreffende onderwijs geldende factor N van de onderstaande tabel.

     Factor N voor het speciaal onderwijsFactor N voor het voortgezet speciaal onderwijs
    Aan:   
    a.dove kinderen 6 6
    b.slechthorende kinderen12 7
    c.kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen12 7
    f.lichamelijk gehandicapte kinderen12 7
    h.langdurig zieke kinderen13 7
    i.moeilijk lerende kinderen1514
    j.zeer moeilijk lerende kinderen1212
    k.zeer moeilijk opvoedbare kinderen12 7
    l.kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden1514
    m.kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten10 7
    n.meervoudig gehandicapte kinderen 7* 7*
    o.in hun ontwikkeling bedreigde kleuters12

    * Tenzij bij beschikking van Onze Minister anders is vastgesteld.

  • 2. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, wordt voor het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, onderscheidenlijk het onderwijs aan een afdeling, afzonderlijk berekend en de uitkomst van de afzonderlijke berekeningen wordt naar boven afgerond op een geheel getal.

  • 3. Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, bedoeld in het eerste lid, wordt voor een school voor kinderen die zijn opgenomen in ziekenhuizen voor het jaar waarvoor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding strekt, vastgesteld op 1.

N

Artikel 44 wordt vervangen door:

Artikel 44. Vergoeding door gemeente aan bevoegd gezag instellingen

Het aantal groepen leerlingen bedoeld in artikel 99, derde lid, tweede volzin, van de wet, wordt berekend overeenkomstig artikel 43, waarbij de factor N voor het speciaal onderwijs 12 en voor het voortgezet speciaal onderwijs 7 is.

O

Artikel 45 komt te luiden:

Artikel 45. Verstrekken gegevens vergoeding materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding

  • 1. Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli bij Onze Minister ten behoeve van de vergoeding voor dat jaar voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in artikel 97, eerste lid en derde lid, van de wet, in:

    a. 1°. een verklaring van het bevoegd gezag omtrent de juistheid van de gegevens waarop de vergoeding is vastgesteld, of

    2°. indien de gegevens waarop de vergoeding voor dat jaar is vastgesteld naar het oordeel van het bevoegd gezag onjuist zijn, de door het bevoegd gezag gecorrigeerde gegevens,

    b. een verklaring van een accountant omtrent de juistheid van de gegevens, bedoeld in onderdeel a onder 1° en 2°.

  • 2. Het bevoegd gezag dient jaarlijks voor 1 juli een verklaring van een accountant omtrent de rechtmatigheid van de uitgaven van het voorafgaande jaar, in.

  • 3. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 januari een leidraad vast ten behoeve van de controle door de accountant, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de vergoeding voor dat jaar vast, gebaseerd op de grondslag, bedoeld in artikel 97, vijfde lid, van de wet.

  • 5. Indien artikel 97, zevende lid, van de wet van toepassing is, stelt Onze Minister jaarlijks voor 1 mei de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, voor dat jaar nader vast.

  • 6. Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in het eerste lid onderdeel b, aanleiding geeft tot wijziging van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de vergoeding voor dat jaar nader vast.

P

De opschriften van hoofdstuk III, titel II, en van hoofdstuk III, titel II, afdeling 1, vervallen.

Q

In artikel 46 vervalt «met uitzondering van speellokalen, lokalen voor motorische therapie, gymnastieklokalen en schoolbaden,» en wordt «de eisen» vervangen door: de programma's van eisen.

R

Artikel 47 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «het programma van eisen» vervangen door «de programma's van eisen» en vervalt de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

2. Het tweede en derde lid vervallen.

S

De artikelen 48 tot en met 51 vervallen.

T

Hoofdstuk III, titel II, afdeling 2, vervalt.

U

Het opschrift van hoofdstuk III, titel III, wordt vervangen door: TITEL III. VERGOEDING MATERIËLE VOORZIENINGEN TEN BEHOEVE VAN DE INSTANDHOUDING VAN SCHOOLBADEN

V

Artikel 53 komt als volgt te luiden:

Artikel 53. Vergoeding schoolbaden

  • 1. De aanspraak op vergoeding voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van een schoolbad ontstaat met ingang van de maand voorafgaand aan de melding aan Onze Minister van de ingebruikneming daarvan en eindigt met ingang van de maand volgend op de maand waarin het schoolbad buiten gebruik wordt gesteld. Binnen acht weken na de buitengebruikstelling wordt daarvan melding gemaakt aan Onze Minister.

  • 2. Voor de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, van een schoolbad waarvan het gebruik niet is beëindigd ingevolge artikel 88d van de wet, zijn de artikelen 41 en 45, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat waar het betreft artikel 45, vierde lid, Onze Minister binnen acht weken na de melding van ingebruikneming, bedoeld in het eerste lid, de vergoeding voor dat jaar vaststelt.

  • 3. De uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van een schoolbad hebben betrekking op de programma's van eisen, bedoeld in artikel 90, tweede lid, van de wet en de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt bepaald door de programma's van eisen, bedoeld in artikel 89, derde lid onder b, van de wet.

W

De artikelen 54 en 55 vervallen.

X

Hoofdstuk III, titel IV vervalt.

Y

Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «met ingang van de eerste schooldag van een nieuw geopende school» vervangen door: met ingang van de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.

2. In het tweede lid, eerste en tweede volzin, wordt «voor de aanvang van de eerste schooldag» telkens vervangen door: voor de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging begint.

Z

Artikel 76 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «1 november» vervangen door: 1 juli.

2. In de aanhef van het tweede lid wordt «1 mei» vervangen door: 1 januari.

3. In het derde lid wordt «1 mei» vervangen door «1 februari» en vervalt: leerlingenaantallen,.

4. In het vierde lid wordt «1 november» vervangen door: 1 juli.

AA

Artikel 77a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «met ingang van de eerste schooldag van een nieuw geopende school» vervangen door: met ingang van de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.

