Besluit van 18 december 1996 tot wijziging van het
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 19 november 1996, nr. SV/GSV/96/4516, gedaan mede namens Onze Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op artikel 6, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, artikel 13, tweede lid van de Algemene nabestaandenwet, artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, artikel 5, tweede lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
en artikel 4, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet;
De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1996, nr. W 12.96.0549);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 13 december 1996, nr. SV/GSV/96/5179, uitgebracht mede
namens Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Hebben goedgevonden en verstaan:
ARTIKEL I
Het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen
19891 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:
1°. De punt aan het einde van artikel 10, eerste lid, wordt vervangen
door een komma, waarna de volgende zinsnede wordt toegevoegd: tenzij die arbeid
wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende
of gevestigde werkgever.
2°. Het derde lid vervalt waarna het vierde lid wordt vernummerd tot
derde lid.
ARTIKEL II
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota
van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
histnoot's-Gravenhage, 18 december 1996
Beatrix
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F. H. G. de Grave
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
Uitgegeven de drieëntwintigste december 1996
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA VAN TOELICHTING
Bij brief van 23 november 1993 heeft de toenmalige Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Voorzitter van de vaste Commissie
voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer zijn voornemen kenbaar
gemaakt om tot een volledige herbezinning van het Besluit uitbreiding en beperking
kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (kortweg KB 164) over te gaan. In
het verlengde van deze toezegging heeft de huidige regering op 29 mei jongstleden
een beleidsnotitie naar de Voorzitter van de Tweede Kamer gezonden (vergaderjaar
1995–1996, 24 754, nr. 1), waarin zij haar plannen ontvouwt om
het betreffende besluit op een aantal plaatsen te herzien. De regering is
van mening dat deze herziening – zoals ook vermeld in haar brief van
12 september 1996 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (vergaderjaar 1995–1996,
24 754, nr. 3) – per 1 januari 1998 zal moeten ingaan. Vooruitlopend
op de afronding van de discussie met het Parlement over de herziening van
dit besluit wordt het op een onderdeel gewijzigd. Deze wijziging dient al
in te gaan per 1 januari 1997, omdat het vanwege de toepasbaarheid van de
fiscale faciliteit voor de zeevaart van belang is dat – voorzover dit
ontwerpbesluit betrekking heeft op degenen die in die sector werkzaam zijn –
de inwerkingtreding reeds op 1 januari 1997 plaatsvindt.
Artikel 10 kent een beperking van de kring van verzekerden door ingezetenen
die buiten Nederland arbeid verrichten (hetzij in dienstbetrekking, hetzij
anders dan in dienstbetrekking) uit te sluiten van de verzekering. Ingezetenen
die buiten Nederland werkzaamheden in dienstbetrekking gaan verrichten, maar
die een nauwe band met Nederland blijven behouden, dienen echter verzekerd
te blijven voor de volksverzekeringen. Gebleken is namelijk, dat personen
die uitsluitend in het buitenland – afgezien van EU-/EER- of verdragslanden –
werkzaamheden in loondienst verrichten meestal in het geheel niet dan wel
zeer gebrekkig verzekerd zijn krachtens het aldaar geldende sociale verzekeringsstelsel.
Vaak ook werken de betreffende personen op zee (baggeraars, zeelieden) en
vallen dan onder de sociale verzekeringswetgeving van geen enkel land. Voorts,
als er al sprake is van een sociale verzekering elders, dan zal deze gezien
de aard van de te verrichten werkzaamheden zeer versnipperd zijn. Derhalve
is de sociale bescherming van de betreffende groep Nederlands ingezetenen
gediend met een voortgezette dekking voor de risico's, waarvoor de volksverzekeringen
bescherming bieden. Ook wordt gewezen op de systematiek van de werknemersverzekeringen.
Op grond van die regelingen zijn Nederlands ingezetenen die buiten Nederland
in loondienst werkzaam zijn voor een in Nederland wonende of gevestigde werkgever,
verzekerd. Van een nauwe band met Nederland is sprake, indien naast het ingezetenschap
de werkgever in Nederland woont of gevestigd is. De woon- respectievelijk
vestigingseis leidt ertoe dat ook de premie-inning soepel zal kunnen verlopen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt, dat deze uitzondering op de beperking
van de kring der verzekerden niet geldt, wanneer op basis van een verdrag
inzake sociale zekerheid tussen Nederland en één of meer andere
staten of op basis van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing
van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede
op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB EG 1992,
nr. C325, van 10 december 1992, blz. 1), de wetgeving van een andere staat
van toepassing wordt verklaard.
De groepen die met het gewijzigde artikel 10 te maken krijgen zijn in
het bijzonder de tijdelijk door een Nederlandse werkgever elders tewerkgestelde
personen, zeelieden en baggeraars. Zoals reeds hierboven werd aangegeven is
de met deze wijziging bereikte duidelijkheid omtrent de verzekeringspositie
van in Nederland woonachtige zeelieden en baggeraars vooral van
belang voor de werkgever in verband met de omvang van de faciliteit voor de
zeevaart. In een aantal gevallen zal deze faciliteit beter kunnen worden benut,
indien door de verschuldigdheid van premies een hogere loonheffing is verschuldigd.
Voorts zij vermeld dat de driemaandstermijn van de oude bepaling is gehandhaafd
en derhalve blijft gelden voor werknemers die uitsluitend buiten Nederland
werkzaam zijn in dienstbetrekking van een buitenlandse werkgever en voor personen
die anders dan in dienstbetrekking (zoals zelfstandigen) uitsluitend buiten
Nederland werkzaam zijn. Beide groepen zijn, indien zij langer dan drie maanden
in het buitenland werken, vanaf de eerste dag dat de werkzaamheden in het
buitenland worden vervuld niet verzekerd.
Aan het derde lid van artikel 10 is niet langer behoefte, omdat een Nederlandse
publiekrechtelijke rechtspersoon valt onder het begrip «een in Nederland
wonende of gevestigde werkgever».
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F. H. G. de Grave
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers
XNoot
1Stb. 1989, 164, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 11 december 1996,
Stb. 639.
XHistnoot
Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond
van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat
het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.