2. In het tweede lid wordt «voor de eerste schooldag» vervangen door: voor de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging begint.

BB

Artikel 77d wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «1 november» vervangen door: 1 juli.

2. In de aanhef van het tweede lid wordt «1 mei» vervangen door: 1 januari.

CC

Artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «een week» vervangen door «twee weken» en vervalt de aanduiding «1.» voor het eerste lid.

2. Het tweede en derde lid vervallen.

DD

Artikel 83 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid wordt «1 november» vervangen door: 1 juli.

2. In de aanhef van het tweede lid wordt «1 mei» vervangen door: 1 januari.

3. In het derde lid wordt «1 mei» vervangen door «1 februari» en vervalt: leerlingenaantallen,.

EE

In artikel 83b, eerste lid, wordt «bijlage V» vervangen door: bijlage I.

FF

De bijlagen I, II, III en IV vervallen onder vernummering van bijlage V tot bijlage I.

GG

De inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

1. De omschrijving van hoofdstuk II tot en met de omschrijving van artikel 39f wordt vervangen door:

Hoofdstuk II. (vervallen)

Artikelen 11 tot en met 39f. (vervallen).

2. In de omschrijving van hoofdstuk III wordt na «scholen» ingevoegd: en schoolbaden van scholen.

3. De omschrijving van hoofdstuk III, titel I, afdeling 1a, vervalt.

4. De omschrijving van artikel 40 komt te luiden:

Artikel 40. (vervallen).

5. De omschrijving van hoofdstuk III, afdeling 2, wordt vervangen door: TITEL II. VERGOEDING MATERIËLE VOORZIENINGEN TEN BEHOEVE VAN DE INSTANDHOUDING VAN SCHOLEN.

6. De omschrijving van artikel 41 wordt vervangen door:

Artikel 41. Maandelijkse vergoeding.

7. De omschrijvingen van de artikelen 42 en 42a worden vervangen door:

Artikel 42. (vervallen)

Artikel 42a. (vervallen).

8. De omschrijving van hoofdstuk III, titel I, afdeling 3, vervalt.

9. De omschrijvingen van de artikelen 43 en 44 worden vervangen door:

Artikel 43. Normatieve vaststelling schoolgrootte

Artikel 44. Vergoeding door gemeente aan bevoegd gezag instellingen.

10. In de omschrijving van artikel 45 vervalt: voor de afrekening.

11. De omschrijving van hoofdstuk III, titel II, vervalt.

12. De omschrijving van hoofdstuk III, titel II, afdeling 1, vervalt.

13. De omschrijving van de artikelen 48 tot en met 51 wordt vervangen door:

Artikel 48. (vervallen)

Artikel 49. (vervallen)

Artikel 50. (vervallen)

Artikel 51. (vervallen).

14. De omschrijving van hoofdstuk III, titel II, afdeling 2, vervalt.

15. De omschrijving van de artikelen 52 en 52a wordt vervangen door:

Artikel 52. (vervallen)

Artikel 52a. (vervallen).

16. De omschrijving van hoofdstuk III, titel III, wordt vervangen door:

TITEL III. VERGOEDING MATERIËLE VOORZIENINGEN TEN BEHOEVE VAN DE INSTANDHOUDING VAN SCHOOLBADEN.

17. De omschrijving van de artikelen 53 tot en met 55 wordt vervangen door:

Artikel 53. Vergoeding schoolbaden

Artikel 54. (vervallen)

Artikel 55. (vervallen).

18. De omschrijving van hoofdstuk III, titel IV vervalt.

19. De omschrijving van artikel 56 wordt vervangen door:

Artikel 56. (vervallen).

Artikel III. Wijziging Onderwijskundig besluit ISOVSO

In artikel 12, tweede lid, van het Onderwijskundig besluit ISOVSO3 worden de onderdelen e en f vervangen door:

e. of en zo ja, welk bedrag voor door de leerlingen van de school verbruikte materialen jaarlijks aan het bevoegd gezag van de school of inrichting voor voortgezet onderwijs zal worden betaald;

f. of en zo ja, welk bedrag voor het gebruik van de lokalen van de school of inrichting voor voortgezet onderwijs jaarlijks aan het bevoegd gezag van die school of inrichting zal worden betaald;.

Artikel IV. Wijziging Besluit onderwijsvoorrangsgebieden

Het Besluit onderwijsvoorrangsgebieden4 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt «de artikelen 66 tot en met 71 en 73 tot en met 77 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO» vervangen door: de artikelen 18 tot en met 25 en 28 tot en met 34 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO.

2. In het derde lid wordt «de artikelen 67 tot en met 72 en 74 tot en met 76 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO» vervangen door: de artikelen 30 tot en met 37 en 40 tot en met 42 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO.

B

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onder b, wordt «de artikelen 49 tot en met 51, 53 en 54 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO» vervangen door: de artikelen 13 en 15 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO.

2. In het tweede lid, onder c, wordt «de artikelen 41, 42, 44, en 45 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO» vervangen door: de artikelen 13, 15 en 16 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO.

Artikel V. Wijziging Besluit trekkende bevolking WBO

Het Besluit trekkende bevolking WBO5 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel B 20, tweede lid, wordt «artikel 75 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO (Stb. 1985, 558)» vervangen door: artikel 30 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO.

B

In artikel C 18, tweede lid, wordt «artikel 75 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO» vervangen door: artikel 30 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO.

Artikel VI. Plaatsing in Staatsblad van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De tekst van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO wordt in het Staatsblad geplaatst. Voor de plaatsing van het Staatsblad stelt Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de nummering van de hoofdstukken, titels, afdelingen en artikelen van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO opnieuw vast en brengt hij de in deze besluiten voorkomende aanhalingen en de inhoudsopgaven met de nieuwe nummering op grond van dit artikel in overeenstemming. Onze Minister brengt tevens artikel IV, onderdelen A en B, en artikel V, onderdelen A en B, in overeenstemming met de nummering die ingevolge de eerste en tweede volzin ontstaat.

Artikel VII. Overgangsbepaling

  • 1. De voorschriften zoals die luidden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op de tijdvakken waarover zij gelding hadden.

  • 2. In afwijking van artikel 54, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 45, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO zoals luidend ingevolge dit besluit, wordt voor het kalenderjaar 1997 voor «1 juli» gelezen: 1 november.

Artikel VIII. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstbedoeld besluit wordt niet genomen voordat vier weken zijn verstreken nadat het onderhavige besluit is overgelegd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens de Tweede Kamer de wens wordt te kennen gegeven dat het in dit besluit geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde koninklijk besluit voorziet er in dat artikel I, onderdeel I, voor wat betreft artikel 49, tweede en derde lid, onderdeel N, voor wat betreft artikel 54, vijfde en zesde lid, onderdeel X en onderdeel Z, en artikel II, onderdeel J, voor wat betreft artikel 41, tweede en derde lid, onderdeel O, voor wat betreft artikel 45, vijfde en zesde lid, onderdeel Z, onderdeel BB en onderdeel DD, in werking treden met ingang van 1 januari 1998.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

histnoot

's-Gravenhage, 25 februari 1997

Beatrix

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos

Uitgegeven de vijftiende april 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

NOTA VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Het onderhavige besluit is een uitvoeringsbesluit van de Wet van 4 juli 1996, Stb. 403, houdende wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen inzake vereenvoudiging van het bekostigingsstelsel voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs (hierna te noemen: de Wet vereenvoudiging Londo). Aangezien tezelfdertijd de Wet van 4 juli 1996, Stb. 402, tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, alsmede de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen (hierna te noemen: de Wet decentralisatie huisvesting) in werking treedt, zijn de in dit kader passende wijzigingen van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO voortvloeiende uit die wet, in het onderhavige besluit verwerkt. Alle overige wijzigingen die voortvloeien uit de Wet decentralisatie huisvesting worden te zijner tijd verwerkt in een afzonderlijk besluit.

De Wet vereenvoudiging Londo heeft ertoe geleid dat, naast een aantal maatregelen gericht op verbetering van procedures, de vergoeding voor de materiële instandhouding is losgekoppeld van gebouwkenmerken. Voor deze loskoppeling is gekozen omdat na de decentralisatie van de huisvestingsvoorzieningen po/vo, het Rijk geen invloed meer heeft op het aantal in gebruik zijnde gebouwen en m2. Immers, zolang het Rijk beslist over deze aspecten, ligt het voor de hand dat het Rijk ook de financiële consequenties ten aanzien van de materiële bekostiging voor zijn rekening neemt. Indien het Rijk hierop geen invloed meer heeft, vervalt deze vanzelfsprekendheid en ligt het voor de hand om de bij het Rijk overblijvende vergoedingen voor de materiële instandhouding los te koppelen van gebouwkenmerken (zie voor meer informatie kamerstukken II 1995/96, 23 636, nr. 6).

De vergoeding voor de materiële instandhouding is per school opgebouwd uit een (vast) bedrag per leerling plus een (variabel) bedrag per school, waarbij dit laatste bedrag wordt gebaseerd op de schoolgrootte. De schoolgrootte wordt normatief bepaald op basis van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen in relatie tot het aantal leerlingen van die school. Grondslag voor de berekening van voornoemde vergoeding is niet meer het werkelijk aanwezige gebouw maar het gezien de schoolgrootte gemiddeld voorkomende gebouw.

Ingevolge de Wet decentralisatie huisvesting worden de beslissingen omtrent huisvestingsvoorzieningen geheel bij de gemeentebesturen gelegd. De voorschriften omtrent huisvestingsvoorzieningen in bijvoorbeeld de beide bekostigingsbesluiten kunnen hierdoor vervallen.

De vergoeding voor deze voorzieningen gaat naar het Gemeentefonds. De vergoeding voor de zogenoemde andere voorzieningen die voordien van het Rijk naar de gemeenten ging, wordt gedeeltelijk overgeheveld naar het Gemeentefonds. Het andere deel is toegevoegd aan de vergoeding voor de materiële instandhouding die het Rijk aan de bevoegde gezagsorganen uitkeert.

De onderwerpen die in dit besluit zijn geregeld vloeien voort uit het vereenvoudigde bekostigingsstelsel alsmede uit procedurele aanpassingen ingevolge de Wet vereenvoudiging Londo. Samenvattend is dit besluit een uitwerking van, dan wel regelt dit besluit, de volgende onderwerpen:

a. de invoering van 1 oktober van kalenderjaar t-1 als peilmoment voor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor kalenderjaar t,

b. het aanvangen van de bekostiging van nieuwe scholen op 1 augustus,

c. het correct gebruik van het begrip programma van eisen in de besluiten, en

d. het maandelijks verstrekken van een bestemmingsbedrag voor de vergoeding, bedoeld onder a, en het sneller vaststellen van de juistheid van de basisgegevens en de rechtmatige besteding.

2. Het peilmoment 1 oktober/1 maart – 1 oktober/16 januari

De invoering van 1 oktober van kalenderjaar t-1 als peilmoment voor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor kalenderjaar t vloeit voort uit het vijfde lid van de artikelen 100 WBO en 97 ISOVSO.

De grondslag voor die vergoeding voor kalenderjaar t, eveneens bepaald in het vijfde lid van de artikelen 100 WBO en 97 ISOVSO, is:

a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar t-1, en

b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar t-1.

Een tweede peilmoment betreft voor het basisonderwijs 1 maart van kalenderjaar t. Dit tweede peilmoment is van invloed op de omvang van de vergoeding voor dat jaar indien in de periode tussen 1 oktober van kalenderjaar t-1 en 1 maart van kalenderjaar t, aanspraak bestond op verhoging van de formatie ingevolge artikel 12 van het Formatiebesluit WBO 1992 (zie artikel 100, zevende lid, WBO).

Voor zover het betreft het (voortgezet) speciaal onderwijs is het tweede peilmoment 16 januari van kalenderjaar t. Dit peilmoment is van betekenis indien in de periode tussen 1 oktober van kalenderjaar t-1 en 16 januari van kalenderjaar t, aanspraak bestond op verhoging van de formatie ingevolge artikel 9 van het Formatiebesluit ISOVSO 1992 (zie artikel 97, zevende lid, ISOVSO).

3. De bekostiging van nieuwe scholen in de periode 1 augustus tot 1 januari

De bekostiging van nieuwe scholen vangt volgens artikel 53, eerste lid, WBO en artikel 60b ISOVSO aan per 1 augustus. De vergoeding ten behoeve van de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor de periode van 1 augustus tot 1 januari wordt gebaseerd op de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober na de opening, en op basis van het aantal leerlingen op 1 oktober na de opening.

4. De vergoeding voor het schoolbad

Ingevolge artikel 89, derde lid, onderdeel b, ISOVSO worden programma's van eisen vastgesteld voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van de ruimten voor watergewenning en bewegingstherapie. De artikelen van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO met betrekking tot de schoolbaden en het zwemonderwijs zijn aangepast aan de situatie dat er nog uitsluitend een vergoeding voor de materiële instandhouding via de onderwijswetgeving wordt verstrekt omdat immers de vergoeding voor de stichtingskosten en gedeeltelijk de vergoeding voor de andere voorzieningen via het Gemeentefonds verlopen. Zie tevens het algemeen deel van de toelichting.

5. Het begrip programma van eisen

In aansluiting op de wijziging van de WBO en de ISOVSO zijn ook in de uitvoeringsbesluiten enkele wijzigingen van technische aard aangebracht betreffende het correcte gebruik van het begrip programma van eisen.

In enkele gevallen is «programma van eisen» vervangen door «programma's van eisen». Een programma van eisen betreft immers slechts één voorziening, bijvoorbeeld de voorziening energie- en waterverbruik of de voorziening administratie, beheer en bestuur.

Ook is «eisen» vervangen door «programma's van eisen».

6. Maandelijkse verstrekking bestemmingsbedrag en het sneller vaststellen van de juistheid van de basisgegevens en rechtmatige besteding

Grondslag voor de vergoeding voor de materiële instandhouding zijn de normatief bepaalde schoolgrootte naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober van jaar t-1, en het aantal leerlingen op 1 oktober van jaar t-1 (zie algemeen deel van deze toelichting onder 1).

Grondslag is derhalve niet meer het werkelijk aanwezige gebouw. Een en ander betekent dat op basis van het leerlingenaantal op het peilmoment 1 oktober van jaar t-1, de omvang van de vergoeding al vaststaat voor het jaar t.

Ten gevolge van de nieuwe vergoedingssystematiek is het mogelijk de vergoeding niet meer als (maandelijks) voorschot, maar als (maandelijks) bestemmingsbedrag te verstrekken. Naast het feit dat door deze wijze van bekostiging aansluiting wordt gevonden met vergelijkbare bekostigingssystemen van andere onderwijssectoren, heeft het voor het Rijk als voordeel dat in verband met de beheersbaarheid van de overheidsuitgaven, de uitgaven eerder bekend zijn. Het voordeel voor de ontvanger is dat meer zekerheid bestaat omtrent het vergoedingsbedrag.

Zie verder de toelichting bij de artikelen 54 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 45 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO.

7. Voorlichting

In het kader van de voorlichting over het nieuwe LONDO-systeem zal een zogenoemde «dienstregeling» worden opgesteld teneinde inzichtelijk te maken op welk moment activiteiten moeten worden ondernomen door het bevoegd gezag of door ondergetekende.

8. Financiële gevolgen

Het besluit betreft een uitwerking van de Wet vereenvoudiging Londo en de Wet decentralisatie huisvesting. Voor zover er sprake is van financiële gevolgen, vloeien deze voort uit de hiervoor genoemde wetten en wordt voor een uitgebreide toelichting daarnaar verwezen.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I. Wijziging Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel II. Wijziging Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Artikel 1 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 1 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Het vervallen van het begrip «eerste schooldag» hangt samen met de wijzigingen van de artikelen 66 en 76 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en de artikelen 67 en 77a van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO. Deze wijzigingen zijn nodig omdat de bekostiging van nieuwe scholen altijd aanvangt op 1 augustus, hetgeen is bepaald in artikel 53, eerste lid, WBO en artikel 60b ISOVSO.

De begripsomschrijvingen van «voorziening in de huisvesting bestemd voor blijvend gebruik», «voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «aanvullende voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «zelfstandige voorziening in de huisvesting bestemd voor tijdelijk gebruik», «dislocatie» en «architect» vervallen omdat deze begrippen door de in dit besluit voorgestelde wijzigingen in de bekostigingsbesluiten niet meer voorkomen. Voor de begripsomschrijving van «hoofdgebouw» geldt het voorgaande alleen voor het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO.

De begripsomschrijvingen van «A-lokaal», «B-lokaal» en «C-lokaal» vervallen omdat ingevolge de Wet decentralisatie huisvesting de vergoeding voor de gymnastiekaccommodaties naar het Gemeentefonds is overgeheveld. Zie tevens het algemeen deel van de toelichting.

Voor zover het betreft de begripsomschrijving van «schoolbad» en de vervallen begripsomschrijvingen van het «A-bad» en «B-bad» zij verwezen naar het algemeen deel van de toelichting onder 4. Tevens kan de begripsomschrijving van een «C-bad» vervallen. De scholen zonder schoolbad ontvangen een zwemvergoeding per leerling die in de programma's van eisen is vastgesteld en is geïntegreerd in de materiële vergoeding per leerling.

Artikel 2 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO

De toevoeging aan het opschrift van artikel 2 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO zorgt er voor dat het opschrift in overeenstemming is met de inhoud van voornoemd artikel. De opgave van het vermoedelijk aantal leerlingen is noodzakelijk in verband met de vaststelling van de hoogte van de vergoeding vanaf 1 augustus.

Artikel 3 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 3 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Deze technische wijziging hangt samen met de maandelijkse uitkering van bestemmingsbedragen voor de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding. Zie de toelichting bij artikel 54 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 45 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO in samenhang met het algemeen deel van deze toelichting onder 6.

Artikel 12a Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 10a Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Door het vervallen van de artikelen 98 WBO en 95 ISOVSO ingevolge de Wet decentralisatie huisvesting, vervalt de verwijzing naar deze artikelen in artikel 12a, tweede lid, Bekostigingsbesluit WBO/OWBO respectievelijk artikel 10a, tweede lid, Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO eveneens.

Door de wijziging van het tweede lid, onderdeel b, van voornoemd artikel 12a en voornoemd artikel 10a wordt aangesloten bij de in artikel 93, eerste lid, WBO respectievelijk artikel 90, eerste lid, ISOVSO onderscheiden programma's van eisen. Voor het vervallen van het tweede lid, onderdeel e, zij verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting onder 1.

Hoofdstuk II Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en hoofdstuk II Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De hoofdstukken II van beide bekostigingsbesluiten vervallen aangezien de grondslag voor nadere voorschriften voor de huisvesting is komen te vervallen ingevolge de Wet decentralisatie huisvesting. Voor het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO was de grondslag gelegen in artikel 51 WBO, en voor het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO was dat artikel 59 ISOVSO.

Artikel 48 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 40 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Artikel 48 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 40 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO vervallen aangezien de WBO en de ISOVSO voorzien in een regeling ten aanzien van de aanspraak op vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van nieuwe scholen. Zie de artikelen 100, zesde lid, van de WBO en 97, zesde lid, van de ISOVSO. Ingevolge de artikelen 53, eerste lid, van de WBO en 60b van de ISOVSO vangt de bekostiging aan per 1 augustus van een schooljaar.

Artikel 49 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 41 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De wijzigingen van artikel 49 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 41 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO vloeien voort uit het door de Wet vereenvoudiging Londo gewijzigde artikel 100 WBO en 97 ISOVSO. Ingevolge harmonisatie met de bepalingen omtrent de personele vergoeding (zie artikel 67 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 68 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO) is de verstrekking op elke vijftiende dag van de maand gewijzigd in verstrekking per maand. Zie tevens het algemeen deel van deze toelichting onder 6.

Het aan voornoemd artikel 49 toegevoegde tweede lid hangt samen met een eventuele hogere vergoeding op grond van het aantal leerlingen in de periode 1 oktober tot 1 maart (zie artikel 100, zevende lid, van de wet) van het uitkeringsjaar. Het aan voornoemd artikel 49 toegevoegde derde lid hangt samen met aanpassingen van het maandelijkse vergoedingsbedrag ingevolge de juistheidscontrole van een accountant (zie artikel 54, vierde lid, Bekostigingsbesluit WBO/OWBO).

Het aan voornoemd artikel 41 toegevoegde tweede lid hangt samen met een eventuele hogere vergoeding op grond van het aantal leerlingen op 16 januari (zie artikel 97, zevende lid, van de wet) van het uitkeringsjaar. Het toegevoegde derde lid is evenals voornoemd artikel 49, derde lid, van toepassing indien de juistheidscontrole van een accountant daartoe noodzaakt.

Artikelen 50, 51 en 51a Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en de artikelen 42 en 42a Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De artikelen 50, 51 en 51a Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 42 en 42a Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO vervallen aangezien de bekostiging van de materiële voorzieningen niet meer bij voorschot plaatsvindt (zie algemeen deel van de toelichting onder 6 alsmede de toelichting bij artikel 49 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 41 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO).

Artikel 52 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 43 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Artikel 52 van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 43 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO zijn een uitwerking van de artikelen 100 WBO onderscheidenlijk 97 ISOVSO.

De grondslag voor die vergoeding voor kalenderjaar t is:

a. de schoolgrootte die normatief wordt bepaald op basis van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen naar de maatstaf van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar t-1, en

b. het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar t-1 (zie het vijfde lid van de artikelen 100 WBO en 97 ISOVSO).

Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen, dat derhalve een maatstaf vormt voor de schoolgrootte, wordt bepaald aan de hand van voornoemde artikelen 52 en 43.

Voor de schoolsoort meervoudig gehandicapte kinderen is in de tabel van artikel 43, eerste lid, de factor N op 7 gesteld, tenzij bij beschikking anders is vastgesteld. De factor N is 7 geldt voor de meest voorkomende combinaties van handicaps. In incidentele gevallen doen zich combinaties voor waarvoor een andere factor N moet worden gehanteerd. Voor die uitzonderlijke situaties wordt de factor N bij beschikking vastgesteld.

Voor de achtergrond van deze wijze van berekening van de vergoeding en de loskoppeling van de materiële exploitatievergoeding van gebouwkenmerken zij verwezen naar het algemeen deel van de nota van toelichting onder 1.

Artikel 52 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO

Voor het berekening van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt bij het basisonderwijs rekening gehouden met het gewogen aantal leerlingen. Daarmee wordt aangesloten bij de huidige vergoedingssystematiek ten aanzien van extra huisvestingsvoorzieningen die worden toegekend op basis van het gewogen aantal leerlingen. Voor de omvang van de huisvesting telt het gewicht van de leerlingen voor de helft mee, zoals is geformuleerd in de formule G = A + 1/2(B – A). G is ten minste gelijk aan A.

A is het normatief bepaalde aantal groepen op grond van het feitelijk aantal leerlingen op 1 oktober in jaar t-1 verhoogd met 3%.

B is het normatief bepaalde aantal groepen op grond van het gewogen aantal leerlingen op 1 oktober in jaar t-1, verminderd met 9% van het feitelijk aantal leerlingen en vervolgens verhoogd met 3%.

Bij de vaststelling van het normatief bepaalde aantal groepen op grond van het leerlingenaantal op de teldatum van 1 oktober wordt het gewogen aantal en het feitelijk aantal leerlingen normatief verhoogd met 3%, vanwege de instroom van 4- en 5-jarigen tijdens het schooljaar, overeenkomstig de systematiek van de berekening van het aantal formatieplaatsen in artikel 7, vierde lid, van het Formatiebesluit WBO 1992.

Wanneer in de periode tussen 1 oktober van jaar t-1 en 1 maart van jaar t, aanspraak bestond op verhoging van de formatie ingevolge artikel 12 van het Formatiebesluit WBO 1992 (zie artikel 100, zevende lid, WBO), is het aantal leerlingen op 1 maart van jaar t (in plaats van 1 oktober van jaar t-1) voor de berekening van het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen van toepassing. De verhoging van 3% vindt niet plaats omdat per 1 maart de werkelijke instroom van 4- en 5-jarige leerlingen al deel uit maakt van de groeicijfers.

In artikel 52, vierde lid, wordt bepaald dat nevenvestigingen voor de normatieve vaststelling van de schoolgrootte in verband met de vergoeding voor de materiële instandhouding als zelfstandige scholen worden gezien.

Artikel 43 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Het normatief bepaalde aantal te huisvesten groepen leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt per school en per afdeling berekend door telkens het aantal leerlingen voor de desbetreffende school of afdeling te delen door de daarvoor geldende groepsdeler (factor N). Bij de materiële bekostiging wordt per groep leerlingen rekening gehouden met een normatief bepaald aantal lokalen, waarin naast de groepslokalen ook de extra lokalen voor onder meer handvaardigheid normatief zijn verdisconteerd.

In het schema van artikel 43 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO is met inachtneming van de systematiek van de ISOVSO gekozen om aan te sluiten bij de letteraanduiding van de indeling van het (voortgezet) speciaal onderwijs zoals aangegeven in artikel 2, tweede lid, van de ISOVSO, en is, mede omdat die letteraanduiding is ingeburgerd in het veld, bewust afgezien van verlettering van de schoolsoorten aangegeven bij de letter f en volgende tot de letter d en volgende.

In dit schema ontbreekt de schoolsoort visueel gehandicapte kinderen omdat deze voor de toekenning van de vergoeding voor de materiële instandhouding een geheel eigen systematiek kent ingevolge artikel 97 van de ISOVSO en artikel XII van de wet van 31 mei 1995, houdende wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en van enkele andere wetten inzake samenvoeging van de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en onderwijs aan slechtziende kinderen tot de schoolsoort onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen (Stb. 1995, 319).

Artikel 54 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 45 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De artikelen 54 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 45 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO betreffen de vaststelling van de vergoeding voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding voor het jaar t. In chronologische volgorde is de systematiek om tot de vaststelling van die vergoeding te komen als volgt:

– Op 1 oktober van jaar t-1 wordt het aantal leerlingen geteld.

– Voor 1 januari van het bekostigingsjaar t wordt de leidraad voor de accountant vastgesteld (zie het derde lid van voornoemde artikelen 54 en 45) ten behoeve van:

a. de juistheidscontrole in het bekostigingsjaar van de basisgegevens. Deze controle ziet op het nagaan van de juistheid van de door de scholen opgegeven gegevens, waarop de maandelijkse vergoeding van jaar t is gebaseerd, en

b. de rechtmatigheidscontrole van de uitgaven in jaar t die plaatsvindt in jaar t+1. Deze controle ziet op het nagaan of de uitgaven zijn besteed overeenkomstig artikel 105h WBO en artikel 102i ISOVSO (zie ook de artikelen 114 WBO en 110 ISOVSO).

– Voor 1 februari van jaar t wordt de beschikking verzonden waarin de vergoeding wordt vastgesteld van jaar t. In de beschikking wordt aangegeven op welke gegevens de vergoeding is gebaseerd.

– Voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs geldt voor wat betreft het aantal leerlingen op 16 januari het volgende. Indien als gevolg van het aantal leerlingen op 16 januari aanspraak bestaat op verhoging van de formatie ingevolge artikel 9 van het Formatiebesluit ISOVSO 1992, bestaat ingevolge artikel 97, zevende lid, ISOVSO ook aanspraak op verhoging van de vergoeding voor de materiële instandhouding. In verband daarmee en gebaseerd op de desbetreffende melding van het aantal leerlingen ingevolge artikel 10, tweede lid, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO, ontvangt het bevoegd gezag van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs voor 1 mei daaropvolgend een beschikking waarin de vergoeding nader wordt vastgesteld (voornoemd artikel 45, vijfde lid).

– Voor een school voor basisonderwijs geldt voor wat betreft het aantal leerlingen op 1 maart het volgende. Indien als gevolg van het aantal leerlingen in de periode tussen 1 oktober tot 1 maart aanspraak bestaat op verhoging van de formatie ingevolge artikel 12 van het Formatiebesluit WBO 1992, bestaat ingevolge artikel 100, zevende lid, WBO ook aanspraak op verhoging van de vergoeding voor de materiële instandhouding. Indien het bevoegd gezag uiterlijk 15 maart een opgave verstrekt van het verhoogde aantal leerlingen ontvangt het bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs voor 1 mei daaropvolgend een beschikking waarin de vergoeding nader wordt vastgesteld (voornoemd artikel 54, vijfde lid).

– Voor 1 juli van jaar t zendt het bevoegd gezag in:

a. een verklaring omtrent de juistheid van de gegevens,

b. voor zover het betreft een school voor basisonderwijs indien artikel 100, zevende lid, van de WBO van toepassing is: het aantal leerlingen op

1 maart van dat jaar (tenzij het bevoegd gezag die melding reeds voor 15 maart heeft gedaan, zie artikel 54, vijfde lid),

c. de door de accountant op hun juistheid gecontroleerde gegevens, alsmede de gecontroleerde gegevens voortvloeiende uit het gestelde onder b, voor de bekostiging over jaar t, en

d. de accountantsverklaring over de rechtmatigheid van de uitgaven over het jaar t-1.

– Voor een school voor basisonderwijs geldt dat indien de juistheidscontrole over de gegevens, inclusief de telgegevens van 1 maart ingevolge artikel 100, zevende lid, WBO, daartoe noodzaakt, de minister voor 1 oktober van jaar t de vergoeding voor jaar t nader vaststelt (zie artikel 54, zesde lid, Bekostigingsbesluit WBO/OWBO). Deze aangepaste vergoeding wordt verrekend met de vergoedingen voor de maanden oktober tot en met december (zie artikel 49, derde lid, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO).

Laatstbedoelde beschikking wordt pas genomen nadat de juistheidscontrole is uitgevoerd. In de periode dat die controle wordt uitgevoerd, worden tevens de door de inspectie aangeleverde gegevens verwerkt.

– Voor een school geldt, zoals eerder vermeld, dat indien artikel 100, zevende lid, WBO of artikel 97, zevende lid, ISOVSO van toepassing is, de minister de vergoeding van jaar t, voor 1 mei van dat jaar, zulks in verband met de gegevens van de inspectie, nader vaststelt. Voor het basisonderwijs geldt daarbij de voorwaarde dat het bevoegd gezag voor 15 maart opgave heeft gedaan van het aantal leerlingen op 1 maart. Deze nader vastgestelde vergoeding wordt verrekend met de vergoeding voor de maanden mei tot en met december van jaar t (zie artikel 49, tweede lid, Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 41, tweede lid, Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO). Indien vervolgens de juistheidscontrole door een accountant leidt tot een nadere vaststelling van de vergoeding, wordt laatstbedoelde vergoeding verrekend met de resterende vergoedingen voor de maanden oktober tot en met december van jaar t (zie artikel 49, derde lid, Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 41, derde lid, Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO).

– Voor zowel een school voor basisonderwijs, als een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs kan de rechtmatigheidscontrole van de accountant reden zijn tot een wijziging van een eerdere vaststelling van de vergoeding. De minister kan dan in een later jaar alsnog de vergoeding van jaar t herzien.

Artikelen 55 en 56 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en de artikelen 46 en 47 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De wijzigingen van de artikelen 55 en 56 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 46 en 47 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO zijn van technische aard en betreffen het correct gebruik van het begrip programma van eisen. Het tweede en derde lid van artikel 47 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO vervallen omdat de vergoeding niet meer is gebaseerd op de werkelijke huisvestingssituatie (zie algemeen deel van deze toelichting onder 1).

Artikel 53 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

In het eerste lid van artikel 53 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO wordt bepaald dat de vergoeding voor de materiële instandhouding van een schoolbad aanvangt met ingang van de maand voorafgaand aan de melding van ingebruikneming en eindigt met ingang van de maand volgend op de maand van buitengebruikstelling.

In het tweede lid wordt verwezen naar verschillende artikelen met betrekking tot de exploitatievergoeding van scholen die voor de exploitatievergoeding voor baden van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikelen 57 tot en met 61a Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikelen 48 tot en met 52a Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De regeling omtrent de leegstandscorrectie, zoals die was opgenomen in de artikelen 57 tot en met 61a Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en in de artikelen 48 tot en met 52a Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO vervalt. In verband met de gewijzigde grondslag voor de vergoeding voor de materiële instandhouding – de vergoeding is niet meer gebaseerd op de werkelijke huisvestingssituatie (zie algemeen deel van deze toelichting onder 1) – speelt leegstand geen rol meer.

Artikel 62 tot en met 64 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 53 tot en met 55 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Zie de toelichting bij artikel 1 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 1 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO.

Artikel 65 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 56 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Artikel 65 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 56 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO vervallen omdat de in voornoemde artikelen bedoelde vergoeding valt onder het gestelde in artikel 100, eerste lid, van de WBO onderscheidenlijk artikel 97, eerste lid, van de ISOVSO.

Artikelen 66 en 76 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en de artikelen 67 en 77a Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De bekostiging van nieuwe scholen kan ingevolge artikel 53, eerste lid, WBO en artikel 60b ISOVSO slechts aanvangen op 1 augustus. De wijzigingen van de artikelen 66 en 76 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en de artikelen 67 en 77a Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO hangen hiermee samen. Zie tevens de toelichting bij artikel 1 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 1 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO in verband met het vervallen van het begrip «eerste schooldag».

Artikel 75 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 76 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De artikelen 75 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 76 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO betreffen de afrekening van de vergoeding voor de uitgaven voor het personeel. Een aantal data is geharmoniseerd met die van de materiële bekostiging (zie de artikelen 54 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 45 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO).

De systematiek wordt aldus:

– Voor 1 januari van het bekostigingsjaar t wordt de leidraad voor de accountant gepubliceerd ten behoeve van:

a. de controle van de personele uitgaven voor de bekostiging over het jaar t-1, en

b. de accountantsverklaring voor t-1.

– Voor 1 juli van het jaar t zendt het bevoegd gezag de Aanvraag rijksvergoeding voor het jaar t-1, aan Onze minister samen met:

a. een verklaring omtrent de juistheid van de gegevens (van het jaar t-1);

b. de door de accountant op juistheid gecontroleerde gegevens voor de bekostiging over het jaar t-1, en

c. de accountantsverklaring over de rechtmatigheid van de uitgaven over het jaar t-1.

– Voor 1 februari van jaar t worden de gegevens voor de bekostiging over jaar t-1 aan de scholen verstrekt ten behoeve van de indiening van de Aanvraag rijksvergoeding voor het jaar t-1.

– Voor 1 juli van jaar t+2 wordt de afrekening voor het jaar t-1 (afrekenbeschikking met definitieve vergoeding en eventueel een te verrekenen bedrag) definitief vastgesteld.

In het derde lid van voornoemde artikelen 75 en 76 vervalt «leerlingenaantallen», aangezien kan worden volstaan met het aantal formatierekeneenheden dat een afgeleide is van de leerlingenaantallen.

Artikel 76c Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 77d Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De artikelen 76c Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 77d Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO betreffen de terugstorting van niet bestede nascholingsgelden. De toelichting bij artikel 75 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 76 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 79 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De wijziging van artikel 79, eerste lid, Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO met betrekking tot de wijziging van de termijn van een week in twee weken, betreft een harmonisatie met de wijziging van artikel 10 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO, voortvloeiend uit het besluit van 5 maart 1996, tot wijziging van enkele besluiten in verband met de voorschriften inzake de leerlingenadministratie en de leerlingentelling (Stb. 1996, 221).

Het tweede lid dat voorziet in een verlenging van de termijn voor inzending, vervalt. De reden daarvoor is dat de inzendingstermijn met een week is verlengd, waardoor een verdere verlenging wegens het vervallen van de aangewezen datum op een dag waarop geen les wordt gegeven, niet meer nodig is.

Het derde lid vervalt eveneens aangezien artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid dat een bestuursorgaan een formulier vaststelt.

Artikel 83 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Artikel 83 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO betreft de afrekening van de vergoeding voor de uitgaven voor ambulante begeleiding. Voor de systematiek is de toelichting van de artikelen 75 Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en 76 Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO van overeenkomstige toepassing.

Bijlagen I, II, III, IV, V en VI Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en bijlagen I , II, III, IV en V Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

De bijlagen I tot en met VI van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en bijlagen I tot en met IV van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO vervallen. Bijlage V (Model en voorschriften financiële jaarverslaggeving instellingen, behorend bij artikel 83b) wordt vernummerd tot bijlage I.

Zie het algemeen deel van de toelichting alsmede de toelichting bij het vervallen verklaren van de hoofdstukken II van de beide bekostigingsbesluiten.

Artikel II. Wijziging Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO

Voor de wijzigingen van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO zij verwezen naar de toelichting bij de corresponderende wijzigingen in het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO.

Artikel III. Wijziging Onderwijskundig besluit ISOVSO

Er zullen niet langer aparte bedragen voor verbruikte materialen en het medegebruik van lokalen in het kader van symbiose bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Het wordt aan de bevoegde gezagsorganen overgelaten of een bedrag en zo ja, welk bedrag daarvoor wordt overeengekomen.

Artikel IV, artikel V en artikel VI

Het Besluit onderwijsvoorrangsgebieden en het Besluit trekkende bevolking WBO bevatten verwijzingen naar artikelen in het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO. Deze verwijzingen moeten in overeenstemming worden gebracht met de wijzigingen die door middel van het onderhavige besluit worden aangebracht in die bekostigingsbesluiten. Bedoelde aanpassingen zijn in de artikelen IV en V nog niet verwerkt. De reden daarvan is gelegen in artikel VI. Artikel VI bepaalt dat het gehele Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en het gehele Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO (opnieuw) in het Staatsblad worden gepubliceerd waarbij de nummering van hoofdstukken, titels, afdelingen en artikelen opnieuw wordt vastgesteld. Die nieuwe nummering heeft haar doorwerking naar de verwijzingen in de in artikel IV en V genoemde besluiten, zodat de wijzigingen in die besluiten met die nummering in overeenstemming moeten worden gebracht.

Artikel VII. Overgangsbepaling

De voorschriften zoals die luidden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op de tijdvakken waarover zij gelding hadden. In het kalenderjaar 1997 wordt in artikel 54, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en artikel 45, eerste lid, van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO voor «1 juli» gelezen

«1 november». Hierdoor wordt voorkomen dat bevoegde gezagsorganen in het kalenderjaar 1997 op twee verschillende tijdstippen informatie moeten verstrekken aan de minister: voor 1 juli over 1997 op grond van genoemde artikelen en voor 1 november over 1996 op grond van de tot nu toe geldende regelingen.

Artikel VIII. Inwerkingtreding

De inwerkingtreding op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip hangt samen met het feit dat het onderhavige besluit moet worden voorgehangen. Het ligt in de bedoeling het besluit in werking te laten treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin eerstbedoeld besluit wordt geplaatst. Hierop zal een uitzondering gelden voor wat betreft de artikelen 49, tweede en derde lid, 54, vijfde en zesde lid, 75 en 76c van het Bekostigingsbesluit WBO/OWBO en de artikelen 41, tweede en derde lid, 45, vijfde en zesde lid, 76, 77d en 83 van het Bekostigingsbesluit ISOVSO/OISOVSO. Deze zullen in werking treden met ingang van 1 januari 1998.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

T. Netelenbos


XNoot
1

Stb. 1985, 558, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 juli 1996, Stb. 426.

XNoot
2

Stb. 1987, 617, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 juli 1996, Stb. 426.

XNoot
3

Stb. 1985, 517, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 juli 1996, Stb. 426.

XNoot
4

Stb. 1993, 327, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 juli 1996, Stb. 424.

XNoot
5

Stb. 1993, 232, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 23 juli 1996, Stb. 426.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 13 mei 1997, nr. 88.

Naar boven